Procestaal: Duits.
HvJ EU, 28-04-2022, nr. C-415/20, nr. C-419/20, nr. C-427/20
ECLI:EU:C:2022:306
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
28-04-2022
- Magistraten
A. Prechal, J. Passer, F. Biltgen, N. Wahl, M. L. Arastey Sahún
- Zaaknummer
C-415/20
C-419/20
C-427/20
- Conclusie
T. Ćapeta
- Roepnaam
Gräfendorfer Geflügel - und Tiefkühlkost
F. Reyher
Flexi Montagetechnik
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:306, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 28‑04‑2022
ECLI:EU:C:2022:14, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑01‑2022
Uitspraak 28‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Douane-unie — Rechten op terugbetaling of betaling van bedragen die een lidstaat in strijd met het Unierecht heeft geïnd of geweigerd — Antidumpingrechten, invoerrechten, uitvoerrestituties en geldboeten — Begrip ‘schending van het Unierecht’ — Onjuiste uitlegging of toepassing van het Unierecht — Vaststelling van schending van het Unierecht door een rechterlijke instantie van de Unie of door een nationale rechterlijke instantie — Recht op de betaling van rente — Periode waarop deze betaling betrekking heeft
A. Prechal, J. Passer, F. Biltgen, N. Wahl, M. L. Arastey Sahún
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-415/20, C-419/20 en C-427/20,*
betreffende drie verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter Hamburg, Duitsland) bij beslissingen van 20 augustus 2020 en 1 september 2020, ingekomen bij het Hof op 7, 8 en 10 september 2020, in de procedures
Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions GmbH (C-415/20),
F. Reyher Nchfg. GmbH & Co. KG vertr. d. d. Komplementärin Verwaltungsgesellschaft F. Reyher Nchfg. mbH (C-419/20)
tegen
Hauptzollamt Hamburg (C-415/20 en C-419/20),
en
Flexi Montagetechnik GmbH & Co. KG
tegen
Hauptzollamt Kiel (C-427/20),
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, J. Passer (rapporteur), F. Biltgen, N. Wahl en M. L. Arastey Sahún, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions GmbH, vertegenwoordigd door M. Niestedt en K. Göcke, Rechtsanwälte,
- —
F. Reyher Nchfg. GmbH & Co. KG vertr. d. d. Komplementärin Verwaltungsgesellschaft F. Reyher Nchfg. mbH, vertegenwoordigd door S. Pohl en J. Sparr, Rechtsanwälte,
- —
Flexi Montagetechnik GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door H. Bleier, Rechtsanwalt,
- —
de Nederlandse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Bulterman, L. Noort en J. M. Hoogveld, vervolgens door K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Pethke en M. Salyková als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 januari 2022,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de Unierechtelijke beginselen die betrekking hebben op de terugbetaling van bedragen die de lidstaten in strijd met het Unierecht hebben geïnd, alsmede op de betaling van de overeenkomstige rente.
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van drie gedingen: het eerste tussen Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions GmbH (hierna: ‘Gräfendorfer’) en het Hauptzollamt Hamburg (hoofddouanekantoor Hamburg, Duitsland), het tweede tussen F. Reyher Nchfg. GmbH & Co. KG vertr. d. d. Komplementärin Verwaltungsgesellschaft F. Reyher Nchfg. mbH (hierna: ‘Reyher’) en dit hoofddouanekantoor, en het derde tussen Flexi Montagetechnik GmbH & Co. KG en het Hauptzollamt Kiel (hoofddouanekantoor Kiel, Duitsland). Die gedingen hebben betrekking op vorderingen die strekken tot terugbetaling van bedragen die deze vennootschappen om verschillende redenen hebben betaald aan de twee genoemde hoofddouanekantoren, en tot betaling van de overeenkomstige rente.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Douanewetgeving
3
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: ‘communautair douanewetboek’) is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90; hierna: ‘douanewetboek van de Unie’).
4
Artikel 236, lid 1, van het communautair douanewetboek bepaalde onder meer het volgende:
‘Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was […].
[…]’
5
In artikel 241 van dit wetboek stond onder meer het volgende te lezen:
‘Terugbetaling door de douaneautoriteiten van bedragen aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer en van eventueel bij de betaling van die bedragen ingevorderde rente voor kredietverlening of moratoire interest geeft geen aanleiding tot betaling van moratoire interest door genoemde autoriteiten. Moratoire interest wordt echter wel betaald:
- —
wanneer een naar aanleiding van een verzoek om terugbetaling genomen beschikking niet binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag waarop deze beschikking werd genomen, ten uitvoer wordt gelegd;
- —
wanneer de nationale bepalingen daarin voorzien.
[…]’
6
Artikel 116 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, bepaalt:
- ‘1.
Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen:
- a)
invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht;
[…]
- c)
vergissing van de bevoegde autoriteiten;
[…]
- 6.
Terugbetaling geeft geen aanleiding tot betaling van rente door de douaneautoriteiten.
Er wordt echter wel rente betaald indien een beschikking tot terugbetaling niet binnen drie maanden vanaf de dag waarop deze beschikking werd verleend, ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de niet-naleving van deze termijn niet aan de douaneautoriteiten te wijten is.
In dit geval wordt de rente betaald vanaf de dag waarop de termijn van drie maanden verstrijkt tot de dag van terugbetaling. […]
[…]’
Regelgeving inzake uitvoerrestituties voor landbouwproducten
7
Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB 1999, L 102, blz. 11), waaraan de verwijzende rechter refereert, is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB 2009, L 186, blz. 1).
8
Artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999 luidde:
‘Wanneer wordt vastgesteld dat een exporteur, in het kader van het toekennen van restitutie, een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de voor de werkelijke uitvoer geldende restitutie, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:
- a)
de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;
- b)
het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.’
9
Artikel 48, lid 1, van verordening nr. 612/2009 neemt de bepalingen over die voorheen waren vervat in artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999.
Duits recht
Belastingwetboek
10
De Abgabenordnung (belastingwetboek) (BGBl. 2002 I, blz. 3866), in de versie die van toepassing is op de hoofdgedingen (hierna: ‘belastingwetboek’), bepaalt in § 1 (‘Werkingssfeer’) het volgende:
- ‘(1)
Deze wet geldt voor alle belastingen — daaronder begrepen belastingteruggaven — die door het federale recht of het recht van de Europese Unie zijn geregeld, voor zover zij door federale belastingautoriteiten of belastingautoriteiten van een deelstaat worden beheerd. Zij is slechts van toepassing onder voorbehoud van het recht van de Europese Unie.
[…]
- (3)
De bepalingen van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op bijkomende fiscale verplichtingen, onverminderd het recht van de Europese Unie. […]’
11
§ 3 van het belastingwetboek, met als opschrift ‘Belastingen, bijkomende fiscale verplichtingen’, bepaalt onder meer:
- ‘(1)
Belastingen zijn betalingen in geld, die geen tegenprestatie voor een specifieke dienst vormen en die door een publiekrechtelijke instantie met het oog op het verkrijgen van inkomsten worden opgelegd aan eenieder die in de situatie verkeert waaraan de wet de betalingsverplichting heeft verbonden;
[…]
- (3)
Invoer- en uitvoerrechten als bedoeld in artikel 5, punten 20 en 21, van het douanewetboek van de Unie zijn belastingen in de zin van deze wet. […]
- (4)
Bijkomende fiscale verplichtingen zijn:
[…]
- 4.
rente in de zin van de §§ 233 tot en met 237 […],
[…]
- 8.
rente op invoer- en uitvoerrechten als bedoeld in artikel 5, punten 20 en 21, van het douanewetboek van de Unie,
[…]’
12
§ 37 van het belastingwetboek, met als opschrift ‘Vorderingen uit de belastingschuldverhouding’, bepaalt:
- ‘(1)
Vorderingen uit de belastingschuldverhouding zijn de belastingvordering, de vordering tot teruggaaf van belastingen, […] de vordering uit bijkomende fiscale verplichtingen, de in het tweede lid bedoelde vordering tot terugbetaling en de in afzonderlijke belastingwetten geregelde vorderingen tot terugbetaling van belastingen.
- (2)
Wanneer een belasting, een belastingteruggaaf, […] of een betaling uit hoofde van bijkomende fiscale verplichtingen zonder rechtsgrondslag is voldaan of terugbetaald, heeft degene voor wiens rekening de betaling is verricht, jegens de ontvanger van de betaling een vordering tot terugbetaling van het voldane of terugbetaalde bedrag. […]’
13
§ 233 van het belastingwetboek, met als opschrift ‘Beginsel’, luidt:
‘Over vorderingen uit de belastingschuldverhouding (§ 37) wordt enkel rente vergoed voor zover dit wettelijk is voorgeschreven. […]’
14
§ 236 van dat wetboek, met als opschrift ‘Gerechtelijke rente over verschuldigde bedragen’, luidt als volgt:
- ‘(1)
Wanneer bij of naar aanleiding van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing een vastgestelde belasting wordt verminderd of een belastingteruggaaf wordt verleend, moet over het terug te betalen of te vergoeden bedrag, onder voorbehoud van hetgeen is bepaald in lid 3, rente worden betaald vanaf de datum waarop het beroep aanhangig is gemaakt tot de datum van betaling. Indien het terug te betalen bedrag pas is betaald nadat de zaak bij de rechter aanhangig is gemaakt, loopt de rente vanaf de datum van betaling.
[…]’
Wet ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordeningen en de rechtstreekse betalingen
15
Het Gesetz zur Durchführung der gemeinsamen Marktorganisationen und der Direktzahlungen (Marktorganisationsgesetz) (wet ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordeningen en de rechtstreekse betalingen) van 7 november 2017 (BGBl. 2017 I, blz. 3746), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding in zaak C-415/20 (hierna: ‘MOG’), bepaalt in § 6 (‘Voordelen’) het volgende:
- ‘1.
Het Bundesministerium für Ernährung und Landwirtschaft [(federaal ministerie voor Voedselvoorziening en Landbouw, Duitsland)] wordt gemachtigd om […] bij een besluit dat niet onderworpen is aan de goedkeuring van de Bundesrat [(Bondsraad, Duitsland)], voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van
- 1.
regelingen […] inzake producten die het voorwerp uitmaken van een gemeenschappelijke marktordening […] met betrekking tot
- a)
uitvoerrestituties,
[…]
[…]
procedurele voorschriften en voorschriften inzake de voorwaarden voor en het bedrag van deze voordelen vast te stellen, voor zover zij bepaald, bepaalbaar of afgebakend zijn […].
[…]’
16
In § 14 MOG, met als opschrift ‘Rente’, is bepaald:
- ‘(1)
Over bedragen die verschuldigd zijn wegens de terugbetaling van voordelen of de niet-nakoming van een andere verplichting, is rente verschuldigd tegen de basisrentevoet vermeerderd met 5 punten vanaf de datum waarop zij verschuldigd worden. […]
- (2)
Over bedragen die verschuldigd zijn in verband met een voordeel of maatregel, is rente verschuldigd vanaf de datum waarop een geding aanhangig is gemaakt overeenkomstig de §§ 236, 238 en 239 van het belastingwetboek. Voor het overige hoeft over die bedragen geen rente te worden betaald.’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C-415/20
17
Gräfendorfer is een in Duitsland gevestigde vennootschap die pluimveekarkassen uitvoert naar derde landen.
18
Het hoofddouanekantoor Hamburg heeft geweigerd om Gräfendorfer uitvoerrestituties te verlenen voor pluimveekarkassen die zij tussen januari en juni 2012 had uitgevoerd naar derde landen. De reden voor deze weigering was dat deze karkassen niet van ‘gezonde handelskwaliteit’ waren in de zin van de Uniewetgeving inzake uitvoerrestituties voor landbouwproducten, omdat zij niet volledig waren geplukt of te veel ingewanden bevatten. Het hoofddouanekantoor Hamburg heeft Gräfendorfer tevens een geldboete opgelegd omdat zij een hoger bedrag aan uitvoerrestituties had aangevraagd dan waarop zij recht had. Gräfendorfer heeft tegen die weigering en vervolgens ook tegen die geldboete bezwaar aangetekend.
19
Later heeft het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter Hamburg, Duitsland) — in het kader van beroepen in rechte die waren ingesteld door twee andere vennootschappen dan Gräfendorfer — geoordeeld dat de aanwezigheid van enkele veren en van een aantal ingewanden op pluimveekarkassen zich er in het licht van het arrest van het Hof van 24 november 2011, Gebr. Stolle en Doux Geflügel (C-323/10–C-326/10, EU:C:2011:774), niet tegen verzet dat voor deze producten uitvoerrestituties worden verleend.
20
Gelet op dat oordeel heeft het hoofddouanekantoor Hamburg Gräfendorfer de door haar aangevraagde uitvoerrestituties verleend en de geldboete terugbetaald die haar was opgelegd.
21
Bij brief van 16 april 2015 heeft Gräfendorfer bij dat hoofddouanekantoor een verzoek ingediend tot betaling van rente over de uitvoerrestituties en over de geldboete, voor de gehele periode waarin haar onrechtmatig de mogelijkheid was ontnomen om over de overeenkomstige geldsommen te beschikken. Het hoofdouanekantoor Hamburg heeft dat verzoek afgewezen, net zoals het door Gräfendorfer tegen dat besluit aangetekende bezwaar.
22
Op 23 mei 2018 heeft Gräfendorfer bij de verwijzende rechter beroep ingesteld. Ter ondersteuning van dat beroep betoogt zij in wezen dat het Unierecht iedere justitiabele aan wie een nationale autoriteit in strijd met het Unierecht de betaling van een geldsom heeft geweigerd of opgelegd, het recht toekent om naast de betaling of de terugbetaling van deze geldsom ook de betaling van rente te verkrijgen voor de gehele periode waarin die geldsom niet beschikbaar was.
23
In zijn verwijzingsbeslissing zet het Finanzgericht Hamburg in de eerste plaats uiteen dat de Uniewetgeving of het nationale recht geen bepaling bevat die in zaak C-415/20 van toepassing is en op grond waarvan het door Gräfendorfer ingediende verzoek tot rentebetaling kan worden toegewezen, alsmede dat de uitkomst van het geding in dit opzicht bijgevolg afhangt van het antwoord op de vraag of dat verzoek kan worden beoordeeld aan de hand van de beginselen die het Hof heeft geformuleerd in zijn rechtspraak over de terugbetaling door de nationale autoriteiten van geldsommen waarvan de betaling in strijd met het Unierecht aan justitiabelen is opgelegd.
24
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat uit die rechtspraak volgt dat het Unierecht de justitiabelen het recht toekent om van de bevoegde nationale autoriteiten niet alleen de teruggaaf te verkrijgen van de belastingen, heffingen, bijdragen of rechten die zij in strijd met het Unierecht hebben betaald, maar ook om — in de vorm van rentebetaling — vergoeding te verkrijgen voor het verlies dat zij hebben geleden doordat het bedrag van die belastingen, heffingen, bijdragen of rechten niet beschikbaar was, en dit voor de gehele periode waarin dit bedrag niet beschikbaar was (arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C-591/10, EU:C:2012:478, 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C-113/10, C-147/10 en C-234/10, EU:C:2012:591, en 8 april 2013, Irimie, C-565/11, EU:C:2013:250). De verwijzende rechter merkt evenwel op dat een van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde geldsommen geen belasting, heffing, bijdrage of recht is, maar een geldboete (arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, EU:C:2002:440).
25
Volgens de verwijzende rechter kan redelijkerwijs worden betwijfeld of een dergelijke geldboete moet worden geacht in strijd met het Unierecht — in de zin van die rechtspraak — te zijn betaald. De terugbetaling van het overeenkomstige bedrag door de betrokken nationale autoriteit heeft immers niet plaatsgevonden ten gevolge van de nietigverklaring door een nationale rechterlijke instantie of de ongeldigverklaring door het Hof van de nationaalrechtelijke respectievelijk Unierechtelijke handeling of handelingen op grond waarvan die geldboete is opgelegd, maar ten gevolge van een prejudicieel arrest waarin het Hof het Unierecht heeft uitgelegd op een wijze die niet overeenkomt met de uitlegging die er eerder door deze autoriteit aan was gegeven en waarop die autoriteit zich had gebaseerd om de geldboete in kwestie op te leggen. De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat het nodig is om hierover vragen te stellen aan het Hof, waarbij hij verklaart dat hij geneigd is om aan te nemen dat wanneer een nationale autoriteit een justitiabele een geldboete oplegt op basis van een onjuiste uitlegging van het Unierecht, deze geldboete moet worden geacht in strijd met dat recht te zijn opgelegd zodat de terugbetaling van het overeenkomstige bedrag aanleiding moet geven tot de betaling van rente voor de gehele periode waarin de justitiabele niet over dat bedrag heeft kunnen beschikken.
26
In de derde plaats wijst het Finanzgericht Hamburg erop dat bij gebreke van een Unierechtelijke bepaling op grond waarvan de tardieve uitbetaling van uitvoerrestituties en de terugbetaling van een geldboete als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moeten leiden tot rentebetaling, deze kwestie moet worden geacht onder het nationale recht van de verschillende lidstaten te vallen. Het Duitse recht kent rentebetaling evenwel niet als algemeen beginsel, maar voorziet slechts in rentebetaling in nauwkeurig omschreven gevallen, die zich niet voordoen in het hoofdgeding. De bepalingen van het Duitse recht — met name die van het MOG — houden namelijk om te beginnen in dat een justitiabele recht heeft op de betaling van rente over uitvoerrestituties wanneer hij een beroep in rechte heeft ingesteld tegen het besluit waarbij de bevoegde nationale autoriteit op onrechtmatige wijze heeft geweigerd om hem uitvoerrestituties uit te betalen, maar niet wanneer hij — zoals Gräfendorfer — tegen dat besluit enkel bezwaar heeft aangetekend. Evenmin wordt voorzien in rentebetaling wanneer een ongerechtvaardigde geldboete wordt terugbetaald. Daarbij komt dat de bepalingen van het Duitse recht zelfs in het geval waarin die justitiabele beroep in rechte heeft ingesteld, hoe dan ook pas in rentebetaling voorzien vanaf de datum waarop dat beroep is ingesteld en niet vanaf de datum waarop de bevoegde autoriteit haar besluit heeft vastgesteld.
27
De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of die bepalingen — die tot gevolg hebben dat een justitiabele aan wie tardief uitvoerrestituties zijn verleend die eerder onrechtmatig waren geweigerd en aan wie ten onrechte een geldboete is opgelegd, geheel of gedeeltelijk de vergoeding in de vorm van rentebetaling wordt ontnomen waarop hij aanspraak zou kunnen maken omdat de overeenkomstige bedragen niet-beschikbaar waren — in overeenstemming zijn met het doeltreffendheidsvereiste waaraan de procedurele autonomie van de lidstaten onderworpen is.
28
In deze omstandigheden heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende twee vragen:
- ‘1)
Geldt de Unierechtelijke verplichting van de lidstaten om in strijd met het Unierecht geïnde rechten vermeerderd met rente terug te betalen ook wanneer de reden voor de terugbetaling niet een door het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgestelde strijdigheid van de rechtsgrondslag met het Unierecht is, maar een door het Hof gegeven uitlegging van een post(onderverdeling) van de gecombineerde nomenclatuur [die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1)]?
- 2)
Kunnen de beginselen van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende recht op rente uit hoofde van het Unierecht ook worden toegepast op de betaling van uitvoerrestituties die de overheidsinstantie van de betrokken lidstaat in strijd met het Unierecht heeft geweigerd?’
Zaak C-419/20
29
Reyher is een in Duitsland gevestigde vennootschap die in 2010 en 2011 bevestigingsmiddelen in de Europese Unie heeft ingevoerd die afkomstig waren van een in Indonesië gevestigde vennootschap, die op haar beurt een dochteronderneming van een in China gevestigde vennootschap is.
30
Volgens het hoofddouanekantoor Hamburg waren die bevestigingsmiddelen bij invoer in de Unie onderworpen aan de antidumpingrechten die waren ingesteld bij verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 29, blz. 1), omdat zij moesten worden geacht van oorsprong uit China te zijn. Dat hoofddouanekantoor besloot dan ook om Reyher de betaling van deze antidumpingrechten op te leggen.
31
Reyher heeft die antidumpingrechten betaald maar heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg.
32
Bij beslissing van 3 april 2019 heeft het Finanzgericht Hamburg geoordeeld dat de aan Reyher opgelegde antidumpingrechten niet wettelijk verschuldigd waren, op grond dat het hoofddouanekantoor Hamburg niet had aangetoond dat de door Reyher in de Unie ingevoerde bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China waren.
33
In mei 2019 heeft dat hoofddouanekantoor de antidumpingrechten in kwestie aan Reyher terugbetaald. Het heeft echter geweigerd om haar over dat bedrag rente te betalen wat betreft de periode vanaf de datum van betaling van die rechten tot de datum van terugbetaling ervan, en heeft vervolgens het bezwaar van Reyher tegen deze weigering afgewezen.
34
Op 10 februari 2020 heeft Reyher bij het Finanzgericht Hamburg beroep ingesteld. Ter ondersteuning van haar beroep betoogt zij in wezen dat uit het arrest van 18 januari 2017, Wortmann (C-365/15, EU:C:2017:19), voortvloeit dat de justitiabele aan wie een nationale autoriteit antidumpingrechten heeft opgelegd in strijd met het Unierecht, niet alleen recht heeft op terugbetaling van het bedrag van die antidumpingrechten, maar ook op de betaling van rente over dit bedrag voor de gehele periode vanaf de datum waarop dat bedrag is betaald tot de datum waarop het is terugbetaald. Bovendien betoogt Reyher dat de betaling van antidumpingrechten niet alleen moet worden geacht in strijd met het Unierecht te hebben plaatsgevonden wanneer het Hof de verordening waarbij deze rechten zijn ingesteld ongeldig verklaart, zoals het in dat arrest heeft gedaan, maar ook wanneer een nationale rechterlijke instantie vaststelt dat een nationale autoriteit deze verordening onjuist heeft toegepast door een justitiabele op basis van die verordening ten onrechte antidumpingrechten op te leggen, zoals in casu is gebeurd.
35
In zijn verwijzingsbeslissing zet het Finanzgericht Hamburg in de eerste plaats uiteen dat uit § 236, lid 1, van het belastingwetboek volgt dat een justitiabele die beroep in rechte heeft ingesteld tegen een besluit waarbij hem antidumpingrechten zijn opgelegd, recht heeft op rentebetaling over het bedrag van de rechten in kwestie voor de periode vanaf de datum waarop de zaak bij de rechter aanhangig is gemaakt tot de datum van terugbetaling van dat bedrag, indien blijkt dat die antidumpingrechten niet wettelijk verschuldigd waren. Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat artikel 241 van het communautair douanewetboek — zoals deze bepaling door het Hof is uitgelegd in het arrest van 18 januari 2017, Wortmann (C-365/15, EU:C:2017:19) — zich niet verzet tegen de toepassing van voornoemde bepaling van het belastingwetboek. Ten slotte is het Finanzgericht Hamburg van oordeel dat artikel 116 van het douanewetboek van de Unie, dat in de plaats is gekomen van artikel 241 van het communautair douanewetboek en anders is verwoord, niet van toepassing is op het hoofdgeding.
36
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat geen enkele Unierechtelijke of nationaalrechtelijke bepaling die op dat geding van toepassing is, het mogelijk maakt om het door Reyher ingediende verzoek tot rentebetaling toe te wijzen voor de periode vanaf de datum waarop het hoofddouanekantoor Hamburg heeft besloten om haar antidumpingrechten op te leggen tot de datum waarop zij beroep in rechte tegen dat besluit heeft ingesteld.
37
In de derde en laatste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of dit verzoek volgens de rechtspraak van het Hof kan worden toegewezen voor de betreffende periode. Dienaangaande merkt hij met name op dat uit het arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478), lijkt voort te vloeien dat wanneer een nationale autoriteit aan een justitiabele de betaling van rechten heeft opgelegd door een Unierechtelijke handeling of bepaling onjuist toe te passen en een nationale rechter deze schending van het Unierecht heeft vastgesteld, die justitiabele niet alleen recht heeft op terugbetaling van het bedrag van de ten onrechte betaalde rechten, maar ook op de betaling van rente over dit bedrag voor de gehele periode vanaf de datum van betaling tot de datum van terugbetaling. Voorts merkt de verwijzende rechter op dat voormeld arrest en de rechtspraak waarvan het deel uitmaakt, tot doel lijken te hebben de situatie te herstellen waarin een dergelijke justitiabele zich zonder schending van het Unierecht zou hebben bevonden, door hem de mogelijkheid te bieden om het volledige bedrag terug te vorderen waarover hij zou hebben beschikt indien die onrechtmatigheid niet had plaatsgevonden.
38
In deze omstandigheden heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is er van een schending van het Unierecht — als voorwaarde voor het door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende Unierechtelijke recht op rentebetaling — ook sprake wanneer een overheidsinstantie van een lidstaat overeenkomstig het Unierecht een heffing oplegt, maar een rechter van die lidstaat nadien vaststelt dat de feitelijke voorwaarden voor de oplegging van die heffing niet zijn vervuld?’
Zaak C-427/20
39
Flexi Montagetechnik is een in Duitsland gevestigde vennootschap die in de Unie musketonhaken invoert die worden gebruikt voor het vervaardigen van hondenriemen.
40
Het hoofddouanekantoor Kiel was van mening dat deze musketonhaken moesten worden ingedeeld onder een andere post van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening nr. 2658/87 dan Flexi Montagetechnik had aangegeven, zodat zij onderworpen waren aan hogere invoerrechten dan die vennootschap had betaald. Derhalve heeft het hoofddouanekantoor Kiel besloten het bedrag van die invoerrechten in zoverre te wijzigen.
41
Flexi Montagetechnik heeft het verschil tussen het bedrag van de aanvankelijk betaalde invoerrechten en het uit die wijziging voortvloeiende bedrag ervan betaald, maar heeft in september 2014 een gerechtelijke procedure ingesteld, die er uiteindelijk toe heeft geleid dat het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij arrest van 20 juni 2017 de besluiten waarbij het hoofddouanekantoor Kiel het bedrag van die invoerrechten had gewijzigd, nietig heeft verklaard op grond dat de musketonhaken onder de door Flexi Montagetechnik aangegeven post vielen.
42
Daarop heeft het hoofddouanekantoor Kiel Flexi Montagetechnik het verschil terugbetaald tussen het bedrag van de aanvankelijk door haar betaalde invoerrechten en het bedrag ervan zoals dat naderhand werd gewijzigd. Het heeft echter geweigerd om haar rente over dat verschil te betalen voor de periode vanaf de voldoening van die rechten tot de datum van terugbetaling ervan, en heeft vervolgens het bezwaar afgewezen.
43
Flexi Montagetechnik heeft tegen die weigering beroep in rechte ingesteld, waarna het hoofddouanekantoor Kiel haar rente heeft betaald voor de periode vanaf de datum waarop zij de in punt 41 van het onderhavige arrest bedoelde gerechtelijke procedure had ingesteld tot de terugbetaling van het verschil tussen het bedrag van de aanvankelijk door haar betaalde invoerrechten en het bedrag ervan zoals dat naderhand werd gewijzigd.
44
In zijn verwijzingsbeslissing twijfelt het Finanzgericht Hamburg, waarbij dat beroep in rechte aanhangig is, of Flexi Montagetechnik — bij gebreke van een bepaling van afgeleid Unierecht of van het nationale recht ter zake — aan de rechtspraak van het Hof een recht kan ontlenen op de betaling van rente over het bedrag dat de douaneautoriteiten in strijd met het Unierecht van haar hebben gevorderd, voor de periode vanaf de betaling van dat bedrag tot de datum waarop zij voormelde gerechtelijke procedure heeft ingesteld.
45
De desbetreffende overwegingen van de verwijzende rechter komen in wezen overeen met die welke ten grondslag liggen aan zijn verwijzingsbeslissing in de zaak C-419/20, zoals deze overwegingen zijn samengevat in de punten 35 tot en met 37 van dit arrest.
46
In deze omstandigheden heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is er van een schending van het Unierecht — als voorwaarde voor het door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende Unierechtelijke recht op rentebetaling — ook sprake wanneer een overheidsinstantie van een lidstaat in strijd met rechtsgeldige bepalingen van het Unierecht een heffing oplegt en een rechter van die lidstaat deze schending van het Unierecht vaststelt?’
Procedure bij het Hof
47
Bij beslissing van de president van het Hof van 9 oktober 2020 zijn de zaken C-415/20, C-419/20 en C-427/20 gevoegd voor de schriftelijke behandeling.
48
Bij beslissing van het Hof van 27 april 2021 zijn deze zaken eveneens gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het te wijzen arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
49
Zoals blijkt uit de in de punten 23 tot en met 27, 31 tot en met 37 en 41 tot en met 45 van dit arrest samengevatte uiteenzettingen in de verwijzingsbeslissingen die tot de drie gevoegde zaken hebben geleid, overlappen de verschillende aan het Hof voorgelegde vragen elkaar in een aantal opzichten en moeten zij om die reden gezamenlijk worden onderzocht.
50
Gelet op de respectieve bewoordingen van deze verschillende vragen en op de onderliggende twijfels, zoals die uit bovenvermelde punten naar voren komen, dient te worden aangenomen dat de verwijzende rechter met die vragen in wezen wenst te vernemen of de Unierechtelijke beginselen inzake het recht van justitiabelen op de terugbetaling van geldsommen waarvan de betaling hun door een lidstaat in strijd met het Unierecht is opgelegd en inzake hun recht op de betaling van rente over deze geldsommen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij:
- —
ten eerste, van toepassing zijn ingeval de geldsommen in kwestie overeenkomen met tardief aan een justitiabele verleende uitvoerrestituties die hem eerder in strijd met het Unierecht zijn geweigerd, en met een geldboete die hem ten gevolge van deze schending van dat recht is opgelegd;
- —
ten tweede, van toepassing zijn wanneer uit een beslissing van het Hof of van een nationale rechterlijke instantie volgt dat een nationale autoriteit de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval is geweigerd of opgelegd op basis van ofwel een onjuiste uitlegging ofwel een onjuiste toepassing van het Unierecht, en
- —
ten derde, zich verzetten tegen een nationale regeling die inhoudt dat wanneer in strijd met het Unierecht de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval is geweigerd of opgelegd, de betaling van rente ten eerste slechts verschuldigd is indien een beroep in rechte is ingesteld ter verkrijging van betaling of terugbetaling van de geldsom in kwestie, en ten tweede deze betaling van rente slechts kan plaatsvinden voor de periode vanaf de datum waarop dat beroep is ingesteld tot de datum waarop de bevoegde rechter een beslissing heeft gegeven, met uitsluiting van de daaraan voorafgaande periode.
51
In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat uit vaste rechtspraak van het Hof om te beginnen volgt dat iedere justitiabele aan wie een nationale autoriteit in strijd met het Unierecht de betaling van belastingen, rechten of andere heffingen heeft opgelegd, krachtens het Unierecht van de betrokken lidstaat de terugbetaling van het overeenkomstige bedrag kan vorderen [zie in die zin arresten van 9 november 1983, San Giorgio, 199/82, EU:C:1983:318, punt 12; 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a., C-397/98 en C-410/98, EU:C:2001:134, punt 84, en 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging), C-100/20, EU:C:2021:716, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52
Voorts heeft een dergelijke justitiabele — eveneens krachtens het Unierecht — niet alleen het recht om van die lidstaat de terugbetaling van de ten onrechte geïnde geldsom te verkrijgen, maar ook de betaling van rente ter compensatie van de niet-beschikbaarheid van die geldsom [zie arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C-591/10, EU:C:2012:478, punten 24–26, en 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging), C-100/20, EU:C:2021:26, punten 26 en 27].
53
Dergelijke rechten op de terugbetaling van geldsommen waarvan een lidstaat de betaling in strijd met het Unierecht aan een justitiabele heeft opgelegd en op de betaling van rente over die geldsommen, vormen de uitdrukking van een algemeen beginsel van teruggave van hetgeen onverschuldigd is betaald (zie in die zin arrest van 6 september 2011, Lady & Kid e.a., C-398/09, EU:C:2011:540, punten 18, 20 en 26).
54
Gelet op het algemene karakter van het beginsel waarvan die twee rechten de uitdrukking vormen, moet ten eerste worden vastgesteld dat zij van toepassing zijn wanneer de door een lidstaat van een justitiabele gevorderde geldsom een geldboete is die ten onrechte is opgelegd op basis van een Unierechtelijke handeling of van nationaalrechtelijke bepalingen die door die lidstaat zijn vastgesteld om een dergelijke handeling uit te voeren of om te zetten dan wel de naleving ervan te waarborgen. Net zoals in strijd met het Unierecht geïnde belastingen, rechten en heffingen moet een dergelijke geldboete bijgevolg worden terugbetaald aan de betrokkene, aan wie ook rente verschuldigd is ter compensatie van de niet-beschikbaarheid van de overeenkomstige geldsom.
55
Hieruit volgt dat bovengenoemde rechten onder meer van toepassing zijn op een geldboete als die welke aan de orde is in zaak C-415/20, die tot doel heeft de lidstaten in staat te stellen de naleving van de Uniewetgeving inzake uitvoerrestituties voor landbouwproducten te waarborgen, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof waaraan de verwijzende rechter refereert (zie in die zin arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, EU:C:2002:440, punten 40, 60 en 66).
56
Wat ten tweede de vraag betreft of het recht op rentebetaling ook bestaat wanneer de uitvoerrestituties in kwestie tardief zijn betaald aan de justitiabele die om de toekenning ervan heeft verzocht, nadat zij door de bevoegde nationale autoriteit in strijd met het Unierecht zijn geweigerd, zij opgemerkt dat een dergelijke situatie wordt gekenmerkt door het feit dat de betrokken justitiabele ten gevolge van deze tardiviteit — die op haar beurt het gevolg is van een schending van het Unierecht — gedurende een bepaalde periode niet heeft kunnen beschikken over de geldsom die overeenkomt met die uitvoerrestituties.
57
Deze situatie is vergelijkbaar met die van een justitiabele die gedurende een bepaalde periode niet de beschikking heeft gehad over de geldsom die overeenkomt met door een lidstaat in strijd met het Unierecht geïnde belastingen, rechten of andere heffingen en die om die reden overeenkomstig de in punt 52 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak recht heeft op rentebetaling ter compensatie van de niet-beschikbaarheid van die geldsom.
58
Derhalve moet naar analogie worden aangenomen dat wanneer uitvoerrestituties in strijd met het Unierecht tardief zijn uitgekeerd aan een justitiabele, deze recht heeft op rentebetaling ter compensatie van de niet-beschikbaarheid van de overeenkomstige geldsom.
59
Uit de punten 51 tot en met 58 van dit arrest volgt dus dat de Unierechtelijke beginselen inzake de rechten van justitiabelen op de terugbetaling van geldsommen die een lidstaat in strijd met het Unierecht heeft geïnd en op de betaling van rente over deze geldsommen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn wanneer de geldsommen in kwestie overeenkomen met uitvoerrestituties die tardief aan een justitiabele zijn verleend nadat zij hem in strijd met het Unierecht waren geweigerd, en met een geldboete die ten gevolge van deze schending van het Unierecht aan de justitiabele is opgelegd.
60
In de tweede plaats volgt uit de in de punten 51 en 52 van dit arrest in herinnering gebrachte vaste rechtspraak van het Hof dat de omstandigheid dat een nationale autoriteit ‘in strijd met het Unierecht’ de betaling van een belasting, recht of andere heffing heeft opgelegd, de grondslag en rechtvaardiging vormt voor het aan de justitiabelen die de overeenkomstige geldsom onverschuldigd hebben betaald toekomende recht om van de lidstaat die deze geldsom heeft geïnd de terugbetaling ervan en de betaling van rente te verkrijgen.
61
Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat de betreffende schending van het Unierecht betrekking kan hebben op elke regel van het Unierecht, ongeacht of het gaat om een bepaling van primair recht, van afgeleid recht [zie arresten van 9 november 1983, San Giorgio, 199/82, EU:C:1983:318, punt 12, en 9 september 2021 Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging), C-100/20, EU:C:2021:716, punt 26], of om een algemeen Unierechtelijk beginsel [zie arrest van 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging), C-100/20, EU:C:2021:716, punt 28].
62
Wat vervolgens de aard van de schending van het Unierecht betreft, volgt uit de punten 53 tot en met 59 van het onderhavige arrest dat de door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten op terugbetaling en op rentebetaling de uitdrukking vormen van een algemeen beginsel waarvan de toepassing niet beperkt is tot bepaalde schendingen van het Unierecht of uitgesloten is in geval van andere schendingen van dat recht.
63
Hieruit volgt dat deze rechten niet alleen kunnen worden ingeroepen wanneer een nationale autoriteit een justitiabele de betaling van een geldsom in de vorm van een bijdrage, een heffing of een antidumpingrecht heeft opgelegd op grond van een handeling van de Unie die onrechtmatig blijkt te zijn (zie in die zin arresten van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C-113/10, C-147/10 en C-234/10, EU:C:2012:591, punten 65 en 69, en 18 januari 2017, Wortmann, C-365/15, EU:C:2017:19, punten 34 en 37), maar ook in andere gevallen.
64
Zo kunnen zij met name worden ingeroepen wanneer de betaling van een heffing of belasting aan een justitiabele is opgelegd op grond van een nationale regeling die in strijd blijkt te zijn met een bepaling van primair of afgeleid Unierecht (zie in die zin arresten van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a., C-397/98 en C-410/98, EU:C:2001:134, punten 82–84 en 96, en 15 oktober 2014, Nicula, C-331/13, EU:C:2014:2285, punten 27–31), of wanneer een nationale autoriteit aan een justitiabele de betaling van een heffing heeft opgelegd door een handeling van de Unie of een nationale regeling ter uitvoering of omzetting van een dergelijke handeling toe te passen op een wijze die onjuist is uit het oogpunt van het Unierecht [zie in die zin arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C-591/10, EU:C:2012:478, punten 10, 11 en 34, en 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging), C-100/20, EU:C:2021:716, punten 25–36].
65
Uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter blijkt dat de drie juridische en feitelijke situaties waarover hij het Hof vragen stelt, onder laatstgenoemde hypothese vallen. Uit deze uiteenzettingen blijkt namelijk dat de betrokken nationale autoriteit, wat zaak C-415/20 betreft, ten gevolge van een onjuiste toepassing van het Unierecht — die haar oorsprong vindt in een onjuiste uitlegging van dat recht — heeft geweigerd om een justitiabele uitvoerrestituties te verlenen en hem een geldboete heeft opgelegd. Evenzo hebben de betrokken nationale autoriteiten in de zaken C-419/20 en C-427/20 ten gevolge van een onjuiste toepassing van het Unierecht — die haar oorsprong vindt in een onjuiste rechtsopvatting of een onjuiste beoordeling van de feiten — respectievelijk antidumpingrechten en invoerrechten opgelegd aan justitiabelen.
66
Ten slotte blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het bestaan van een schending van het Unierecht die de betrokken justitiabele recht geeft op terugbetaling en op rentebetaling en die in verband daarmee de betrokken lidstaat verplicht om over te gaan tot die terugbetaling en rentebetaling, niet alleen kan worden vastgesteld door de Unierechter (zie in die zin arrest van 18 januari 2017, Wortmann, C-365/15, EU:C:2017:19, punt 37) — die als enige bevoegd is om een handeling van de Unie nietig te verklaren of de ongeldigheid ervan vast te stellen (arresten van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, EU:C:1987:452, punten 15–20, en 6 oktober 2015, Schrems, C-362/14, EU:C:2015:650, punt 62) — maar ook door een nationale rechter, ongeacht of deze de consequenties moet trekken uit een eerder door de Unierechter gedane vaststelling van onrechtmatigheid of ongeldigheid (zie in die zin arrest van 18 januari 2017, Wortmann, C-365/15, EU:C:2017:19, punt 38) dan wel moet vaststellen dat een handeling van een nationale autoriteit berust op een onjuiste tenuitvoerlegging van het Unierecht.
67
In dit verband zij beklemtoond dat de taak om te waarborgen dat het Unierecht in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming genieten die zij aan dat recht ontlenen, bij artikel 19 VEU niet alleen wordt toevertrouwd aan de Unierechter zelf maar ook aan de nationale rechter, die dus in samenwerking met het Hof tot taak heeft de Verdragen uit te leggen en toe te passen, zoals de advocaat-generaal in de punten 82 en 83 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht.
68
Bovendien heeft de nationale rechter in geval van twijfel over de uitlegging van het Unierecht in een bepaalde zaak, naargelang van het geval, de mogelijkheid of de verplichting om het Hof overeenkomstig artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing te verzoeken, waarbij in herinnering dient te worden gebracht dat arresten van het Hof op prejudiciële vragen — voor zover dat nodig is — de betekenis en strekking van de daarin uitgelegde rechtsregels verklaren en preciseren, zoals deze regels sinds het tijdstip van hun inwerkingtreding moeten of hadden moeten worden begrepen en toegepast (arrest van 7 augustus 2018, Hochtief, C-300/17, EU:C:2018:635, punt 55).
69
Uit de punten 59 tot en met 68 van het onderhavige arrest volgt dan ook dat de Unierechtelijke beginselen die betrekking hebben op het recht van justitiabelen om de terugbetaling te verkrijgen van geldsommen waarvan een lidstaat hun de betaling heeft opgelegd in strijd met het Unierecht, en op het recht om de betaling van rente over die geldsommen te bekomen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in het algemeen — en ongeacht de wijze waarop die rechten in een concreet geval moeten worden uitgeoefend — van toepassing zijn wanneer uit een beslissing van het Hof of van een nationale rechterlijke instantie volgt dat een nationale autoriteit de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval heeft geweigerd of opgelegd op grond van ofwel een onjuiste uitlegging van het Unierecht ofwel een onjuiste toepassing van dat recht.
70
In de derde en laatste plaats heeft het in punt 52 van dit arrest bedoelde recht op rentebetaling — zoals volgt uit de in dat punt aangehaalde rechtspraak — tot doel de niet-beschikbaarheid te compenseren van de geldsom die ten onrechte niet-beschikbaar was voor de betrokken justitiabele.
71
Deze compensatie kan naargelang van het geval geschieden volgens de regels die zijn vastgesteld in de toepasselijke Unieregeling of — bij gebreke van een dergelijke regeling — volgens de regels die op grond van het nationale recht van toepassing zijn.
72
In casu hebben de hoofdgedingen in de zaken C-419/20 en C-427/20 — zoals de verwijzende rechter opmerkt — betrekking op geldsommen die overeenkomen met niet-verschuldigde douanerechten. De terugbetaling van deze rechten wordt tot op zekere hoogte geregeld door een regeling die de Uniewetgever heeft vastgesteld, te weten die welke op douanegebied van toepassing is, zoals blijkt uit de punten 3 tot en met 6 van dit arrest. Het hoofdgeding in zaak C-415/20 heeft daarentegen betrekking op geldsommen die overeenkomen met tardief uitbetaalde uitvoerrestituties voor landbouwproducten en op een ten onrechte opgelegde geldboete. De relevante bepalingen van de ter zake toepasselijke Unieregeling, die in de punten 7 tot en met 9 van dit arrest zijn aangehaald, voorzien echter niet in een regeling die vergelijkbaar is met die welke is ingevoerd voor niet-verschuldigde douanerechten.
73
Gelet op dit verschil in situatie zij om te beginnen opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Hof voortvloeit dat de terugbetaling van niet-verschuldigde douanerechten — die is geregeld in artikel 236, lid 1, van het communautair douanewetboek, dat volgens de verwijzende rechter ratione temporis van toepassing is — moet leiden tot rentebetaling (zie in die zin arrest van 18 januari 2017, Wortmann, C-365/15, EU:C:2017:19, punten 36–38). Bovendien is de in artikel 241 van dat wetboek neergelegde uitzondering op dit algemene beginsel niet van toepassing wanneer — zoals in casu — de reden waarom deze rechten niet verschuldigd zijn is gelegen in het feit dat zij in strijd met het Unierecht zijn geïnd (zie in die zin arrest van 18 januari 2017, Wortmann, C-365/15, EU:C:2017:19, punten 25–27). Zoals de advocaat-generaal in de punten 103 en 109 van haar conclusie heeft opgemerkt, geldt hetzelfde voor de uitzondering die is neergelegd in artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie, dat thans in wezen de inhoud van artikel 241 van het communautair douanewetboek overneemt.
74
In deze omstandigheden moet vervolgens met betrekking tot zowel de in de zaken C-419/20 en C-427/20 in het geding zijnde douanerechten als de geldboete waarvan sprake is in zaak C-415/20 worden opgemerkt dat het — volgens vaste rechtspraak van het Hof — bij gebreke van een Unieregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de regels vast te stellen voor de betaling van rente in geval van de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geïnde geldsommen. Deze regels moeten echter stroken met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, waarvan de naleving met name inhoudt dat zij niet van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van het door het Unierecht gewaarborgde recht op rentebetaling in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C-591/10, EU:C:2012:478, punten 27 en 28, en 6 oktober 2015, Târşia, C-69/14, EU:C:2015:662, punten 26 en 27). Soortgelijke vereisten gelden tevens in geval van de tardieve betaling van een krachtens het Unierecht verschuldigde geldsom, zoals de som die overeenkomt met de uitvoerrestituties die aan de orde zijn in zaak C-415/20.
75
Met name mogen die regels inzake rentebetaling er niet toe leiden dat de betrokken justitiabele een passende vergoeding voor het door hem geleden verlies wordt ontzegd, wat onder meer onderstelt dat de aan hem betaalde rente betrekking heeft op de gehele periode die naargelang van het geval begrepen is tussen de datum waarop hij de geldsom in kwestie heeft betaald of had moeten ontvangen tot de datum waarop deze geldsom is terugbetaald of uitbetaald (zie in die zin arresten van 18 april 2013, Irimie, C-565/11, EU:C:2013:250, punten 26–28, en 23 april 2020, Sole-Mizo en Dalmandi Mezőgazdasági, C-13/18 en C-126/18, EU:C:2020:292, punten 43, 49 en 51).
76
Hieruit volgt dat het Unierecht zich verzet tegen een wettelijke regeling die niet aan dit vereiste voldoet en bijgevolg de daadwerkelijke uitoefening van de door het Unierecht gewaarborgde rechten op terugbetaling en rentebetaling niet mogelijk maakt (zie in die zin arresten van 18 april 2013, Irimie, C-565/11, EU:C:2013:250, punt 29, en 15 oktober 2014, Nicula, C-331/13, EU:C:2014:2285, punten 38 en 39).
77
Het Unierecht staat dan ook in de weg aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die inhoudt dat de betaling van rente over geldsommen waarvan de betaling — naargelang van het geval — aan een justitiabele is opgelegd of geweigerd in strijd met het Unierecht, zoals de rente die in het hoofdgeding aan de orde is, slechts kan plaatsvinden voor de periode vanaf de datum waarop het tot terugbetaling of toekenning van die geldsommen strekkende beroep in rechte is ingesteld tot de datum waarop de bevoegde rechter een beslissing heeft gegeven, met uitsluiting van de daaraan voorafgaande periode. De betrokken justitiabele moet die rente immers ook kunnen vragen en verkrijgen voor de periode vanaf de datum waarop de geldsom in kwestie is betaald aan de betrokken lidstaat of door deze lidstaat had moeten worden toegekend tot de datum waarop dat beroep is ingesteld.
78
Gelet op de vragen waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of het een nationale wetgever is toegestaan te bepalen dat de betaling van rente hoe dan ook slechts ten goede kan komen aan justitiabelen die een beroep in rechte hebben ingesteld dat strekt tot de terugbetaling of toekenning van geldsommen waarvan de betaling hun in strijd met het Unierecht is opgelegd of geweigerd, met uitsluiting van justitiabelen die ermee hebben volstaan bij de bevoegde nationale autoriteit een bezwaar of een voorafgaande administratieve klacht in te dienen dat respectievelijk die bij uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit van deze autoriteit is afgewezen, dient ten slotte te worden gepreciseerd dat de daadwerkelijke uitoefening van de door het Unierecht gewaarborgde rechten bij gebreke van enig contentieus initiatief van de justitiabele om die rechten te doen eerbiedigen in beginsel niet vereist dat de nationale autoriteiten die rente ambtshalve terugbetalen of uitbetalen.
79
Zoals in punt 74 van dit arrest is uiteengezet, moeten de lidstaten de manoeuvreerruimte waarover zij bij gebreke van een Unieregeling beschikken om de regels voor de betaling van rente over onverschuldigd betaalde of ten onrechte ingehouden geldsommen vast te stellen, gebruiken met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel, hetgeen met name impliceert dat die manoeuvreerruimte niet tot gevolg mag hebben dat de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren verleende rechten uiterst moeilijk of in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt.
80
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de beantwoording van de vraag of aan dit vereiste is voldaan, in elk geval waarin deze vraag rijst, rekening worden gehouden met de plaats van de betreffende nationale bepaling of bepalingen in de gehele procedure alsook met het verloop van deze procedure en de bijzondere kenmerken van deze bepalingen bij de verschillende nationale instanties (arrest van 6 oktober 2015, Târşia, C-69/14, EU:C:2015:662, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arresten van 14 december 1995, Peterbroeck, C-312/93, EU:C:1995:437, punt 14, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, EU:C:2021:799, punt 63). Bovendien moet — zoals blijkt uit punt 75 van het onderhavige arrest — worden vastgesteld of de in een specifiek geval aan de orde zijnde nationale rechtsregels inzake rentebetaling ertoe leiden dat de betrokken justitiabele een passende vergoeding voor het door hem geleden verlies wordt ontzegd.
81
In het licht van deze overwegingen staat het aan de nationale rechter om na te gaan of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling het voor de justitiabelen die weliswaar geen beroep in rechte hebben ingesteld dat strekt tot betaling van een hun geweigerde geldsom of tot terugbetaling van een door hen betaalde geldsom, maar niettemin het initiatief hebben genomen om te dien einde bezwaar aan te tekenen of een administratieve klacht in te dienen, niet uiterst moeilijk maakt om hun rechten uit te oefenen. Bij dit onderzoek dient die rechter in het bijzonder rekening te houden met en in voorkomend geval een afweging te maken tussen de belangen die verband houden met respectievelijk de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel, het goede verloop van de procedure en de eerbiediging van het Unierecht en van de rechten die de justitiabelen eraan ontlenen.
82
Wat de specifieke omstandigheden van zaak C-415/20 betreft, moet echter in algemene zin en in navolging van de advocaat-generaal in punt 124 van haar conclusie worden gepreciseerd dat de verwijzingsbeslissing en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen geen enkel element bevatten dat kan rechtvaardigen dat aan de justitiabele na die afweging van belangen het recht op rentebetaling wordt ontzegd op de enkele grond dat hij geen beroep in rechte heeft ingesteld tot verkrijging van de betaling van een bedrag die hem in strijd met het Unierecht is geweigerd of tot terugbetaling van een bedrag die hem in strijd met dat recht is opgelegd bij wijze van geldboete.
83
Wat meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel betreft, moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de bevoegde nationale autoriteit in een situatie als die welke in zaak C-415/20 aan de orde is, zonder inbreuk te maken op de rechten van derden, een besluit kan nemen dat strekt tot toekenning van de aanvankelijk geweigerde geldsom of tot terugbetaling van de geldsom waarvan de betaling aanvankelijk is opgelegd, zodat de betaling van rente niet in strijd is met een definitief administratief besluit, zoals de bevoegde autoriteit in casu lijkt te hebben gedaan door terug te komen van de aanvankelijke besluiten waarbij zij had geweigerd de door de justitiabele gevraagde uitvoerrestituties te verlenen en hem vervolgens een geldboete had opgelegd.
84
Uit de punten 70 tot en met 83 van dit arrest volgt dus dat de Unierechtelijke beginselen inzake het recht van justitiabelen om de terugbetaling te verkrijgen van de geldsommen die hun door een lidstaat in strijd met het Unierecht zijn opgelegd, en inzake hun recht om de betaling van rente over deze geldsommen te bekomen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die bepaalt dat wanneer in strijd met het Unierecht de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval is geweigerd of opgelegd, slechts rente kan worden betaald voor de periode vanaf de datum waarop het tot uitbetaling van een aan hen geweigerde geldsom of terugbetaling van een door hen betaalde geldsom strekkende beroep in rechte is ingesteld tot de datum waarop de bevoegde rechter een beslissing heeft gegeven, met uitsluiting van de daaraan voorafgaande periode. Daarentegen staan die beginselen er op zich niet aan in de weg dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat slechts rente verschuldigd is indien een dergelijk beroep is ingesteld, voor zover dit er niet toe leidt dat de uitoefening van de door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten uiterst moeilijk wordt gemaakt.
85
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat de Unierechtelijke beginselen inzake het recht van justitiabelen op de terugbetaling van geldsommen waarvan de betaling hun door een lidstaat in strijd met het Unierecht is opgelegd en inzake hun recht op de betaling van rente over deze geldsommen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij:
- —
ten eerste, van toepassing zijn ingeval de geldsommen in kwestie overeenkomen met tardief aan een justitiabele verleende uitvoerrestituties die hem eerder in strijd met het Unierecht zijn geweigerd, en met een geldboete die hem ten gevolge van deze schending van dat recht is opgelegd;
- —
ten tweede, van toepassing zijn wanneer uit een beslissing van het Hof of van een nationale rechterlijke instantie volgt dat een nationale autoriteit de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval heeft geweigerd of opgelegd op basis van ofwel een onjuiste uitlegging ofwel een onjuiste toepassing van het Unierecht, en
- —
ten derde, zich verzetten tegen een nationale regeling die inhoudt dat wanneer in strijd met het Unierecht de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval is geweigerd of opgelegd, slechts rente kan worden betaald voor de periode vanaf de datum waarop het beroep in rechte ter verkrijging van betaling of terugbetaling van de geldsom in kwestie is ingesteld tot de datum waarop de bevoegde rechter een beslissing heeft gegeven, met uitsluiting van de daaraan voorafgaande periode. Daarentegen staan die beginselen er op zich niet aan in de weg dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat slechts rente verschuldigd is indien een dergelijk beroep is ingesteld, voor zover dit er niet toe leidt dat de uitoefening van de door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten uiterst moeilijk wordt gemaakt.
Kosten
86
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten, komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
De Unierechtelijke beginselen inzake het recht van justitiabelen op de terugbetaling van geldsommen waarvan de betaling hun door een lidstaat in strijd met het Unierecht is opgelegd en inzake hun recht op de betaling van rente over deze geldsommen, moeten aldus worden uitgelegd dat zij:
- —
ten eerste, van toepassing zijn ingeval de geldsommen in kwestie overeenkomen met tardief aan een justitiabele verleende uitvoerrestituties die hem eerder in strijd met het Unierecht zijn geweigerd, en met een geldboete die hem ten gevolge van deze schending van dat recht is opgelegd;
- —
ten tweede, van toepassing zijn wanneer uit een beslissing van het Hof of van een nationale rechterlijke instantie volgt dat een nationale autoriteit de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval heeft geweigerd of opgelegd op basis van ofwel een onjuiste uitlegging ofwel een onjuiste toepassing van het Unierecht, en
- —
ten derde, zich verzetten tegen een nationale regeling die inhoudt dat wanneer in strijd met het Unierecht de betaling van uitvoerrestituties, van een geldboete, van antidumpingrechten of van invoerrechten naargelang van het geval is geweigerd of opgelegd, slechts rente kan worden betaald voor de periode vanaf de datum waarop het beroep in rechte ter verkrijging van betaling of terugbetaling van de geldsom in kwestie is ingesteld tot de datum waarop de bevoegde rechter een beslissing heeft gegeven, met uitsluiting van de daaraan voorafgaande periode. Daarentegen staan die beginselen er op zich niet aan in de weg dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat slechts rente verschuldigd is indien een dergelijk beroep is ingesteld, voor zover dit er niet toe leidt dat de uitoefening van de door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten uiterst moeilijk wordt gemaakt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑04‑2022
Conclusie 13‑01‑2022
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzingen — Terugbetaling van door een lidstaat in strijd met het Unierecht geïnde bedragen — Rentebetaling — Douane-unie — Artikel 241 van verordening (EEG) nr. 2913/92 (communautair douanewetboek) — Artikel 116, lid 6, van verordening (EU) nr. 952/2013 (douanewetboek van de Unie) — Beperkingen betreffende de betaling van rente in geval van terugbetaling van douanerechten — Doeltreffendheidsbeginsel — Nationale maatregelen waarbij wordt voorzien in de betaling van rente vanaf het tijdstip waarop beroep in rechte is ingesteld’
T. Ćapeta
Partij(en)
Gevoegde zaken C-415/20, C-419/20 en C-427/201.
Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions GmbH (C-415/20) F. Reyher Nchfg. GmbH & Co. KG vertr. d. d. Komplementärin Verwaltungsgesellschaft F. Reyher Nchfg. mbH (C-419/20)
tegen
Hauptzollamt Hamburg (C-415/20 en C-419/20)
en
Flexi Montagetechnik GmbH & Co. KG
tegen
Hauptzollamt Kiel (C-427/20)
[verzoek van het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Deze drie verzoeken van het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van het Unierecht over het door het Hof erkende recht van personen op rentebetaling als rechtsmiddel op grond van het Unierecht. Zij hebben betrekking op drie verschillende situaties waarin het gaat om vorderingen tot de betaling van rente over ten onrechte, in strijd met het Unierecht geïnde bedragen die verband houden met ten eerste de tardieve uitkering van uitvoerrestituties voor landbouwproducten en de terugbetaling van ten onrechte opgelegde geldboeten in verband met die restituties, ten tweede de terugbetaling van antidumpingrechten en ten derde de terugbetaling van invoerrechten.
2.
De vragen die in de onderhavige zaken aan de orde zijn, bieden het Hof de gelegenheid om zijn rechtspraak over het recht op rentebetaling uit te leggen en te ontwikkelen, en met name om antwoord te geven op de vraag wanneer bij schending van het Unierecht een dergelijk recht ontstaat op grond van het Unierecht. Daarnaast wordt het Hof verzocht om te verduidelijken over welke voorwaarden zowel het Unierecht als het nationale recht beperkingen kan stellen aan het recht op rentebetaling.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3.
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek2. is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek)3., die op haar beurt is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie4. (hierna: ‘douanewetboek van de Unie’).
4.
Artikel 241 van het communautair douanewetboek luidde:
‘Terugbetaling door de douaneautoriteiten van bedragen aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer en van eventueel bij de betaling van die bedragen ingevorderde rente voor kredietverlening of moratoire interest geeft geen aanleiding tot betaling van moratoire interest door genoemde autoriteiten. Moratoire interest wordt echter wel betaald:
- —
wanneer een naar aanleiding van een verzoek om terugbetaling genomen beschikking niet binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag waarop deze beschikking werd genomen, ten uitvoer wordt gelegd;
- —
wanneer de nationale bepalingen daarin voorzien.
[…]’
5.
Artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie luidt als volgt:
‘Terugbetaling geeft geen aanleiding tot betaling van rente door de douaneautoriteiten.
Er wordt echter wel rente betaald indien een beschikking tot terugbetaling niet binnen drie maanden vanaf de dag waarop deze beschikking werd verleend, ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de niet-naleving van deze termijn niet aan de douaneautoriteiten te wijten is.
In dit geval wordt de rente betaald vanaf de dag waarop de termijn van drie maanden verstrijkt tot de dag van terugbetaling. Het tarief van deze rente wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 112.’
B. Duits recht
6.
Volgens de verwijzende rechter is het toepasselijke Duitse recht de Abgabenordnung (belastingwetboek; hierna: ‘AO’) (BGBI, 2002 I, blz. 3866), in de versie die van toepassing is in het hoofdgeding.
7.
§ 3 AO bepaalt:
‘[…]
- (3)
Invoer- en uitvoerrechten als bedoeld in artikel 5, punten 20 en 21, van het douanewetboek van de Unie zijn belastingen in de zin van deze wet. […].
- (4)
Bijkomende fiscale verplichtingen zijn […] rente in de zin van §§ 233 tot en met 237 [en] rente op invoer- en uitvoerrechten als bedoeld in artikel 5, punten 20 en 21, van het douanewetboek van de Unie […],
[…]’
8.
§ 233 AO luidt:
‘Over vorderingen uit de belastingschuldverhouding (§ 37) wordt enkel rente betaald voor zover dit wettelijk is voorgeschreven. […].’
9.
§ 236 AO bepaalt:
- ‘(1)
Wanneer bij of krachtens een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing een vastgestelde belasting wordt verminderd of een belastingteruggaaf wordt verleend, moet over het terug te betalen of te vergoeden bedrag, onder voorbehoud van hetgeen is bepaald in lid 3, rente worden betaald vanaf de datum waarop het beroep aanhangig is gemaakt tot de datum van betaling. […].
[…]’
10.
Voorts omvat de toepasselijke wettelijke regeling in zaak C-415/20 het Gesetz zur Durchführung der gemeinsamen Marktorganisationen und der Direktzahlungen (wet ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordeningen en de rechtstreekse betalingen, BGB1. 2017 I, blz. 3746, hierna: ‘MOG’), in de versie die van toepassing is in het hoofdgeding.
11.
§ 14 MOG bepaalt:
- ‘(1)
Over bedragen die verschuldigd zijn wegens de terugbetaling van voordelen of de niet-nakoming van een andere verplichting, is rente verschuldigd tegen de basisrentevoet vermeerderd met 5 procentpunten vanaf de datum waarop zij verschuldigd worden. Als heffingen te laat worden betaald, is daarover rente verschuldigd tegen de basisrentevoet vermeerderd met 5 procentpunten vanaf de datum waarop zij verschuldigd worden. De eerste en de tweede volzin zijn niet van toepassing voor zover regelingen in de zin van § 1, lid 2, iets anders bepalen.
- (2)
Over bedragen die verschuldigd zijn in verband met een voordeel of maatregel, is rente verschuldigd vanaf de datum waarop een geding aanhangig is gemaakt overeenkomstig §§ 236, 238 en 239 AO. Voor het overige hoeft over die bedragen geen rente te worden betaald.’
III. Feiten, hoofdgedingen en prejudiciële vragen
A. Zaak C-415/20
12.
Volgens de verwijzingsbeslissing is Gräfendorfer Geflügel- und Tiefkühlfeinkost Produktions GmbH (hierna: ‘Gräfendorfer’) een Duitse onderneming die pluimveekarkassen uitvoert naar derde landen.
13.
Tussen januari en juni 2012 weigerde het Hauptzollamt Hamburg (hoofddouanekantoor Hamburg, Duitsland) om Gräfendorfer uitvoerrestituties te verlenen, omdat de pluimveekarkassen niet van gezonde handelskwaliteit waren aangezien zij niet volledig waren geplukt of te veel ingewanden (slachtafval) bevatten. Op basis van het toepasselijke Unierecht5. heeft het hoofddouanekantoor Hamburg Gräfendorfer bovendien geldboeten opgelegd omdat zij een hoger bedrag aan uitvoerrestituties had aangevraagd dan waarop zij recht had.
14.
Daarna heeft het Finanzgericht Hamburg — in het kader van andere, niet door Gräfendorfer ingestelde beroepen6. — op basis van het arrest van het Hof van 24 november 2011, Gebr. Stolle en Doux Geflügel7., beslist dat de aanwezigheid van enkele veren niet tot een nadelige uitvoertariefindeling leidt en dat in totaal maximaal vier organen aanwezig mochten zijn. Derhalve heeft het hoofddouanekantoor Hamburg het bezwaar van Gräfendorfer toegewezen, de gevorderde uitvoerrestituties verleend en de opgelegde geldboeten terugbetaald.
15.
Bij brief van 16 april 2015 heeft Gräfendorfer bij het hoofddouanekantoor Hamburg een verzoek ingediend voor de betaling van rente over de tardieve uitbetaling van uitvoerrestituties en over de terugbetaalde geldboeten. Bij besluit van 22 juli 2015 heeft het hoofddouanekantoor Hamburg dat verzoek afgewezen. Bij besluit van 18 april 2018 heeft het tevens het door Gräfendorfer tegen zijn besluit van 22 juli 2015 ingediende bezwaar afgewezen.
16.
Op 23 mei 2018 heeft Gräfendorfer bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen die afwijzing. Zij beroept zich daarbij op het Unierecht en op het uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende recht op rentebetaling. Het hoofddouanekantoor Hamburg voert onder meer aan dat zijn toenmalige weigering om de uitvoerrestituties te verlenen het Unierecht niet schond, maar in overeenstemming was met de toepasselijke Uniewetgeving en de nationale rechtspraak. Enkel wegens het arrest van het Hof en de daaropvolgende beslissingen van de verwijzende rechter kon Gräfendorfer aanspraak maken op uitvoerrestituties en in dergelijke omstandigheden kan zij geen rente vorderen over het gecorrigeerde bedrag. Het hoofddouanekantoor Hamburg heeft zich in dit verband beroepen op het arrest van het Hof van 18 januari 2017, Wortmann (hierna: ‘arrest Wortmann’).8.
17.
De verwijzende rechter merkt op dat de Uniewetgeving of het nationale recht geen bepaling bevat die op de hoofdgedingen van toepassing is en op grond waarvan de vorderingen van Gräfendorfer tot betaling van rente over de tardieve uitbetaling van uitvoerrestituties of de terugbetaalde geldboeten zouden kunnen worden toegewezen. De oplossing van het geschil hangt dan ook af van het antwoord op de vraag of die vorderingen kunnen worden gebaseerd op het recht op rentebetaling uit hoofde van het Unierecht, zoals dat recht in de rechtspraak van het Hof wordt erkend.
18.
Omdat het onzeker is of het op het Unierecht gebaseerde recht op rentebetaling ontstaat wanneer het Unierecht wordt geschonden — zoals in deze zaak het geval is — heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Geldt de Unierechtelijke verplichting van de lidstaten om in strijd met het Unierecht geïnde rechten vermeerderd met rente terug te betalen, ook wanneer de reden voor de terugbetaling niet een door het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgestelde strijdigheid van de rechtsgrondslag met het Unierecht is, maar een door het Hof gegeven uitlegging van een post(onderverdeling) van de gecombineerde nomenclatuur?
- 2)
Kunnen de beginselen van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende recht op rente uit hoofde van het Unierecht ook worden toegepast op de betaling van uitvoerrestituties die de overheidsinstantie van de betrokken lidstaat in strijd met het Unierecht heeft geweigerd?’
B. Zaak C-419/20
19.
Volgens de verwijzingsbeslissing is F. Reyher Nchfg. GmbH & Co. KG (hierna: ‘Reyher’) een Duitse onderneming die in 2010 en 2011 bevestigingsmiddelen in de Europese Unie invoerde die afkomstig waren van een in Indonesië gevestigde onderneming, die op haar beurt een dochteronderneming van een Chinese onderneming is.
20.
Volgens het hoofddouanekantoor Hamburg was de invoer in de Unie van die bevestigingsmiddelen, van oorsprong uit China, onderworpen aan de bij verordening nr. 91/20099. vastgestelde antidumpingrechten. Daarom heeft het hoofddouanekantoor Hamburg in 2013 meerdere besluiten vastgesteld waarbij aan Reyher antidumpingrechten zijn opgelegd, die zij heeft voldaan. Vervolgens heeft Reyher bij het Finanzgericht Hamburg beroep ingesteld tegen de oplegging van die antidumpingrechten.
21.
Bij de in kracht van gewijsde gegane beslissing van 3 april 2019 heeft het Finanzgericht Hamburg het beroep van Reyher toegewezen en de haar opgelegde antidumpingrechten ongedaan gemaakt op grond dat het hoofddouanekantoor Hamburg niet had aangetoond dat de door Reyher in de Europese Unie ingevoerde bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China waren.
22.
In mei 2019 heeft het hoofddouanekantoor Hamburg de antidumpingrechten die Reyher had voldaan, aan haar terugbetaald. Het heeft echter de vordering van Reyher tot betaling van rente over die rechten afgewezen en vervolgens het bezwaar van Reyher tegen deze afwijzing verworpen.
23.
Op 10 februari 2020 heeft Reyher bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen die afwijzing. Hoewel tussen partijen in geschil is of de rentebetaling uitgesloten is op grond van artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie, is de verwijzende rechter van oordeel dat niet dat wetboek maar het eerdere communautair douanewetboek van toepassing is op de feiten van het geding. Krachtens artikel 241 van het communautair douanewetboek is rente verschuldigd wanneer het nationale recht daarin voorziet. Volgens de verwijzende rechter kan Reyher dan ook op grond van § 236, lid 1, AO aanspraak maken op rente, te rekenen vanaf het begin van de gerechtelijke procedure. Die rechter vraagt zich evenwel af of Reyher recht heeft op rente wat betreft de periode vanaf het tijdstip waarop de ten onrechte opgelegde antidumpingrechten zijn voldaan tot de aanvang van de gerechtelijke procedure.
24.
Omdat het Finanzgericht Hamburg twijfelt of Reyher het in de rechtspraak van het Hof erkende Unierechtelijke recht op rentebetaling kan inroepen met betrekking tot de rente waarop zij geen aanspraak kan maken op grond van het nationale recht, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is er van een schending van het Unierecht — als voorwaarde voor het door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende Unierechtelijke recht op rentebetaling — ook sprake wanneer een overheidsinstantie van een lidstaat overeenkomstig het Unierecht een heffing oplegt, maar een rechter van die lidstaat nadien vaststelt dat de feitelijke voorwaarden voor de oplegging van die heffing niet zijn vervuld?’
C. Zaak C-427/20
25.
Volgens de verwijzingsbeslissing is Flexi Montagetechnik GmbH & Co. KG een Duitse onderneming die in de Europese Unie musketonhaken invoert die worden gebruikt voor het vervaardigen van hondenriemen.
26.
Na een controle ter plaatse kwam het Hauptzollamt Kiel (hoofddouanekantoor Kiel, Duitsland) tot de slotsom dat die musketonhaken, anders dan Flexi Montagetechnik had aangegeven, niet moesten worden ingedeeld onder post 8308 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: ‘GN’) (douanerecht van 2,7 %), maar onder post 7907 van de GN (douanerecht van 5 %), zodat zij onderworpen waren aan hogere invoerrechten dan Flexi Montagetechnik had betaald. Bij twee besluiten vorderde het hoofddouanekantoor Kiel invoerrechten na, die Flexi Montagetechnik in maart 2014 betaalde. In september 2014 heeft Flexi Montagetechnik vervolgens tegen die besluiten beroep in rechte ingesteld.
27.
Bij arrest van 20 juni 2017 heeft het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) de twee besluiten in kwestie nietig verklaard op grond dat de navordering van de invoerrechten onrechtmatig was aangezien de musketonhaken hadden moeten worden ingedeeld onder post 8308 van de GN, zoals Flexi Montagetechnik ook had gedaan.
28.
In oktober 2017 heeft het hoofddouanekantoor Kiel de door Flexi Montagetechnik voldane invoerrechten aan haar terugbetaald. Het weigerde echter rente over die invoerrechten te betalen voor de periode vanaf de voldoening tot de datum van de terugbetaling en heeft vervolgens het bezwaar van Flexi Montagetechnik tegen deze weigering afgewezen.
29.
Flexi Montagetechnik heeft tegen die weigering beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. In de loop van die procedure heeft het hoofddouanekantoor Kiel haar rente toegekend voor de periode vanaf het instellen van het beroep tegen de navorderingsaanslagen (september 2014) tot de terugbetaling van de invoerrechten (oktober 2017). Tussen partijen is echter nog in geschil of Flexi Montagetechnik ook aanspraak op rente kan maken voor de periode vanaf de betaling van de ten onrechte opgelegde invoerrechten (maart 2014) tot het instellen van het beroep tegen de navorderingsaanslagen (september 2014).
30.
Omdat het Finanzgericht Hamburg twijfelt of Flexi Montagetechnik het in de rechtspraak van het Hof erkende Unierechtelijke recht op rentebetaling kan inroepen met betrekking tot de rente waarop zij geen aanspraak kan maken op grond van het nationale recht, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is er van een schending van het Unierecht — als voorwaarde voor het door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende Unierechtelijke recht op rentebetaling — ook sprake wanneer een overheidsinstantie van een lidstaat in strijd met rechtsgeldige bepalingen van het Unierecht een heffing oplegt en een rechter van die lidstaat deze schending van het Unierecht vaststelt?’
IV. Procedure bij het Hof
31.
Bij beslissing van de president van het Hof van 9 oktober 2020 zijn de zaken C-415/20, C-419/20 en C-427/20 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.
32.
Gräfendorfer, Reyher, Flexi Montagetechnik, de Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend. Die partijen hebben tevens geantwoord op de schriftelijke vragen die het Hof heeft gesteld overeenkomstig artikel 62, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering.
V. Beoordeling
33.
Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter verduidelijking over verschillende kwesties die verband houden met het op het Unierecht gebaseerde recht op rentebetaling, zoals dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof.
34.
De verwijzende rechter stelt niet ter discussie dat het recht op rentebetaling uit het Unierecht voortvloeit, maar vraagt zich wel af of een dergelijk recht ontstaat in de verschillende aan hem voorgelegde situaties waarin het Unierecht is geschonden.
35.
De eerste vraag — die aan alle drie de zaken ten grondslag ligt — luidt in wezen of het voor het ontstaan van het recht op rentebetaling op grond van het Unierecht van belang is op welke wijze het Unierecht is geschonden. Daarnaast rijst indirect de vraag of het van belang is dat de schending van het Unierecht is vastgesteld door de nationale rechterlijke instanties en niet door het Hof.
36.
De tweede vraag die aan deze zaken ten grondslag ligt, luidt in wezen of en onder welke voorwaarden het uit het Unierecht voortvloeiende recht op rentebetaling kan worden beperkt. In de zaken C-419/20 en C-427/20 wordt de vraag opgeworpen of de beperking van het recht op rentebetaling waarin de douanewetgeving van de Unie voorziet, van toepassing is, terwijl in alle drie de zaken de vraag wordt opgeworpen of dat recht kan worden beperkt door het nationale recht.
37.
Met het oog op de beantwoording van die vragen ga ik eerst in op het in de rechtspraak van het Hof erkende recht op rentebetaling met betrekking tot de terugbetaling van in strijd met het Unierecht betaalde bedragen (deel A). Daarna onderzoek ik of het voor het ontstaan van het recht op rentebetaling op grond van het Unierecht van belang is op welke wijze het Unierecht is geschonden (deel B.1). Vervolgens bespreek ik of het van belang is dat de schending van het Unierecht is vastgesteld door de nationale rechterlijke instanties of door het Hof (deel B.2). Ten slotte ga ik in op de mogelijke rechtvaardigingsgronden voor beperkingen van het recht op rentebetaling, zowel beperkingen die voortvloeien uit het Unierecht (deel C.1) als beperkingen die voortvloeien uit het nationale recht (deel C.2).
38.
Uit mijn analyse zal blijken dat het recht op rentebetaling een algemene Unierechtelijke regel is die van toepassing is telkens wanneer een op grond van het Unierecht verschuldigde betaling te laat is verricht, ongeacht of het gaat om de terugbetaling van ten onrechte betaalde bedragen dan wel om de tardieve betaling van voordelen waarop een persoon krachtens het Unierecht aanspraak heeft. Een dergelijke algemene regel kan door het Unierecht of het nationale recht worden beperkt mits deze beperking wordt gerechtvaardigd door een aanvaardbaar algemeen belang en evenredig is aan dat belang. Ik zal de bij de douanewetgeving van de Unie ingevoerde beperking analyseren, alsmede de beperking waarin het toepasselijke nationale recht in dit verband voorziet.
A. Recht op rentebetaling krachtens het Unierecht
39.
Allereerst wil ik opmerken dat het recht op rentebetaling krachtens het Unierecht tegelijkertijd is ontwikkeld met de rechtspraak van het Hof over het recht op terugbetaling van ten onrechte, in strijd met het Unierecht betaalde bedragen.
40.
Dat er in strijd met het Unierecht verschillende heffingen worden opgelegd, is niet nieuw. Zo moest het Hof zich in de vroege rechtspraak bijvoorbeeld uitspreken over heffingen voor fytosanitaire inspecties10., uitvoerheffingen11., sanitaire heffingen bij invoer12., heffingen op geslachte varkens die worden gebruikt voor de vervaardiging van bacon13., verbruiksbelastingen op bananen14., en bij de inschrijving van naamloze en besloten vennootschappen geheven rechten15.. Recentere zaken hadden betrekking op de bij wege van voorheffing betaalde vennootschapsbelasting over winst die door een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij werd uitgekeerd als dividend16., te veel geheven belasting over de toegevoegde waarde (hierna: ‘btw’)17., een vervuilingsheffing op motorvoertuigen18. en te veel betaalde belastingen op elektriciteitsverbruik19., om er slechts enkele te noemen.
41.
Wanneer dergelijke heffingen werden geacht in strijd te zijn met het Unierecht, verzochten de personen die ze hadden voldaan, om terugbetaling ervan. Die vorderingen werden vaak gecombineerd met vorderingen tot betaling van rente.
42.
Het Unierecht voorziet echter niet in schriftelijke algemene regels over rechten of rechtsmiddelen voor personen die in strijd met het Unierecht betalingen hebben verricht. Derhalve is (en wordt) dat rechtsgebied ontwikkeld via de rechtspraak van het Hof. Hierna geef ik een kort overzicht van de betreffende rechtspraak zoals ik deze opvat.
43.
Het recht op terugbetaling van heffingen die een lidstaat in strijd met het Unierecht heeft geïnd, is volgens vaste rechtspraak het uitvloeisel en het complement van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van Unierecht, zoals die door het Hof zijn uitgelegd. De lidstaten zijn dus in beginsel verplicht om heffingen terug te betalen die zijn geïnd in strijd met het Unierecht.20.
44.
Mijns inziens komt uit die rechtspraak duidelijk naar voren dat het recht op terugbetaling zelf uit het Unierecht voortvloeit wanneer een persoon in strijd met het Unierecht bedragen heeft betaald.21.
45.
Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een lidstaat belastingen heeft geheven in strijd met het Unierecht, de justitiabelen niet alleen recht hebben op terugbetaling van de ten onrechte geheven belasting, maar ook van de aan die staat betaalde of door die staat ingehouden bedragen die rechtstreeks verband houden met die belasting. Dit omvat mede de verliezen die erin bestaan dat betaalde geldsommen niet beschikbaar zijn.22.
46.
Het Hof heeft daarnaast verduidelijkt dat blijkens de rechtspraak het beginsel dat de lidstaten verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geheven belastingen met rente terug te betalen, voortvloeit uit het Unierecht zelf.23.
47.
De aangehaalde rechtspraak betekent mijns inziens dat wanneer krachtens het Unierecht een recht op terugbetaling bestaat, daaraan een recht op rentebetaling is verbonden. De advocaten-generaal van het Hof24. en rechtsgeleerden25. staan een dergelijke uitlegging van de rechtspraak voor.
48.
In de rechtspraak is echter nog geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag of er altijd rente verschuldigd is wanneer het recht op terugbetaling is gebaseerd op het Unierecht, dan wel of er gevallen zijn waarin het Unierecht het recht op terugbetaling toekent, maar geen rentebetaling vereist. Voorts is nog niet verduidelijkt of het recht op rentebetaling uitsluitend ontstaat wanneer er krachtens het Unierecht een recht op terugbetaling bestaat, dan wel of dat recht tevens ontstaat in andere gevallen waarin de te laat nagekomen betalingsverplichting rechtstreeks op het Unierecht berust (zoals de uitvoerrestituties in zaak C-415/20).
49.
Ook het antwoord op die vraag moet mijns inziens in het Unierecht worden gevonden en hangt niet af van de nationale rechtsorden. Met andere woorden, de omvang van het recht op rentebetaling valt niet onder de nationale procedurele autonomie. Dat begrip heeft betrekking op de bevoegdheden van de lidstaten om in hun rechtsstelsel materiële en procedurele kwesties te regelen die van belang zijn voor de aanwending van Unierechtelijke rechtsmiddelen (zoals het recht op terugbetaling of het recht op schadevergoeding krachtens het Unierecht), wanneer voor de toepassing daarvan noodzakelijke Unierechtelijke voorschriften ontbreken. De vraag of het recht op rentebetaling ontstaat in alle of slechts in sommige gevallen waarin het recht op terugbetaling bestaat, dan wel ook in andere gevallen waarin de betalingsverplichting gebaseerd is op het Unierecht, betreft evenwel het bestaan van dat recht en niet de uitoefening ervan, en is om die reden uitsluitend een vraag van het Unierecht. Of een dergelijk, krachtens het Unierecht bestaand recht door de nationale rechtsorden kan worden beperkt, is daarentegen een ander soort vraag, die ik hieronder afzonderlijk zal behandelen (zie deel C.2).
B. Schending van het Unierecht die volgens de rechtspraak van het Hof recht geeft op terugbetaling met rente
1. Is hetvan belang op welke wijze het Unierecht is geschonden?
50.
Een van de vragen die in de onderhavige zaken aan de orde zijn, luidt of het voor de toepassing van de rechtspraak van het Hof over de terugbetaling van onverschuldigde betalingen met rente van belang is op welke wijze het Unierecht is geschonden. Meer in het bijzonder rijst de vraag of er alleen rente verschuldigd is wanneer een Unierechtelijke of nationale maatregel die als rechtsgrondslag dient voor de oplegging van de ten onrechte geïnde bedragen, is ingetrokken of ongeldig is verklaard, zoals de Nederlandse regering betoogt, dan wel of er ongeacht de aard van de schending van het Unierecht rente verschuldigd is, zoals de verwijzende rechter, Gräfendorfer, Reyher, Flexi Montagetechnik en de Commissie stellen.
51.
In dit verband zet de verwijzende rechter uiteen dat de zaken waarin het Hof heeft geoordeeld dat de verzoekers krachtens het Unierecht aanspraak hadden op rente , met elkaar gemeen hebben dat het recht op terugbetaling ontstond nadat de rechtsgrondslag voor de betaling ongeldig was verklaard door het Hof.26.
52.
In de onderhavige zaken vloeide de schending van het Unierecht daarentegen voort uit het feit dat de bevoegde nationale autoriteiten het Unierecht onjuist hadden uitgelegd of de feiten onjuist hadden beoordeeld bij de toepassing van rechtsgeldige Unierechtelijke bepalingen. In zaak C-415/20 bestond de schending in een onjuiste uitlegging van geldige Uniewetgeving op grond waarvan verzoekster de betaling van uitvoerrestituties was geweigerd en haar daarnaast door de bevoegde nationale autoriteiten een geldboete was opgelegd. In zaak C-419/20 bestond de schending in een onjuiste beoordeling van de feiten door de bevoegde nationale autoriteiten, wat heeft geleid tot de oplegging van antidumpingrechten die niet verschuldigd waren op grond van het geldige Unierecht, en in zaak C-427/20 was de heffing van invoerrechten het gevolg van een onjuiste uitlegging van het geldige Unierecht door die autoriteiten.
53.
Het klopt dat de door de verwijzende rechter aangehaalde zaken betrekking hadden op gevallen waarin de rechtsgrondslag voor de betaling ongeldig was verklaard. Het arrest Zuckerfabrik Jülich27. had betrekking op de betaling van rente over bedragen voor productieheffingen in de suikersector die ten onrechte waren voldaan op grond van verordeningen van de Unie die het Hof ongeldig had verklaard. Het arrest Irimie28. hield verband met de betaling van rente over een terugbetaalde vervuilingsheffing die was ingevoerd bij een nationale regeling die in strijd met het Unierecht werd bevonden op grond van de uitlegging van het Hof. Ten slotte betrof het arrest Wortmann de betaling van rente in verband met de terugbetaling van antidumpingrechten die de verzoekende partij had betaald op grond van een verordening van de Europese Unie die door het Hof gedeeltelijk nietig was verklaard.29.
54.
Ten eerste zij evenwel opgemerkt dat er arresten van het Hof zijn waarbij de reden voor de rentebetaling niet de ongeldigverklaring van de rechtsgrondslag voor de betaling was, maar een andere schending van het Unierecht. Een van die arresten is door de verwijzende rechter zelf aangehaald.30. Ten tweede zijn er mijns inziens belangrijke conceptuele factoren die ervoor pleiten dat er een recht op rentebetaling krachtens het Unierecht bestaat ongeacht op welke wijze het Unierecht is geschonden. Met andere woorden, volgens mij is er geen rechtvaardigingsgrond om het recht op rentebetaling te beperken tot gevallen waarin de rechtsgrondslag voor de betaling ongeldig is verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt is het noodzakelijk dat ik eerst aandacht besteed aan de redenen die ten grondslag lagen aan de rechtspraak van het Hof waarin het recht op rentebetaling wordt erkend.
a) Doel van het recht op rentebetaling
55.
Wanneer een persoon in strijd met het Unierecht een bedrag heeft betaald, ontstaat tegelijkertijd het recht om dat bedrag terug te krijgen, zelfs indien het bestaan van dit recht nadien eventueel door het Hof of de nationale rechter wordt bevestigd. Dat volgt uit de in punt 43 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak waarin het Hof uiteenzet dat het recht op terugbetaling van heffingen die een lidstaat heeft geïnd in strijd met het Unierecht, het uitvloeisel en het complement is van de rechten die de justitiabelen aan de bepalingen van het Unierecht ontlenen om de bedragen in kwestie niet te betalen. Tussen het tijdstip waarop het recht op terugbetaling is ontstaan en het tijdstip waarop de terugbetaling plaatsvindt, verloopt een bepaalde periode, die in sommige gevallen zelfs lang kan duren.31. De rente dient om de duur van deze periode in te perken.
56.
De verplichting om rente te betalen is geen straf of sanctie die aan de bevoegde nationale autoriteiten wordt opgelegd in verband met de begane schending van het Unierecht. Zij heeft veeleer tot doel te waarborgen dat de justitiabelen op passende wijze worden gecompenseerd voor de verliezen die zij hebben geleden doordat zij niet konden beschikken over bedragen die ten onrechte, in strijd met het Unierecht zijn geïnd. Met andere woorden, het recht op rentebetaling is gebaseerd op de gedachte dat justitiabelen in de oorspronkelijke toestand moeten worden hersteld omdat zij gedurende een bepaalde periode niet over die bedragen hebben kunnen beschikken.32.
57.
Aangezien het recht op rentebetaling slechts een middel is om het financiële verlies in de loop van de tijd te compenseren, is het voor het recht op rentebetaling niet van belang of de bevoegde nationale autoriteiten in de veronderstelling verkeerden dat zij handelden in overeenstemming met het Unierecht, waaraan pas nadien een uitlegging werd gegeven die verschilde van wat die autoriteiten destijds beschouwden als de juiste toepassing van het Unierecht. De door de verwijzende rechter ter zake geuite bezorgdheid dat die autoriteiten mogelijkerwijs geen rente hoeven te betalen, omdat zij de heffingen te goeder trouw hebben geïnd, is bijgevolg niet van het belang voor het ontstaan van het recht op rentebetaling.
58.
Het recht op rentebetaling is niet hetzelfde als het recht op schadevergoeding. In zaken over terugbetaling ontstaat het eerstgenoemde recht op rentebetaling doordat in strijd met het Unierecht geldbedragen zijn betaald, en hangt dat recht niet af van de vaststelling van de aansprakelijkheid van de bevoegde nationale autoriteiten die het Unierecht hebben geschonden. Het is dan ook niet van belang waarom die autoriteiten in strijd met het Unierecht geldbedragen hebben geïnd. Net zoals het recht op terugbetaling als Unierechtelijk rechtsmiddel slechts afhangt van het objectieve feit dat die bedragen niet verschuldigd waren, is voor het recht op rentebetaling het verstrijken van de tijd relevant.
59.
In gevallen waarin terugbetaling kan worden gevorderd, wordt de rente berekend over de periode waarin een persoon niet over zijn geld heeft kunnen beschikken terwijl dit wel het geval had behoren te zijn, zonder dat hoeft te worden onderzocht om welke reden de bevoegde nationale autoriteiten het Unierecht hebben geschonden. Het volstaat dat het Unierecht is geschonden. De rente compenseert enkel het verstrijken van de tijd en staat bijgevolg los van de vraag of de schending van het Unierecht eventueel kan worden gerechtvaardigd.
60.
De rechtspraak ondersteunt een dergelijke economische rechtvaardigingsgrond voor het recht op rentebetaling. Het Hof heeft eerst gewezen op de economische reden voor het recht op terugbetaling. Het oordeelde dat ‘het recht op terugvordering van het onverschuldigd betaalde ertoe strekt om de gevolgen op te heffen van de onverenigbaarheid van de heffing met het recht van de Unie, door de economische last die ten onrechte heeft gedrukt op de uiteindelijke marktdeelnemer die ze heeft betaald, te neutraliseren’.33. In een aantal recente zaken, die zijn vermeld in punt 45 van deze conclusie, heeft het Hof voorts uiteengezet dat het Unierecht vereist dat ten onrechte geïnde geldbedragen worden terugbetaald met rente, omdat de rente ‘de verliezen die het gevolg zijn van het feit dat geldsommen […] niet beschikbaar zijn’ compenseert.34.
61.
De rentebetaling is dus nodig om de eerbiediging van het Unierecht te herstellen door een situatie te scheppen die zo dicht mogelijk de situatie benadert die zonder schending van het Unierecht zou hebben bestaan. Zij is er dus op gericht om de doeltreffendheid van het Unierecht te herstellen.
62.
Een alternatieve of eventueel aanvullende verklaring voor de toekenning van rente, is het begrip ‘ongerechtvaardigde verrijking’.35. Deze verklaring wordt voorgestaan door de verwijzende rechter, Gräfendorfer en Flexi Montagetechnik.
63.
Advocaat-generaal Sharpston heeft zich op dat begrip gebaseerd in haar conclusie in de zaak Zuckerfabrik Jülich e.a.36., waarin het eveneens ging om bedragen die werden teruggevorderd van nationale autoriteiten, maar die werden geïnd voor de begroting van de Europese Unie op grond van een ongeldige Unierechtelijke rechtsgrondslag.
64.
Bovendien heeft het Hof zich in zijn arresten van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie37., en 9 juli 2020, Tsjechië/Commissie38., op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerd als rechtvaardigingsgrond voor de mogelijkheid om een vordering tot terugbetaling door de Unie in te stellen op grond van artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU. Het Hof heeft benadrukt dat een persoon die een verlies heeft geleden waardoor het vermogen van een andere persoon (in dat geval de Unie) is toegenomen zonder dat voor die verrijking enige rechtsgrondslag bestaat, in het algemeen recht heeft op vergoeding van dat verlies door de verrijkte. Volgens het Hof vereist een vordering tot terugbetaling uit de begroting van de Europese Unie het bewijs dat de verweerder zonder geldige rechtsgrondslag is verrijkt en dat de verzoeker ten gevolge van deze verrijking is verarmd.
65.
Hoewel het begrip ‘ongerechtvaardigde verrijking’ een passende grondslag zou vormen voor een door een lidstaat ingestelde vordering tot terugbetaling van bedragen die hij ten onrechte heeft betaald aan de Uniebegroting, is het volgens mij niet nodig om in gevallen als die welke in de onderhavige zaken aan de orde zijn, de betaling van rente te rechtvaardigen door te verwijzen naar dat begrip. Het kan zelfs een belemmering voor de betaling van rente vormen. Ten gevolge van de bestuurlijke organisatie van de Europese Unie worden door de nationale autoriteiten vaak verschillende bedragen geïnd voor de begroting van de Europese Unie. Overeenkomstig de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak zou een persoon die ten onrechte geïnde bedragen heeft betaald, moeten bewijzen dat de nationale autoriteiten die de betreffende bedragen hebben geïnd, zijn verrijkt. Indien deze bedragen in de begroting van de Europese Unie zijn gevloeid, zou mogelijkerwijs niet kunnen worden bewezen dat die autoriteiten zijn verrijkt.
66.
Het recht op rentebetaling is niet zozeer gebaseerd op de gedachte van ongerechtvaardigde verrijking als wel op het tegendeel daarvan: de ongerechtvaardigde verarming. Het heeft tot doel de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen door de in strijd met het Unierecht verarmde persoon terug te brengen in de situatie die zou hebben bestaan indien het Unierecht niet was geschonden. Derhalve is veeleer de verarming van de verzoekende partij dan de verrijking van de nationale autoriteiten van belang. Voor het recht op rentebetaling krachtens het Unierecht hoeft niet te worden aangetoond dat er sprake is van verrijking.39.
67.
De economische rechtvaardigingsgrond die het Hof heeft aangevoerd voor het bestaan van het recht op rentebetaling, wettigt de gevolgtrekking dat dit recht krachtens het Unierecht ontstaat telkens wanneer een persoon in strijd met het Unierecht is verarmd, zonder dat hoeft te worden nagegaan of degene die het Unierecht heeft geschonden al dan niet te goeder trouw heeft gehandeld en of hij verrijkt is.
b) Bestaat er in de onderhavige zaken een recht op rentebetaling?
68.
Indien wordt aanvaard dat het Unierecht het recht op rentebetaling toekent om de doeltreffendheid van het Unierecht te herstellen door het financiële verlies te vergoeden voor de periode waarin een persoon — in strijd met het Unierecht — niet over geldbedragen heeft kunnen beschikken, is er geen reden om een onderscheid te maken tussen verschillende situaties waarin het Unierecht is geschonden.
69.
De rente is verschuldigd ongeacht of de schending bestond in een ongeldige Unierechtelijke of nationale rechtsgrondslag voor de betaling, in de onjuiste uitlegging van het Unierecht of van het nationale recht waarbij het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd, in de onjuiste beoordeling van de feiten die heeft geleid tot de met het Unierecht strijdige inning van geldbedragen, of in enige andere schending.
70.
Mijns inziens kan uit de rechtspraak worden afgeleid dat het recht op rentebetaling ontstaat in alle situaties waarin op grond van het Unierecht een geldbedrag verschuldigd is voor de periode vanaf het moment waarop het recht op betaling is ontstaan totdat de betaling is verricht.40. Het recht op rentebetaling ontstaat ten gevolge van de schending van de Unierechtelijke norm die recht geeft op betaling of op niet-betaling, zodra inbreuk wordt gemaakt op dit recht, en dient om de doeltreffendheid van het Unierecht te herstellen.
71.
Wanneer het recht op terugbetaling is ontstaan wegens de ongeldigverklaring van de rechtsgrondslag voor de met het Unierecht strijdige betaling, is rentebetaling bijgevolg noodzakelijk om de situatie te herstellen die zou hebben bestaan indien de ongeldig verklaarde handeling nooit was vastgesteld.41.
72.
Om soortgelijke redenen moet eveneens rente worden betaald wanneer terugbetaling wordt gevorderd wegens de onjuiste beoordeling van de feiten of de onjuiste uitlegging van het recht. In zaak C-415/20 zou de verzoekende partij niet verplicht zijn geweest om geldboeten te betalen indien de bevoegde nationale autoriteiten het Unierecht juist hadden uitgelegd. Voor het herstel van de situatie die zou hebben bestaan indien de schending van het Unierecht achterwege was gebleven, is het niet voldoende enkel die boeten terug te betalen, maar dient tevens rente te worden betaald ter compensatie van het tijdsverloop. Alleen dan kan de doeltreffendheid van het Unierecht worden hersteld.
73.
Deze redenering geldt ook voor de zaken C-419/20 en C-427/20. De doeltreffendheid van het Unierecht kan alleen worden hersteld indien de verzoekende partijen worden ‘teruggebracht’ in de situatie waarin de schending van het Unierecht ten gevolge van de onjuiste beoordeling van de feiten of de onjuiste uitlegging van het Unierecht niet zou hebben plaatsgevonden. Daarvoor is het noodzakelijk dat compensatie wordt geboden voor het verlies van de gebruikswaarde van het geld waarover de verzoekende partijen wegens de schending van het Unierecht niet hebben kunnen beschikken.
74.
Deze benadering is bevestigd in recente rechtspraak waarin het Hof heeft geoordeeld dat rente ook verschuldigd is wanneer het recht op terugbetaling van de verzoeker niet is ontstaan wegens de ongeldigverklaring van de rechtsgrondslag voor de betaling, maar wegens de onjuiste uitlegging van het recht of van de feiten die heeft geleid tot de onterechte betaling. In het arrest Littlewoods Retail42. had de verzoekende partij te veel btw betaald wegens de onjuiste uitlegging van het toepasselijke Unierecht en nationale recht. In het arrest Hauptzollamt B43. was de terugbetaling het gevolg van een onjuiste aanslag in de elektriciteitsbelasting. In beide zaken was het Hof van oordeel dat de verzoekende partijen krachtens het Unierecht recht op rentebetaling hadden.
75.
De situatie in zaak C-415/20, waarin de verzoekende partij gedurende een bepaalde periode de uitvoerrestituties waarop zij krachtens het Unierecht recht had, niet betaald kreeg, is anders dan in de zaken met betrekking tot terugbetaling. In laatstgenoemde zaken ontstond het recht op rentebetaling ten gevolge van de schending van het recht om niet te betalen, terwijl in zaak C-415/20 aanspraak werd gemaakt op het recht op rentebetaling in verband met het recht om een betaling te ontvangen. De tweede vraag van de verwijzende rechter in die zaak luidt dan ook in wezen of het recht op rentebetaling uitsluitend ontstaat samen met het recht op terugbetaling, dan wel of het eveneens ontstaat wanneer inbreuk wordt gemaakt op iemands recht op betaling dat rechtstreeks gebaseerd is op het Unierecht.
76.
Indien, zoals ik heb geopperd, het Unierechtelijke recht op rentebetaling wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de doeltreffendheid van het Unierecht te herstellen door compensatie te bieden voor de periode waarin een persoon in strijd met het Unierecht niet over een geldbedrag heeft kunnen beschikken, ontstaat het recht op rentebetaling eveneens wanneer de schending erin bestaat dat iemand de betaling is geweigerd waarop hij krachtens het Unierecht recht had. In de omstandigheden van zaak C-415/20 is rente verschuldigd vanaf het tijdstip van het ontstaan van het recht op uitvoerrestituties tot het tijdstip van de betaling van deze uitvoerrestituties.
77.
Samenvattend dient de rechtspraak van het Hof mijns inziens aldus te worden opgevat dat zij zich in de regel mede uitstrekt tot het recht op rentebetaling in alle gevallen waarin op grond van het Unierecht verschuldigde geldbedragen te laat worden betaald in strijd met het Unierecht.
78.
Om die reden ben ik van mening dat de rechtspraak van het Hof over het recht op rentebetaling van toepassing is op ten onrechte geweigerde uitvoerrestituties en op geldboeten die door de bevoegde nationale autoriteiten ten onrechte, in strijd met het Unierecht zijn opgelegd, zoals in zaak C-415/20 aan de orde is. Die rechtspraak geldt tevens voor de terugbetaling van antidumpingrechten die zijn geïnd op basis van onjuist vastgestelde feiten, zoals in zaak C-419/20 aan de orde is, en op de terugbetaling van invoerrechten die ten onrechte zijn geïnd ten gevolge van een onjuiste uitlegging van het Unierecht, zoals in zaak C-427/20 aan de orde is. In al deze gevallen is het doel van de rentebetaling hetzelfde: compensatie bieden voor het verlies van de gebruikswaarde van het geld tijdens de periode tussen het tijdstip waarop het recht op de betreffende geldbedragen ontstaat, tot het tijdstip waarop deze bedragen worden betaald.
79.
Indien de rechtspraak van het Hof aldus werd uitgelegd dat zij uitsluitend van toepassing is wanneer een Unierechtelijke of nationale maatregel door het Hof nietig of ongeldig wordt verklaard, zou dat in strijd zijn met het eigenlijke doel van die rechtspraak, te weten ervoor zorgen dat aan de justitiabelen een recht op rentebetaling wordt toegekend om de doeltreffendheid van het Unierecht te herstellen, ongeacht op welke wijze het Unierecht is geschonden.
2. Is het van belangof de schending van het Unierecht wordt vastgesteld door de nationale rechter of door het Hof?
80.
Een met het voorgaande samenhangende kwestie is dat de uitlegging — met het oog op de beslechting van de onderhavige zaken — van het begrip ‘schending van het Unierecht’ in de rechtspraak van het Hof over de terugbetaling van ten onrechte geïnde bedragen indirect ook de vraag oproept of het van belang is of de schending van het Unierecht wordt vastgesteld door de nationale rechter dan wel door het Hof.
81.
Volgens mij moet deze vraag ontkennend worden beantwoord.
82.
Zoals het Hof heeft erkend, wordt bij artikel 19 VEU aan de nationale rechter en het Hof de taak toevertrouwd om te waarborgen dat het Unierecht in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming genieten die zij aan dat recht ontlenen.44. De nationale rechter vervult dus, in samenwerking met het Hof, een taak die hun gezamenlijk is opgedragen en die erin bestaat de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen te waarborgen.45.
83.
Het Hof heeft voorts benadrukt dat de procedure van artikel 267 VWEU een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties tot stand brengt in het kader waarvan deze laatste nauw betrokken zijn bij de juiste toepassing en de eenvormige uitlegging van het Unierecht alsook bij de bescherming van de door die rechtsorde aan particulieren verleende rechten. De respectievelijk aan de nationale rechterlijke instanties en het Hof opgedragen taken zijn dus van wezenlijk belang voor het behoud van de aard van het bij de Verdragen geschapen recht.46.
84.
Hieruit volgt dat de nationale rechterlijke instanties naast het Hof een belangrijke rol spelen als ‘gewone’ rechterlijke instanties binnen de rechtsorde van de Europese Unie.47. Wanneer een nationale rechter vaststelt dat het Unierecht is geschonden, heeft dat dus dezelfde waarde als wanneer het Hof dat vaststelt in verband met het bij het Unierecht aan particulieren toegekende recht op terugbetaling van ten onrechte geïnde bedragen en de rente daarover.
85.
Tevens zij erop gewezen dat deze benadering tot uitdrukking lijkt te komen in de rechtspraak van het Hof ter zake. In het arrest Wortmann48. heeft het Hof uiteengezet dat wanneer rechten worden terugbetaald omdat zij in strijd met het Unierecht zijn geïnd, ‘hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan’, de lidstaten krachtens het Unierecht verplicht zijn om daarover rente te betalen.
86.
Om die reden ben ik van mening dat er sprake is van een schending van het Unierecht die recht op rentebetaling geeft, ongeacht of de nationale rechter dan wel het Hof die schending vaststelt.
C. Beperkingen die bij het Unierecht en het nationale recht kunnen worden gesteld aan het recht op rentebetaling
87.
In alle drie de zaken hebben verzoeksters volgens de verwijzende rechter uitsluitend recht op rentebetaling voor de gehele periode waarin zij in strijd met het Unierecht niet hebben kunnen beschikken over de geldbedragen indien er krachtens het Unierecht een recht op rentebetaling bestaat. In de delen hierboven heb ik de opvatting verdedigd dat verzoeksters daadwerkelijk een recht op rentebetaling ontlenen aan het Unierecht.
88.
Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt echter dat verzoeksters, althans in de zaken C-419/20 en C-427/20, volgens de verwijzende rechter krachtens het nationale recht aanspraak op rentebetaling hadden voor de periode vanaf het instellen van de gerechtelijke procedure totdat de terugbetaling plaatsvindt, terwijl verzoekster in zaak C-415/20 geen recht op rentebetaling heeft krachtens het nationale recht, omdat zij de uitbetaling van de uitvoerrestituties niet in rechte heeft gevorderd.
89.
In zoverre is het mijns inziens niet van belang of verzoeksters in de onderhavige zaken krachtens het nationale recht aanspraak op rentebetaling hebben, aangezien deze aanspraak rechtstreeks in het leven wordt geroepen door het Unierecht. De voor de beslissing van de verwijzende rechter relevante vraag is bijgevolg niet of er op grond van het Unierecht rente kan worden toegekend voor de periode tot het instellen van een beroep in rechte, maar wel of de regels van het nationale recht de uitoefening van het op het Unierecht gebaseerde recht op rentebetaling voor die periode rechtmatig kunnen beperken of afhankelijk kunnen maken van de voorwaarde dat beroep in rechte wordt ingesteld.
90.
Daarnaast rijst de vraag of verzoeksters de rentebetaling mag worden ontzegd waarop zij anders krachtens het Unierecht aanspraak zouden hebben op grond van de toepassing van de douanewetgeving van de Unie.
91.
Rechten die krachtens het Unierecht ontstaan, waaronder het recht op rentebetaling, kunnen onder bepaalde voorwaarden worden beperkt door het Unierecht of het nationale recht.
92.
In het algemeen moet er voor de beperking van op het Unierecht gebaseerde rechten voldaan zijn aan twee voorwaarden. Ten eerste moet de maatregel waarbij het op het Unierecht gebaseerde recht wordt beperkt, worden gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang die op grond van het Unierecht aanvaardbaar is, en ten tweede moet die maatregel evenredig zijn aan die doelstelling.
93.
Binnen dat kader analyseer ik hieronder twee beperkende maatregelen die voor de onderhavige zaken relevant zijn: een Unierechtelijke en een nationaalrechtelijke maatregel.
1. Bij het Unierecht gestelde beperkingen (artikel 241 van het communautair douanewetboek en artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie)
94.
Een van de vragen die in de onderhavige zaken moet worden beantwoord, is of artikel 241 van het communautair douanewetboek en artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie (hierna gezamenlijk: ‘douanewetboek’) van toepassing zijn op de feiten van de zaken die bij de verwijzende rechter aanhangig zijn.
95.
Bij die Unierechtelijke bepalingen wordt de betaling van rente in geval van de terugbetaling van invoerrechten door de bevoegde nationale autoriteiten respectievelijk beperkt of uitgesloten onder bepaalde voorwaarden. Derhalve zijn zij mogelijkerwijs relevant voor de terugbetaling van de in zaak C-427/20 aan de orde zijnde invoerrechten en voor de terugbetaling van de in zaak C-419/20 aan de orde zijnde antidumpingrechten.
96.
Volgens de Nederlandse regering is er in de zaken C-419/20 en C-427/20 geen rente verschuldigd, omdat op de feiten van die zaken de in het douanewetboek neergelegde regel van toepassing is die rente uitsluit. Gräfendorfer, Reyher, Flexi Montagetechnik en de Commissie zijn het daar niet mee eens. Zij betogen op basis van het arrest Wortmann dat de regel van het douanewetboek waarbij rentebetaling wordt uitgesloten, niet van toepassing is op de feiten van die zaken.
97.
De Nederlandse regering gaat bij de ontwikkeling van haar betoog uit van het standpunt dat de in het douanewetboek neergelegde regel die de betaling van rente uitsluit, een algemene regel is. Het oordeel van het Hof in het arrest Wortmann is volgens haar een uitzondering op die regel.
98.
Ik ben daarentegen van mening dat de betreffende regel van het douanewetboek geen algemene regel is, maar veeleer een uitzondering op de algemene Unierechtelijke regel dat rente verschuldigd is wanneer in strijd met het Unierecht voldane bedragen worden terugbetaald. Juist omdat de algemene regel rentebetaling voorschrijft, moest er een uitdrukkelijke regel worden vastgesteld om de betaling van rente uit te sluiten.
99.
Omdat de in het douanewetboek neergelegde regel de algemene regel beperkt, moet hij worden gerechtvaardigd en evenredig zijn in het licht van de aangevoerde rechtvaardigingsgrond. Zonder een dergelijke rechtvaardiging zou de regel van het douanewetboek waarbij de betaling van rente in geval van terugbetaling wordt uitgesloten, ongeldig zijn.49.
100.
In het arrest Wortmann50. wordt een rechtvaardigingsgrond voor de betreffende regel van het douanewetboek aangevoerd51., maar tegelijkertijd wordt de toepassing ervan beperkt tot bepaalde situaties. Hieronder licht ik toe dat dit noodzakelijk was om de rechtmatigheid van de regel van het douanewetboek te waarborgen en dat om dezelfde reden die regel niet van toepassing is op de onderhavige zaken.
101.
Het Hof heeft zich in het arrest Wortmann aangesloten bij de redenering van de advocaat-generaal in die zaak en geoordeeld dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 241 van het communautair douanewetboek volgt dat deze bepaling betrekking heeft ‘op de situatie waarin, nadat de douaneautoriteit de betrokken goederen heeft vrijgegeven, blijkt dat op de voorlopige aanslag van de invoerrechten een correctie naar beneden moet worden aangebracht, als gevolg waarvan de door een marktdeelnemer betaalde invoerrechten geheel of gedeeltelijk aan hem moeten worden terugbetaald’.52.
102.
Advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona zet uiteen dat ‘de douane de goederen niet inspecteert alvorens deze vrij te geven, en pas daarna de controle op de regelmatigheid van de invoer verricht’, alsmede dat ‘indien op dat latere tijdstip een nieuwe aanslag moet worden vastgesteld […] daaruit zowel [kan] volgen dat de importeur het tot dat moment niet betaalde moet voldoen (te lage voorlopige aanslag), als dat de douane het te veel betaalde moet terugbetalen’.53. In beide gevallen sluit het douanewetboek de betaling van rente uit.54.
103.
De rechtvaardigingsgrond voor de beperking in het douanewetboek van de algemene regel die de betaling van rente voorschrijft, is de snelheid van het systeem van douaneafhandeling en de snelle vrijgave van goederen voor het in de handel brengen ervan mogelijk maken.55.
104.
Om ervoor te zorgen dat die regel evenredig blijft aan het doel ervan, moet de toepassing ervan beperkt blijven tot de procedure van douaneafhandeling, zoals in de voorgaande punten van deze conclusie is uiteengezet. Dat zijn de gevallen waarin de douaneautoriteit of een ondernemer kort na de oorspronkelijke douaneafhandeling aanpassing van de invoerrechten eist en beide partijen die aanpassing aanvaarden. Bij een geschil zou de situatie echter niet vallen onder de uitzondering van het douanewetboek waarbij de betaling van rente wordt uitgesloten.
105.
Deze opvatting wordt bevestigd in het arrest Wortmann, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de in het douanewetboek neergelegde regel waarbij de betaling van rente wordt uitgesloten, niet van toepassing is wanneer de terugbetaling van rechten voortvloeit uit een onjuiste berekening van rechten die niet te wijten was aan de snelheid van het systeem van douaneafhandeling. De regel was dus in dat geval niet van toepassing op de betaling van rente in verband met de terugbetaling van antidumpingrechten die waren opgelegd op grond van een verordening van de Europese Unie die het Hof gedeeltelijk nietig had verklaard.
106.
De Nederlandse regering betoogt dat uit het arrest Wortmann enkel volgt dat de regel van het douanewetboek niet geldt voor situaties waarin de terugbetaling plaatsvindt nadat de rechtsgrondslag voor de betaling ongeldig is verklaard, zoals in dat arrest het geval was.
107.
Mijns inziens zou een dergelijke uitlegging evenwel niet in overeenstemming zijn met de in het arrest Wortmann vermelde rechtvaardigingsgrond voor die regel, namelijk de snelheid van het systeem van douaneafhandeling, die advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona ‘normale omstandigheden’ noemt56.. Indien situaties die niet onder de ‘normale’ handelingen voor douaneafhandeling vallen, werden uitgesloten van de werkingssfeer van de in het douanewetboek neergelegde regel, zou het gevaar bestaan dat die regel ongeldig wordt verklaard omdat hij niet evenredig is aan het doel waardoor hij wordt gerechtvaardigd. Dergelijke situaties doen zich niet alleen voor wanneer de terugbetaling plaatsvindt nadat de rechtsgrondslag voor de betaling ongeldig is verklaard.
108.
In de onderhavige zaken werd de onjuiste aanslag van de bevoegde nationale autoriteiten niet in een ‘normale’ snelle procedure voor douaneafhandeling bijgesteld. De aanpassing van de rechten was veeleer het gevolg van de tenuitvoerlegging van beslissingen van de nationale rechterlijke instanties, die oordeelden dat de rechten in strijd met het Unierecht waren geheven. Dergelijke situaties vallen niet onder de in het douanewetboek neergelegde uitzondering.
109.
Om die reden ben ik van mening dat artikel 241 van het communautair douanewetboek en artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie de betaling van rente niet uitsluiten in de omstandigheden van de onderhavige zaken, en dat deze zaken volgens de rechtspraak van het Hof onder de algemene regel van het recht op rentebetaling vallen.
2. Beperkingen op grond van het nationale recht (nationale regels waarbij het recht op rentebetaling afhankelijk wordt gemaakt van het instellen van een beroep in rechte en waarbij de betaling van rente wordt beperkt tot de periode vanaf het tijdstip waarop dat beroep wordt ingesteld)
110.
De analyse van de nationale bepalingen waarbij Unierechtelijke voorschriften inzake rechtsmiddelen worden beperkt, wordt doorgaans uitgevoerd binnen het kader van de zogenoemde nationale procedurele autonomie. Het is niet mijn bedoeling om in deze conclusie in te gaan op de geschiktheid van het begrip ‘nationale procedurele autonomie’.57. Volstaan kan worden met de opmerking dat met dit begrip wordt erkend dat het aan de lidstaten is om materiële en procedurele aangelegenheden te regelen die van belang zijn voor de aanwending van Unierechtelijke rechtsmiddelen. Die nationale procedurele autonomie bestaat wanneer er geen relevante Unieregels zijn. Zij is echter onderworpen aan het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.58.
111.
Nationale regels die de doeltreffendheid van de op het Unierecht gebaseerde rechten beperken, kunnen evenwel nog steeds gerechtvaardigd zijn mits zij op evenredige wijze een gerechtvaardigd doel nastreven.
112.
Dit beginsel, dat rechtsgeleerden het ‘procedurele redelijkheidsbeginsel’ (‘procedural rule of reason’)59. hebben genoemd, is door het Hof geformuleerd in de arresten van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen60. en Peterbroeck61., en is bevestigd in latere rechtspraak.62. Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel heeft het Hof geoordeeld dat in elke zaak waarin de vraag rijst of een nationale bepaling de toepassing van het Unierecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden gekeken naar de plaats van die bepaling in de gehele procedure alsook naar het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure bij de verschillende nationale instanties. Nationale bepalingen waarmee een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd, zoals het goede verloop van de procedure of de eerbiediging van het beginsel van bescherming van de rechten van de verdediging dan wel het rechtszekerheidsbeginsel, stroken dan ook met het doeltreffendheidsbeginsel voor zover zij een dergelijk gerechtvaardigd doel op evenredige wijze waarborgen. Dat moet door de betrokken nationale rechter in het specifieke geval worden nagegaan.
113.
In het licht van dat analytische kader moeten de nationale regels die het recht op rentebetaling in de onderhavige zaken beperken, worden beoordeeld.
114.
Volgens de verwijzende rechter is op grond van de nationale regels die van toepassing zijn in alle drie de zaken, pas rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop beroep wordt ingesteld bij de bevoegde nationale rechter.
115.
Allereerst zij opgemerkt dat er geen aanwijzingen lijken te zijn die twijfel zouden kunnen doen rijzen over de vraag of die regels in overeenstemming zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel.63.
116.
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zijn er mijns inziens echter sterke aanwijzingen dat de nationale regels in kwestie niet stroken met dat beginsel.
117.
Volgens de rechtspraak van het Hof64. vereist het Unierecht in beginsel de betaling van rente over de gehele periode vanaf het tijdstip van betaling of niet-betaling van de in strijd met het Unierecht in rekening gebrachte respectievelijk ingehouden bedragen tot het tijdstip van de terugbetaling of betaling ervan. Aldus wordt een passende compensatie geboden voor verliezen die zijn geleden doordat de betrokkene niet over die bedragen heeft kunnen beschikken.
118.
Derhalve heeft het Hof in het arrest Irimie65. vastgesteld dat een regeling op grond waarvan pas rente wordt toegekend vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling van de ten onrechte geheven belasting is verzocht, niet voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Voorts zij opgemerkt dat advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in zijn conclusie in de zaak Wortmann66. van mening was dat hetzelfde geldt voor de Duitse wetgeving die aan de orde is in de onderhavige zaken.
119.
Ik ben het daarmee eens. Nationale regels op grond waarvan pas rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop beroep in rechte wordt ingesteld, leiden ertoe dat personen geen passende compensatie krijgen voor de gehele periode waarin zij verlies hebben geleden doordat zij niet hebben kunnen beschikken over de ten onrechte geïnde bedragen, zoals de doeltreffende toepassing van het recht op rentebetaling vereist.
120.
Zoals Gräfendorfer, Reyher en Flexi Montagetechnik hebben opgemerkt, kan de periode vanaf de betaling van de ten onrechte geïnde bedragen tot het instellen van het beroep in rechte in omstandigheden als die van de onderhavige zaken meerdere jaren duren, rekening houdend met de bestuurlijke bezwaarprocedure die aan de gerechtelijke procedure voorafgaat. De nationale regels die in alle drie de zaken van toepassing zijn, voldoen volgens mij dan ook niet aan de vereisten die voortvloeien uit het doeltreffendheidsbeginsel.
121.
De verwijzende rechter heeft gewezen op een extra factor die alleen relevant is voor zaak C-415/20 betreffende de betaling van rente over de tardieve uitbetaling van uitvoerrestituties. Het komt die rechter voor dat er krachtens het toepasselijke nationale recht67. bij de tardieve uitbetaling van voordelen rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop een ondernemer beroep in rechte instelt tot verkrijging van dergelijke voordelen. Indien de tardieve uitbetaling evenwel plaatsvindt zonder dat er een gerechtelijke procedure is ingesteld — dat wil zeggen indien de bevoegde nationale autoriteiten besluiten om de uitvoerrestituties te betalen — heeft de ondernemer geen recht op de betaling van enige rente. Als de betrokken ondernemer enkel een administratief bezwaar heeft ingediend bij de bevoegde nationale autoriteiten — zoals in die zaak het geval is — en het besluit in een proefprocedure heeft afgewacht, waarna die autoriteiten de uitvoerrestituties zonder rente hebben uitgekeerd, heeft hij dus in het geheel geen recht op rentebetaling.
122.
Dergelijke nationale regels voldoen mijns inziens niet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het recht op rentebetaling bestaat krachtens het Unierecht, en dus ongeacht of het nationale recht daarin voorziet. Derhalve heeft een ondernemer aan wie uitvoerrestituties te laat zijn uitgekeerd, recht op rentevergoeding. Indien het bestaan van dat recht afhankelijk wordt gemaakt van het instellen van een beroep in rechte, wordt aan personen die — zoals verzoekster in zaak C-415/20 — bij de rechterlijke instanties geen vordering tot betaling van dergelijke restituties hebben ingesteld, het recht ontnomen dat zij krachtens het Unierecht bezitten.
123.
Dat de nationale regels in kwestie, zoals de verwijzende rechter heeft beschreven, afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het op het Unierecht gebaseerde recht op rentebetaling, betekent — naargelang van de specifieke omstandigheden van het geval — niet noodzakelijk dat deze regels volgens het Unierecht ontoelaatbaar zijn. Zij zijn evenwel enkel toelaatbaar mits zij evenredig zijn in het licht van gewichtige belangen van de nationale rechtsorde.
124.
In de onderhavige zaken zijn er echter geen gegevens aan het Hof verstrekt op basis waarvan kan worden beoordeeld of de nationale regels waarbij het recht op rentebetaling wordt beperkt, gerechtvaardigd zijn. Wat betreft de nationale regels waarbij het recht op rentebetaling afhankelijk wordt gemaakt van het instellen van een beroep in rechte, heeft de verwijzende rechter uiteengezet dat dergelijke regels kunnen worden verklaard door de beslissingsvrijheid van de ondernemer, in die zin dat de beslissing om geen beroep in rechte in te stellen maar de uitkomst van een proefprocedure af te wachten kan worden beschouwd als een uitoefening van die vrijheid waardoor de ondernemer afstand heeft gedaan van het recht op rente. Ik zie niet in wat het publieke doel van dergelijke regels is. Ik denk veeleer dat daardoor onnodig veel gerechtelijke procedures zullen worden ingesteld. In het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechter, die allebei als Europese rechterlijke instanties fungeren (zie punten 82–84 van deze conclusie), staat het niettemin aan de verwijzende rechter om de rechtvaardigingsgronden voor en de evenredigheid van de nationale regels in kwestie te beoordelen.
125.
Al bij al moet worden aangenomen dat de nationale regels in kwestie — onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter — niet voldoen aan de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel, doordat zij beperkingen stellen aan de betaling van rente over de terugbetaling van bedragen die de bevoegde nationale autoriteiten ten onrechte, in strijd met het Unierecht hebben geïnd of over bedragen die deze autoriteiten in strijd met het Unierecht te laat hebben betaald.
126.
Het gevolg van deze vaststelling op basis van het Unierecht is dat de verwijzende rechter die nationale regels ofwel aldus kan uitleggen dat zij recht doen aan de doeltreffende toepassing van het recht op rentebetaling, ofwel — indien dat onmogelijk blijkt te zijn — in de onderhavige zaken buiten toepassing laat.
VI. Conclusie
127.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Finanzgericht Hamburg te beantwoorden als volgt:
‘Zaak C-415/20
- 1)
De Unierechtelijke verplichting van de lidstaten om in strijd met het Unierecht geïnde rechten terug te betalen met rente geldt wanneer de reden voor de terugbetaling niet is dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft vastgesteld dat het Unierecht is geschonden, maar dat het Hof een post(onderverdeling) van de gecombineerde nomenclatuur heeft uitgelegd.
- 2)
De beginselen van het door het Hof ontwikkelde recht op rente zijn van toepassing op de uitkering van uitvoerrestituties die de bevoegde nationale autoriteiten in strijd met het Unierecht hebben geweigerd.
Zaak C-419/20
Het Unierecht wordt geschonden — wat een voorwaarde is voor het door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende Unierechtelijke recht op rentebetaling — wanneer de bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig het Unierecht een heffing opleggen, maar een nationale rechter nadien vaststelt dat niet is voldaan aan de feitelijke voorwaarden daartoe.
Zaak C-427/20
Het Unierecht wordt geschonden — wat een voorwaarde is voor het door het Hof van Justitie van de Europese Unie ontwikkelde Unierechtelijke recht op rentebetaling — wanneer de bevoegde nationale autoriteiten in strijd met rechtsgeldige bepalingen van het Unierecht een heffing oplegt en een nationale rechter deze schending van het Unierecht vaststelt.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2022
Oorspronkelijke taal: Engels.
PB 1992, L 302, blz. 1 (hierna: ‘communautair douanewetboek’).
PB 2008, L 145, blz. 1.
PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90, en PB 2020, L 317, blz. 41. Het douanewetboek van de Unie is volgens de artikelen 287 en 288 ervan in werking getreden op 30 oktober 2013 en is, afgezien van enkele bepalingen (waartoe artikel 116 niet behoort), van toepassing vanaf 1 mei 2016.
Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB 1999, L 102, blz. 11). Deze verordening is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB 2009, L 186, blz. 1).
De verwijzende rechter vermeldt in dit verband de uitspraken van het Finanzgericht Hamburg van 18 februari 2014, 4 K 18/12 en 4 K 264/11.
C-323/10–C-326/10, EU:C:2011:774. Die zaak betrof de uitlegging van de posten 0207 12 10 en 0207 12 90 van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (PB 1987, L 366, blz. 1).
C-365/15, EU:C:2017:19.
Verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 29, blz. 1). Deze verordening is ingetrokken bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/278 van de Commissie van 26 februari 2016 tot intrekking van het definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië (PB 2016, L 52, blz. 24).
Zie arrest van 16 december 1976, Rewe/Landwirtschaftskammer Saarland (33/76, EU:C:1976:188).
Zie arrest van 16 december 1976, Comet/Produktschap voor Siergewassen (45/76, EU:C:1976:191).
Zie arrest van 9 november 1983, Administratie van de Staatsfinanciën/San Giorgio (199/82, EU:C:1983:318).
Zie arrest van 26 juni 1979, Pigs and Bacon Commission/McCarren (177/78, EU:C:1979:164).
Zie arrest van 9 februari 1999, Dilexport (C-343/96, EU:C:1999:59).
Zie arrest van 2 december 1997, Fantask e.a. (C-188/95, EU:C:1997:580).
Zie arrest van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a. (C-397/98 en C-410/98, EU:C:2001:134).
Zie arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478).
Zie arresten van 18 april 2013, Irimie (C-565/11, EU:C:2013:250), en 15 oktober 2014, Nicula (C-331/13, EU:C:2014:2285).
Zie arrest van 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging) (C-100/20, EU:C:2021:716).
Die rechtspraak is begonnen met het arrest van 9 november 1983, Administratie van de Staatsfinanciën/San Giorgio (199/82, EU:C:1983:318, punt 12), en is bevestigd door latere rechtspraak, zoals het arrest van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a. (C-397/98 en C-410/98, EU:C:2001:134, punt 84), of meer recent het arrest van 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging) (C-100/20, EU:C:2021:716, punt 26).
Er kan zelfs worden gezegd dat het recht op terugbetaling het eerste op het Unierecht gebaseerde rechtsmiddel was waarvan het Hof heeft vastgesteld dat het inherent is aan het bij de Verdragen tot stand gebrachte stelsel. De rechtspraak over het recht op terugbetaling gaat vooraf aan de rechtspraak waarin het Hof andere rechtsmiddelen heeft ontwikkeld, zoals het recht op voorlopige maatregelen [te beginnen met het arrest van 19 juni 1990, Factortame e.a. (C-213/89, EU:C:1990:257)], of het recht op schadevergoeding [te beginnen met het arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (C-6/90 en C-9/90, EU:C:1991:428)]. Het recht op terugbetaling werd echter niet onmiddellijk erkend als een op het Unierecht gebaseerd rechtsmiddel, omdat de meeste nationale rechtsorden voorzagen in de een of andere vorm van vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde heffingen. Derhalve was het niet meteen duidelijk dat het Unierecht een eigen rechtsgrondslag voor terugbetaling bevat die niet afhankelijk is van het nationale recht. Zie dienaangaande Dougan, M., ‘Cutting Your Losses in the Enforcement Deficit: A Community Right to the Recovery of Unlawfully Levied Charges?’, Cambridge Yearbook of European Legal Studies, deel 1, 1998–1999, blz. 233; Ćapeta, T., Sudovi Europske unije. Nacionalni sudovi kao europski sudovi (EU Courts. National Courts as European Courts), Institut za međunarodne odnose, IMO, Zagreb, 2002, blz. 109 e.v.
Zie bijvoorbeeld arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478, punt 25), en 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging) (C-100/20, EU:C:2021:716, punt 27).
Zie bijvoorbeeld arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478, punt 26), en 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging) (C-100/20, EU:C:2021:716, punt 27).
Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:9, punten 26–30), en de conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak Irimie (C-565/11, EU:C:2012:803, punten 21–29).
Zie bijvoorbeeld Gazin, F., ‘L'étendue du versement des sommes dues par les États en violation du droit de l'Union européenne: le beurre et l'argent du beurre au service de l'efficacité du droit’, Revue du marché commun et de l'Union européenne, nr. 571, 2013, blz. 475; Schlote, M., ‘The San Giorgio ‘cause of action’’, British Tax Review, 2014, blz. 103; Van de Moosdijk, M., Unjust Enrichment in European Union Law, Kluwer, 2018, met name blz. 68–83, en Episcopo, F., ‘The Vicissitudes of Life at the Coalface: Remedies and Procedures for Enforcing Union Law before the National Courts’, in Craig, P., en De Búrca, G. (red.), The Evolution of EU Law, derde druk, Oxford University Press, 2021, blz. 275, met name blz. 290–291.
De verwijzende rechter verwijst in dit verband naar de arresten van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C-113/10, C-147/10 en C-234/10, EU:C:2012:591), en 18 april 2013, Irimie (C-565/11, EU:C:2013:250), en het arrest Wortmann.
Zie arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C-113/10, C-147/10 en C-234/10, EU:C:2012:591).
Zie arrest van 18 april 2013, Irimie (C-565/11, EU:C:2013:250).
Zie arrest Wortmann.
Zie arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478).
Zo heeft Reyher in zaak C-419/20 vermeld dat zij in 2013 een bedrag van 774 000 EUR heeft betaald, dat pas in 2019 is terugbetaald.
Zie bijvoorbeeld Dougan, aangehaald in voetnoot 21, en Gazin, aangehaald in voetnoot 25.
Arrest van 20 oktober 2011, Danfoss en Sauer-Danfoss (C-94/10, EU:C:2011:674, punt 23).
Zie bijvoorbeeld arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478, punt 25), en 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging) (C-100/20, EU:C:2021:716, punt 27).
Zie dienaangaande Van de Moosdijk, aangehaald in voetnoot 25.
C-113/10, C-147/10 en C-234/10, EU:C:2011:701, punten 125–129.
C-47/07 P, EU:C:2008:726, met name punten 44–50.
C-575/18 P, EU:C:2020:530, met name punten 81–84. Zie ook conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Tsjechië/Commissie (C-575/18 P, EU:C:2020:205, punten 120–129), en conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Slowakije/Commissie en Roemenië/Commissie (C-593/15 P, C-594/15 P en C-599/15 P, EU:C:2017:441, punt 108).
In dit verband is het dienstig te verwijzen naar de rechtspraak waarin het Hof de lidstaten heeft toegestaan om het begrip ‘ongerechtvaardigde verrijking’ in aanmerking te nemen. Die rechtspraak houdt verband met situaties waarin nationale regels het recht op terugbetaling van ten onrechte, in strijd met het Unierecht betaalde bedragen beperkten en deze bedragen waren afgewenteld op andere ondernemingen of consumenten. Zie bijvoorbeeld arrest van 27 februari 1980, Just (68/79, EU:C:1980:57, punten 26 en 27). Die rechtspraak bevestigt de hier gehuldigde opvatting dat het recht op rentebetaling krachtens het Unierecht wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om verarming in strijd met het Unierecht te voorkomen. Een persoon die ten onrechte geïnde bedragen afwentelt op anderen, is niet verarmd. Daarom kan hem het recht op terugbetaling met rente krachtens het Unierecht worden ontzegd.
Niet alleen bij de terugbetaling van belastingen, bijdragen en andere heffingen voorziet het Unierecht in de betaling van rente. Rente is bijvoorbeeld ook verschuldigd in verband met schadevorderingen die voortvloeien uit schending van het Unierecht. Zie bijvoorbeeld arrest van 2 augustus 1993, Marshall (C-271/91, EU:C:1993:335, punt 31).
Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Wortmann (EU:C:2016:663, punt 66).
Zie arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478).
Zie arrest van 9 september 2021, Hauptzollamt B (Facultatieve belastingverlaging) (C-100/20, EU:C:2021:716).
Zie bijvoorbeeld arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C-64/16, EU:C:2018:117, punt 32), en 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim (C-748/19—C-754/19, EU:C:2021:931, punt 59).
Zie bijvoorbeeld advies 1/09 (Invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011 (EU:C:2011:123, punt 69), en arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C-64/16, EU:C:2018:117, punt 33).
Zie bijvoorbeeld arresten van 25 juni 2020, Satcen/KF (C-14/19 P, EU:C:2020:492, punt 61), en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management e Catania Multiservizi en Catania Multiservizi(C-561/19, EU:C:2021:799, punt 31).
Zie dienaangaande advies 1/09 (Invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011 (EU:C:2011:123, punt 80).
Punt 38 (cursivering van mij).
Een van de door advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in zijn conclusie in de zaak Wortmann (EU:C:2016:663, punt 45) aangereikte oplossingen is de ongeldigverklaring van de bepaling van het douanewetboek waarbij de betaling van rente wordt uitgesloten. Deze oplossing heeft hij niet aan het Hof in overweging gegeven, omdat er voor de betreffende bepaling een aanvaardbare rechtvaardigingsgrond was aangevoerd. Opgemerkt dient te worden dat de geldigheid van die regel in de onderhavige zaken niet ter discussie staat.
Met name punten 24–32.
De Commissie ondersteunde diezelfde rechtvaardigingsgrond in zowel de zaak Wortmann als haar opmerkingen in de onderhavige zaken.
Arrest Wortmann, punt 27.
Conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Wortmann (EU:C:2016:663, punt 50).
Deze symmetrie, die de verplichting om rente te betalen uitsluit voor zowel de douaneautoriteiten, wanneer de invoerrechten naar beneden worden bijgesteld, als de ondernemer, wanneer de invoerrechten naar boven worden bijgesteld, werd beklemtoond als een belangrijk element voor de rechtvaardiging van de regel in kwestie. Zie arrest Wortmann, punten 29–31, en de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in die zaak (EU:C:2016:663, punten 48–52).
Ik zie niet in waarom de overwegingen in het arrest Wortmann, waarin artikel 241 van het communautair douanewetboek aan de orde is, niet zouden gelden voor artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie. Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in die zaak (EU:C:2016:663, punt 51, voetnoot 25).
Conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Wortmann (EU:C:2016:663, punt 52).
Zie in dit verband evenwel Kakouris, C.N., ‘Do the Member States Possess Judicial Procedural ‘Autonomy’?’, Common Market Law Review, deel 34, 1997, blz. 1389; Bobek, M., ‘Why There is No Principle of ‘Procedural Autonomy’ of the Member States’, in De Witte, B. en Micklitz, H.-W. (red.), The European Court of Justice and the Autonomy of the Member States, Intersentia, 2012, blz. 305, en conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:9, punten 23–25).
Zie met betrekking tot rentebetaling bijvoorbeeld arresten van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C-591/10, EU:C:2012:478, punten 27 en 28), en 23 april 2020, Sole-Mizo en Dalmandi Mezőgazdasági (C-13/18 en C-126/18, EU:C:2020:292, punt 37). Zoals het Hof in die arresten heeft opgemerkt, is het bij het ontbreken van een Unieregeling een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder rente moet worden betaald, mits deze voorwaarden niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke vorderingen op basis van het nationale recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).
Zie dienaangaande Prechal, S., ‘Community Law in National Courts: The Lessons from Van Schijndel’, Common Market Law Review, deel 35, 1998, blz. 681, op blz. 690. Zie voorts bijvoorbeeld Widdershoven, R., ‘National Procedural Autonomy and General EU Law Limits’, Review of European Administrative Law, deel 12, 2019, blz. 5; Episcopo, aangehaald in voetnoot 25.
C-430/93 en C-431/93, EU:C:1995:441.
C-312/93, EU:C:1995:437.
Zie bijvoorbeeld arresten van 19 december 2019, Cargill Deutschland (C-360/18, EU:C:2019:1124, punt 51), en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management e Catania Multiservizi en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799, punten 63 en 64).
Anders dan Reyher in zaak C-419/20 betoogt, komt het mij voor dat de betreffende nationale regels op het Unierecht gebaseerde vorderingen niet ongunstiger behandelen dan vorderingen die berusten op het nationale recht. Dat de bevoegde nationale autoriteiten in het hoofdgeding zouden kunnen stellen dat artikel 116, lid 6, van het douanewetboek van de Unie in de weg staat aan de betaling van rente, vloeit voort uit een beperking die het Unierecht — en niet het nationale recht — mogelijkerwijs stelt aan het recht op rentebetaling.
Zie bijvoorbeeld arrest van 18 april 2013, Irimie (C-565/11, EU:C:2013:250, punten 26 en 28). Zie dienaangaande ook arrest van 23 april 2020, Sole-Mizo en Dalmandi Mezőgazdasági (C-13/18 en C-126/18, EU:C:2020:292, punt 43).
Zie arrest van 18 april 2013, Irimie (C-565/11, EU:C:2013:250, punten 27 en 29). Zie dienaangaande ook arrest van 15 oktober 2014, Nicula (C-331/13, EU:C:2014:2285, punten 37 en 38).
EU:C:2016:663, punt 14 en punten 69–73.
De verwijzende rechter noemt in dit verband § 236 AO, gelezen in samenhang met § 14, lid 2, MOG.