Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.4.2.4:14.4.2.4 Boeteoplegging en rechtsmiddelen tegen de boetebeschikking
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.4.2.4
14.4.2.4 Boeteoplegging en rechtsmiddelen tegen de boetebeschikking
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499532:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 22j e.v. AWR, art. 26, lid 1 AWR en art. 67g, lid 1 AWR.
Vgl. art. 24a, lid 2 AWR. Daarin is vastgelegd dat een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag wordt geacht mede te zijn gericht tegen de boete (mits op hetzelfde ‘biljet’), tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
Zie § 13.6.8 hiervoor.
Zie § 17.3.1.4.1 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Boeteoplegging vindt in de regel tegelijk met het opleggen van een belastingaanslag plaats door middel van het vaststellen van een boetebeschikking.Het opleggen van een vergrijpboete moet achterwege blijven, indien het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. In een dergelijke situatie kan de inspecteur nog wel overgaan tot het opleggen van een verzuimboete. Het una via-beginsel staat daaraan niet in de weg. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.
Bezwaar en beroep
Tegen de boetebeschikking staan bezwaar en beroep open.1 In de bezwaar- en beroepsfase wordt op initiatief van de boeteling de gegrondheid van de opgelegde boete heroverwogen door de inspecteur (= bezwaar) respectievelijk beoordeeld door de belastingrechter (= beroep). Die omvatten zowel de (juridische) gronden als de bewijsmiddelen waarop de boete steunt. Omdat de boete gelijktijdig met de aanslag pleegt te worden opgelegd, zullen de bezwaar- en beroepsprocedure met betrekking tot de geheven belasting en opgelegde boete gewoonlijk samenlopen.2 De toezichtsbevoegdheden op de voet van art. 47 e.v. AWR gelden onverkort in de bezwaarfase, dus nadat de inspecteur een belastingaanslag en/of boete heeft opgelegd.3 De inspecteur kan ter beoordeling van de gronden van bezwaar zo nodig (nader) boeteonderzoek doen. Met toestemming van de rechter is dit ook in de beroepsfase toegestaan.4 In het kader van de beoordeling van de gegrondheid van de boete kan (ook) de rechter vragen aan de boeteling stellen.5