— Oorspronkelijke taal: Duits.
RvS, 12-12-2007, nr. 200702832/1
ECLI:NL:RVS:2007:BB9978
- Instantie
Raad van State
- Datum
12-12-2007
- Zaaknummer
200702832/1
- Conclusie
C. Stix-Hackl
- LJN
BB9978
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2007:BB9978, Uitspraak, Raad van State, 12‑12‑2007; (Hoger beroep)
Conclusie, Raad van State, 10‑07‑2003
- Vindplaatsen
AB 2008, 25 met annotatie van A. van Hall
Uitspraak 12‑12‑2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellante om ontheffingen voor het innemen van een ligplaats met een recreatieschip en een woonschip aan de westelijke zijde van de rivier de Vecht ter hoogte van de percelen gemeente Muiden, sectie […], nos. […], afgewezen. Het betreft de ligplaatsen met de nummers [A] en [B].
200702832/1.
Datum uitspraak: 12 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3406 van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2007 in het geding tussen:
appellante
en
het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellante om ontheffingen voor het innemen van een ligplaats met een recreatieschip en een woonschip aan de westelijke zijde van de rivier de Vecht ter hoogte van de percelen gemeente Muiden, sectie […], nos. […], afgewezen. Het betreft de ligplaatsen met de nummers [A] en [B].
Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. drs. P.E.M. Bank, advocaat te Den Haag, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Roberts, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van de Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, vastgesteld op 20 december 2001 (hierna: de keur), is het verboden in de wateren ligplaats te nemen met een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de keur kan het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap schriftelijk ontheffing verlenen van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen.
2.2. Het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht heeft op 20 december 2001 de Nota Vaarwater op Orde (hierna: de nota) vastgesteld. Deze bevat onder meer de door het dagelijks bestuur te hanteren beleidsregels ter invulling van de hem op grond van artikel 22 van de keur toekomende beleidsvrijheid om ontheffing te verlenen.
2.3. De rechtbank heeft overwogen, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de aanvraag van appellante in beginsel moet worden beoordeeld op grond van de wet- en regelgeving die van kracht is op het moment dat het besluit op de aanvraag wordt genomen en dat niet valt in te zien waarom daarop in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt. Voorts heeft zij overwogen dat het dagelijks bestuur de aanvraag van appellante om een ontheffing voor ligplaats nr. [A] in redelijkheid heeft kunnen afwijzen, omdat de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende] in rechte onaantastbaar is geworden en daarom de ligplaats feitelijk niet beschikbaar was. Ten aanzien van ligplaats nr. [B] heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur de aanvraag van appellante, voor zover deze ziet op een woonschip, heeft kunnen afwijzen op de grond dat de gemeente Muiden de vereiste toestemming niet had verleend, en voor zover de aanvraag betrekking heeft op een recreatieschip, op de grond dat appellante niet voldeed aan het in de nota gestelde woonvereiste. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur in dit geval van zijn beleid zou moeten afwijken.
2.4. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst aan de regelgeving die van kracht was op het moment dat het besluit op de aanvraag werd genomen. Zij voert daartoe aan dat het beleid dat gold ten tijde van haar aanvraag van 18 juni 2001 gunstiger was dan het beleid dat gold ten tijde van het besluit op de aanvraag, omdat de eis dat de aanvrager woonachtig moet zijn op het perceel dat grenst aan de voorgenomen ligplaats of op een woonschip ter plaatse, op eerstbedoeld tijdstip nog niet gold. Zij verwijst in dit verband naar besluiten van het dagelijks bestuur van 25 maart 1997 en 14 november 2000, alsmede naar een brief van 23 juli 2001.
2.4.1. Ter zitting is door het dagelijks bestuur gesteld dat ten tijde van de aanvraag slechts een ongeschreven vaste gedragslijn werd gehanteerd, waarvan de strekking later neerslag heeft gevonden in de nota. De stukken die appellante over heeft gelegd wijzen er niet op dat deze stelling onjuist is. Het besluit van 25 maart 1997 behelst de bekendmaking van een algemeen verbindend voorschrift. Het besluit van 14 november 2000 betreft de verlening van ontheffing voor het innemen van een ligplaats aan een derde. De brief van 23 juli 2001 betreft een verzoek om aanvulling van de aanvraag van appellante. Geen van deze stukken bevat beleid of geeft anderszins blijk van het bestaan daarvan. Derhalve is niet gebleken dat ten tijde van de aanvraag van appellante een ander beleid gold of een andere vaste gedragslijn werd gevolgd. Gelet hierop heeft de rechtbank in zoverre terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij zijn beslissing op bezwaar geen toepassing heeft mogen geven aan de keur en de in de nota vermelde beleidsregels.
2.5. Voorts voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat tegen de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende] geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Zij stelt daartoe dat het dagelijks bestuur verzuimd heeft voorafgaande aan de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende], de toenmalige eigenaresse van het aangrenzende perceel, zijnde haar moeder, ter zake van de overschrijving te horen. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur verzuimd de verleende ontheffing te publiceren, aldus appellante. Nadat appellante eerst op 8 november 2002 ermee bekend was geworden dat een ontheffing voor ligplaatsnummer [A] reeds was overgeschreven op naam van [belanghebbende], heeft zij bij aangetekend schrijven van 11 november 2002 daartegen bezwaar gemaakt, doch haar brief is door het dagelijks bestuur ten onrechte niet als bezwaarschrift aangemerkt, zo betoogt zij. Daarom kan volgens appellante aan de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende] geen betekenis toekomen.
2.5.1. Dit betoog faalt evenzeer. De omvang van het geding bij de rechtbank als thans aan de orde wordt bepaald door de beslissing op bezwaar tegen de weigering aan appellante een ontheffing voor het innemen van een ligplaats te verlenen. Daargelaten of sprake was van schending van de hoorplicht en een gebrekkige publicatie van de overschrijving van de ontheffing, en of de brief van appellante van 11 november 2002 kon worden aangemerkt als een tijdig ingediend bezwaarschrift gericht tegen die overschrijving, had het op de weg van appellante gelegen om op enig moment, althans niet onredelijk laat, rechtsmiddelen aan te wenden tegen het uitblijven van een beslissing op het beweerde bezwaarschrift. Appellante heeft dat nagelaten. Het beroep bij de rechtbank is mitsdien terecht beperkt gebleven tot de door appellante aangevraagde ligplaatsvergunning, waarbij de rechtbank bij haar beoordeling van het onderhavige beroep mocht uitgaan van de in rechte onaantastbare overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende].
2.6. Appellante voert voorts aan dat de rechtbank bij de bespreking van ligplaats nr. [B] voor een woonschip ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat de gemeente Muiden op oneigenlijke gronden het dagelijks bestuur heeft verzocht de gevraagde ontheffing te weigeren.
2.6.1. Volgens paragraaf 3.4 van de nota, voor zover thans van belang, wordt een aanvraag om een ontheffing voor het innemen van een ligplaats eerst in behandeling genomen als deze vergezeld gaat van een schriftelijke toestemming of een ontheffing van de desbetreffende gemeente. Bij brief van 1 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Muiden (hierna: het college van Muiden) die toestemming niet verleend en het dagelijks bestuur verzocht de gevraagde ontheffing te weigeren. Daarbij heeft het college van Muiden gewezen op de ter plaatse geldende bestemming 'water' in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 1968' en op het verbod, neergelegd in artikel 17 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, om op gronden met deze bestemming met een woonschip of een recreatieschip ligplaats in te nemen. Het heeft voorts te kennen gegeven het bestemmingsplan op dit onderdeel slechts te willen aanpassen ter uitvoering van het restauratieplan Vecht.
Het dagelijks bestuur voert het beleid om een aanvraag als de onderhavige in beginsel af te wijzen indien niet wordt voldaan aan de criteria die zijn neergelegd in de nota. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit rechtens onjuist is. Reeds op de grond dat door het college van Muiden de vereiste toestemming niet was verleend, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur, in het verlengde van paragraaf 3.4 van de nota, de aanvraag van appellante heeft kunnen afwijzen. De rechtbank is daarbij terecht niet ingegaan op het betoog van appellante dat de gemeente Muiden op oneigenlijke gronden het dagelijks bestuur heeft verzocht de gevraagde ontheffing te weigeren. Of daarvan sprake was, stond voor de rechtbank niet ter beoordeling, nu het toepasselijke recht daarvoor geen grondslag biedt.
2.7. Tot slot voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijking van de nota gerechtvaardigd was. Volgens appellante heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom de omstandigheid dat appellante eigenaresse is van de oever en het perceel waaraan ligplaats nr. [B] grenst, niet een zodanig bijzondere omstandigheid is dat het dagelijks bestuur van de nota zou moeten afwijken. Ter zitting heeft appellante daaraan toegevoegd dat de lange duur van de procedure en de steken die het dagelijks bestuur heeft laten vallen, eveneens een bijzondere omstandigheid vormen die de rechtbank bij haar beoordeling had moeten betrekken.
2.7.1. De rechtbank heeft de omstandigheid dat appellante thans eigenaresse is van het perceel en de oever waaraan ligplaats nr. [B] grenst, terecht niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die ertoe noopt af te wijken van de nota, nu een dergelijke omstandigheid geacht moet worden bij de vaststelling van de nota te zijn betrokken. Daaraan doet niet af dat deze omstandigheid niet uitdrukkelijk is vermeld in de toepasselijke delen van de nota.
Uit de stukken blijkt niet dat appellante de duur van de procedure en de handelwijze van het dagelijks bestuur bij de rechtbank heeft aangevoerd als argument voor het bestaan van bijzondere omstandigheden in bedoelde zin. Mitsdien heeft de rechtbank dit argument niet in haar oordeel kunnen betrekken. Het kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand houdt.
2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Können
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007
301-384.
Conclusie 10‑07‑2003
C. Stix-Hackl
Partij(en)
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 10 juli 20031.
Affaire C-320/02
Förvaltnings AB Stenholmen
tegen
Riksskatteverket
[Verzoek van Regeringsrätten (Zweden) om een prejudiciële beslissing]
‘Belasting over de toegevoegde waarde (BTW) — Begrip gebruikt goed — Levend dier — Training van paarden’
I — Inleiding
1
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (hierna: ‘Zesde richtlijn’). Gevraagd wordt of levende dieren in het algemeen en paarden in het bijzonder als gebruikte goederen kunnen worden beschouwd.
II — Rechtskader
Gemeenschapsrecht
2
In casu is artikel 26 bis van de Zesde richtlijn relevant. Deze bepaling, die bij richtlijn 94/5/EEG2. is ingelast, draagt als opschrift ‘Bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten’.
3
Artikel 26 bis, B, voorziet in een bijzondere regeling voor belastingplichtige wederverkopers. Volgens deze regeling wordt bij leveringen van onder meer gebruikte goederen door belastingplichtige wederverkopers belasting geheven over de winstmarge. De te belasten winstmarge is gelijk aan het verschil tussen de wederverkoopprijs en de aankoopprijs. Deze regeling geldt voor gebruikte goederen die de wederverkoper door bijvoorbeeld een niet-belastingplichtige zijn geleverd.
4
Artikel 26 bis, A, geeft een aantal wettelijke definities. De definitie van het begrip ‘gebruikte goederen’ staat in artikel 26 bis, A, sub d. Zij luidt:
‘‘gebruikte goederen’: roerende lichamelijke zaken die in de staat waarin zij verkeren of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt, andere dan kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, en andere dan edele metalen of edelstenen als omschreven door de lidstaten.’
B — Nationaal recht
5
Hoofdstuk 9a van Mervärdesskattelagen (1994:200; hierna: ‘Zweedse wet op de omzetbelasting’) bevat een bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. Volgens hoofdstuk 9a, § 4, wordt onder gebruikte goederen verstaan ‘goederen die zijn gebruikt of die — behoudens enkele in casu niet‑relevante uitzonderingen — in de staat waarin zij verkeren of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt.
6
De voorschriften van hoofdstuk 9a van de Zweedse wet op de omzetbelasting zijn bedoeld ter omzetting van de communautaire voorschriften terzake.
III — Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
7
Förvaltnings AB Stenholmen (hierna: ‘Stenholmen’) is voornemens om jonge paarden van particulieren te kopen, deze te trainen om er rijpaarden van te maken en ze vervolgens door te verkopen. Teneinde de fiscale gevolgen van deze activiteit te kennen, heeft zij Skatterättsnämnden (commissie voor fiscale vraagstukken) de volgende vraag gesteld:
‘Moet een paard — dat als een ongetraind jong paard van een particulier (niet zijnde de fokker) wordt gekocht en na een training tot rijpaard wordt doorverkocht — op het tijdstip van verkoop als een gebruikt goed worden aangemerkt, waardoor het mogelijk wordt de voorschriften inzake winstmargebelasting toe te passen?’
8
In een prealabel advies van 12 november 2001 beantwoordde Skatterättsnämnden deze vraag ontkennend op basis van de volgende motivering.
9
Hoofdstuk 9a van de Zweedse wet op de omzetbelasting bevat bepalingen inzake de zogeheten winstmargebelasting die van toepassing is op de verkoop door een belastingplichtige wederverkoper van gebruikte goederen onder meer. Gebruikte goederen zijn volgens § 4 goederen die zijn gebruikt en die in de staat waarin zij verkeren of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt, met uitzondering van, kort gezegd, onroerende zaken, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten, goederen die geheel of hoofdzakelijk van goud, zilver of platina zijn, alsook niet-gezette natuurlijke of synthetische edelstenen. Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, waarop de bepalingen van hoofdstuk 9a ook van toepassing zijn, worden omschreven in de daaropvolgende §§ 5 tot en met 7. Een belastingplichtige wederverkoper wordt in § 8, lid 1, omschreven als een belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten koopt of invoert teneinde ze door te verkopen.
10
Onder goederen worden volgens hoofdstuk 1, § 6, van de Zweedse wet op de omzetbelasting verstaan materiële voorwerpen, waaronder onroerende zaken en gas, alsook warmte, koude en elektriciteit. Volgens deze definitie zijn levende dieren, aldus Skatterättsnämnden, goederen in de zin van de BTW. In casu gaat het evenwel om de vraag, of paarden die zijn gekocht om na een training te worden doorverkocht, gebruikte goederen zijn waarop de voorschriften inzake winstmargebelasting kunnen worden toegepast. Goederen, zoals bijvoorbeeld de inventaris, die bedoeld zijn om in het kader van een activiteit te worden gebruikt, vallen daar niet onder, aangezien het niet de bedoeling is om ze door te verkopen.
11
Uit de definitie van het begrip ‘gebruikt goed’ blijkt dat het goed, los van het feit dat het is gebruikt, in de staat waarin het verkeert of na herstelling opnieuw moet kunnen worden gebruikt. Of het om een gebruikt goed gaat, dient derhalve volgens de definitie te worden beoordeeld bij de aankoop van het goed door de — toekomstige — wederverkoper. Dat lijkt ook te volgen uit de bepaling waarin het begrip belastingplichtige wederverkoper wordt gedefinieerd. Het goed moet dus worden doorverkocht in dezelfde staat als waarin het is gekocht of, — naar mag worden aangenomen — wanneer het defect is en derhalve niet de normale werking heeft die men ervan mag verwachten, nadat het door reparatie weer bruikbaar is gemaakt.
12
Daaruit lijkt te volgen dat het goed, zolang het in het bezit is van de wederverkoper, vóór wederverkoop niet anders dan door reparatie eigenschappen kan verkrijgen die de waarde ervan beïnvloeden. Dit dient te gelden, ongeacht of de eigenschappen door middel van een biologisch proces of op andere wijze zijn verworven. Levende groeiende organismen, of het nu dieren of planten zijn, ondergaan tijdens hun levenscyclus zodanige veranderingen dat ze in meer of mindere mate voortdurend nieuwe eigenschappen verkrijgen die hun waarde kunnen beïnvloeden.
13
Bovendien dient eraan te worden herinnerd dat er, los van het begrip ‘gebruikte goederen’, geen twijfel over bestaat dat de in hoofdstuk 9a van de Zweedse wet op de omzetbelasting bedoelde goederen onbezielde voorwerpen zijn die, met uitzondering van bepaalde verzamelobjecten, zijn ‘vervaardigd’. In het gewone taalgebruik is het begrip gebruikte goederen doorgaans ook aan dergelijke voorwerpen voorbehouden en heeft het geen betrekking op levende organismen. Ook het woord herstelling duidt erop, dat het gaat om iets dat is vervaardigd en waarvan de functie door een reparatie wordt hersteld.
14
Gelet hierop alsook op het feit dat de dieren in de onderhavige zaak bovendien vaardigheden als rijpaarden verwerven, die zij niet of althans niet in dezelfde mate hadden toen Stenholmen ze kocht, kan volgens Skatterättsnämnden de wederverkoop van paarden niet als verkoop van gebruikte goederen worden aangemerkt. De bepalingen van hoofdstuk 9a van de Zweedse wet op de omzetbelasting zijn derhalve niet van toepassing op de handelingen van Stenholmen.
15
Stenholmen kwam tegen het prealabel advies op bij Regeringsrätten (hoogste rechterlijke instantie in bestuurszaken) en verzocht deze rechter, de vraag bevestigend te beantwoorden. Riksskatteverket (belastingdienst) verzocht om bevestiging van het prealabel advies.
16
Volgens Regeringsrätten zijn dieren en andere levende organismen ongetwijfeld goederen in de zin van de BTW-regeling. Een levend dier als ‘gebruikt’ te kwalificeren, strookt niet met het normale taalgebruik. Het Hof heeft zich blijkbaar nog niet over de vraag moeten buigen, wat onder het begrip ‘gebruikte goederen’ moet worden verstaan.
17
Omdat hij twijfel koesterde omtrent de juiste uitlegging van het begrip, heeft Regeringsrätten het Hof krachtens artikel 234 EG de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Kan een dier als een gebruikt goed worden aangemerkt?
- 2)
Zo ja, is een dier dat wordt gekocht van een particulier (niet zijnde de fokker) en na een training voor een specifiek gebruik wordt doorverkocht, aan te merken als een gebruikt goed?’
IV — De eerste prejudiciële vraag
18
De eerste prejudiciële vraag betreft de uitlegging van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn.
A — Belangrijkste argumenten van partijen
19
Stenholmen gaat eerst in op de voor en door de nationale autoriteiten verdedigde standpunten. Voorts haalt Stenholmen de rechtspraak van het Hof 3.aan waarin dieren als goederen in de zin van de BTW-regeling zijn gekwalificeerd. Uit de definitie van artikel 26 bis, A, sub d, volgt niets anders. Ook gelet op het doel dubbele belasting te voorkomen en het met de winstmargebelasting nagestreefde doel om handelaars in gebruikte goederen op voet van gelijkheid met elkaar te laten concurreren, dienen dieren als gebruikte goederen te worden beschouwd.
20
Volgens Riksskatteverket zijn dieren weliswaar als goederen in de zin van de Zesde richtlijn, maar niet als gebruikte goederen in de zin van artikel 26 bis te beschouwen. Dieren vallen buiten de werkingssfeer van dit artikel, omdat zij niet kunnen worden doorverkocht in de staat waarin zij zijn gekocht en niet kunnen worden hersteld. Nog niet getrainde paarden kunnen evenmin als andere levende organismen en hun vruchten, zoals bessen en paddestoelen, als gebruikte goederen worden beschouwd. Bovendien moet worden vermeden dat helemaal geen belasting wordt geheven.
B — Beoordeling
22
Om te beginnen merk ik op, dat de prejudiciële vraag luidt of dieren als gebruikte goederen in de zin van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn kunnen worden beschouwd, en niet of zij in alle gevallen als zodanig moetenworden beschouwd.
23
Voorts is de civielrechtelijke indeling van dieren als zaken of als een categorie sui generis irrelevant voor het antwoord op deze BTW-vraag. In de eerste plaats moet het begrip gebruikt goed namelijk als een autonoom begrip van gemeenschapsrecht worden uitgelegd en in de tweede plaats verzet het beginsel van uniforme uitlegging, dat juist in het BTW-recht van belang is, zich tegen een civielrechtelijke uitlegging, omdat als gevolg van de verschillende nationale civielrechtelijke regelingen het toepasselijke gemeenschapsrecht per lidstaat anders zou worden uitgelegd en toegepast.
24
Hoe de eerste vraag te beantwoorden, blijkt al uit de hier toepasselijke Zesde richtlijn. Bijlage A, II, punt 1, noemt uitdrukkelijk het ‘fokken en houden van dieren’. Dit doelt uitdrukkelijk op prestaties met betrekking tot dieren.
25
De definitie van het begrip ‘gebruikte goederen’ in artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn omvat slechts ‘roerende lichamelijke zaken’. In deze context dient erop te worden gewezen dat noch deze noch een andere bepaling dieren van de werkingssfeer van de bijzondere regeling van artikel 26 bis uitdrukkelijk uitsluit. Evenmin kan uit de voorwaarden in deze bepaling op voorhand de conclusie worden getrokken, dat dieren geen gebruikte goederen in de zin van de Zesde richtlijn kunnen zijn.
26
Wat de eerste voorwaarde, namelijk ‘zaken’, betreft, heeft het Hof in een arrest verklaard dat in het kader van de BTW-regeling ook paarden als zaken zijn te beschouwen4..
27
De tweede voorwaarde, namelijk ‘roerende’, is ook een reden om het begrip op dieren toe te passen. Dieren — hier levende paarden — kunnen zich namelijk, anders dan vele voorwerpen, in beginsel zelf bewegen.
28
Ook aan de derde voorwaarde ‘lichamelijke’ wordt voldaan door dieren en dus door paarden. Het zijn immers wezens met een lichaam.
29
Rest de vierde voorwaarde, namelijk zaken die ‘in de staat waarin zij verkeren of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt’. Ook dit kan op dieren van toepassing zijn.
30
Daar doet niet aan af dat dieren — en niet alleen paarden — ook kunnen worden getraind en daardoor ook op een andere wijze dan voorheen kunnen worden gebruikt. Paarden kunnen na een basistraining bijvoorbeeld ook als dressuur- of springpaard of veelzijdigheidspaard worden gebruikt.
31
In het bijzonder de paarden waarvan hier sprake, waren reeds vóór de aankoop door Stenholmen bruikbaar ‘in de staat waarin zij verk[e]er[den]’; zij hoefden alleen verder te worden getraind. Niet zelden namelijk verkopen of ruilen eigenaars hun paarden, zelfs nadat deze reeds in competitieverband zijn gebruikt. De koper kan een gewone particulier zijn of een handelaar die het paard — in casu na verdere training — doorverkoopt.
32
Ook al is het heel goed verdedigbaar dat er gevallen zijn waarin een dier niet als gebruikt goed kan worden beschouwd, mag daaruit niet worden geconcludeerd dat dieren in beginsel niet als gebruikte goederen kunnen worden beschouwd. De vraag van de nationale rechter betreft echter juist deze principekwestie.
33
In dit geding hoeft dus niet te worden geantwoord op de vragen van Riksskatteverket of ook nieuwgeboren paarden of geplukte bessen als gebruikte goederen zijn te beschouwen. Deze vragen beantwoorden is alleen reeds om processuele redenen ongeoorloofd, omdat zij in het hoofdgeding niet concreet aan de orde zijn.
34
Ten slotte wijs ik op het doel van het bij richtlijn 94/5 ingevoegde artikel 26 bis, namelijk dubbele belastingheffing te voorkomen. Er zou evenwel sprake van dubbele belastingheffing zijn, indien in bepaalde gevallen niet alleen de winstmarge, maar de volledige waarde werd belast.
35
Verder heeft artikel 26 bis van de Zesde richtlijn ook tot doel, te voorkomen dat handelaren in gebruikte goederen in een nadelige concurrentiepositie worden gebracht. Tot deze groep marktdeelnemers behoren echter niet alleen antiquairs, maar ook paardenhandelaren.
36
Op de eerste prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord, dat een dier in beginsel als gebruikt goed in de zin van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn kan worden beschouwd.
V — De tweede prejudiciële vraag
A — Belangrijkste argumenten van partijen
37
Volgens Stenholmen mag de toepassing van de bijzondere regeling voor gebruikte goederen niet afhangen van de eigenschappen van deze goederen. Volgens de definitie van artikel 26 bis, A, sub d, is beslissend dat het om ‘roerende lichamelijke zaken’ gaat. Derhalve mag geen onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten paarden (naar gelang van het trainingsniveau). Zij mogen namelijk niet als een nieuwe zaak in de zin van het arrest Van Dijk's Boekhuis5. worden beschouwd. Er mag geen verschil worden gemaakt naar gelang van de persoon van wie een zaak wordt gekocht, dat wil zeggen naar gelang van het feit of een paard van de fokker of van iemand anders, bijvoorbeeld een particulier, wordt gekocht.
38
De toepasselijkheid van de winstmargebelasting hangt alleen af van de vraag, of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 26 bis, B, lid 2, van de Zesde richtlijn. Deze zijn evenwel niet het voorwerp van de prejudiciële vraag.
39
Overigens passen ook andere lidstaten de winstmargebelasting toe op de handel in paarden.
40
Volgens Riksskatteverket, dat op de tweede prejudiciële vraag slechts subsidiair ingaat, vormt niet de wederverkoop maar de training van het paard de economische activiteit. Artikel 26 bis van de Zesde richtlijn geldt evenwel alleen ingeval een goed wordt gekocht met het oog op wederverkoop. De trainingsactiviteit houdt echter juist in, dat het paard, dus het goed, wordt veranderd. Het gaat hierbij om de gebruikelijke activiteit van aankoop met het oog op verandering en de daaropvolgende wederverkoop. Indien alleen de winstmarge werd belast, zou dat in bepaalde gevallen kunnen meebrengen dat alleen de in de laatste schakel van de keten toegevoegde meerwaarde wordt belast.
41
De Commissie acht niet het toekomstige gebruik van het paard, maar de economische handelingen vóór de verkoop van het paard aan de belastingplichtige relevant.
42
Voorts, aldus de Commissie, moet de communautaire BTW-regeling dubbele belasting voorkomen. Het BTW-stelsel omvat weliswaar geen nieuwgeboren dieren, die vóór levering aan de wederverkoper nog niet aan BTW waren onderworpen, maar dieren die eerst aan een niet-belastingplichtige zijn geleverd en vervolgens aan een wederverkoper zijn verkocht.
B — Beoordeling
43
In de eerste plaats betreft ook de tweede prejudiciële vraag slechts een bepaald aspect van de bijzondere regeling van de winstmargeregeling van artikel 26 bis van de Zesde richtlijn: de voorwaarde voor toepassing van het begrip ‘gebruikte goederen’. Ook deze vraag betreft dus de uitlegging van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn. Anders echter dan de eerste prejudiciële vraag, betreft zij niet de algemene rechtsproblematiek van de indeling van dieren, maar — uitgaande van het hoofdgeding — de bijzondere kwalificatie van een dier dat is gekocht van een particulier die geen fokker is en — na een training met het oog op een specifiek gebruik — als gebruikt goed wordt doorverkocht.
44
Deze rechtsvraag rijst tegen de achtergrond van het BTW-recht in de volgende economische context.
Zoals gebruikelijk is in deze zaak sprake van een distributieketen. Afgezien van de eindconsument bestaat deze evenwel niet alleen uit ondernemingen. Tot de distributieketen behoort ook een niet-belastingplichtige, namelijk een particulier. Irrelevant is, of deze zijn paard, dat hij aan een belastingplichtige, namelijk de zogenaamde wederverkoper, verkoopt, heeft gekocht van een particulier of van een handelaar, bijvoorbeeld de fokker. De wederverkoper koopt het paard om het te trainen. Blijkens de feiten van het hoofdgeding gaat het eigenlijk om een nieuwe training van een reeds getraind paard.
45
Dat een particulier tot de keten behoort, is weliswaar een bijzonderheid ten opzichte van de ‘normale’ distributieketen, maar komt niet alleen in de paardenhandel voor. Artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn bevat zelf belangrijke voorbeelden van goederen die veelal van particulieren worden gekocht, zoals juwelen of antiquiteiten.
46
Uit mijn betoog over de eerste prejudiciële vraag inzake de tekst van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn volgt, wat de tweede vraag betreft, dat ook dieren die van een particulier die geen fokker is worden gekocht, als gebruikte goederen kunnen worden beschouwd. Dat het goed van een particulier wordt gekocht, is strikt gesproken irrelevant voor de kwalificatie als gebruikt goed. Het is veeleer een andere voorwaarde voor de toepassing van de bijzondere regeling van artikel 26 bis van de Zesde richtlijn.
47
Dat een dier, in casu een paard, na verwerving door een wederverkoper door deze wordt doorverkocht, is een omstandigheid die evenmin relevant is voor de kwalificatie als gebruikt goed. Ook dat betreft een aspect van de bijzondere regeling van artikel 26 bis van de Zesde richtlijn dat buiten het kader van het onderhavige geding valt, namelijk de levering door een belastingplichtige wederverkoper.
48
Beslissend kan daarentegen zijn dat het goed, hier dus het paard, eerst na training met het oog op een specifiek gebruik door de wederverkoper zelf wordt doorverkocht.
49
In deze context dient te worden beklemtoond dat de verwijzende rechter niet vraagt, hoe de trainingsactiviteit BTW-rechtelijk moet worden behandeld. Daarvan kan Riksskatteverket evenwel uitgaan.
50
Uit het dossier blijkt niet duidelijk, in welke toestand de paarden zich bij aankoop bij de particulier bevonden, dat wil zeggen hoe zij konden worden gebruikt. Terwijl aan Skatterättsnämnden veeleer is gevraagd hoe een ongetraind paard te behandelen, gaat Stenholmen er in zijn schriftelijke opmerkingen in deze prejudiciële procedure van uit, dat het om de aankoop van springpaarden gaat die alleen verder moeten worden getraind.
51
In dit laatste geval kan ervan worden uitgegaan, dat het gaat om paarden die — in de bewoordingen van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn — ‘in de staat waarin zij verkeren […] opnieuw kunnen worden gebruikt’. Zij bevinden zich vóór en na hun training in deze staat. Zoals Stenholmen terecht stelt, gaat het evenwel steeds om hetzelfde paard en dezelfde functie. Deze paarden zijn dus te beschouwen als ‘gebruikte goederen’ in de zin van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn.
52
Een andere conclusie is evenwel mogelijk voor paarden die worden getraind met het oog op een ander gebruik dan voorheen. Dat is het geval wanneer het paard voor het eerst moet worden ingereden. Maar zelfs bij paarden die reeds als springpaard zijn gebruikt, kan het door omstandigheden gebeuren dat zij — door de huidige of ook een andere ruiter — niet meer als springpaard kunnen worden gebruikt, vooral niet meer in competities. Ten slotte is er het — zij het zeldzamer — geval dat paarden voorheen als dressuurpaard en vervolgens als springpaard worden gebruikt of omgekeerd. Dikwijls gebeurt dat evenwel zonder dat daaraan een specifieke training voorafgaat.
53
Nog een andere rechtsvraag rijst wanneer een paard een bijkomende kwalificatie verwerft, bijvoorbeeld door een crosscountrytraining, waardoor het tot veelzijdigheidspaard wordt getraind.
54
De handel in getrainde paarden kan dus zeer veel verschillende feitelijke situaties omvatten. Daar het Hof in een prejudiciële procedure evenwel geen uitspraak hoeft te doen over alle feitelijke gevallen die zich kunnen voordoen of over de concrete feiten, kan het in dit kader alleen algemene rechtscriteria formuleren waarmee de nationale rechter bij de toepassing op de concrete feiten rekening moet houden.
55
Voor de onderhavige problematiek verdient het aanbeveling uit te gaan van het onderscheid in ‘gebruikte goederen’ en ‘nieuwe’ goederen. In deze context verwijs ik naar het hier reeds meermaals aangehaalde arrest Van Dijk's Boekhuis. Volgens dit arrest is een goed ‘nieuw’, ‘wanneer […] een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden’6..
56
Deze rechtspraak zou kunnen worden veralgemeend, zodat de functieverandering als criterium wordt geïsoleerd en een algemeen onderscheidingscriterium wordt. Daartegen verzet zich evenwel dat het arrest de uitlegging van het begrip ‘vervaardigd’ betrof. Bovendien kan door training van welke aard ook geen nieuw paard worden vervaardigd.
57
Maar ook indien wordt uitgegaan van de functieverandering, moet worden uitgemaakt of, dan wel wanneer, die verandering bij paarden plaatsvindt. Zo kan de — in het maatschappelijke verkeer gangbare — opvatting worden verdedigd dat dressuur-, spring- en veelzijdigheidspaarden, Andalusiërs of paarden die getraind worden om te rijden in Western-stijl, dezelfde functie hebben, namelijk in de regel die van rijpaard. Een aparte categorie kunnen daarentegen trekpaarden, renpaarden of dravers vormen. Hiertegen pleit echter weer de omstandigheid dat al deze paarden op een nog abstracter niveau dezelfde functie hebben: zij dienen als sportpaard. Daarvan te onderscheiden zijn de — zeldzamer wordende — werkpaarden. Nog een aparte categorie vormen paarden die wegens hun vlees worden verhandeld.
58
Afgezien van deze bijzonderheden met betrekking tot de verschillende gebruiksmogelijkheden van paarden in het algemeen, rijst de vraag, wat voor de beoordeling van de functie beslissend is: de intentie van de verkoper, de intentie van de koper (bijvoorbeeld aanschaf voor deelneming aan springcompetities vanaf een bepaald niveau), de objectieve inzetbaarheid van het betrokken paard of zijn gebruik tot nog toe.
59
Uit deze omstandigheden blijkt dat het criterium van de functieverandering, althans in samenhang met dieren, in de praktijk tot uiterst moeilijke afbakeningsvragen leidt. Gelet op de daaruit voortvloeiende rechtsonzekerheid voor de belanghebbende marktdeelnemers lijkt een dergelijk criterium derhalve niet zeer deugdelijk.
60
De behandeling van het door een ondernemer van een niet-belastingplichtige gekocht paard als een gebruikt goed strookt met het doel dat met de invoeging van artikel 26 bis van de Zesde richtlijn wordt nagestreefd, namelijk voorkoming van dubbele belastingheffing. Dit doel moet door de winstmargebelasting worden gewaarborgd.
61
Indien de paarden namelijk niet als gebruikte goederen in de zin van de betrokken bepaling werden behandeld, zouden zij — wanneer zij opnieuw in de handel worden gebracht — opnieuw volledig worden belast. Daarentegen zou op de paarden die direct door een particulier aan een andere particulier worden verkocht, dat wil zeggen zonder tussenkomst van de paardenhandelaar die de training geeft, te weten de wederverkoper, slechts de belasting drukken die bij de verkoop aan de eerste particulier is geheven. Deze verschillende behandeling zou leiden tot een verstoring van de mededinging tussen directe verkoop en verkoop via een handelaar7.. Het is nu juist het doel van artikel 26 bis van de Zesde richtlijn en ook de bedoeling van de gemeenschapswetgever, zoals blijkt uit richtlijn 94/5 waarbij deze bijzondere bepaling is ingevoerd, om dit te voorkomen. Bij gebreke aan een bijzondere bepaling voor de paardenhandel moet de litigieuze regeling betreffende gebruikte goederen dus ook worden toegepast op gevallen zoals die van het hoofdgeding.
62
Volledigheidshalve wijs ik er ten slotte nog op, dat de toepassing van de winstmargebelasting er niet toe leidt dat de meerwaarde van de training van het paard onbelast blijft. Integendeel, de winstmargebelasting heeft nu juist betrekking op het verschil, dat wil zeggen de marge. Hoe hoger de ontstane meerwaarde, die in de gerealiseerde verkoopprijs tot uiting komt, hoe hoger deze marge. Aldus wordt met de training van paarden op dezelfde wijze rekening gehouden als met de uitdrukkelijk in artikel 26 bis, A, sub d, genoemde herstelling, zoals bijvoorbeeld van antiquiteiten.
63
Op de tweede prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord, dat een dier dat wordt gekocht van een particulier (niet zijnde de fokker) en dat na een training voor een specifiek gebruik wordt doorverkocht, moet worden aangemerkt als een gebruikt goed.
VI — Conclusie
64
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Een dier kan als gebruikt goed in de zin van artikel 26 bis, A, sub d, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, worden beschouwd.
- 2)
Een dier dat wordt gekocht van een particulier (niet zijnde de fokker) en dat na een training voor een specifiek gebruik wordt doorverkocht, moet worden aangemerkt als een gebruikt goed.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑07‑2003
— Richtlijn van de Raad van 14 februari 1994 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG - Bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (PB L 60, blz. 16).
— Arrest van 21 juni 1988, Tattersalls (10/87, Jurispr. blz. 3281).
— Arrest Tattersalls (aangehaald in voetnoot 3).
— Arrest van 14 mei 1985, 139/84, Jurispr. blz. 1405.
— Arrest Van Dijk's Boekhuis, aangehaald in voetnoot 5, punt 22.
— Zie, ten aanzien van deze ongunstige gevolgen ten opzichte van de vroegere rechtssituatie, het arrest van 10 juli 1985, Commissie/Ierland (17/84, Jurispr. blz. 2375, punten 14 en 17).