Rb. Rotterdam, 19-07-2006, nr. 221124/HA ZA 04-2100
ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4042
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
19-07-2006
- Magistraten
Mr. T.F. Hesselink
- Zaaknummer
221124/HA ZA 04-2100
- LJN
AZ4042
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4042, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 19‑07‑2006
Uitspraak 19‑07‑2006
Mr. T.F. Hesselink
Partij(en)
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
procureur mr. O.E. Meijer,
advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te 's‑Gravenhage,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TEXACO NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
procureur mr. W.J. Hengeveld,
advocaat mr. J.M. Winter te Rotterdam.
Partijen blijven verder aangeduid als ‘[eiser]’ respectievelijk ‘Texaco’.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- —
tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 15 juni 2005 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- —
de processen-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 september 2005 en 6 februari 2006;
- —
incidentele conclusie ingevolge artikel 843a Rv, aan de zijde van [eiser];
- —
conclusie van antwoord in het incident, aan de zijde van Texaco.
2. Het geschil
in de hoofdzaak
2.1
Bij voormeld tussenvonnis is [eiser] opgedragen te bewijzen dat tussen [eiser] en Texaco is overeengekomen dat [eiser] gerechtigd is tot overname om niet van het benzinestation (met uitzondering van de pompen en merkgebonden artikelen).
2.2
In enquête en in contra-enquête zijn getuigen gehoord.
in het incident
2.3
[eiser] vordert — zakelijk weergegeven — op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) Texaco te gelasten een afschrift te verstekken van de geldleningovereenkomst zoals die destijds tussen Texaco en [eiser]' rechtsvoorganger [naam] tot stand is gekomen (hierna: de geldleningovereenkomst), met veroordeling van Texaco in de kosten van het incident.
2.4
[eiser] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij er recht en belang bij heeft dat Texaco de geldleningovereenkomst overlegt, omdat de tekst van die geldleningovereenkomst voor [eiser] essentieel is voor het aantonen van de juistheid van zijn standpunt. De geldleningovereenkomst moet wel bij Texaco aanwezig zijn omdat de op 6 februari 2003 door deze rechtbank gehoorde getuige de heer [getuige] verklaard heeft dat hij de betreffende geldleningovereenkomst vóór het getuigenverhoor heeft doorgelezen. Texaco heeft er geen belang bij om de geldleningovereenkomst niet over te leggen en aan [eiser] af te geven. Het is voor [eiser] niet mogelijk de geldleningovereenkomst via een andere weg te verkrijgen.
2.5
Texaco heeft het bestaan van de geldleningovereenkomst gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.
3. De beoordeling
in het incident
3.1
De heer [getuige] heeft ter enquête van 6 februari 2006 onder meer — voor zover van belang — het volgende verklaard:
‘De geldleningovereenkomst tussen Texaco en [naam] heb ik niet in detail gezien. Ik heb ze vluchtig doorgelezen. Nu ik dit hoor wil ik daar aan toevoegen dat ik refereerde aan de clausule in het contract tussen [naam] en Texaco dat de aankoop van de grond, alsmede de afbetaling regelt.’
3.2
Voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a gelden als cumulatieve voorwaarden dat de eiser of verzoeker een rechtmatig belang dient te hebben bij inzage, afschrift of uittreksel en het moet gaan om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.
3.3
[eiser] vordert afgifte van de schriftelijke geldleningovereenkomst waarvan het bestaan door Texaco wordt betwist. Uit de getuigenverklaring van de heer [getuige], waarop [eiser] het bestaan van de geldleningovereenkomst baseert, maakt de rechtbank op dat, in tegenstelling tot hetgeen [eiser] stelt, de heer [getuige] niet verwijst naar een separate geldleningovereenkomst maar naar een clausule in de briefovereenkomst gesloten tussen Texaco en [naam]. Nu door [eiser], naast de getuigenverklaring van de heer [getuige], niet voldoende onderbouwd gesteld is dat de geldleningovereenkomst wel bestaat en het voor de rechtbank derhalve onvoldoende duidelijk is om welk stuk het gaat, is niet voldaan aan de voorwaarde van voldoende bepaalbaarheid zoals artikel 843a Rv die stelt.
3.4
Gelet op het vorenstaande zal de incidentele vordering worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
in de hoofdzaak
3.5
De zaak zal naar de rol verwezen worden voor conclusie na enquête aan de zijde van [eiser].
4. De beslissing
De rechtbank,
in het incident
wijst af de vordering van [eiser];
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van Texaco begroot op € 384,- aan salaris voor de procureur;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 2 augustus 2006 voor conclusie na enquête aan de zijde van [eiser].
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting.