Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.3.3.2
6.3.3.2 Voorbeelden van andere omstandigheden
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS348532:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 13 Wet bodembescherming heeft eenieder die handelingen verricht waarbij stoffen in de bodem terecht kunnen komen ten aanzien daarvan een zorgplicht in acht te nemen. Voor eigenaren van bedrijfsterreinen geldt sinds 1 januari 2006 een saneringsplicht. Overigens zou het milieubelang ook gezien kunnen worden als een (algemeen) maatschappelijk belang, waarop hierna wordt ingegaan.
Zie over deze eisen uitgebreid 6.6.4.3.
Het ziekenhuis ging uiteindelijk in een ge-prepackte doorstart verder als het Spijkenisse Medisch Centrum. Zie o.a. over de voorbereiding van de doorstart Kampers en Lintel 2017.
In de voorbeeldcasus ging het om acuut instortingsgevaar van het bedrijfspand. In dezelfde categorie gevallen waarin acuut handelen geboden is, kan gedacht worden aan ontploffingsgevaar in een fabriek en vergelijkbare vormen van gevaar bij inherent gevaarlijke activiteiten zoals het exploiteren van een kerncentrale. In dezelfde sfeer ligt mijns inziens ook milieuverontreiniging – bodemverontreiniging is een voorbeeld – die vanwege het onmiddellijke en directe gevaar voor mens en milieu acute sanering vergt.1 Tevens kan gedacht worden aan het geval van een noodlijdend ziekenhuis waarvan voor de bestuurders langzamerhand helder wordt dat het zijn (lopende en eventueel nieuw aangegane) verplichtingen niet kan nakomen terwijl het ziekenhuis bovendien geen verhaal zal bieden voor de daardoor te ontstane schade en er – bijvoorbeeld – onverhoopt een tekort ontstaat aan beademingsapparatuur. Indien het bestuur op dat moment in beraad is over de toekomst van het ziekenhuis al dan niet in overleg met een eventuele overnemende partij, kan het verzwijgen van het financiële onvermogen ten aanzien van de leverancier van de apparatuur gelet op het hoogwaardige(r) belang van mensenlevens mijns inziens gerechtvaardigd zijn. Hoe acuter de nood, des te meer een beroep op noodtoestand aangewezen zal zijn. Met het oog op de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit in het kader van de beoordeling van het verweer kan, afhankelijk van de omstandigheden, van de bestuurder worden verlangd in te gaan op de vraag of er niet andere – minder vergaande- alternatieven voorhanden waren.2 In het faillissement van het Ruwaard van Putten-ziekenhuis hadden de beoogd curatoren in overleg met het bestuur van het ziekenhuis een (boedel)krediet weten te verkrijgen van de zorgverzekeraars ten behoeve van dringende zorginkopen.3 Het spreekt vanzelf dat dit niet in alle gevallen mogelijk is. Van de bestuurder mag wel een toelichting worden gevraagd met betrekking tot (het ontbreken van) alternatieve scenario’s waarin het belang van de schuldeiser wel geborgd zou zijn. Die alternatieven zullen vermoedelijk ontbreken indien het ziekenhuis afstevent op een faillissement zonder dat (nog zinvolle) gesprekken worden gevoerd over een eventuele doorstart. Tegen het licht van het superieure belang van een mensenleven is verdedigbaar dat de bestuurder het inkopen van noodzakelijk zorgmateriaal ook kan rechtvaardigen met een beroep op noodtoestand indien hij weet dat op afzienbare termijn het faillissement van het ziekenhuis zal worden aangevraagd (of zelfs: reeds is aangevraagd) zonder dat er gesprekken gaande zijn over het (al dan niet gedeeltelijk) voortzetten van de exploitatie. Het financiële belang van de leverancier legt het in deze situatie af tegen het belang om acute en noodzakelijke zorg te (kunnen blijven) verlenen aan de patiënten.
In al deze gevallen is telkens sprake van een hoogwaardig belang waaraan een minder hoogwaardig belang mag worden opgeofferd. Het financiële belang van de ingeschakelde schuldeiser legt het daarbij af tegen belangen die onder de geabstraheerde noemer van veiligheid de bescherming van de lichamelijke integriteit en de eigendommen waarborgen. In het kader van de belangenafweging die plaatsvindt bij noodtoestand is het voor de bestuurder gerechtvaardigd om namens de vennootschap een verplichting aan te gaan jegens een derde hoewel hij weet dat de door de vennootschap aangegane prestatie niet zal worden nagekomen én bovendien geen verhaal mogelijk is voor de derde.