Het cassatieverzoekschrift is op 2 maart 2010 ingekomen (per fax) ter griffie van de Hoge Raad.
HR, 03-12-2010, nr. 10/00853
ECLI:NL:HR:2010:BO0187
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-12-2010
- Zaaknummer
10/00853
- Conclusie
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BO0187
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BO0187, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑12‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO0187
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK7616, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2010:BO0187, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑10‑2010
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK7616
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO0187
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑12‑2010
Inhoudsindicatie
Familierecht. Gerechtelijke vaststelling vaderschap; tussen partijen niet in geschil dat de man de verwekker van het kind is en op die grond het vaderschap is vastgesteld. (81 RO)
3 december 2010
Eerste Kamer
10/00853
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek,
t e g e n
mr. Lammert VAN DIJK, in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige [het kind],
kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. L. van Dijk,
als belanghebbende is aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
BELANGHEBBENDE in cassatie,
advocaat: mr. L. van den Eshof.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man, de bijzonder curator en de moeder.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 291679 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2008,
b. de beschikking in de zaak 200.014.310/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 december 2009.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bijzonder curator en de moeder hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 december 2010.
Conclusie 08‑10‑2010
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Partij(en)
Conclusie inzake:
[De man]
tegen
- 1.
mr. L. van Dijk in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over het hierna te noemen kind
- 2.
[De moeder]
Deze zaak, die betrekking heeft op de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man, leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1
Het tijdig1. tegen de beschikking van 2 december 2009 van het gerechtshof te 's‑Gravenhage ingestelde cassatieberoep bevat drie middelen die opkomen tegen de bekrachtiging door het hof van de beschikking van de rechtbank 's‑Gravenhage van 26 mei 2008, waarin de rechtbank het vaderschap van de man als vader van [het kind], hierna: het kind, heeft vastgesteld.
1.2
Het eerste middel klaagt dat het hof verweerder in cassatie onder 1, de bijzonder curator, alsmede de moeder, niet-ontvankelijk had moeten verklaren, de bijzonder curator omdat hij niet is opgekomen voor de belangen van het kind en de moeder omdat zij in eerste aanleg door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de man.
1.3
Het middel strandt reeds op de omstandigheid dat de man deze ontvankelijkheidsverweren in hoger beroep niet heeft gevoerd en dergelijke weren niet eerst in cassatie kunnen worden opgeworpen. Daarenboven faalt het middel ten aanzien van de bijzonder curator bij gebrek aan feitelijke grondslag nu de bijzonder curator wel degelijk heeft gesteld dat hij het in het belang van het kind acht dat haar afstamming juridisch vast komt te staan2. en ten aanzien van de moeder omdat zij door de man in zijn beroepschrift als belanghebbende is aangemerkt, in welke hoedanigheid van belanghebbende zij in de appelprocedure in de gelegenheid was verweer te voeren.
1.4
Het tweede middel klaagt dat het hof niet in zijn overwegingen heeft betrokken dat de DNA-test is aangewend voor een ander doel (te weten de vaderschapsprocedure) dan waarvoor deze was bedoeld (te weten de alimentatieprocedure), waarmee het bewijs ‘derhalve op ontoelaatbare wijze [is] verkregen, zodat het bewijs niet mag worden gebruikt’.
1.5
Voor zover dit middel aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv. voldoet, faalt het zowel bij gebrek aan feitelijke grondslag als bij gebrek aan belang. Het hof heeft niet alleen in rechtsoverweging 9 met zoveel woorden overwogen dat de DNA-test in 2006 in het kader van een andere procedure is gedaan, maar ook kan het middel niet tot cassatie leiden nu tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van het kind is en op die grond het vaderschap is vastgesteld.
1.6
Het derde middel klaagt dat het hof geen rekening heeft gehouden met de belangen van de man bij de toewijzing van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap waarmee het oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel niet voldoende gemotiveerd is.
1.7
Ook het derde middel, dat een rechtsoordeel met een motiveringsklacht bestrijdt, faalt mede op de grond dat het oordeel van het hof dat voor de vaststelling van het vaderschap van een man niet meer vereist is dan dat deze de verwekker van het kind is en dat daarbij met name geen plaats is voor een afweging van belangen, juist is (zie HR 25 maart 2005, LJN AT0412 (NJ 2005, 313)).
1.8
Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met gebruikmaking van art. 81 RO.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑10‑2010
Zie het verweerschrift in hoger beroep van 3 november 2008 onder 8 en het slot van rov. 6 van de thans bestreden beschikking.