Rb. Rotterdam, 19-09-2007, nr. 261950 / HA ZA 06-1528
ECLI:NL:RBROT:2007:BB7182
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
19-09-2007
- Magistraten
Mr. J.F. Koekebakker
- Zaaknummer
261950 / HA ZA 06-1528
- LJN
BB7182
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2007:BB7182, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 19‑09‑2007
Uitspraak 19‑09‑2007
Mr. J.F. Koekebakker
Partij(en)
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
procureur mr. P.T.M. de Haan,
advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,
tegen
de besloten vennootschap CEILIDH COMPOSITE TECHNOLOGIES B.V.,
gevestigd te Hellevoetsluis,
gedaagde,
procureur en advocaat mr. J.B. Kloosterman.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘Delta Lloyd’ respectievelijk ‘Ceilidh’.
1. Het verloop van het geding
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- —
dagvaarding d.d. 22 mei 2006 en de door Delta Lloyd overgelegde producties;
- —
incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;
- —
conclusie van antwoord in het incident;
- —
vonnis in het incident d.d. 4 oktober 2006 waarbij het Ceilidh wordt toegestaan om Masten en zo …b.v.! (hierna: Masten en Zo), gevestigd te Sneek, op te roepen in vrijwaring;
- —
conclusie van antwoord;
- —
conclusie van repliek, met producties;
- —
conclusie van dupliek.
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen — voor zover van belang — het volgende vast:
2.1
Ceilidh is een fabrikant van carbon masten. Carbon masten zijn geschikt om te worden gebruikt op (wedstrijd)zeilschepen.
2.2
Omstreeks augustus/september 2003 is er een nieuwe getuigde mast geplaatst op het zeilschip type ILC30 (hierna: het zeilschip) dat toebehoort aan de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Ceilidh heeft de mast geproduceerd. Masten en Zo heeft de mast getuigd.
2.3
Ceilidh heeft een factuur gedateerd 30 september 2003 gezonden aan [betrokkene 1]. Deze factuur vermeldt — voor zover relevant — het volgende:
‘"Product part (…) | Excl. price |
(EUR) | |
Replacement ILC 30 mast as according to agreement (…) | 8372,00’ |
2.4
Masten en Zo heeft een factuur gedateerd 26 augustus 2003 gezonden aan Ceilidh in verband met het tuigen van de mast.
2.5
Op of omstreeks 4 april 2004 is de mast van het zeilschip van [betrokkene 1] tijdens een zeiltocht gebroken. Hierdoor is schade ontstaan aan de mast, de tuigage en de zeilen van het zeilschip.
2.6
Het breken van de mast is niet het gevolg van een gebrek aan de mast zelf.
2.7
[betrokkene 1] heeft zijn zeilschip verzekerd bij Delta Lloyd op basis van een zogenaamde watersportpolis.
2.8
Delta Lloyd heeft een rapport doen opmaken door de bij haar werkzame expert vaartuigen, de heer [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1]). Dit rapport dateert van 13 juni 2005. De conclusie luidt als volgt:
‘De schade zoals deze door verzekerde wordt geclaimd is in overeenstemming met onze waarneming. Vanwege het feit dat deze mast er slechts acht maanden op heeft gestaan achten wij de fabrikant van de verstaging aansprakelijk voor de ontstane schade en de gevolgen hiervan.
Het ongeval is te wijten aan onvoldoende borgen van D2 terminal van het staand want. Deze is losgeraakt en tengevolge hiervan is de mast gaan torderen en gebroken. Het bedrijf hebben wij inmiddels aansprakelijk gesteld.’
De expert heeft de schade begroot op € 16.153,29 (inclusief btw).
2.9
Delta Lloyd heeft aan [betrokkene 1] in twee termijnen een bedrag van € 15.153,29 uitgekeerd.
3. De vordering
De vordering luidt — verkort weergegeven — om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Ceilidh te veroordelen:
- 1)
tot betaling van € 16.153,29, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;
- 2)
tot betaling van € 452,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;
- 3)
in de kosten van de procedure.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Delta Lloyd aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
3.1
[betrokkene 1] heeft schade geleden aan zijn zeilschip, voor welke schade Ceilidh aansprakelijk is.
3.2
Ceilidh is aansprakelijk omdat zij op basis van een overeenkomst met [betrokkene 1] een getuigde mast aan [betrokkene 1] heeft geleverd en deze getuigde mast niet deugdelijk was. De mast was niet deugdelijk omdat de D2 terminal van het staand want (tussen de eerste en tweede zaling) niet althans onvoldoende was geborgd. Als gevolg hiervan is het staand want los geraakt en is de mast gebroken. Hierdoor heeft [betrokkene 1] schade geleden aan de mast, de zeilen en de tuigage van zijn zeilschip ten bedrage van € 16.153,29 (inclusief btw).
3.3
Delta Lloyd heeft aan [betrokkene 1] op basis van de door [betrokkene 1] bij Delta Lloyd afgesloten watersportverzekering een bedrag van € 15.153,29 uitgekeerd. Dit is € 1.000,-- lager dan het door de expert vastgestelde schadebedrag in verband met het eigen risico van [betrokkene 1] van € 1.000,--. Delta Lloyd zal het bedrag van € 1.000,-- alsnog aan [betrokkene 1] uitkeren na toewijzing van haar vordering op Ceilidh.
3.3
Delta Lloyd is gesubrogeerd in de rechten van [betrokkene 1] jegens Ceilidh.
3.4
Er is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van het schadevoorval op 4 april 2004.
3.5
Delta Lloyd heeft buitengerechtelijke incassokosten moeten maken, die verder strekken dan de voorbereiding van de onderhavige procedure, aangezien tussen de advocaat van Delta Lloyd en de advocaat van Ceilidh overleg heeft plaatsgevonden.
4. Het verweer
Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Delta Lloyd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.
Ceilidh heeft daartoe het volgende aangevoerd:
4.1
Ceilidh betwist dat Delta Lloyd is gesubrogeerd in de rechten van [betrokkene 1] jegens haar, nu niet is gebleken dat Delta Lloyd op basis van een verzekeringsovereenkomst gehouden was tot vergoeding van enige schade aan [betrokkene 1].
4.2
Als Delta Lloyd is gesubrogeerd in de rechten van [betrokkene 1] tegen Ceilidh, is zij slechts tot een bedrag van € 15.153,29 in zijn rechten getreden, aangezien Delta Lloyd dit bedrag aan [betrokkene 1] heeft uitgekeerd.
4.3
[betrokkene 1] had, gelet op zijn expertise, het gestelde gebrek bij aflevering van de getuigde mast of kort daarna en uiterlijk op het moment dat hij voor het eerst een wedstrijd met de nieuwe mast ging zeilen, moeten ontdekken. Daarna had hij dienen te klagen bij Ceilidh. Op het moment dat de schade ontstond, acht maanden later, was de klachttermijn van artikel 7:23 lid 2 BW (de rechtbank leest: artikel 7:23 lid 1 BW) verstreken, zodat [betrokkene 1] en derhalve ook Delta Lloyd geen beroep meer toekomt op non-conformiteit.
4.4
Ceilidh heeft zich jegens [betrokkene 1] slechts verbonden tot levering van een mast en niet tot levering van een getuigde mast. De mast vertoonde geen gebreken, zodat Ceilidh heeft voldaan aan haar overeenkomst met [betrokkene 1].
4.5
Ceilidh betwist dat de geleverde tuigage niet deugdelijk was wegens het door Delta Lloyd gestelde gebrek.
4.6
Als er al sprake zou zijn van het gestelde gebrek in de tuigage, betwist Ceilidh het causaal verband tussen dit gebrek en de geleden schade.
4.7
[betrokkene 1] heeft zijn schade niet beperkt c.q. [betrokkene 1] heeft schuld aan het ontstaan van de schade.
5. De beoordeling
5.1
In geschil is of Ceilidh gehouden is om aan Delta Lloyd een bedrag van € 16.153,29 te betalen in verband met door Delta Lloyd aan [betrokkene 1] reeds vergoedde en nog te vergoeden schade.
5.2
Ceilidh verweert zich in de eerste plaats tegen de vordering van Delta Lloyd met de stelling dat Delta Lloyd niet is gesubrogeerd in de rechten van [betrokkene 1] jegens haar, nu niet is gebleken dat Delta Lloyd op basis van een verzekeringsovereenkomst gehouden was tot vergoeding van enige schade aan [betrokkene 1]. Ter zake overweegt de rechtbank als volgt.
Artikel 7:962 BW bepaalt dat indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar overgaan voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsartikel kan worden opgemaakt dat de woorden ‘al dan niet verplicht’ in dit artikel zijn opgenomen om te voorkomen dat de derde de verschuldigdheid van de door de verzekeraar gedane uitkering zou betwisten, terwijl deze derde geen redelijk belang heeft bij een betwisting en die betwisting de verzekeraar van coulance zou kunnen afhouden.
Uit voornoemd wetsartikel volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan Ceilidh stelt, voor de vraag of Delta Lloyd is gesubrogeerd in de rechten van [betrokkene 1] niet relevant is of Delta Lloyd op basis van een verzekeringsovereenkomst gehouden was tot vergoeding van enige schade aan [betrokkene 1]. Voor subrogatie is voldoende dat Delta Lloyd de schade aan [betrokkene 1] heeft vergoed.
Blijkens het gestelde in onderdeel 4 van de conclusie van dupliek is niet langer in geschil dat Delta Lloyd aan [betrokkene 1] een uitkering heeft gedaan van € 15.153,29 in verband met door [betrokkene 1] geleden schade. Hiermee is gegeven dat de vordering van [betrokkene 1] op Ceilidh in zoverre bij wijze van subrogatie op Delta Lloyd is overgegaan.
De omstandigheid dat Delta Lloyd, naar zij stelt, voornemens is het eigen risico van € 1.000,-- aan Ceilidh te betalen na toewijzing van de vordering, leidt er niet toe dat Delta Lloyd ook gesubrogeerd is in dit deel van de vordering van Ceilidh op [betrokkene 1]. Delta Lloyd treedt slechts in de rechten van [betrokkene 1] bij wijze van subrogatie voor zover Delta Lloyd het vorderingsrecht van [betrokkene 1] heeft voldaan door betaling van de door [betrokkene 1] geleden schade. Nu Delta Lloyd genoemde € 1.000,-- niet aan [betrokkene 1] heeft betaald, heeft zij zijn vorderingsrecht in zoverre niet voldaan en gaat de vordering van [betrokkene 1] op Ceilidh in zoverre ook niet op Delta Lloyd over bij wijze van subrogatie. Nu bovendien niet is gesteld en de rechtbank evenmin is gebleken dat Delta Lloyd op een andere grond gerechtigd is om dit deel van de vordering van [betrokkene 1] te innen, is de vordering van Delta Lloyd in zoverre om deze reden reeds niet toewijsbaar.
5.3
Ceilidh verweert zich voorts tegen de vordering van Delta Lloyd met de stelling dat [betrokkene 1] — en derhalve ook Delta Lloyd als gesubrogeerde — geen beroep meer kan doen op non-conformiteit van de afgeleverde mast, nu [betrokkene 1] niet tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW. Dit verweer treft eveneens geen doel. Op grond van artikel 7:23 lid 1 BW begint de termijn waarbinnen de koper behoort te klagen te lopen zodra de koper weet of behoort te weten dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. In de laatste zin van voornoemd artikellid is bepaald dat bij consumentenkoop de termijn waarbinnen de koper dient te klagen begint te lopen na de ontdekking, en dat een termijn van twee maanden tijdig is, Derhalve is in geval van consumentenkoop niet bepalend het moment waarop de koper het gebrek had kunnen ontdekken.
Naar het oordeel van de rechtbank is in casu sprake van consumentenkoop. Hieraan staat niet in de weg dat, zoals Ceilidh lijkt te stellen, [betrokkene 1] expert was op het gebied van zeilschepen gelet op zijn functie van schade-expert bij Delta Lloyd en het feit dat hij wedstrijdzeiler is. De termijn waarbinnen [betrokkene 1] bij Ceilidh had dienen te klagen over non-conformiteit begon derhalve te lopen op het moment van de ontdekking. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat [betrokkene 1] eerder dan ten tijde van het schadevoorval heeft ontdekt dat de tuigage van de mast niet goed was. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de ontdekking eerst ten tijde van het schadevoorval, derhalve op of omstreeks 4 april 2004, heeft plaatsgevonden. Nu door Delta Lloyd onbetwist is gesteld dat Ceilidh bij brief van 14 april 2004 door Delta Lloyd aansprakelijk is gesteld voor de door [betrokkene 1] geleden schade, is in casu sprake van een kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking.
5.4
Delta Lloyd heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat tussen [betrokkene 1] en Ceilidh was overeengekomen dat Ceilidh aan [betrokkene 1] een getuigde mast zou leveren. Weliswaar werd, zo stelt Delta Lloyd, de tuigage daadwerkelijk geleverd door een derde, Masten en Zo, maar Masten en Zo deed dat in opdracht van Ceilidh. Masten en Zo handelde derhalve in de visie van Delta Lloyd als een ‘onderaannemer’ van Ceilidh. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst Delta Lloyd onder meer naar de factuur d.d. 30 september 2003 van Ceilidh aan [betrokkene 1] (prod B bij dagvaarding) en naar de factuur d.d. 26 augustus 2003 van Masten en Zo aan Ceilidh (productie 1 bij de conclusie tot oproeping in vrijwaring van Ceilidh).
5.5
Ceilidh betwist de stelling van Delta Lloyd dat zij met [betrokkene 1] een overeenkomst heeft gesloten voor het vervaardigen en leveren van een getuigde mast. Ceilidh stelt zich op het standpunt dat zij zich jegens [betrokkene 1] slechts heeft verbonden tot de productie en levering van een mast en dat er een aparte overeenkomst tot stand is gekomen tussen [betrokkene 1] en Masten en Zo voor het tuigen van de mast. Nu niet de mast maar de tuigage volgens Delta Lloyd gebreken vertoonde, leidt het voorgaande er, aldus Ceilidh, toe dat niet zij maar Masten en Zo althans A+Rigging die op verzoek van Masten en Zo (ook) werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het tuigen van de mast, aansprakelijk is voor de door [betrokkene 1] geleden schade.
5.6
De rechtbank overweegt als volgt. De stelling van Delta Lloyd dat [betrokkene 1] en Ceilidh waren overeengekomen dat Ceilidh een getuigde mast aan [betrokkene 1] zou leveren en dat voor zover Masten en Zo bij het tuigen van de mast betrokken is geweest haar rol was beperkt tot die van ‘onderaannemer’ van Ceilidh, wordt onderbouwd door de facturen waaraan Delta Lloyd refereert. Immers, door middel van de factuur van 26 augustus 2003 worden de kosten van het tuigen van de mast door Masten en Zo bij Ceilidh in rekening heeft gebracht. Ceilidh brengt op haar beurt blijkens de factuur van 30 september 2003, onder verwijzing naar een tussen partijen gesloten overeenkomst (‘replacement ILC 30 mast as according to agreement’), de kosten van het vervaardigen van een getuigde mast door Ceilidh bij [betrokkene 1] in rekening.
Het lag op de weg van Ceilidh om deze onderbouwde stelling van Delta Lloyd voldoende onderbouwd te betwisten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Ceilidh dit niet gedaan. Als betwisting is in ieder geval onvoldoende dat, zoals Ceilidh stelt, [betrokkene 1] rechtstreeks contact heeft gehand met Masten en Zo en A+Rigging en [betrokkene 1] hen instructies heeft gegeven en met hen details heeft besproken. Immers, de omstandigheid dat [betrokkene 1] rechtstreeks contact had met Masten en Zo en/of A+Rigging staat er niet aan in de weg dat [betrokkene 1] en Ceilidh zijn overeengekomen dat Ceilidh een getuigde mast zou leveren, en Masten en Zo in opdracht van Ceilidh de tuigage zou verzorgen. Eveneens is als betwisting onvoldoende de stelling van Ceilidh dat de factuur niet meer is dan een verzamelfactuur, waarin door Ceilidh geen winst of risicotoeslag is opgenomen en dat volgens het rapport van [deskundige 1] A+Rigging aansprakelijk zou zijn.
Als voldoende betwisting van voormelde stelling van Delta Lloyd kan evenmin dienen dat zoals Ceilidh stelt in haar conclusie van antwoord (onder 10), zij nadat zij de mast had gefabriceerd in opdracht en op verzoek van [betrokkene 1] Masten en Zo heeft benaderd om de mast te tuigen. Deze stelling duidt er naar het oordeel van de rechtbank eerder op dat Masten en Zo inderdaad in opdracht van Ceilidh de tuigage heeft verzorgd en dat er ter zake het tuigen van de mast derhalve een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Ceilidh en Masten en Zo en niet tussen [betrokkene 1] en Masten en Zo. Dit zou wellicht anders zijn geweest als Ceilidh Masten en Zo had benaderd om in opdracht en voor rekening van [betrokkene 1] de mast te tuigen. Dit is niet gesteld noch gebleken.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de stelling van Delta Lloyd dat tussen [betrokkene 1] en Ceilidh is overeengekomen dat Ceilidh een getuigde mast aan [betrokkene 1] zou leveren als vaststaand aanneemt.
5.7
Delta Lloyd heeft voorts aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de door Ceilidh geleverde tuigage van de mast niet deugdelijk was, omdat de D2 terminal van het staand want tussen de eerste en de tweede zaling niet althans onvoldoende was geborgd. Als gevolg hiervan is, aldus Delta Lloyd, tijdens het zeilen een deel van het staand want losgeraakt waardoor de mast is gebroken. Dit heeft geleid tot schade aan de mast, de tuigage en de zeilen ten bedrage van € 16.153,29 inclusief btw. Delta Lloyd verwijst ter onderbouwing van haar stellingen naar het rapport van [deskundige 1].
5.8
Naar de rechtbank begrijpt, verweert Ceilidh zich ter zake als volgt. Het door Delta Lloyd in het geding gebrachte rapport kan niet tot bewijs van haar stellingen dienen. Het rapport is opgesteld door een collega van [betrokkene 1], die evenals [betrokkene 1] bij Delta Lloyd in dienst is als expert. Het rapport is derhalve niet opgesteld door een onafhankelijk en daartoe gekwalificeerd deskundige. Bovendien is het rapport uitsluitend gebaseerd op de enkele mededeling van [betrokkene 1]. Ceilidh betwist voorts dat er sprake was van het uit het rapport voortvloeiende gebrek in de tuigage van de mast. In dit verband wijst Ceilidh erop dat er voordat het schadeongeval zich voordeed al 8 maanden was gezeild met de nieuwe tuigage en dat dit niet mogelijk was geweest als de tuigage niet goed zou zijn geweest. Als er al sprake zou zijn van het gestelde gebrek in de tuigage, betwist Ceilidh het causaal verband tussen dit gebrek en de geleden schade.
5.9
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het rapport uitsluitend in opdracht van Delta Lloyd is opgesteld en bovendien door een collega van [betrokkene 1] die evenals [betrokkene 1] in dienst is van Delta Lloyd ertoe leidt dat het door Delta Lloyd in het geding gebrachte rapport slechts in beperkte mate kan bijdragen tot het bewijs van de stelling van Delta Lloyd dat de door [betrokkene 1] geleden schade het gevolg is van de gestelde fout in de tuigage. Aan voornoemd oordeel staat niet in de weg dat Ceilidh, zoals Delta Lloyd stelt, de kans op een tegenrapportage voorbij heeft laten gaan.
5.10
De rechtbank heeft behoefte aan voorlichting door een of meer onafhankelijk deskundige(n) ter beantwoording van de vraag of de mast van het zeilschip van [betrokkene 1] is gebroken als gevolg van het feit dat Ceilidh een ondeugdelijke tuigage heeft geleverd, te weten een tuigage waarbij de D2 terminal van het staand want tussen de eerste en de tweede zaling niet althans onvoldoende was geborgd. Gelet op de aan de deskundige(n) voor te leggen vraagstelling, zoals deze hieronder nog aan de orde zal komen, is haar voorlopig oordeel dat zij voorgelicht wenst te worden door een scheepsexpert of een scheepsbouwer.
5.11
Naar de rechtbank begrijpt, betwist Ceilidh niet dat [betrokkene 1] schade heeft geleden als gevolg van het breken van de mast en dat deze schade € 16.153,29 inclusief btw bedraagt, zoals door Delta Lloyd is gesteld. Indien en voor zover Ceilidh het bestaan en de omvang van de gestelde schade wel heeft bedoeld te betwisten (door het rapport van [deskundige 1] te betwisten), geldt dat Ceilidh de gestelde schade onvoldoende onderbouwd heeft betwist. Door Delta Lloyd is als bijlage bij het rapport van [deskundige 1] een schadeopstelling overgelegd, waarop gespecificeerd is aangegeven waaruit de door [betrokkene 1] geleden schade bestaat. Het lag op de weg van Ceilidh om hierop, al dan niet per post, te reageren. Dit heeft zij niet gedaan.
5.12
Voor het geval vast komt te staan dat de door [betrokkene 1] geleden schade het gevolg is van het gestelde gebrek in de tuigage, beroept Ceilidh zich op eigen schuld van [betrokkene 1] bij het ontstaan van de schade. In de visie van Ceilidh had [betrokkene 1] de schade kunnen voorkomen of in ieder geval kunnen beperken door, toen hij zag dat de stag los was, (via de val) de spanning direct van de zeilen af te halen en de zeilen te bergen. Hierdoor zou de mast niet zijn gebroken, althans zou het zeil niet in het water en onder de boot zijn gekomen. In eerstgenoemde situatie zou er in het geheel geen schade zijn geweest en in de als tweede genoemde situatie zou de schade aan de zeilen en aan het schip (door het schuren) zijn voorkomen.
5.13
Delta Lloyd heeft hiertegen — voor zover relevant — aangevoerd dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat de mast een fractie van een seconde na het losraken van het want brak en dat dit ook voor de hand ligt gegeven het feit dat de mast zonder het want aan krachten blootstaat die hij niet kan weerstaan. In deze korte tijd kon [betrokkene 1], aldus Delta Lloyd, niet de spanning van de zeilen halen. Zelfs als [betrokkene 1] dat wel had gekund, had [betrokkene 1] vervolgens de zeilen niet in bedwang kunnen houden tot de reddingsbrigade kwam, aldus Delta Lloyd.
5.14
De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Indien en voor zover [betrokkene 1] de schade had kunnen voorkomen dan wel beperken door via de val (en/of de schoot) de spanning van de zeilen te halen en indien en voor zover de omstandigheid dat [betrokkene 1] dit niet heeft gedaan al kan worden aangemerkt als een omstandigheid die op grond van het bepaalde in artikel 6:101, eerste lid, BW aan [betrokkene 1] kan worden toegerekend, is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de door Ceilidh gemaakte fout (het leveren van een zodanige gebrekkige tuigage dat de mast kon breken) alle aanleiding geeft tot toepassing van de in voormeld artikel genoemde billijkheidscorrectie en wel in die zin dat de vergoedingsplicht van Ceilidh geheel in stand blijft. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Ceilidh bij conclusie van dupliek niet, althans onvoldoende, heeft betwist de stelling van Delta Lloyd dat er slechts korte tijd was gelegen (en redelijkerwijs ook kon liggen) tussen het losraken van het want en het breken van de mast, zodat er zeer weinig tijd was voor [betrokkene 1] om de (eventueel) noodzakelijke handelingen te verrichten ter voorkoming of beperking van de schade.
5.15
Het bovenstaande in aanmerking nemende, stelt de rechtbank voor om in ieder geval de volgende vragen aan de deskundige(n) voor te leggen:
- 1)
Is aannemelijk dat ten tijde van de levering van de getuigde mast de D2 terminal van het staand want tussen de eerste en de tweede zaling niet althans onvoldoende was geborgd?
- 2)
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: is aannemelijk dat dit gebrek de oorzaak is geweest van het breken van de mast, mede in aanmerking nemende dat er een periode van 7 à 8 maanden heeft gelegen tussen de levering van de getuigde mast en het breken van de mast en er in die periode in ieder geval een aantal keer met het zeilschip is gezeild?;
- 3)
Indien uw antwoord op vraag 2 erop neerkomt dat meerdere oorzaken tot het breken van de mast kunnen hebben geleid: kunt u dan aangeven (in percentages) in hoeverre elke oorzaak tot het breken van de mast kan hebben geleid?
- 4)
Zijn er nog feiten of omstandigheden waarover tussen partijen discussie bestaat, die van belang zijn voor uw eindoordeel, en zo ja, welke zijn dat?
- 5)
Welke omstandigheden zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing.
5.16
Partijen verschillen op enkele punten van mening over de feiten, met name daar waar het gaat om het exacte moment van aflevering van de getuigde mast en de vraag hoe vaak [betrokkene 1] met zijn zeilschip heeft gezeild tussen het moment van levering van de getuigde mast en het breken van de mast. De rechtbank acht het praktisch om eerst het oordeel van de deskundige(n) af te wachten alvorens te bezien of het nodig is om ten aanzien van deze feiten (en eventuele andere feiten) over te gaan tot nadere bewijsvoering. Om deze reden is de rechtbank voornemens aan de deskundige(n) te vragen om aan te geven of en zo ja, in hoeverre, deze ter discussie staande feiten bij het oordeel een rol spelen (zie de voorgestelde vraag 4).
5.17
De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om zich ter gelegenheid van een te gelasten comparitie van partijen uit te laten over het voorstel van de rechtbank ten aanzien van de aan de deskundige(n) te stellen vragen en over eventueel aanvullende vragen, alsmede over aantal, vakgebied(en) en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n). Het verdient in hoge mate de voorkeur dat partijen dienaangaande met een eenparig voorstel komen. Opgemerkt zij reeds dat Delta Lloyd, als de partij op wie de bewijslast rust, zal worden belast met het betalen van het voorschot.
5.18
De rechtbank zal om proceseconomische redenen tegelijkertijd met de comparitie in deze zaak, een comparitie van partijen gelasten in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 271167/HA ZA 06-2925.
5.19
Gelet op het financiële belang en in aanmerking nemende de kosten die gemoeid zijn met een onderzoek door deskundige(n) en eventuele getuigenverhoren, geeft de rechtbank partijen in overweging om, met in achtneming van hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen, de zaak in der minne te regelen. De rechtbank zal de comparitie van partijen tevens gebruiken om na te gaan of hiertoe mogelijkheden bestaan.
6. De beslissing
De rechtbank,
alvorens verder te beslissen,
beveelt partijen, beiden deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van de rechtbank voor de rechter mr. J.F. Koekebakker, op dinsdag 22 januari 2008 van 9.30 tot 12.00 uur teneinde inlichtingen te verschaffen als bedoeld in rechtsoverweging 5.17;
bepaalt dat bescheiden, die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd, door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank en de wederpartij dienen te worden toegezonden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker.
Uitgesproken in het openbaar.