RvS, 28-02-2008, nr. 200707867/2
ECLI:NL:RVS:2008:BE2918
- Instantie
Raad van State
- Datum
28-02-2008
- Magistraten
Mr. D.A.C. Slump
- Zaaknummer
200707867/2
- LJN
BE2918
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2008:BE2918, Uitspraak, Raad van State, 28‑02‑2008
Uitspraak 28‑02‑2008
Mr. D.A.C. Slump
Partij(en)
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/479 van de rechtbank Arnhem van 26 september 2007 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) het verzoek van [appellant] (hierna: [appellant]) om ontheffing van de Gelderse Wegenverordening afgewezen.
Bij besluit van 13 december 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 september 2007, verzonden op 4 oktober 2007, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2007 en 11 december 2007.
[appellant] heeft nog nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij gezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
2. Overwegingen
2.1
Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de aanvrager in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen.
2.2
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.
Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan de eerdere beslissing kan afdoen.
2.3
Bij besluit van 24 januari 2006 is een eerder verzoek van [appellant] om ontheffing van de Gelderse Wegenverordening afgewezen. Het verzoek was gericht op het verkrijgen van een ontheffing van het verbod op het innemen van een standplaats voor de verkoop van ijs, eetwaren en alcoholvrije dranken. De beoogde standplaats was gesitueerd op een locatie in de directe nabijheid van de parkeerplaats aan de [a-straat] aan de zuidzijde van de [b-straat], afslag [c-straat], plaatselijk bekend als sectienummer [nummer]. Bij besluit van 16 mei 2006 is dit besluit in bezwaar gehandhaafd. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2007 in rechte onaantastbaar geworden.
Ook thans is het verzoek van [appellant] gericht op het verkrijgen van een ontheffing van het verbod op het innemen van een standplaats, voor dezelfde locatie.
Gelet hierop is het besluit van 13 december 2006 materieel vergelijkbaar met het besluit van 16 mei 2006, omdat bij beide besluiten de afwijzing van de gevraagde ontheffing is gehandhaafd en de besluiten betrekking hebben op dezelfde locatie.
2.4
[appellant] heeft aan het verzoek van 13 februari 2006 ten grondslag gelegd dat hem in het verleden ontheffingen zijn verleend, die thans moeten worden gecontinueerd. Voorts heeft hij gewezen op wijzigingen in diverse nationale en internationale regelingen. Tot slot heeft hij gemeld dat de noodzakelijke inschrijvingen al geregeld of binnenkort in orde worden gemaakt.
2.5
De rechtbank heeft terecht overwogen dat hetgeen is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Evenmin is sprake van een voor de aanvrager relevante wijziging van het recht.
Voorts is in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan de noodzaak bestaat om het in overweging 2.1. vermelde beoordelingskader in zoverre buiten toepassing te laten.
Hieruit volgt dat het besluit van 13 december 2006, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, niet door de bestuursrechter kunnen worden getoetst. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.
2.6
Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pikart-van den Berg
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2008
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht).
- —
Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- —
In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- —
Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
350.
Verzonden: 28 februari 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak