RvS, 22-02-2008, nr. 200703570/1
ECLI:NL:RVS:2008:BD2686
- Instantie
Raad van State
- Datum
22-02-2008
- Magistraten
Mrs. M.G.J. Parkins-de Vin, T.M.A. Claessens, R. van der Spoel
- Zaaknummer
200703570/1
- LJN
BD2686
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2008:BD2686, Uitspraak, Raad van State, 22‑02‑2008
Uitspraak 22‑02‑2008
Mrs. M.G.J. Parkins-de Vin, T.M.A. Claessens, R. van der Spoel
Partij(en)
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/10295 en 07/10297 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 26 april 2007 in het geding tussen:
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [naam vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 april 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1
In zijn verweerschrift betoogt de vreemdeling dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet is gebleken dat degene die hoger beroep heeft ingesteld daartoe gevolmachtigd is.
In artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, en de daarbij behorende bijlage, van de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2005 (Stcrt. 2005, nr. 136, p. 9) heeft het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, voor zover thans van belang, de senior procesvertegenwoordiger gemachtigd tot het aanwenden van rechtsmiddelen.
Nu de indiener van het hoger beroepschrift senior procesvertegenwoordiger is, faalt het betoog van de vreemdeling.
2.2
Ambtshalve wordt het volgende overwogen.
2.2.1
De vreemdeling heeft reeds eerder, op 16 november 2005, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 10 februari 2006 afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
Op 12 september 2006 heeft de vreemdeling in Nederland opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning als vorenbedoeld ingediend, welke bij besluit van 15 september 2006 is afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 12 oktober 2006 is het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Bij het besluit van 6 maart 2007 is de aanvraag van 12 september 2006 opnieuw afgewezen, wederom op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
2.2.2
Aan zijn aanvraag van 12 september 2006 heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat hij na overdracht aan Griekenland het risico op refoulement loopt. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij na zijn eerdere overdracht aan Griekenland op 6 juli 2006 in dat land een asielverzoek heeft ingediend, maar dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn asielverhaal te doen en geen beslissing heeft ontvangen. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij in Griekenland vreest voor een groep Afghanen, die hem ervan beschuldigt een afvallige te zijn, bekeerd te zijn en andere Afghanen te willen bekeren.
Ter staving van zijn standpunt dat betwijfeld moet worden of Griekenland zijn asielverzoek wel zorgvuldig genoeg zal behandelen en hem bescherming zal bieden in verband met zijn vrees voor vervolging bij een gedwongen terugkeer naar Iran, heeft de vreemdeling verwezen naar het rapport ‘UNHCR Position on Important Aspects of Refugee protection Greece’ van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van november 2004, het rapport ‘Amnesty International's concern at the 56th session of the Executive Committee of the United Nations High Commissioner for Refugees’ van oktober 2005 en het Country Report on Human Rights Practices — 2005 van het US departement of State inzake Griekenland. Voorts heeft hij gewezen op een door de Europese Commissie ingesteld onderzoek.
2.2.3
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak no. 200700590/1; www.raadvanstate.nl) moet, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 19 februari 1998, zaak nr. 145/1996/764/965, RJ&D ECHR 1998-I, tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.
2.2.4
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan de eerdere beslissing en de overwegingen waarop die rust, kan afdoen.
2.2.5
Het besluit van 6 maart 2007 is, evenals dat van 15 september 2006, een met het besluit van 10 februari 2006 materieel vergelijkbare beslissing.
Dat de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak van 12 oktober 2006 heeft geoordeeld dat aan de aanvraag van 12 september 2006 nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in 2.2.2. ten grondslag liggen en die uitspraak gezag van gewijsde heeft, betekent niet dat dit oordeel bij de beoordeling van het besluit van 6 maart 2007 als een rechtens vaststaand gegeven geldt. Nu voormeld beoordelingskader een ambtshalve door de rechter te onderzoeken aspect betreft, is dat ook bij het tegen dat besluit ingestelde beroep weer aan de orde. De voorzieningenrechter, die voormeld aspect in de aangevallen uitspraak buiten beschouwing heeft gelaten, heeft dit niet onderkend.
2.3
Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de door de staatssecretaris tegen die uitspraak voorgedragen grieven geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling beoordelen of de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd en of sprake is van een voor hem relevante wijziging van het recht.
2.4
Volgens het door de Griekse autoriteiten op 20 december 2006 afgegeven claimakkoord is op het op 6 juli 2006 in Griekenland ingediend asielverzoek beslist en is dat verzoek in eerste instantie afgewezen.
De overdracht van de vreemdeling aan Griekenland op of omstreeks 6 juli 2006, noch de indiening en afwijzing van een asielaanvraag aldaar zijn nieuwe feiten in de hier bedoelde zin, omdat zij geenszins uitsluiten dat op de aanvraag van de vreemdeling van 12 september 2006 eenzelfde besluit wordt genomen als op zijn eerdere aanvraag.
De enkele, niet met stukken gestaafde, stelling van de vreemdeling dat hij na zijn overdracht niet in de gelegenheid is gesteld zijn asielmotieven naar voren te brengen, kan evenmin als een feit of omstandigheid in vorenbedoelde zin worden aangemerkt, nu volgens mededeling van de Griekse autoriteiten in voormeld claimakkoord dat asielverzoek op zijn merites is beoordeeld en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan die verklaring geen enkele waarde kan worden gehecht.
De overdracht aan Griekenland noch de indiening, gestelde wijze van behandeling en afwijzing van een asielverzoek aldaar rechtvaardigen derhalve een hernieuwde rechterlijke beoordeling.
2.4.1
De stelling dat een groep Afghanen de vreemdeling ervan heeft beschuldigd een afvallige te zijn, bekeerd te zijn en andere Afghanen te willen bekeren, kan niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt, reeds omdat de vreemdeling die stelling niet met bewijzen heeft gestaafd.
2.4.2
De in 2.2.2. vermelde rapporten van de UNHCR en Amnesty International, waarop de vreemdeling zich heeft beroepen, kunnen niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden of bewijzen daarvan worden aangemerkt, nu gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling deze stukken niet in de fase vóór het nemen van het eerdere besluit van 10 februari 2006 naar voren heeft kunnen brengen.
Ook het Country Report on Human Rights Practices — 2005 van het US Department of State kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu het gestelde in section 2, onder het hoofdstuk ‘Protection of Refugees’, van dat rapport geen concrete gegevens bevat op grond waarvan moet worden geoordeeld dat Griekenland na overdracht zijn verdragsverplichtingen jegens de vreemdeling niet zal nakomen.
2.4.3
Dat de Europese Commissie een onderzoek heeft ingesteld kan evenmin als een nieuw feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt, reeds omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangedragen waaruit blijkt dat dit onderzoek grond biedt voor de stelling dat Griekenland na overdracht van de vreemdeling zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden jegens hem niet zal nakomen.
2.4.4
Gelet op het voorgaande is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in 2.2.4. Evenmin is sprake van een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht. Hieruit volgt dat het besluit van 6 maart 2007, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen niet door de bestuursrechter kan worden getoetst.
2.5
Het inleidende beroep is ongegrond.
2.6
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
- I.
verklaart het hoger beroep gegrond;
- II.
vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's‑Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 26 april 2007 in zaak nr. 07/10295;
- III.
verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter
w.g. Bakker
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008