Rb. Arnhem, 08-11-2006, nr. 136215 / HA ZA 06-120
ECLI:NL:RBARN:2006:AZ6916
- Instantie
Rechtbank Arnhem
- Datum
08-11-2006
- Magistraten
Mr. J.D.A. den Tonkelaar
- Zaaknummer
136215 / HA ZA 06-120
- LJN
AZ6916
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBARN:2006:AZ6916, Uitspraak, Rechtbank Arnhem, 08‑11‑2006
Uitspraak 08‑11‑2006
Mr. J.D.A. den Tonkelaar
Partij(en)
Vonnis in hoofdzaak van 8 november 2006
in de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
eisers,
procureur mr. L. Paulus,
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur mr. P.M. Wilmink,
advocaat mr. B.J. Blindenbach te Veenendaal.
Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiseres 2] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het tussenvonnis van 2 augustus 2006
- —
het proces-verbaal van comparitie van 27 september 2006.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1
[gedaagde], als koper, heeft namens [A] B.V. (hierna: [A]), tevens handelende onder de naam [B] (hierna: [B]), een koopovereenkomst gesloten met [eiser 1] en [eiseres 2], als verkopers, met betrekking tot een appartementsrecht aan de [a-straat] [1] te [a-plaats]. De koopsom bedroeg EUR 195.000,00.
2.2
De koopakte van het appartementsrecht is op 3 december 2004 door [eiser 1] en [eiseres 2] en door [gedaagde], namens [A], ondertekend.
2.3
[gedaagde] was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst enig bestuurder van Stichting [C] (hierna ook: [C]). Deze stichting was enig bestuurder van [B].
2.4
In artikel 19 van de onder 2.2 genoemde koopakte staat onder andere het volgende.
‘19.1
Deze overeenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk:
(…)
- b.
op 08 december 2004 koper voor de financiering van het appartement voor een bedrag van koopsom + k.k. geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe van een erkende geldverstrekkende instelling heeft verkregen, zulks tegen geen hogere bruto jaarlast dan *) of een rentepercentage van niet hoger dan *) %, bij de volgende hypotheekvorm: *) tegen de als normaal geldende voorwaarden en tarieven van de grote nederlandse geldverstrekkende instellingen.
(…)
19.3
De partij die de ontbinding inroept dient er zorg voor te dragen, dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen uiterlijk op de 1ewerkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen.
Deze mededeling dient goed gedocumenteerd te geschieden bij ‘aangetekende brief met bericht van handtekening retour'of ‘telefaxbericht met verzendbevestiging’. Alsdan zijn beide partijen van deze overeenkomst bevrijd.’
2.5
De in artikel 19 van de koopakte vermelde termijn is op verzoek van [B] verlengd tot 22 december 2004.
2.6
Op 10 februari 2005 heeft de advocaat van [eiser 1] en [eiseres 2] een brief gestuurd aan [A] waarin hij nakoming van de koopovereenkomst vordert.
2.7
In een brief, gedateerd 2 maart 2005, gericht aan [A], schrijft mr. [advocaat eiseres] het volgende.
‘Bij onderhandse overeenkomst van verkoop en koop heeft u gekocht van de familie [eiser 1] en [eiseres 2] te [a-plaats] het pand [a-straat] [1] voor e 195.000,--, uiterlijk over te dragen als nader over een te komen maar in ieder geval voor het einde van het boekjaar 2004.
Daarom stel ik U namens de verkoper, bij deze ingebreke, en geef U vanaf donderdag 3 maart a.s. de datum der ontvangst van deze ingebrekestelling nog 6 dagen gelegenheid deze koop te realiseren.
De akte gaat dus 10 maart a.s. passeren, zoniet dan zal een akte van non-comparitie opgemaakt gaan worden.
Mocht U binnen deze termijn niet kunnen presteren, dan zal verkoper gebruik maken van zijn mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst in de meest ruime zin des woords.’
2.8
Op 8 maart 2005 heeft de advocaat van [eiser 1] en [eiseres 2] een aangetekende brief gestuurd aan zowel [A] als aan Stichting [C] en [gedaagde] waarin zij door hem aansprakelijk worden gesteld voor de door [eiser 1] en [eiseres 2] geleden en nog te lijden schade. Hij schrijft in deze brief onder andere:
‘Alhoewel de levering in eerste instantie op 3 maart jl. zou plaatsvinden heeft de notaris u bij brief d.d. 2 maart 2005 laten weten dat de levering zal moeten plaatsvinden op donderdag 10 maart aanstaande (…).
Mocht u daaraan niet meewerken, dan stel ik u hierbij reeds aansprakelijk voor de door cliënten te lijden schade en maak ik aanspraak op de boete zoals omschreven in het koopcontract. Voor de goede orde, ik stel hier zowel [A] B.V., haar enig aandeelhouder Stichting [C] als de enig bestuurder van stichting — u persoonlijk — aansprakelijk.’
2.9
De eigendomsoverdracht van het appartementsrecht heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.
2.10
Op 11 maart 2005 hebben [eiser 1] en [eiseres 2] door middel van een exploot een ingebrekestelling laten uitbrengen waarin [A] is gesommeerd om binnen een termijn van acht dagen na dagtekening de verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen.
2.11
Op 30 maart 2005 heeft de advocaat van [eiser 1] en [eiseres 2] een aangetekende brief gestuurd aan [A] op het adres [b-straat] [1] te [b-plaats], België. In deze brief schrijft hij:
‘Hierbij bericht ik u dat cliënten de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden nu u — ondanks herhaalde sommaties en aanmaningen — geen medewerking heeft verleend aan de levering.
Op grond van bovenstaande bent u een boete verschuldigd van EUR 19.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente en de gemaakte kosten. Deze kosten kunnen ook voorlopig worden begroot op een bedrag van EUR 5.000,00.’
2.12
[A] heeft de in de koopovereenkomst genoemde boete verbeurd, maar heeft deze niet voldaan. Op 25 april 2005 is [A] h.o.d.n. [B] gedagvaard door [eiser 1] en [eiseres 2]. Bij vonnis van 18 mei 2005 van de rechtbank Breda is [A] h.o.d.n. [B] veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 19.500,00 vermeerderd met wettelijk rente vanaf 10 maart 2005 en tevens tot betaling van EUR 5.000,00 aan schade, inclusief buitengerechtelijke kosten. [A] is niet verschenen in deze procedure. [A] heeft ook nadat zij tot betaling was veroordeeld, niets betaald.
3. Het geschil
3.1
[eiser 1] en [eiseres 2] vorderen — samengevat — veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de in de koopakte vastgestelde boete ten bedrage van EUR 19.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding en kosten, waaronder buitengerechtelijke incassokosten.
3.2
[eiser 1] en [eiseres 2] stellen dat [gedaagde] als bestuurder van [B] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door [B] de koopovereenkomst te laten sluiten en [B] zich vervolgens bewust te laten onttrekken aan de verplichtingen in de wetenschap dat de vennootschap de aangegane verplichtingen niet kon nakomen. [gedaagde] heeft volgens [eiser 1] en [eiseres 2] bewerkstelligd dan wel toegelaten dat [B] een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakwam waardoor [eiser 1] en [eiseres 2] schade hebben geleden.
3.3
[gedaagde] voert verweer. Hij stelt onder andere dat [B] een beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud van artikel 19 van de koopakte. Er bestonden volgens [gedaagde] dan ook geen verplichtingen meer voor [B]. [gedaagde] is voorts van mening dat hij, in zijn hoedanigheid van voormalig bestuurder, niet verantwoordelijk is voor het mogelijk niet-nakomen door [B] van de aangegane verplichtingen.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of [B] een (geldig) beroep heeft gedaan op de in artikel 19 van de koopakte opgenomen ontbindende voorwaarde.
4.2
[gedaagde] stelt dat [B] per fax een beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud. Ter comparitie heeft [gedaagde] hierover onder andere verklaard:
‘Binnen twee weken na tekenen van het contract heeft [B] een beroep op de ontbindingsclausule gedaan. Dat moet medio december zijn geweest. De B.V. deed dat beroep. Ik heb het gefaxt naar de fax van de makelaar in Rotterdam; zijn naam weet ik niet meer. Ik hoor zeggen dat het Voorberg Makelaars was; dat klopt. De fax is ongetwijfeld aangekomen. De fax ging over drie panden die door [B] waren aangekocht. We deden een beroep op de financieringsclausules omdat de investeerder zich had teruggetrokken.’
4.3
[eiser 1] en [eiseres 2] stellen dat [B] geen (deugdelijk) beroep op het financieringsvoorbehoud heeft gedaan. [eiser 1] heeft hierover ter comparitie onder andere verklaard:
‘Op 16 december heeft [B] bij de makelaar aangegeven dat één overeenkomst, voor de Stadhoudersweg, moest worden ontbonden. De heer Looijen is hiervoor bij de makelaar geweest en deed de mededeling mondeling. De andere kopen, ook de onderhavige, gingen door. Er is een brief gekomen bij de makelaar dat financiering van de drie panden niet mogelijk was. Namens de makelaar en cliënten is aangegeven dat dit niet als ontbinding werd geaccepteerd.(…). Er heeft geen ontbinding meer plaatsgevonden.’
4.4
De rechtbank is van oordeel dat uit de stellingen van [gedaagde] en uit hetgeen hij ter comparitie heeft verklaard niet is gebleken dat de overeenkomst door [B] is ontbonden door een beroep op het financieringsvoorbehoud zoals in artikel 19 van de koopakte is voorzien. In de koopakte is bepaald dat de ontbinding kan worden ingeroepen indien de koper voor de financiering van het appartement geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe heeft verkregen. De mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen dient goed gedocumenteerd te geschieden bij aangetekende brief met bericht van handtekening retour of telefaxbericht met verzendbevestiging. [gedaagde] heeft echter alleen verklaard dat hij namens [B] een fax heeft gestuurd naar Voorberg Makelaars over drie panden die door [B] waren aangekocht omdat de investeerder zich had terugtrokken. Hij heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de in de koopakte genoemde vereisten voor het inroepen van de ontbinding. De door [gedaagde] in december 2004 verzonden fax heeft dus niet geleid tot ontbinding van de tussen [eiser 1] en [eiseres 2] en [B] gesloten koopovereenkomst. [gedaagde] heeft daarnaast evenmin gesteld en ook overigens is niet gebleken dat [B] hierna opnieuw een beroep op het financieringsvoorbehoud heeft gedaan. De conclusie luidt dan ook dat [B] de tussen [eiser 1] en [eiseres 2] en [B] gesloten koopovereenkomst nimmer heeft ontbonden door middel van een beroep op het financieringsvoorbehoud.
4.5
Nu vast staat dat [B] de koopovereenkomst niet heeft ontbonden, is de volgende vraag of [gedaagde] aangesproken kan worden op grond van onrechtmatig handelen.
4.6
Vast staat dat de levering van het appartementsrecht niet heeft plaatsgevonden, dat [eiser 1] en [eiseres 2] de koopovereenkomst hebben ontbonden op grond van de tekortkoming door [B], dat [B] de boete van EUR 19.500,00 heeft verbeurd zoals bepaald in artikel 13.2 van de koopakte en dat zij de boete niet heeft betaald zoals blijkt uit punt 2.12.
4.7
[gedaagde] stelt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het niet nakomen van de verplichting tot betaling van het boetebedrag omdat deze verplichting pas bij ontbinding van de overeenkomst, op z'n vroegst op 19 maart 2005, is ontstaan en hij op 15 maart 2005 is uitgeschreven als bestuurder van stichting [C]. [gedaagde] betwist daarnaast dat hij in de wetenschap was dat [B] de verplichtingen niet kon nakomen.
4.8
Vast staat dat [gedaagde] enig bestuurder was van [C] en dat [C] enig bestuurder was van [B] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst — in december 2004 — en op de data dat de levering van het appartementsrecht zou plaatsvinden, te weten achtereenvolgens eind december 2004, 3 maart 2005 en 10 maart 2005. Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Uit het voorgaande volgt dat voor zover [C] als enig bestuurder van [B] aansprakelijk is deze aansprakelijkheid ook rust op [gedaagde].
4.9
De vraag of [gedaagde] wist dat [B] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen, kan buiten beschouwing blijven nu de situatie waarvoor dit van belang zou kunnen zijn, namelijk dat de bestuurder wordt verweten dat hij in naam van de vennootschap verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist of rederwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen, hier niet aan de orde is.
4.10
De rechtbank is van oordeel dat de verplichting tot het betalen van de boete onderdeel uitmaakt van de bij het sluiten van de koopovereenkomst, op 3 december 2004, aangegane verplichtingen. Deze verplichting is dus niet pas op 19 maart 2005 ontstaan, zoals [gedaagde] betoogt. [B] heeft de boete vervolgens verbeurd omdat zij de koopovereenkomst niet is nagekomen. De vraag is welke rol [C] als bestuurder van [B] heeft gespeeld bij het niet nakomen van de verplichtingen door [B]. Gelet op het feit dat [gedaagde] enig bestuurder was van [C] is daarvoor van belang welke feitelijke activiteiten [gedaagde] in de periode dat [B] de koopovereenkomst diende na te komen, heeft verricht.
4.11
[eiser 1] en [eiseres 2] hebben — onder andere — in de brief van 8 maart 2005 en in het exploot van 11 maart 2005 aangekondigd — zoals vermeld onder punt 2.10 — dat zij aanspraak zouden maken op de in de koopakte genoemde boete. Ter comparitie is gebleken dat [gedaagde] kennis heeft genomen van een aantal van de brieven — waaronder in ieder geval de brief van 8 maart 2005 — waarin mededelingen worden gedaan omtrent de levering van het appartementsrecht. [gedaagde] heeft hierover ter comparitie verder verklaard:
‘Ik heb één aangetekend schrijven ontvangen op mijn huisadres, de brief van 8 maart 2005. Ik heb met die brief niets gedaan (…). Ik voelde me niet zo aangesproken omdat ik niet persoonlijk, maar voor de B.V. was opgetreden. In dezelfde tijd, voorjaar 2005, was ik bezig de zaak te verkopen. De overdracht vond op 15 maart plaats (…). Ik heb ook een fax van de notaris ontvangen, dacht ik. Nee, dat was een aangetekend schrijven van de notaris. Het ging erover dat de levering zou worden uitgesteld, geloof ik (…). Er stond in ieder geval in dat de levering begin maart zou plaatsvinden.’
4.12
Uit de brief van 8 maart 2005 blijkt duidelijk dat [eiser 1] en [eiseres 2] [gedaagde] als bestuurder van [C] hebben aangesproken. [gedaagde], als bestuurder van [C], wist op basis van deze brief dat de overeenkomst met [eiser 1] en [eiseres 2] niet was ontbonden en dat er een datum voor de levering van het appartementsrecht was bepaald. [C] heeft er echter (bewust) voor gekozen om niets te doen. Dit terwijl het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [C] had gelegen — waarbij [gedaagde] de feitelijke handelingen had dienen te verrichten — om ervoor te zorgen dat [B] de eerder aangegane verplichtingen nakwam. [gedaagde] heeft gesteld noch is overigens gebleken dat iemand anders dan hij als bestuurder van [C] ervoor diende te zorgen dat [B] haar verplichtingen nakwam.
4.13
De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van betalingsonwil aan de zijde van [B] en dat [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden persoonlijk aansprakelijk is voor deze betalingsonwil omdat de stichting [C] waarvan hij enig bestuurder was, heeft bewerkstelligd dat [B] de verplichtingen uit de koopovereenkomst met [eiser 1] en [eiseres 2] niet is nagekomen.
4.14
De conclusie luidt dat de vordering van [eiser 1] en [eiseres 2] voor zover deze ziet op de in de koopakte genoemde boete zal worden toegewezen.
4.15
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen nu deze vordering door [gedaagde] is betwist en [eiser 1] en [eiseres 2] niet (voldoende onderbouwd) hebben gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk hebben gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
4.16
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiseres 2], waaronder tevens de kosten in het vrijwaringincident, worden begroot op:
— | dagvaarding | EUR | 84,87 | |
— | vast recht | 450,00 | ||
— | salaris procureur | 1.737,00 | (3,0 punten × tarief EUR 579,00) | |
Totaal | EUR | 2.271,87 | ||
4.17
De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden, in het licht van de nog lopende procedure in vrijwaring met zaaknummer 06-1286 tegen [A], thans begroot op:
— | vast recht | 450,00 | ||
— | salaris procureur | 1.356,00 | (3,0 punten × tarief EUR 452,00) | |
Totaal | EUR | 1.806,00 | ||
4.18
De rechtbank zal het meer of anders gevorderde afwijzen.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiseres 2] te betalen een bedrag van EUR 19.500,00 (negentienduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 13 januari 2006 tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiseres 2] tot op heden begroot op EUR 2.271,87,
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2006.