RvS, 20-11-2006, nr. 200603727/1
ECLI:NL:RVS:2006:AZ3438
- Instantie
Raad van State
- Datum
20-11-2006
- Magistraten
Mrs. H.G. Lubberdink, M.G.J. Parkins de Vin, T.M.A. Claessens
- Zaaknummer
200603727/1
- LJN
AZ3438
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2006:AZ3438, Uitspraak, Raad van State, 20‑11‑2006
Uitspraak 20‑11‑2006
Mrs. H.G. Lubberdink, M.G.J. Parkins de Vin, T.M.A. Claessens
Partij(en)
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2], mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/163, 06/140, 06/21968 en 06/22195 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 11 mei 2006 in de gedingen tussen:
appellanten
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 7 maart 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.
Bij onderscheiden besluiten van 9 december 2005 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanvragen afgewezen.
Bij brief van 4 april 2006 heeft de minister het tegen de besluiten tot afwijzing van de aanvragen gemaakte bezwaar aan de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.
Bij uitspraak van 11 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 6 juni 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1
In de eerste grief betogen appellanten dat de voorzieningenrechter het tegen de afwijzing van de aanvragen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen gemaakte bezwaar ten onrechte als beroep heeft aangemerkt en daarop heeft beslist.
2.2
Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 22 juli 2005 in zaak no. 200503814/1 (AB 2005, 379) onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juni 1995 in zaak no. H01.94.0015 (AB 1995, 416) heeft overwogen, vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftenprocedure voort dat, indien het bestuursorgaan na heroverweging van oordeel is dat het desbetreffend besluit niet in stand kan blijven, het niet kan volstaan met gegrondverklaring van het bezwaarschrift, doch voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats dient te stellen.
In het geval een aanvraag uitsluitend buiten behandeling is gesteld omdat niet is voldaan aan de procedurele vereisten voor het indienen hiervan en het daartegen gemaakte bezwaar gegrond is, dient de daarop volgende beslissing op die aanvraag, die niet samenhangt met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen ervan, evenwel te worden aangemerkt als primair besluit.
2.3
Bij onderscheiden besluiten van 7 maart 2005 zijn de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld wegens het niet betalen van de voor de afdoening daarvan verschuldigde leges.
Bij onderscheiden besluiten van 9 december 2005 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard omdat was gebleken dat zij hadden voldaan aan de vereisten voor het indienen van de aanvraag. Voorts heeft de minister de aanvragen bij afzonderlijke besluiten van dezelfde datum afgewezen omdat appellanten niet in het bezit zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen aanleiding bestaat om hen vrij te stellen van het vereiste om daarover te beschikken.
Nu laatstvermelde beslissingen niet samenhangen met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvragen, dienen deze besluiten te worden aangemerkt als primair besluit.
Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter ten onrechte, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2005, de besluiten tot afwijzing van de aanvragen als beslissingen op bezwaar aangemerkt en, met overname van de behandeling van de daartegen bij de minister ingediende bezwaarschriften, de beroepen ongegrond verklaard. De grief slaagt.
2.4
Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen bij de rechtbank tegen de besluiten van de minister van 9 december 2005 tot afwijzing van de aanvragen van appellanten niet ontvankelijk verklaren. Zij verstaat dat de bezwaarschriften ter behandeling aan de minister worden teruggezonden, opdat deze daarop beslist.
2.5
De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
- I.
verklaart het hoger beroep gegrond;
- II.
vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 11 mei 2006 in de zaken nos. AWB 06/21968 en 06/22195;
- III.
verklaart de beroepen in die zaken niet-ontvankelijk;
- IV.
veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
- V.
gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter
w.g. Zwinkels
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2006
Verzonden: 20 november 2006
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak