HR, 26-05-2023, nr. 23/00006
ECLI:NL:HR:2023:789
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-05-2023
- Zaaknummer
23/00006
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑05‑2023
ECLI:NL:HR:2023:789, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑05‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:10089
- Vindplaatsen
NTFR 2023/852 met annotatie van mr. I. van Wijk
V-N 2023/25.17 met annotatie van Redactie
NLF 2023/1262 met annotatie van Sara Verkaik
Viditax (FutD) 2023052624
FutD 2023-1349
Beroepschrift 26‑05‑2023
Uit het beroepschrift in cassatie van belanghebbende:
Hoge Raad Der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Betreft: Cassatieberoep
[…] 28 december2022
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij stel ik cassatieberoep in tegen uitspraak van het Gerechtshof Arnhem -Leeuwaarden van 22 november 2022. Een Kopie van deze uitspraak treft u aan als bijlage (bijlage1). Bij deze uitspraak heeft het Hof mijn hoger beroep tegen de uitspraak van rechtbank, ongegrond verklaard. Ik ben het niet eens met de uitspraak van het Hof. Hieronder volgt u de gronden van mijn cassatieberoep:
In tegenstelling tot overweging 1.7. van de uitspraak, ben ik niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord, althans heb ik de gestelde (aangetekende) brieven van het Gerechtshof niet ontvangen. Ten onrechte is daarom van uitgegaan dat de ondergetekende op wettelijke voorschriften wijze uitgenodigd is voor de zitting. Voorts waren de rechters, althans de voorzitter van het gerechtshof niet meer bevoegd om te beslissen op deze hoger beroep omdat deze rechters, althans de voorzitter al eerder hadden besloten over de aanslagen 2012 t/m 2014.
Aangifte 2012 is, In tegenstelling tot overweging 4.4. van de uitspraak GEEN reden voor de melding in FSV en het project 1043. Melding in FSV / Project 1043 was ten gevolge van de eerdere melding in fraudelijst van de Toeslagenafdeling (bijlage 2). Het Gerechtshof is daarom kort door de bocht tot de conclusie gekomen dat de aangiftes aanleiding waren voor melding in de FSV/Project 1034. Voorts is Gerechtshof voorbij gegaan van het feit dat mensen met andere achtergrond/nationaliteiten, vaker voorkwamen in fraudelijsten van de Belastingdienst. Verder is niet onderkend dat de inspecteur bij (onderwerp overleg van) zijn verweerschrift van oordeel is dat bij aangiftes geen fraude is gepleegd en dat het goed recht van de ondergetekende was om te procederen. Bij het bezwaar en (hoger) beroepen heeft ondergetekende tevergeefs de inspecteur verzocht om de aanslag 2012 te verhogen en dus niet te verminderen om tot zijn goed recht te kunnen komen. Dit terechte verzoek is afgewezen en (hoger) beroepen hiertegen zijn ongegrond verklaard omdat het Hof van oordeel was dat de inspecteur niet bevoegd is om een aanslag te verhogen. Uw Raad heeft het cassatieberoep hiertegen niet-ontvankelijk verklaard omdat ondergetekende niet instaat, was om griffierecht te kunnen betalen (Arrest Nr 17/04342 van 16 maart 2018). Vermelding in FSV/Project 1034 had naar mijn mening niets te maken met de aangiftes maar te maken met eerdere fraudemelding (jaren 2000 t/m 2008) bij de Toeslagenafdeling/Toeslagenaffaire. Het is echter de tak van de Belastingdienst om met krachtige reden en goed bewijs dit tegen te spreken.
Gelet op bovenstaande en op het aangevoerde gronden in hoger beroepschrift verzoek ik uw Raad om dit cassatieberoep gegrond te verklaren, uitspraak van 22 november 2022 van het Gerechtshof te vernietigen, met veroordeling van de inspecteur van de belastingdienst in de kosten van beroepen.
Hoogachtend,
Uitspraak 26‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Ontvangst uitnodiging voor de zitting van het Hof.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00006
Datum 26 mei 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2022, nr. BK-ARN 21/006931., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2437) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2014 ambtshalve te verminderen. De Inspecteur heeft het verzoek afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof.
2.2
Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2022. Belanghebbende is zonder bericht niet verschenen. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op de wettelijk vereiste wijze is uitgenodigd voor de zitting. Het heeft daartoe overwogen dat belanghebbende bij aangetekende brief van 22 augustus 2022 is uitgenodigd voor de zitting en dat die brief volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [Z] . De brief is vervolgens met bericht inzake afhalen neergelegd op een PostNL-punt. Nadat de brief niet was afgehaald, heeft PostNL de brief retour gezonden aan het Hof. De griffier heeft op 8 september 2022 de uitnodiging nogmaals per gewone post verzonden naar het adres waarop belanghebbende staat ingeschreven ( [a-straat 1] te [Z] ).
3. Beoordeling van de klachten
3.1
Met zijn eerste klacht betoogt belanghebbende dat hij door het Hof niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord omdat hij de brieven van 22 augustus 2022 en 8 september 2022 niet heeft ontvangen. Bij repliek heeft belanghebbende zijn klacht onderbouwd met behulp van een bij het Hof opgevraagde kopie van de door PostNL retour gezonden envelop van de brief van 22 augustus 2022. Op de voor de retourzending door PostNL aangebrachte adressticker staat onder het postadres van het Hof vermeld ‘( [postcode] [2] )’, kennelijk als het oorspronkelijke bezorgadres. In het dossier bevindt zich bovendien een ‘verzendstatus’ van PostNL betreffende de brief van 22 augustus 2022. Daarop staat als belanghebbendes adres vermeld [a-straat 2] , [postcode] , [Z] .
3.2
In het licht hiervan behoefde het oordeel van het Hof dat belanghebbende op de wettelijk voorgeschreven wijze is uitgenodigd nadere motivering. De ‘verzendstatus’ van PostNL en de vermelding ‘ [postcode] [2] ’ laten immers de mogelijkheid open dat de brief van 22 augustus 2022 niet op belanghebbendes adres [a-straat 1] is bezorgd, maar op [a-straat 2] . De klacht slaagt derhalve. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3.3
De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑05‑2023