AB 2007, 386
CBb, 13-11-2007, nr. AWB 04/517, nr. AWB 04/518, nr. AWB 04/519, nr. AWB 04/520, nr. AWB 04/521, nr. AWB 04/522, nr. AWB 04/523
CBb 13-11-2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB8366, m.nt. I. Sewandono
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
13 november 2007
- Magistraten
Mrs. W.E. Doolaard, E.J.M. Heijs, M.J. Kuiper
- Zaaknummer
AWB 04/517
AWB 04/518
AWB 04/519
AWB 04/520
AWB 04/521
AWB 04/522
AWB 04/523
- Noot
I. Sewandono
- LJN
BB8366
- JCDI
JCDI:ADS859794:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Milieurecht (V)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:CBB:2007:BB8366, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13‑11‑2007
- Wetingang
Essentie
Faillissement.
Samenvatting
Het College neemt aan dat met de verwijzing in artikel 8:22 Awb naar bepalingen uit de Fw wordt beoogd een regeling te treffen, die inhoudt dat de gevolgen van een faillissement voor de positie van een partij in een bestuursrechtelijke procedure in beginsel zoveel mogelijk gelijk zijn aan de gevolgen, die het faillissement in een civielrechtelijke procedure zou hebben. In die benadering past het om bij de uitleg van genoemde artikelen – waar mogelijk – aan te sluiten bij de in de civielrechtelijke zaken gevormde jurisprudentie. De hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.