RvS, 29-09-2006, nr. 200603770/1
ECLI:NL:RVS:2006:AZ0073
- Instantie
Raad van State
- Datum
29-09-2006
- Magistraten
Mrs. H.G. Lubberdink, T.M.A. Claessens, R. van der Spoel
- Zaaknummer
200603770/1
- LJN
AZ0073
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2006:AZ0073, Uitspraak, Raad van State, 29‑09‑2006
Uitspraak 29‑09‑2006
Mrs. H.G. Lubberdink, T.M.A. Claessens, R. van der Spoel
Partij(en)
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [de vreemdeling sub 1]
2. [de vreemdeling sub 2],
3. de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellanten,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/19450, 06/19454, 06/19455, 06/19457, 06/19459 en 06/19460 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 12 mei 2006 in de gedingen tussen:
appellanten sub 1 en 2 en [echtgenote van vreemdeling sub 1]
en
appellant sub 3.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 20 april 2006 heeft appellant sub 3 (hierna: de minister) aanvragen van [de vreemdeling sub 1] (hierna: de vreemdeling sub 1) en van [echtgenote van vreemdeling sub 1] (hierna: zijn echtgenote) en [de vreemdeling sub 2] (hierna: de vreemdeling sub 2 en allen tezamen hierna: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 12 mei 2006, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling sub 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard, de daartegen door de vreemdeling sub 1 en zijn echtgenote ingestelde beroepen gegrond verklaard, de op de twee laatstgenoemden betrekking hebbende besluiten van 20 april 2006 vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen op hun aanvragen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen sub 1 en 2 en de minister bij brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 19 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 29 mei 2006 hebben de vreemdeling sub 1 en zijn echtgenote een reactie ingediend. Bij brief van 30 mei 2006 heeft de minister een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
In het hoger beroep van de minister
2.1
In grief 1 klaagt de minister dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat de huidige medische situatie van de vreemdeling sub 1, zoals die met name naar voren komt uit het rapport van de psychiater I.Ch. Oostveen (hierna: Oostveen) van 3 april 2006, is aan te merken als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft miskend dat, uit het in het kader van een eerdere aanvraag van de vreemdeling sub 1 om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling opgestelde advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 4 augustus 2004 volgt dat in het land van herkomst adequate medische behandeling mogelijk is, zodat op voorhand vast staat dat bedoeld rapport niet kan afdoen aan het besluit van 27 november 2000 op de eerdere asielaanvraag van de vreemdeling sub 1.
2.1.1
De vreemdeling sub 1 en zijn echtgenote hebben aan hun herhaalde aanvragen ten grondslag gelegd dat de gezondheidssituatie van de vreemdeling sub 1 sinds de afwijzing van hun eerdere aanvragen om toelating als vluchteling zodanig is verslechterd dat hij bij terugkeer in Armenië zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Ter onderbouwing daarvan hebben zij een medisch rapport van 3 april 2006 overgelegd, dat is opgesteld door Oostveen. In dat rapport is vermeld dat te verwachten is dat de vreemdeling sub 1 bij het uitblijven van behandeling binnen betrekkelijk korte tijd een zogenoemd ‘floride paranoïd hallucinatoir’ beeld zal ontwikkelen en in paniek tot suïcide zal komen. Oostveen verwacht dat behandeling in Armenië niet mogelijk zal zijn, gelet op de aard en oorzaak van de klachten en concludeert dat uitzetting voor de vreemdeling sub 1 levensbedreigend is. De minister heeft de aanvragen van de vreemdeling sub 1 en zijn echtgenote afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
2.1.2
Uit het besluit van 27 november 2000, waarbij de eerdere aanvraag van de vreemdeling sub 1 om toelating als vluchteling dan wel verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard is afgewezen, blijkt niet dat de gezondheidssituatie van de vreemdeling sub 1 in de beoordeling is betrokken. Gelet op de inhoud en strekking van het rapport van Oostveen van 3 april 2006, kan, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, dan ook niet op voorhand worden uitgesloten dat de medische situatie van de vreemdeling sub 1 ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere afwijzende besluit thans dermate is veranderd, dat deze afbreuk kan doen aan dat eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Het advies van het BMA van 4 augustus 2004, kan, nu het dateert van vóór het rapport van Oostveen en gelet op de inhoud en strekking van dat rapport, anders dan de minister kennelijk meent, daaraan niet afdoen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat, gelet op het standpunt terzake van de minister in diens hoger beroepschrift, niet langer in geschil is dat de vreemdeling sub 1 lijdt aan een ziekte die zich in een vergevorderd en levensbedreigend stadium bevindt.
2.1.3
Uit het vorenstaande volgt dat de voorzieningenrechter op goede gronden heeft overwogen dat de minister de aanvragen van de vreemdeling sub 1 en zijn echtgenote ten onrechte heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Of de medische situatie van de vreemdeling sub 1 ertoe noopt hem alsnog op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een verblijfsvergunning te verlenen en welke betekenis in dat verband moet worden gehecht aan het rapport van Oostveen, zal door de minister moeten worden beoordeeld. De aanvraag van de echtgenote dient, vanwege het afhankelijke karakter daarvan, in zoverre eveneens inhoudelijk te worden beoordeeld. De grief faalt.
2.2
De in grief 2 bestreden overweging kan niet anders worden verstaan dan als ten overvloede gegeven, zodat deze reeds daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden. De overige door de minister aangevoerde grieven missen zelfstandige betekenis.
2.3
Het hoger beroep van de minister, gericht tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/19450 en 06/19455, is kennelijk ongegrond. De uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.
In het hoger beroep van de vreemdeling sub 1
2.4
Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State kan een belanghebbende hoger beroep instellen bij de Afdeling.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.4.1
De vreemdeling sub 1, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover deze strekt tot ongegrondverklaring van het beroep van de vreemdeling sub 2.
2.4.2
Dat de vreemdeling sub 2 de moeder is van de vreemdeling sub 1 en de verwachting dat hij in paniek tot een suïcide zou komen, indien zij onverhoopt wordt uitgezet, brengt, wat daar ook van zij, niet met zich dat hij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt bij de beslissing tot weigering haar de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel is zodanig met de persoon van de aanvrager verweven, dat enkel de aanvrager als belanghebbende kan worden beschouwd bij een besluit tot afwijzing daarvan.
2.5
Het hoger beroep van de vreemdeling sub 1 is kennelijk niet-ontvankelijk.
In het hoger beroep van de vreemdeling sub 2
2.6
In de grieven 1 en 3 in hun onderlinge samenhang bezien, klaagt de vreemdeling sub 2 dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het rapport van Oostveen ten aanzien van haar geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden oplevert, heeft miskend dat haar gezondheidssituatie sinds de afwijzing van haar eerdere aanvraag om toelating als vluchteling dermate is gewijzigd dat wel sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een rechterlijke toetsing van het op haar betrekking hebbende besluit van 20 april 2006 rechtvaardigen.
2.6.1
De vreemdeling sub 2 heeft aan haar herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat haar gezondheidssituatie sinds voormelde afwijzing zodanig is verslechterd dat zij bij terugkeer in Armenië zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing daarvan heeft zij voornoemd rapport van Oostveen overgelegd. Dat rapport vermeldt ten aanzien van de vreemdeling sub 2 dat haar medische situatie bij het uitblijven van behandeling zal verslechteren en zij bij terugkeer naar Armenië zal stoppen met eten en drinken, waardoor zij zal sterven. Oostveen concludeert dat de vreemdeling sub 2 bij uitzetting in een direct levensbedreigende situatie zal komen te verkeren. De minister heeft ook de aanvraag van de vreemdeling sub 2 afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
2.6.2
Gelet op de inhoud en strekking van voornoemd rapport van Oostveen, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de medische situatie van de vreemdeling sub 2, ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere afwijzende besluit thans dermate is veranderd, dat deze afbreuk kan doen aan dat eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Dat klemt te meer, nu het BMA-advies, waaruit de minister heeft afgeleid dat ook voor de vreemdeling sub 2 behandeling beschikbaar is in het land van herkomst en waarnaar ook de voorzieningenrechter verwijst, is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de medische problematiek rond de vreemdeling sub 1 en niet in het kader van onderzoek naar haar gezondheidstoestand. Of de medische situatie van de vreemdeling sub 2 ertoe noopt haar alsnog een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te verlenen en welke betekenis in dat verband moet worden gehecht aan het rapport van Oostveen, zal door de minister moeten worden beoordeeld. De voorzieningenrechter heeft dat miskend. De grieven slagen derhalve.
2.7
Het hoger beroep van de vreemdeling sub 2, gericht tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/19459, is gegrond. Die uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep van de vreemdeling sub 2 tegen het besluit van 20 april 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking.
2.8
De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
- I.
verklaart het hoger beroep van de vreemdeling sub 1 tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden van 12 mei 2006 in zaak no. AWB 06/19459 niet ontvankelijk;
- II.
verklaart het hoger beroep van de vreemdeling sub 2 gegrond;
- III.
vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden van 12 mei 2006 in zaak no. AWB 06/19459;
- IV.
verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
- V.
vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 20 april 2006, kenmerk 0005.26.2067;
- VI.
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- VII.
veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van bij de vreemdeling sub 1 en zijn echtgenote in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
- VIII.
veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van bij de vreemdeling sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald en tot vergoeding van bij de vreemdeling sub 2 in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter
w.g. Van Loon
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006
284–501.
Verzonden: 29 september 2006
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak