Appellante heeft bij brief van 27 februari 2006, ontvangen op 28 februari 2006, bij de rechtbank Groningen (hierna: rechtbank) beroep ingesteld tegen een schrijven van verweerder van 16 januari 2006.
Bij brief van 29 maart 2006 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.
Bij brief van 29 mei 2006 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 20 juni 2006 heeft appellante op het verweerschrift gereageerd en bij brief van 25 juni 2006 heeft verweerder hierop een reactie gegeven.
Bij brief van 5 april 2007 heeft appellante nadere stukken ingediend.
Op 19 april 2007 is het geschil ter zitting van de rechtbank behandeld.
Bij uitspraak van 6 augustus 2007, nr. AWB 06/343, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep van appellante kennis te nemen.
Bij brief van 14 augustus 2007 heeft de rechtbank, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het beroepschrift en alle overige ingezonden gedingstukken aan het College doorgezonden. Bij deze brief was voorts een afschrift gevoegd van de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 20 september 2007 heeft verweerder het College in kennis gesteld van het door hem tegen bedoelde uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak), aldaar geregistreerd onder procedurenummer 200706641.
Bij brief van 3 oktober 2007 heeft het College verweerder verzocht aan te geven waarom hij van mening is dat het College niet bevoegd is op het beroep te beslissen.
Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd bij brief van 29 oktober 2007 door toezending van een afschrift van de gronden van het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Bij brief van 28 november 2007 heeft appellante haar reactie gegeven, mede in de vorm van toezending van een afschrift van haar verweerschrift in het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Op 14 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten nader hebben toegelicht. De gemachtigde van appellante was vergezeld van A, echtgenote van B, directeur van appellante, door hem gemachtigd appellante in rechte te vertegenwoordigen. Gemachtigde van verweerder was vergezeld van zijn collega's drs. A.C.P. de Koning, drs. I.G. Merison, F.E. Smit en J. Vlutters.