Hof Amsterdam, 14-08-2008, nr. 106.006.484/01
ECLI:NL:GHAMS:2008:BG7234
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
14-08-2008
- Magistraten
Mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann, R.J.Q. Klomp
- Zaaknummer
106.006.484/01
- LJN
BG7234
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2008:BG7234, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑08‑2008
Uitspraak 14‑08‑2008
Mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann, R.J.Q. Klomp
Partij(en)
ARREST
in de zaak van:
de maatschap DE RAADSLIJN HAARLEMMERMEER,
gevestigd te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,
APPELLANTE,
procureur: mr. S.H.R. van Heeks,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. A.P.W. Tonen.
De partijen worden hierna De Raadslijn en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
1.1
Bij dagvaarding van 23 februari 2007, hersteld bij exploot van 22 maart 2007, is De Raadslijn in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 29 november 2006, in deze zaak onder zaaknummer/-rolnummmer 124951 / HA ZA 06-751 gewezen tussen De Raadslijn als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
1.2
De Raadslijn heeft bij memorie tien grieven geformuleerd en toegelicht en een productie in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, [geïntimeerde] bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog zal veroordelen tot betaling van € 13.397,84, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding in beide instanties.
1.3
Daarop heeft [geïntimeerde] geantwoord, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van De Raadslijn in — zo begrijpt het hof — de kosten van dit geding in hoger beroep.
1.4
De partijen hebben de zaak op 16 mei 2008 doen bepleiten, De Raadslijn door mr. Van Heeks voornoemd, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerde] door mr. J.H. Heerebout, advocaat te Nieuw-Vennep. Mr. Van Heeks heeft gepleit aan de hand van pleitnotities die zij aan het hof heeft overgelegd.
1.5
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Grieven
Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de onder 1.2 genoemde memorie.
3. Beoordeling
3.1
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
3.2
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. De Raadslijn heeft op 11 september 2003 met [geïntimeerde] een overeenkomst van opdracht gesloten, hierna: de overeenkomst. Deze overeenkomst hield in dat De Raadslijn [geïntimeerde] verschillende diensten zou verlenen. Deze diensten bestonden uit onderhandelen met de (voormalige) makelaar van [geïntimeerde], [naam], en ingeval dat niet het gewenste resultaat zou opleveren, [geïntimeerde] van rechtskundige bijstaand voorzien en hem verder begeleiden bij een te voeren procedure tegen [naam]. [geïntimeerde] was € 250,- aan De Raadslijn verschuldigd voor de onderhandelingsfase indien niet het gewenste resultaat zou worden bereikt. Indien geprocedeerd zou moeten worden, hebben partijen in de overeenkomst een zogenaamde ‘no cure — no pay’-afspraak gemaakt, inhoudende dat [geïntimeerde] bij behaald succes 20% van de vergoeding waartoe [naam] zou worden veroordeeld aan De Raadslijn zou betalen en bij afwezigheid van enig succes niets aan De Raadslijn verschuldigd zou zijn. Tevens diende [geïntimeerde] een ‘depotbedrag’ van € 10.000,- aan De Raadslijn over te maken voor het betalen van griffie-, procureurs- en deurwaarderskosten.
3.3
De onderhandelingen zoals hierboven genoemd hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. [geïntimeerde] heeft aan De Raadslijn voor de gevoerde onderhandelingen € 250,- betaald. De Raadslijn heeft vervolgens mr. W.G.A. van Hoogstraten, advocaat te Nijmegen, verzocht [geïntimeerde] rechtskundige bijstand te verlenen. Mr. Van Hoogstraten heeft namens [geïntimeerde] een procedure tegen [naam] aangespannen.
3.4
De vordering van [geïntimeerde] tegen [naam] is door de rechtbank afgewezen. Mr. Van Hoogstraten heeft namens [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld. [geïntimeerde] heeft vervolgens — mr. Van Hoogstraten had nog geen grieven geformuleerd — een eigen advocaat, mr. Heerebout, ingeschakeld en, zo begrijpt het hof, verder geen gebruik gemaakt van de diensten van mr. Van Hoogstraten.
3.5
Mr. Heerebout heeft namens [geïntimeerde] bij faxbericht van 1 mei 2006 de overeenkomst opgezegd en het depotbedrag teruggevorderd. De Raadslijn heeft vervolgens eveneens op 1 mei 2006 [geïntimeerde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 47.600,-. Dit bedrag is ondanks sommaties niet betaald en vorderde De Raadslijn in de onderhavige procedure in eerste aanleg.
3.6
De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vordering van De Raadslijn tot een bedrag van € 380,80 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van De Raadslijn in de proceskosten. Genoemd bedrag acht de rechtbank een redelijke vergoeding voor de kosten die De Raadslijn ten behoeve van het hoger beroep zoals dat door mr. Van Hoogstraten is ingesteld, heeft moeten maken.
3.7
Het hof ziet aanleiding de grieven gezamenlijk te bespreken.
3.8
De Raadslijn vordert vergoeding van de door haar gedragen kosten en ter zake van de door haar bestede tijd, betrekking hebbend op de werkzaamheden die zij voor [geïntimeerde] heeft verricht. Volgens de Raadslijn is het feit dat [geïntimeerde] de overeenkomst heeft opgezegd geen reden voor [geïntimeerde] om geen kosten aan de Raadslijn te vergoeden. De Raadslijn ziet de door haar in eerste aanleg gemaakte kosten als onlosmakelijk verbonden met het door [geïntimeerde] ingestelde hoger beroep, het hoger beroep waartoe [geïntimeerde] volgens De Raadslijn op grond van de overeenkomst gehouden was. Derhalve moeten volgens haar ook de aan de procedure in eerste aanleg verbonden kosten worden vergoed. De Raadslijn stelt zich voorts op het standpunt dat [geïntimeerde] is gebaat bij de door De Raadslijn verrichte inspanningen.
3.9
Op grond van de overeenkomst was, kort gezegd, De Raadslijn gehouden [geïntimeerde] van rechtskundige bijstand te voorzien en was [geïntimeerde] gehouden bij behaald resultaat (daaronder ook begrepen het toewijzen van een deel van de vordering) 20% van de te ontvangen schadevergoeding als honorarium aan De Raadslijn te betalen. Beide partijen duiden de gemaakte afspraken aan als een ‘no cure — no pay’-overeenkomst.
3.10
De vraag die nu beantwoord moet worden is of [geïntimeerde] enige vergoeding aan De Raadslijn verschuldigd is nu [geïntimeerde] zich in hoger beroep van een andere advocaat heeft voorzien dan de door De Raadslijn voor hem ingeschakelde advocaat en de overeenkomst met De Raadslijn heeft opgezegd.
3.11
Het hof stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat het [geïntimeerde] vrijstond op het moment dat hij in hoger beroep van grieven moest dienen de overeenkomst op grond van artikel 7:408 lid 1 BW door opzegging te beëindigen, niet langer gebruik te maken van de hem aangeboden diensten van mr. Van Hoogstraten en zich verder te laten bijstaan door mr. Heerebout.
3.12
De kern van de overeenkomst is dat [geïntimeerde] alleen bij behaald resultaat een vergoeding (ter grootte van 20% van het behaalde resultaat) aan De Raadslijn verschuldigd is. Vast staat dat op het moment dat [geïntimeerde] de overeenkomst opzegde, de vordering van [geïntimeerde] door de rechtbank was afgewezen. Er was dus op het moment van de opzegging van de overeenkomst geen resultaat in de zin van de overeenkomst behaald en [geïntimeerde] was daarom op dat moment op grond van de overeenkomst niets aan de Raadslijn verschuldigd.
3.13
Voor zover De Raadslijn haar vordering tot vergoeding van geleden schade baseert op onrechtmatige opzegging van de overeenkomst, gaat De Raadslijn uit van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van artikel 7:408 lid 3 is [geïntimeerde] als natuurlijk persoon die een opdracht heeft verstrekt anders dan in uitoefening van een beroep op bedrijf, geen schadevergoeding aan De Raadslijn ter zake van de opzegging verschuldigd. Nu De Raadslijn haar standpunt dat [geïntimeerde] in het kader van bedrijfsuitoefening handelde onvoldoende heeft onderbouwd, gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde] in deze als natuurlijk persoon in bovengenoemde zin heeft gehandeld. Anders dan De Raadslijn stelt, kan uit het enkele feit dat [geïntimeerde] een onderneming had, niet worden afgeleid dat hij bij het sluiten van de overeenkomst in de uitoefening van deze onderneming handelde.
3.14
De Raadslijn heeft haar vordering voorts gebaseerd op artikel 7:411 BW. Genoemd artikel bepaalt dat een opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht of van het verstrijken van die tijd. In het onderhavige geval is het loon voor De Raadslijn op grond van de overeenkomst afhankelijk gesteld van het (in een juridische procedure) te behalen resultaat. Het overeengekomen loon is niet afhankelijk van het al dan niet volbrengen van de opdracht, noch van het verstrijken van de tijd waarvoor zij is verleend. Dit is daarom een situatie waarop artikel 7:411 BW niet van toepassing is.
3.15
Wat betreft de stelling van De Raadslijn dat [geïntimeerde] verplicht was hoger beroep in te stellen, overweegt het hof dat dit niet voortvloeide uit de overeenkomst. Het was aan [geïntimeerde] om wel of niet in hoger beroep te gaan.
3.16
Voor zover De Raadslijn in (haar inleiding op) de grieven, een beroep heeft willen doen op ongerechtvaardigde verrijking, overweegt het hof dat de vordering van [geïntimeerde] tegen [naam] ook in hoger beroep is afgewezen. [geïntimeerde] is daarom niet verrijkt. Reeds om die reden kan De Raadslijn haar vordering jegens [geïntimeerde] niet op ongerechtvaardigde verrijking baseren.
3.17
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat vergoeding van de onkosten die De Raadslijn in verband met het hoger beroep heeft moeten maken redelijk is. Het is de keuze van [geïntimeerde] geweest zich bij het vervolg van de procedure in hoger beroep niet langer te laten bijstaan door de door De Raadslijn aangeboden advocaat. De kosten die deze advocaat voor het instellen van het hoger beroep heeft gemaakt (welke door De Raadslijn aan hem vergoed zijn) komen op basis van het in art. 7:406 BW bepaalde voor vergoeding in aanmerking. Dat De Raadslijn zelf nog kosten heeft gemaakt in verband met het instellen van hoger beroep is onvoldoende gebleken.
3.18
Al hetgeen verder nog door De Raadslijn is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank.
4. Slotsom en kosten
De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De Raadslijn zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
verwijst De Raadslijn in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 1.136,- voor verschotten en € 4.893,- voor salaris van de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann en R.J.Q. Klomp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2008.