Rb. Arnhem, 02-04-2008, nr. 159751 / HA ZA 07-1388
ECLI:NL:RBARN:2008:BD3489
- Instantie
Rechtbank Arnhem
- Datum
02-04-2008
- Magistraten
Mrs. D. van Driel van Wageningen, R.J.B. Boonekamp, A.E.B. ter Heide
- Zaaknummer
159751 / HA ZA 07-1388
- LJN
BD3489
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBARN:2008:BD3489, Uitspraak, Rechtbank Arnhem, 02‑04‑2008
Uitspraak 02‑04‑2008
Mrs. D. van Driel van Wageningen, R.J.B. Boonekamp, A.E.B. ter Heide
Partij(en)
Vonnis van 2 april 2008
in de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
eisers,
procureur mr. J.H. van Vliet te Wageningen,
advocaat mr. B. Koolhaas te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE WAGENINGEN,
zetelend te Wageningen,
gedaagde,
procureur mr. F.J. Boom,
advocaat mr. B. Nijman,
beiden te Arnhem.
De partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en de Gemeente genoemd worden.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het tussenvonnis van 14 november 2007,
- —
het proces-verbaal van comparitie van 22 januari 2008.
Daarna is vonnis bepaald.
De vaststaande feiten
1.1
De Gemeente heeft in eigendom een perceel grond, gelegen te [A-plaats] op de hoek [a-straat]/[b-straat], kadastraal bekend gemeente Wageningen sectie [A] nummer [0001], groot twaalf are en zestig centiare.
1.2
De Gemeente heeft die grond met ingang van 26 augustus 1982 in voortdurende erfpacht gegeven aan de stichting Verenigde Openbare Bibliotheken Wageningen (hierna de stichting), zulks met het oog op de realisatie daarop van een bibliotheek met daarboven woningen. De notariële akte waarbij het recht van erfpacht is gevestigd dateert van 11 oktober 1983. Daarin is onder meer bepaald dat de door erfpachtster te betalen canon f 79.440,-- per jaar bedraagt. In de erfpachtsakte is verder (in artikel 10) bepaald dat de Gemeente toestemming aan de stichting verleent om het erfpachtsrecht te splitsen in appartementsrechten.
De stichting heeft op de grond een gebouw gesticht, bestemd voor bibliotheek met aanhorigheden en negen bovenwoningen met bijbehorende bergingen.
1.3
Bij notariële akte van eveneens 11 oktober 1983 heeft de stichting — met toestemming van de Gemeente — het recht van erfpacht gesplitst in ‘tien appartementsrechten overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 875a en volgende van het Burgerlijk Wetboek’, recht gevend op het uitsluitend gebruik van een bibliotheekruimte en negen woningen, elk deel uitmakende een bepaald, in de akte omschreven, ‘aandeel in de gemeenschap, bestaande uit het erfpachtsrecht’. Voor het appartementsrecht van [eiser 1] c.s. is dit aandeel bepaald op 603/10.723ste deel. In het bij die notariële akte tevens vastgestelde reglement van splitsing zijn deze aandelen in de gemeenschap voor ieder appartementsrecht op dezelfde wijze bepaald.
1.4
De uitgifte in erfpacht is geschied onder toepasselijkverklaring van de ‘Algemene Bepalingen voor de uitgifte in erfpacht 1980’, vastgesteld door de Raad van de Gemeente op 19 januari 1981 en vastgelegd in een notariële akte van 28 juli 1981. In de splitsingsakte is bepaald dat de eigenaar van een appartementsrecht gehouden is aan deze Algemene Bepalingen.
1.5
In de Algemene Bepalingen is in artikel 1 bepaald dat onder erfpachtstijdvak wordt verstaan ‘elke achtereenvolgende periode van 60 jaren, waarvan de eerste aanvangt op de datum met ingang waarvan het recht van erfpacht wordt gevestigd’.
De Algemene Bepalingen bevatten verder een regeling voor de herziening van de canon. In artikel 47 lid 1 is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders in het laatste jaar van elke vijfjarige periode van een erfpachtstijdvak de canon, welke zal gelden voor de volgende vijfjarige periode, zullen aanpassen aan de geraamde gemiddelde rente van de gemeentelijke investeringen van erfpachtsgronden.
In artikel 48 is bepaald:
‘1. In afwijking van het bepaalde in artikel 47, 1e lid, kunnen burgemeester en wethouders de canon herzien op basis van waardeverandering in de navolgende gevallen:
- a.
tegen het einde van een volledig erfpachtstijdvak in welk geval de volgens dit artikel te wijzigen canon in de plaats treedt van de canon, zoals die met toepassing van het 1e lid van artikel 47, voor de eerste vijf jarige periode van het volgende erfpachtstijdvak zou gelden (…);
- c.
wanneer het recht van erfpacht wordt gesplitst of geheel of gedeeltelijk wordt vervreemd onder bijzondere titel.
(…)
3. Indien artikel 48, 1e lid, sub c, toepassing vindt, gaat vanaf het moment van splitsing of vervreemding het erfpachtstijdvak opnieuw in.’
1.6
Blijkens notariële akte d.d. 1 augustus 2006 hebben [eiser 1] c.s. op die datum in eigendom verkregen ‘het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning op de tweede en derde verdieping met berging op de begane grond (…) plaatselijk bekend [a-straat] [1] te (…) [A-plaats] (…), uitmakende het zeshonderddrie/tienduizendzevenhonderd drieëntwintigste (603/10.723ste) onverdeeld aandeel in de gemeenschap bestaande uit het erfpachtrecht van de grond (…) en de eigendom van het daarop gestichte gebouw’. Deze woning is gelegen in het hiervoor bedoelde appartementsgebouw. De koopprijs bedroeg € 384.000,--.
1.7
Bij brief van 6 december 2006 heeft de Gemeente aan [eiser 1] c.s. geschreven dat de halfjaarlijkse canon per 1 januari 2007 zal worden herzien en € 2.357,-- in plaats van € 480,- zal gaan bedragen. De Gemeente heeft daarbij verwezen naar artikel 48 lid 1 sub c van de Algemene Bepalingen.
1.8
De Gemeente heeft bij de berekening van de canon de koopprijs van het appartementsrecht van [eiser 1] c.s. ad € 384.000,-- als uitgangspunt genomen en daarvan een percentage van 31% (de grondquote) aan de grond toegerekend, waarna zij de grondwaarde heeft gecorrigeerd met een ‘hoogtefactor’ van 0,80. Op basis daarvan heeft de Gemeente de grondwaarde bepaald op € 95.232,--. Uitgaande van een rente van 4,75% en administratiekosten van € 190,-- per jaar komt de canon uit op afgerond € 4.714,-- per jaar (= € 2.357,-- per halfjaar). Bij brief van 23 januari 2007 heeft de Gemeente daarover nog aan [eiser 1] c.s. geschreven:
‘Uw appartement valt binnen de Woningtypologie Duur. De grondquote van uw appartement is aan de hand van de bandbreedte welke voor Dure woningen wordt gehanteerd, bepaald op 31%.’
1.9
Daarop heeft de advocaat van [eiser 1] c.s. bij brief aan de Gemeente van 28 februari 2007, voor zover van belang, geschreven:
‘Mijn cliënt bestrijdt uitdrukkelijk dat uw college in geval van overdracht van een appartementsrecht gerechtigd zou zijn om de canon aan te passen.
(…)
De overdracht van een erfpachtsrecht (bedoeld zal zijn appartementsrecht; de rechtbank) kan niet worden aangemerkt als een gedeeltelijke vervreemding van het erfpachtsrecht. Het erfpachtsrecht immers verandert door de splitsing in appartementsrechten niet in een aantal — in dit geval 10 — afzonderlijke erfpachtsrechten. Die splitsing leidt er alleen toe dat er appartementsrechten ontstaan, die overeenkomen met een aandeel in de gesplitste zaak en waaraan de bevoegdheid is verbonden om een gedeelte daarvan te gebruiken. De appartementseigenaar verkrijgt echter niet een deel van het erfpachtsrecht. Dat blijkt ook wel uit de definitie van het appartementsrecht, zoals opgenomen in artikel 5:106 lid 4 BW.
(…)
Artikel 5:115 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, wanneer een erfpachtsrecht is gesplitst, de na de splitsing opeisbare canon over de appartementsrechten wordt verdeeld in de verhouding waarin de appartementsgerechtigden tot het erfpachtsrecht gerechtigd zijn. Op deze wettelijke regel is in de erfpachtsakte, de splitsingsakte en de algemene voorwaarden geen wijziging gebracht.’
1.10
Bij brief van 10 april 2007, verzonden op 11 april 2007, aan de advocaat van [eiser 1] c.s heeft de Gemeente daarop als volgt gereageerd:
‘Wij kunnen uw betoog niet volgen.
De eerste erfpachter, in casus de bibliotheek, heeft (…) haar erfpachtsrecht ondergesplitst in tien appartementsrechten (…). Juridisch gezien verdwijnt hiermede het oorspronkelijke erfpachtsrecht en wordt dit vervangen door een aantal appartementsrechten die als zelfstandige registergoederen overdraagbaar zijn. Het gaat dus om een door de wet toegestane transformatie van een zakelijk recht (…) in een nieuw zakelijk recht (…).
Op deze nieuw ontstane tien appartementsrechten echter, rusten derhalve even zo vele nieuwe ontstane erfpachtsrechten, met elk een eigen kadastraal nummer en een ‘eigen’ canon. Deze nieuwe zakelijke rechten van erfpacht kunnen door de respectievelijke eigenaren op hun beurt steeds afzonderlijk worden vervreemd. Op dat moment kunnen burgemeester en wethouders besluiten toepassing te geven aan de artikelen 47 en 48 van de AB. Dat is in het verleden enkele malen, en ook in casu gebeurd.
Het vorenstaande staat geheel los van de in de splitsingsakte vastgestelde verdeelsleutel die wordt gehanteerd binnen de Vereniging van Eigenaars (VVE). De VVE is verantwoordelijk voor het onderhoud en de instandhouding van de gemeenschappelijke gedeelten van het pand’.’
Het geschil
2
[eiser 1] c.s. hebben gevorderd te verklaren voor recht:
- (primair):
- a.
dat [eiser 1] c.s. tegenover de Gemeente gehouden zijn niet meer dan 603/10.723e deel van de erfpachtscanon, voor het perceel dat door de Gemeente bij akte van 11 oktober 1983 aan de stichting in erfpacht is uitgegeven, uitgaande van de bij de uitgifte van het erfpachtsrecht overeengekomen canon, met inbegrip van de verhogingen die op basis van artikel 47 van de algemene bepalingen en met inachtneming van de in deze bepalingen vastgelegde procedure op de oorspronkelijke canon zijn toegepast;
- b.
dat de Gemeente niet bevoegd was en niet bevoegd is om bij de overdracht van het appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik van de woning [a-straat] [1] te Wageningen, de canon voor dit appartementsrecht op basis van artikel 48 lid 1 onder c van de algemene bepalingen te verhogen, dan wel aan te passen;
- c.
dat de Gemeente niet gerechtigd is van [eiser 1] c.s. betaling te vorderen van verhogingen van de canon voor voormeld appartementsrecht, die door de Gemeente aan de rechtsvoorgangers van [eiser 1] c.s. zijn opgelegd en die door deze rechtsvoorgangers zijn geaccepteerd;
- (subsidiair):
- d.
dat een verhoging van de erfpachtscanon voor voormeld appartementsrecht naar € 4.714,- per jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, dan wel wegens strijd met de algemene bepalingen, dan wel met de beginselen van behoorlijk bestuur als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt.
Ten slotte hebben [eiser 1] c.s. gevorderd de Gemeente te veroordelen aan hen te betalen een bedrag van € 902,-- wegens buitengerechtelijke kosten.
Aan de primaire vordering hebben [eiser 1] c.s. ten grondslag gelegd hetgeen zij in hun hiervoor onder 1.9 geciteerde brief aan de Gemeente van 28 februari 2007 hebben geschreven. Aan de subsidiaire vordering hebben [eiser 1] c.s. ten grondslag gelegd dat de Gemeente geen inzicht in de berekening van de canon heeft gegeven en dat een aanpassing van de canon op een wijze zoals de Gemeente dat heeft gedaan in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dan wel met de Algemene Bepalingen, dan wel met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3
De Gemeente heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken op gronden die hierna zo nodig aan de orde zullen komen.
De beoordeling van het geschil
4
Bij de beoordeling van het primair gevorderde gaat het in de kern om de vraag of de overdracht van een appartementsrecht dat is ontstaan uit de splitsing van het recht van erfpacht, tevens de overdracht van een gedeelte van het erfpachtsrecht betekent.
5
Uit artikel 5:106 lid 4 BW volgt dat het recht van appartement bestaat uit enerzijds een aandeel in het gebouw en de daarbij behorende grond of, zoals in dit geval, een aandeel in het recht van erfpacht rustend op de grond, en anderzijds een exclusief recht op het gebruik van een privé gedeelte, dat wil zeggen, een of meer bepaalde gedeelten van het gebouw of de grond die voor afzonderlijk gebruik bestemd zijn.
6
Daaruit volgt dat, in de situatie dat een appartementsrecht is ontstaan uit een splitsing van een recht van erfpacht, het appartementsrecht een aandeel in het onverdeeld erfpachtsrecht omvat. Aangenomen moet worden dat de overdracht van het appartementsrecht aan [eiser 1] c.s. daarom inhoudt de overdracht van het aandeel in het onverdeelde recht van erfpacht.
7
De vraag is vervolgens of de overdracht van een aandeel in het onverdeelde recht van erfpacht moet worden gezien als de gedeeltelijke overdracht van het recht van erfpacht. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het gaat om een (bijzondere) vorm van gemeenschap. De deelgerechtigden zijn gezamenlijk erfpachter, zoals zij ook — het recht van erfpacht weggedacht — gezamenlijk eigenaar zouden zijn. Een aandeel is te beschouwen als een vermogensrecht van gelijke aard als het recht dat de deelgenoten gezamenlijk uitoefenen. Overdracht van een aandeel in het gemeenschappelijk recht impliceert daarom ook de overdracht van dat recht, zij het beperkt tot een aandeel daarin.
Daarom moet worden aangenomen dat bij de overdracht van het appartementsrecht aan [eiser 1] c.s. tevens sprake is geweest van een gedeeltelijke vervreemding van het recht van erfpacht zoals bedoeld in artikel 48 lid 1 onder c van de Algemene Bepalingen en dat de Gemeente gerechtigd is de canon op basis van de daarin neergelegde regeling aan te passen. De door [eiser 1] c.s. voorgestane (andere) uitleg, zoals die is neergelegd in voormelde brief van 28 februari 2007, ligt ook niet voor de hand, omdat de bedoelde regeling dan zinledig zou zijn. Als vervreemding van het appartementsrecht geen gedeeltelijke vervreemding van het erfpachtsrecht inhoudt, is niet goed denkbaar wat dan wél gedeeltelijke vervreemding zou zijn. Gehele vervreemding is na splitsing evenmin denkbaar omdat — zelfs als alle appartementsrechten in één hand zouden zijn — geen vermenging optreedt en dus nog steeds uitsluitend de afzonderlijke appartementsrechten kunnen worden vervreemd. In de redenering van [eiser 1] c.s. zou er na de splitsing dus geen sprake meer kunnen zijn van een gehele of gedeeltelijke vervreemding onder bijzondere titel van het recht van erfpacht, zodat een verhoging van de canon op grond van bedoeld artikel nooit meer mogelijk zou zijn. De uitleg van [eiser 1] c.s. ligt te minder voor de hand, omdat de Gemeente bij het totstandkomen van de akte van erfpacht al wist dat het recht van erfpacht zou worden gesplitst.
8
Dat de consequentie van het voorgaande is dat de verhouding tussen de door de appartementsgerechtigden te betalen canons kan gaan afwijken van de verhouding tussen de in de splitsingsakte bepaalde aandelen in de gemeenschap, is op zichzelf juist, maar kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij dient bedacht te worden dat op iedere appartementsgerechtigde (en niet op de vereniging van eigenaren) afzonderlijk de plicht rust zijn aandeel in de canon rechtstreeks aan de grondeigenaar te betalen. De Vereniging van eigenaren is slechts hoofdelijk naast de appartementseigenaar verbonden (artikel 5:115 BW).
9
De primaire vorderingen van [eiser 1] c.s. moeten al met al worden afgewezen. Met betrekking tot de subsidiaire vorderingen wordt het volgende overwogen.
10
Uit de door de Gemeente gegeven toelichting op de berekening van de canon (als onder 1.8 weergegeven) volgt dat die is gebaseerd op de zogenoemde residuele methode. Namens de Gemeente is daarover tijdens de comparitie verklaard:
‘De canon per woning bij de aanvang van de erfpacht is terug te voeren op de kostprijs van het gehele project inclusief de grond. Zoals u kunt lezen in de interne notitie (productie 5 conclusie van antwoord) is uitgegaan van een grondprijs van f 415,00 per m2. Het bedrag dat voor de woningen is uitgetrokken (f 13.424,00) kunnen wij zo niet verklaren. De grondprijs is tot stand gekomen door afboeking op de balans van het grondbedrijf. Een residuele berekening van de grondprijs was toen niet aan de orde. Die is voor het eerst in 2005 toegepast. Op het moment dat het appartement wordt vervreemd wordt de marktwaarde bekend. Daaraan wordt dan de canon aangepast’
Daaruit volgt dat de Gemeente sedert 2005 de waarde van de grond via een andere (de residuele) methode heeft bepaald dan zij destijds in 1982 heeft gedaan. Dat lijkt niet een juiste benadering. Vereist is immers dat uit de erfpachtsakte in samenhang met de Algemene Bepalingen met een zekere mate van bepaalbaarheid kan worden afgeleid aan de hand van welke maatstaven de canon kan worden verhoogd. Een ander uitgangspunt zou er toe kunnen leiden dat de omvang van de voor de erfpachter essentiële canonverplichting van de willekeur van de erfverpachter afhankelijk wordt. In dit geval is in artikel 48 van de Algemene Bepalingen slechts neergelegd dat bij (gedeeltelijke) vervreemding van het recht van erfpacht burgemeester en wethouders van de Gemeente de canon kunnen herzien ‘op basis van waardeverandering’. Aanknopingspunten voor de wijze waarop die waardeverandering moet worden berekend zijn daarin niet gegeven. Daarom zal in beginsel bij een (tussentijdse) herziening van de canon de waarde van de grond via dezelfde maatstaf moeten worden bepaald als bij de aanvang van het recht van erfpacht is gebeurd.
11
De Gemeente heeft in 1982 de boekwaarde als maatstaf voor de waardebepaling van de grond genomen. Dat criterium lijkt nu niet (meer) bruikbaar. De vraag is vervolgens wat in het onderhavige geval een redelijke methode is om de waarde van de grond te bepalen. Op basis van de thans voorhanden gegevens kan dat niet worden vastgesteld. De rechtbank acht daarvoor een deskundigenbericht noodzakelijk. Tijdens de comparitie zijn de partijen het al eens geworden over de persoon van de deskundige. De rechtbank stelt zich voor dat aan die deskundige in ieder geval de navolgende vragen ter beantwoording worden voorgelegd:
- a.
welke methodes van vaststelling van de grondwaarde zijn, bij de bepaling van de omvang van de erfpachtscanon, gebruikelijk?
- b.
welke van die methodes is in het onderhavige geval redelijk en waarom?
- c.
wilt u bij de beantwoording van vraag b mede betrekken de door de Gemeente gehanteerde residuele methode en daarbij aangeven waarom deze methode in dit geval wel of niet redelijk is?
- d.
op welk bedrag kan de canon worden berekend indien de onder b bedoelde methode wordt toegepast? En, indien dat de residuele methode is,
- e.
is de berekening van de Gemeente juist? Zo nee waarom niet?
- f.
welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?
12
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom te zijner tijd door [eiser 1] c.s. moeten worden betaald.
13
De zaak zal naar de rol worden verwezen om de partijen in de gelegenheid te stellen voorstellen te doen voor vragen die zij eventueel verder nog aan de deskundige willen stellen. Met het oog op het deskundigenbericht dient de Gemeente voorts inzicht te geven in de door haar gehanteerde (onder 1.8 weergegeven residuele) berekening van de grondwaarde. Zij dient daarbij in elk geval aan te geven hoe de grondquote van 31% is bepaald en waarom er een koppeling is gemaakt tussen de verkoopprijs van het appartementsrecht en de grondquote.
14
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 mei 2008 voor uitlating door de beide partijen zoals onder 13 is overwogen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. D. van Driel van Wageningen, R.J.B. Boonekamp en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.