De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.1:5.1 Erflaters wil als wet
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.1
5.1 Erflaters wil als wet
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232327:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Duynstee 1978, p. 51; Van de Velde 1937.
Zie HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1900, JOR 2018/296, m.nt. D.F. Berkhout.
Quist 2008.
Zie voor de, destijds vooral fiscaal ingestoken, familiestichting het rapport van de werkgroep Moltmaker, ‘De warme, de koude en de dode hand’ (zie 1.5.2), waarover F. Sonneveldt, ‘Rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving van 13 maart 2000’, NTFR 2000/442.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk is gebleken dat statutenwijziging bij een stichting slechts onder bijzondere voorwaarden mogelijk is. Als statutenwijziging niet toestaan is, is de rechter onder omstandigheden desondanks bevoegd de statuten te wijzigen. Rechters gaan niet lichtvaardig om met deze aan hen gegeven bevoegdheden tot wijziging van de statuten in het algemeen en die van het doel in het bijzonder, zo bleek in 4.4.1.1.2. Vooral niet als het een bij dode opgerichte stichting betreft. Dit is ook niet zo vreemd, omdat elke stichting wordt geboren uit de wil van de oprichter (zie 1.1.1.1). Het is de oprichter die bepaalt dat een stichting wordt opgericht en het is de oprichter die bepaalt wat het doel van de stichting zal zijn.1 Als het een bij dode opgerichte stichting betreft, geeft de erflater de stichting op deze wijze een bestaansdoel, een ‘levensopdracht’ mee die tot uitdrukking komt in de statuten, vooral in het doel. Erflaters wil als wet, zo zou de korte samenvatting kunnen zijn.
In deze ‘levensopdracht’ schuilt een belangrijk verschil tussen een natuurlijk persoon en een stichting. Anders dan een stichting, krijgt een natuurlijk persoon bij zijn geboorte geen juridisch bindende levensopdracht mee.2 Hoewel de stichting net als de natuurlijk persoon van zichzelf is,3 heeft de stichting toch een hoger doel in het ‘leven’: het bereiken van het doel in rechtspersonenrechtelijke zin. Een natuurlijk persoon hoeft niets na te streven.
In dit hoofdstuk zal ik betogen dat het door de oprichter aan een klassieke stichting, de stichting als doelvermogen (zie 1.2), meegegeven doel onder omstandigheden moet worden beschouwd als een last. Omdat die last voortvloeit uit het doel van de stichting hoeft deze dus niet expliciet te worden opgelegd. Het uitvoering geven aan deze last levert geen strijd op met het wellicht meest besproken onderwerp uit de wettelijke regeling van de stichting, het zogenoemde ‘uitkeringsverbod’.
Het belang van het antwoord op de vraag of sprake is van strijd met het uitkeringsverbod kan groot zijn. Stel een erflater wil een familiestichting oprichten die tot doel heeft de familieleden van de erflater/oprichter ondersteuning in het levensonderhoud te verschaffen.4 Als dat strijd oplevert met het uitkeringsverbod, kan een dergelijke stichting niet bestaan.
Om de problematiek goed te doorgronden wordt hierna in 5.2 eerst onderzocht wat het uitkeringsverbod inhoudt. Vervolgens wordt in 5.3 de achtergrond van het uitkeringsverbod onderzocht en in 5.4 hoe het uitkeringsverbod in de wetgeving ten aanzien van stichtingen terecht is gekomen. Pas als dat duidelijk is, kan worden geoordeeld over de vraag of het doen van bepaalde uitkeringen de nakoming is van een last of juist de overtreding van het uitkeringsverbod. Dat doe ik in 5.5, waar het betoog samen komt en blijkt dat het doel van een stichting vaak kan worden beschouwd als een last.