RvS, 27-05-2004, nr. 200403247/1, nr. 200403249/1
ECLI:NL:RVS:2004:AP1280
- Instantie
Raad van State
- Datum
27-05-2004
- Magistraten
Mrs. R.W.L. Loeb, A.W.M. Bijloos, J.H. van Kreveld
- Zaaknummer
200403247/1
200403249/1
- LJN
AP1280
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2004:AP1280, Uitspraak, Raad van State, 27‑05‑2004
Uitspraak 27‑05‑2004
Mrs. R.W.L. Loeb, A.W.M. Bijloos, J.H. van Kreveld
Partij(en)
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 24 maart 2004 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en lntegratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 11 december 2002 heeft de minister het door appellante gemaakte bezwaar tegen dat besluit, voorzover daarbij is geweigerd om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 maart 2004, verzonden op 25 maart 2004, heeft de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), de tegen deze besluiten door appellante ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van state binnengekomen op 19 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 mei 2004 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1
Hetgeen in de grieven 1 en 2 naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
2.2
In grief 3 betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte een brief van 7 oktober 2003 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten. Daartoe voert zij aan dat de brief een nadere toelichting vormt van eerder ingenomen standpunten en dat deze binnen tien dagen voor de zitting aan de rechtbank is toegezonden, zodat geen sprake is van strijd met de goede procesorde.
2.2.1
Ingevolge artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.
2.2.2
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 1996 in zaak no. H0l.96.0154, JB 1997/7), moet bij de toepassing van voormelde bepaling de laatste dag, waarop nog nadere stukken kunnen worden ingediend, worden bepaald op de elfde dag voor de zitting, opdat — conform de strekking van de bepaling — tussen die dag en de dag van de zitting tien volle dagen beschikbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij (en) voor het bestuderen ervan en het op basis daarvan voorbereiden van de behandeling ter zitting.
2.2.3
De beroepen zijn door de rechtbank op 17 oktober 2003 ter zitting behandeld, zodat appellante de brief van 7 oktober 2003, door de rechtbank op dezelfde dag ontvangen, niet binnen voormelde termijn heeft ingediend.
2.2.4
Indien een nader stuk niet binnen de bij voormeld artikel daarvoor gestelde termijn is ingediend, is het aan de rechtbank om te beslissen of de goede procesorde zich ertegen verzet dat dit stuk bij de beoordeling van de besluiten wordt betrokken.
De rechtbank heeft de brief wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten, omdat niet is gebleken dat en waarom appellante niet eerder met de in die brief vervatte gegevens had kunnen en derhalve behoren te komen, aangezien het individuele ambtsbericht dateert van 22 mei 2002.
In hetgeen appellante heeft aangevoerd, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de rechtbank zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Grief 3 faalt.
2.3
Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb
Voorzitter
w.g. Kallan
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2004
Verzonden: [27 MEI 2004]
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,