Procestaal: Frans.
HvJ EU, 11-12-2025, nr. C-485/24
ECLI:EU:C:2025:955
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-12-2025
- Magistraten
F. Biltgen, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni, M. Bošnjak
- Zaaknummer
C-485/24
- Conclusie
R. norkus
- Roepnaam
Locatrans
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:955, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑12‑2025
ECLI:EU:C:2025:528, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑07‑2025
Uitspraak 11‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst — Artikel 6 — Arbeidsovereenkomst — Keuze van partijen — Dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing is — Vaststelling van dit recht — Plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht — Verandering van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht tijdens de arbeidsverhouding — Nauwere banden van de arbeidsovereenkomst met een ander land — Beoordelingscriteria — Inaanmerkingneming van de laatste plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht
F. Biltgen, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni, M. Bošnjak
Partij(en)
In zaak C-485/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissing van 10 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2024, in de procedure
Locatrans Sàrl
tegen
ES,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin (rapporteur), S. Gervasoni en M. Bošnjak, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Locatrans Sàrl, vertegenwoordigd door O. Coudray, M. Grévy en G. Thouvenin, avocats,
- —
ES, vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, T. Lyon-Caen en F. Thiriez, avocats,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en M. Guiresse als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Pagáčová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 6 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1; hierna: ‘Verdrag van Rome’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Locatrans Sàrl en ES over verschillende schadevorderingen die ES heeft ingesteld tegen Locatrans, zijn voormalige werkgever, na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Verdrag van Rome
3
Artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Rome bepaalt:
‘Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.’
4
Artikel 6 van het Verdrag van Rome heeft het opschrift ‘Individuele arbeidsovereenkomsten’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Ongeacht artikel 3 kan de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn.
- 2.
Ongeacht artikel 4 wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, beheerst door:
- a)
het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land tewerk is gesteld, of
- b)
het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht,
tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is.’
5
Artikel 2 van het Eerste Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, voor ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1989, L 48, blz. 1) bepaalt:
‘Elke hiernagenoemde rechterlijke instantie kan het Hof van Justitie verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag die in een bij deze instantie aanhangige zaak aan de orde is gekomen en die betrekking heeft op de uitlegging van de in artikel 1 genoemde teksten, indien deze rechterlijke instantie een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis:
[…]
- b)
de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten wanneer zij in beroep uitspraak doen.’
Rome I-verordening
6
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008 L 177, blz. 6; hierna: ‘Rome I-verordening’) heeft het Verdrag van Rome vervangen. Deze verordening is van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn gesloten.
7
Artikel 8 van de Rome I-verordening heeft als opschrift ‘Individuele arbeidsovereenkomsten’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.
- 2.
Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.
- 3.
Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.
- 4.
Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.’
Executieverdrag
8
Het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: ‘Executieverdrag’), bepaalt in artikel 5:
‘De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
- 1.
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen;
[…]’
Brussel I-verordening
9
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), heeft het Executieverdrag vervangen.
10
Artikel 19 van deze verordening luidt:
‘De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1.
voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, of
- 2.
in een andere lidstaat:
- a)
voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt, of
- b)
wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.’
Brussel I bis-verordening
11
De Brussel I-verordening is ingetrokken en vervangen bij verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: ‘Brussel I bis-verordening’). Artikel 19 van de Brussel I-verordening is thans artikel 21 van de Brussel I bis-verordening.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
Bij arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2002 heeft Locatrans, een in Bettembourg (Luxemburg) gevestigde vervoersonderneming, ES als chauffeur in dienst genomen met een arbeidstijd van 166 uur per maand. In deze arbeidsovereenkomst was bepaald dat het Luxemburgse recht van toepassing was en dat de transportwerkzaamheden van ES hoofdzakelijk plaatsvonden in Duitsland, de Benelux, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk.
13
Bij brief van 14 januari 2014 heeft Locatrans ES in kennis gesteld van haar besluit om diens arbeidstijd met ingang van 16 juli 2014 te verminderen tot 35 uur per week, wat neerkomt op een totaal van 151,55 uur per maand. ES heeft zich tegen deze wijziging verzet.
14
Bij brief van 31 maart 2014 heeft Locatrans ES erover geïnformeerd dat zij na onderzoek van de werkzaamheden in loondienst van ES over de laatste achttien maanden had vastgesteld dat hij een aanzienlijk deel van die werkzaamheden, namelijk meer dan 50 %, in Frankrijk verrichtte en dat zij bijgevolg verplicht was hem bij het Franse socialezekerheidsstelsel aan te sluiten.
15
Bij brief van 17 april 2014 heeft Locatrans tegenover ES het aanbod bevestigd om hem bij een Franse onderneming in dienst te laten treden en hem meegedeeld dat hij vanaf 16 juli 2014 niet langer deel zou uitmaken van het personeelsbestand van Locatrans omdat hij weigerde in te stemmen met de vermindering van zijn arbeidstijd.
16
Op 8 januari 2015 heeft ES bij de conseil de prud'hommes de Dijon (arbeidsrechter Dijon, Frankrijk) beroep ingesteld teneinde de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst te betwisten en verschillende schadevergoedingen te verkrijgen.
17
Bij vonnis van 4 april 2017 heeft deze rechterlijke instantie de vorderingen van ES afgewezen op grond dat het Luxemburgse recht van toepassing was op de uitvoering en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, dat het ontslag van ES duidelijk en ondubbelzinnig was en dat er geen reden was om dit ontslag te herkwalificeren als onrechtmatige beëindiging.
18
ES heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d'appel de Dijon (rechter in tweede aanleg Dijon, Frankrijk), die dat vonnis bij arrest van 2 mei 2019 heeft vernietigd.
19
De cour d'appel de Dijon heeft opgemerkt dat de partijen bij de betrokken arbeidsovereenkomst ervoor hadden gekozen om het Luxemburgse recht op de arbeidsverhouding toe te passen, maar dat Locatrans in de in punt 14 van het onderhavige arrest genoemde brief van 31 maart 2014 had erkend dat ES het grootste deel van zijn arbeid in Frankrijk had verricht, hetgeen ES heeft bevestigd. Gelet op artikel 6 van het Verdrag van Rome heeft deze rechterlijke instantie vastgesteld dat de keuze van partijen voor het Luxemburgse recht er niet toe kon leiden dat ES de bescherming werd ontnomen die hij genoot door de dwingende bepalingen van Frans recht en in het bijzonder die betreffende de wijziging en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
20
Bijgevolg heeft de cour d'appel de Dijon de betrokken beëindiging van de arbeidsovereenkomst geherkwalificeerd als ontslag, vastgesteld dat dit ontslag niet berustte op een gewichtige reden en Locatrans ertoe veroordeeld verschillende schadevergoedingen aan ES te betalen.
21
Locatrans heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk).
22
Deze rechter brengt in herinnering dat volgens artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe kan leiden dat de werknemer de waarborgen verliest waarin is voorzien door de dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing zou zijn. Hij merkt voorts op dat in artikel 6, lid 2, van dit verdrag de criteria voor aanknoping van de arbeidsovereenkomst ter bepaling van de lex contractus bij gebreke van een rechtskeuze door partijen worden genoemd, waarbij het criterium van artikel 6, lid 2, onder a), het criterium is van het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’.
23
De verwijzende rechter zet tevens uiteen dat het Hof in zijn arrest van 15 maart 2011, Koelzsch (C-29/10, EU:C:2011:151, punt 50) voor recht heeft verklaard dat deze laatste bepaling aldus moet worden uitgelegd dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling, het land is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle factoren die deze werkzaamheden kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.
24
In datzelfde arrest heeft het Hof ook verwezen naar zijn rechtspraak over de uitlegging van de criteria van artikel 5, lid 1, van het Executieverdrag, waaruit volgens de verwijzende rechter blijkt dat het Hof een eenduidige uitlegging wenst te geven aan de aanknopingscriteria op het gebied van jurisdictiegeschillen en wetsconflicten.
25
Over dit artikel 5, punt 1, heeft het Hof in het arrest van 27 februari 2002, Weber (C-37/00, EU:C:2002:122), geoordeeld dat er bij een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, in beginsel rekening moet worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van deze bepaling. Niettemin moet het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking worden genomen ingeval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden duurzaam op een andere plaats verricht, wanneer die plaats, volgens de duidelijke wil van partijen, de nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1.
26
In het licht van deze rechtspraak vraagt de verwijzende rechter zich af of in het onderhavige geval ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing zou zijn, de volledige duur van de arbeidsverhouding in aanmerking moet worden genomen om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, dan wel uitsluitend het meest recente tijdvak.
27
Deze rechter is van mening dat zelfs al is het criterium van de laatste plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verrichtte relevant om te bepalen tot welke rechter de werknemer zich kan wenden, aangezien hij dankzij dat criterium met minder moeite een gerechtelijke procedure kan aanspannen, het onzeker blijft of een dergelijke benadering ook moet worden gevolgd ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen bij de arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn, aangezien een dergelijke benadering er met name toe kan leiden dat eenzelfde arbeidsovereenkomst achtereenvolgens aan verschillende dwingende wetten wordt onderworpen naargelang van de wijzigingen in de plaats waar de werknemer zijn arbeid verricht.
28
Tegen deze achtergrond heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten de artikelen 3 en 6 van het [Verdrag van Rome] aldus worden uitgelegd dat, in het geval waarin de werknemer dezelfde werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgever in meer dan één verdragsluitende staat verricht, ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van partijen van toepassing zou zijn, de volledige duur van de arbeidsverhouding in aanmerking moet worden genomen om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte, dan wel dat het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen wanneer de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam op een andere plaats verricht die volgens de duidelijke wil van partijen de nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
29
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat ES, zonder uitdrukkelijk de niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag op te werpen, de feitelijke premisse betwist waarop deze vraag berust door aan te voeren dat hij in werkelijkheid tijdens zijn arbeidsverhouding niet van werkplek is veranderd. Hem zou juist zijn opgedragen zijn transportwerkzaamheden op verschillende plaatsen uit te oefenen, maar met een belangrijke band met Frankrijk, welke feitelijke situatie Locatrans uiteindelijk pas bij de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst heeft bevestigd. De gestelde vraag is dus niet relevant.
30
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 267 VWEU volgens vaste rechtspraak een procedure van rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten tot stand brengt. In het kader van die procedure, die is gebaseerd op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof, behoort elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter, die, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis dient te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is zich op basis van de door de nationale rechter omschreven feiten over de uitlegging of geldigheid van een Uniebepaling uit te spreken [zie in die zin arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, EU:C:1978:69, punt 4, en 4 oktober 2024, Schrems (Mededeling van gegevens aan het grote publiek), C-446/21, EU:C:2024:834, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
31
Bij de beantwoording van de gestelde vraag moet dus rekening worden gehouden met de daaraan ten grondslag liggende feiten zoals uiteengezet door de verwijzende rechter.
32
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van Rome aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn.
33
Voor de beantwoording van deze vraag zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens de algemene regel van artikel 3 van het Verdrag van Rome de overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.
34
In artikel 6 van het Verdrag van Rome zijn bijzondere collisieregels voor individuele arbeidsovereenkomsten opgenomen waarmee van deze algemene regel wordt afgeweken door in lid 1 van dit artikel beperkingen aan te brengen bij de mogelijkheden van partijen om het toepasselijke recht te kiezen en door in lid 2 ervan de criteria vast te stellen om te bepalen wat dit toepasselijke recht is bij gebreke van een dergelijke rechtskeuze.
35
Aldus kan volgens artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst die zij maken ingevolge artikel 3 van dit verdrag, er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn.
36
Dit laatste lid noemt de criteria voor aanknoping van de arbeidsovereenkomst ter bepaling van de lex contractus bij gebreke van een rechtskeuze door partijen. Uit de verwijzing in artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome naar lid 2 van dit artikel volgt evenwel dat de in dit laatste lid genoemde criteria ook relevant zijn wanneer de partijen het op de overeenkomst toepasselijke recht hebben gekozen. Ook in dat geval kan immers aan de hand van deze criteria worden bepaald welk recht van toepassing is teneinde de werknemers overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome de bescherming te waarborgen van de dwingende bepalingen van het recht dat volgens deze criteria van toepassing zou zijn. De aanwending van deze criteria kan dus tot gevolg hebben dat er een ander recht wordt toegepast dan het door de partijen bij de overeenkomst gekozen recht.
37
Deze criteria zijn het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’, als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, en, bij gebreke daarvan, het land van ‘de vestiging […] die de werknemer in dienst heeft genomen’, als opgenomen in artikel 6, lid 2, onder b), van dit verdrag.
38
Bovendien wordt in de bewoordingen van het laatste zinsdeel van lid 2 bepaald dat deze twee aanknopingscriteria niet van toepassing zijn wanneer ‘uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is’.
39
Wanneer de rechter artikel 6 van het Verdrag van Rome moet toepassen, moet hij derhalve allereerst op basis van de specifieke aanknopingscriteria in lid 2, onder a) en b), van dit artikel, die beantwoorden aan het algemene vereiste van voorzienbaarheid van het recht en dus van rechtszekerheid in de contractuele verhoudingen, bepalen welk recht toepasselijk is (arrest van 12 september 2013, Schlecker, C-64/12, EU:C:2013:551, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Wat in dit verband artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het in deze bepaling bedoelde criterium van het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’ ruim moet worden uitgelegd, terwijl het in lid 2, onder b), van dat artikel bedoelde criterium van ‘de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen’ toepassing zou moeten vinden wanneer de aangezochte rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk wordt verricht (arresten van 15 maart 2011, Koelzsch, C-29/10, EU:C:2011:151, punt 43, en 15 december 2011, Voogsgeerd, C-384/10, EU:C:2011:842, punt 35).
41
In het geval van een werknemer die zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, dient het in dit artikel 6, lid 2, onder a), genoemde criterium dus ook te worden toegepast wanneer het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft (arresten van 15 maart 2011, Koelzsch, C-29/10, EU:C:2011:151, punt 44, en 15 december 2011, Voogsgeerd, C-384/10, EU:C:2011:842, punt 36).
42
In een dergelijk geval moet het criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, aldus worden opgevat dat het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de werkzaamheden naar de plaats waar hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht (arresten van 15 maart 2011, Koelzsch, C-29/10, EU:C:2011:151, punt 45, en 15 december 2011, Voogsgeerd, C-384/10, EU:C:2011:842, punt 37).
43
Opgemerkt zij echter dat het in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 15 maart 2011, Koelzsch (C-29/10, EU:C:2011:151), en 15 december 2011, Voogsgeerd (C-384/10, EU:C:2011:842), beide keren ging om een werknemer die zijn werkzaamheden gedurende de gehele arbeidsverhouding in meer dan één verdragsluitende staat uitvoerde en voor wie het aanknopingscriterium tot een enkele plaats leidde waar de arbeid gewoonlijk werd verricht. Gelet op de feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn beschreven, heeft het hoofdgeding daarentegen betrekking op de situatie van een werknemer die eveneens in meerdere staten werkzaam was, maar voor wie de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht, gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde, naar het grondgebied van een andere verdragsluitende staat is verplaatst.
44
Met betrekking tot een situatie als die in het vorige punt genoemd, moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome geen enkele precisering geven over de periode van de arbeidsverhouding die in aanmerking moet worden genomen om te bepalen in welk land de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling. Bij gebreke van een dergelijke precisering moet voor deze vaststelling dus rekening worden gehouden met de arbeidsverhouding in haar geheel.
45
Wanneer er zich tijdens de arbeidsverhouding in haar geheel een verandering heeft voorgedaan in de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, kan er geen land in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome worden aangewezen.
46
In deze context wenst de verwijzende rechter te vernemen of het criterium van het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, op dezelfde manier kan worden uitgelegd als de ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 27 februari 2002, Weber (C-37/00, EU:C:2002:122).
47
De verwijzende rechter zet uiteen dat het Hof in dit laatste verband voor recht heeft verklaard dat er, met betrekking tot een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, in beginsel rekening moet worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1 (arrest van 27 februari 2002, Weber, C-37/00, EU:C:2002:122, punt 58). Evenwel moet het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking worden genomen ingeval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam op een andere plaats verricht, wanneer die plaats, volgens de duidelijke wil van partijen, een nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1 (arrest van 27 februari 2002, Weber, C-37/00, EU:C:2002:122, punt 54).
48
In dit verband is het juist dat het Hof in punt 33 van zijn arrest van 15 maart 2011, Koelzsch (C-29/10, EU:C:2011:151), heeft verwezen naar de uitlegging van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag voor de uitlegging van artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome.
49
Hoewel het zeker wenselijk is dat de materiële werkingssfeer en de bepalingen van het Verdrag van Rome ten opzichte van het Executieverdrag coherent zijn, hoeven deze bepalingen niet te worden uitgelegd in het licht van die van het Executieverdrag (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Petruchová, C-208/18, EU:C:2019:825, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
De doelstellingen van het Verdrag van Rome en het Executieverdrag zijn namelijk verschillend. Terwijl de bepalingen van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan, van toepassing zijn op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, teneinde te bepalen welk materieel recht van toepassing is, stelt het Executieverdrag regels vast aan de hand waarvan kan worden bepaald welke rechterlijke instantie bevoegd is om uitspraak te doen in een geschil in burgerlijke en handelszaken.
51
Hoewel beide verdragen normen op het gebied van individuele arbeidsovereenkomsten bevatten die de werknemer als zwakkere partij in de contractuele verhouding bescherming bieden, is het dus niet altijd mogelijk om de uitlegging van de bepalingen van het ene verdrag toe te passen op die van het andere verdrag.
52
Het is met name niet haalbaar om het criterium van het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome uit te leggen naar analogie van de uitlegging die het Hof in zijn arrest van 27 februari 2002, Weber (C-37/00, EU:C:2002:122), heeft gegeven aan het criterium van de ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag.
53
Er zij namelijk op gewezen dat dit artikel 5, punt 1, aanvankelijk artikel 19 van de Brussel I-verordening is geworden en vervolgens artikel 21 van de Brussel I bis-verordening, waarbij in deze laatste bepalingen uitdrukkelijk wordt verwezen naar zowel de ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt’ als de ‘laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt’. Artikel 6 van het Verdrag van Rome is daarentegen artikel 8 van de Rome I-verordening geworden, dat geen dergelijk onderscheid maakt, aangezien de Uniewetgever ervan heeft afgezien deze bepaling aan artikel 19 van de Brussel I-verordening aan te passen.
54
Aangezien niet kan worden bepaald in welk land de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, moet dus worden uitgegaan van het criterium van ‘de vestiging […] die de werknemer in dienst heeft genomen’, als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b), van het Verdrag van Rome, die zich in casu in Bettembourg bevindt.
55
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van het Verdrag van Rome moet de nationale rechter, wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land, echter de aanknopingscriteria van artikel 6, lid 2, onder a) en onder b), van het Verdrag van Rome buiten toepassing laten en het recht van dat andere land toepassen (zie arrest van 12 september 2013, Schlecker, C-64/12, EU:C:2013:551, punt 36). Hetzelfde geldt wanneer de partijen, zoals in casu, in de overeenkomst een bepaald recht hebben gekozen, indien dit de werknemer de bescherming ontneemt van de dwingende bepalingen van dat andere recht.
56
Daartoe dient de nationale rechter rekening te houden met alle factoren die de arbeidsverhouding kenmerken en te bepalen welke factor of factoren daarvan volgens hem het zwaarste wegen. Tot die factoren behoren met name het land waar de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt en het land waar hij aangesloten is bij de sociale zekerheid en bij de verschillende pensioen-, ziekteverzekerings- en invaliditeitsregelingen. De nationale rechter dient eveneens rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak, zoals met name de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden (zie in die zin arrest van 12 september 2013, Schlecker, C-64/12, EU:C:2013:551, punten 40 en 41).
57
In dit verband vormt de plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde en die bedoeld is om een nieuwe plaats te worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, een relevante factor waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van alle omstandigheden zoals dat plaatsvindt op grond van artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel van het Verdrag van Rome.
58
Deze uitlegging van artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van het Verdrag van Rome is in overeenstemming met de doelstellingen van deze bepaling en van dat verdrag in zijn geheel.
59
Aangezien ten eerste de doelstelling van artikel 6 van het Verdrag van Rome is om de werknemer een passende bescherming te bieden, moet deze bepaling verzekeren dat op de arbeidsovereenkomst het recht van het land wordt toegepast waarmee deze overeenkomst de nauwste banden schept (arrest van 12 september 2013, Schlecker, C-64/12, EU:C:2013:551, punt 34).
60
Het is in overeenstemming met deze doelstelling om bij het onderzoek van alle omstandigheden krachtens artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van dat verdrag, als een van de relevante factoren rekening te houden met de plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde en die bedoeld is om een nieuwe plaats te worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht.
61
Ten tweede is het doel van het Verdrag van Rome in zijn geheel om meer rechtszekerheid te bieden door het vertrouwen in de bestendigheid van de verhoudingen tussen de contractspartijen te versterken, hetgeen veronderstelt dat het systeem ter bepaling van het toepasselijke recht duidelijk is en met een bepaalde mate van zekerheid kan worden voorzien welk recht toepasselijk is (zie in die zin arrest van 6 oktober 2009, ICF, C-133/08, EU:C:2009:617, punt 44).
62
In dit verband moet worden opgemerkt dat de toepassing van het aanknopingscriterium van artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van het Verdrag van Rome, overeenkomstig het vereiste van rechtszekerheid en voorzienbaarheid op objectieve gegevens moet berusten. Van een dergelijk objectief vast te stellen gegeven is sprake ingeval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden duurzaam op een andere plaats verricht die een nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht.
63
In het onderhavige geval staat het dus aan de verwijzende rechter om vast te stellen of overeenkomstig artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel van het Verdrag van Rome uit alle omstandigheden blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met Frankrijk dan met Luxemburg, waarvan het recht door partijen is gekozen als het op deze overeenkomst toepasselijke recht en op het grondgebied waarvan de vestiging is gelegen die ES in dienst heeft genomen. In het kader van dit onderzoek moet rekening worden gehouden met alle factoren die de arbeidsverhouding kenmerken, zoals de laatste plaats waar ES zijn arbeid gewoonlijk verrichtte en de verplichting tot aansluiting bij de Franse sociale zekerheid.
64
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van Rome, en met name het laatste zinsdeel van artikel 6, lid 2, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van alle omstandigheden ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn.
Kosten
65
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 3 en 6 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, en met name het laatste zinsdeel van artikel 6, lid 2,
moeten aldus worden uitgelegd dat
wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van alle omstandigheden ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑12‑2025
Conclusie 03‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Verdrag van Rome) — Artikel 6 — Arbeidsovereenkomst — Keuze van partijen — Dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing is — Aanknopingscriteria — Werknemer die arbeid verricht in meer dan één verdragsluitende staat — Plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht — Wijziging van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst — Beoordeling op basis van de gehele duur van de arbeidsverhouding of het meest recente tijdvak van arbeid
R. norkus
Partij(en)
Zaak C-485/241.
Locatrans Sarl
tegen
ES
[verzoek van de Cour de cassation — chambre sociale (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken — kamer voor arbeidszaken, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het rechtskader van de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt gevormd door het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst2.. Meer bepaald betreft de door de Cour de cassation (Frankrijk) gestelde vraag in wezen de uitlegging van de artikelen 3 en 6 van dit verdrag. In artikel 3 is het beginsel van de wilsautonomie van partijen verankerd bij de keuze van het op verbintenissen uit overeenkomst toepasselijke recht. Volgens dit voor de lidstaten gemeenschappelijke beginsel wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Artikel 6, waarvan de uitlegging centraal staat in deze vraag, voert een mechanisme in waarmee het recht kan worden aangewezen dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst bij gebreke van een rechtskeuze door partijen overeenkomstig artikel 3 van genoemd verdrag en in afwijking van artikel 4 van datzelfde verdrag.3.
2.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geschil tussen een vervoersonderneming en de verweerder in het hoofgeding, een chauffeur die bij deze onderneming in dienst is geweest, over verschillende schadevorderingen die laatstgenoemde tegen zijn voormalige werkgever heeft ingesteld na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.
3.
Tegen deze juridische en feitelijke achtergrond zal het Hof zich op verzoek van de verwijzende rechter moeten buigen over de uitlegging van het begrip ‘land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome.
4.
Meer in het bijzonder zal het Hof de gelegenheid hebben om de overwegingen die het in het arrest Koelzsch4. heeft ontwikkeld, nader te preciseren in een feitelijke context die vergelijkbaar is met die van dat arrest, maar waarin een niet eerder behandelde vraag is gerezen. Deze vraag betreft het tijdvak van arbeid dat de verwijzende rechter in aanmerking moet nemen ter bepaling van het recht dat op grond van die bepaling van toepassing is in de situatie waarin de werknemer zijn werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgever in twee onderscheiden fasen heeft verricht: eerst in meer dan één staat en vervolgens, in de periode voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsverhouding, duurzaam in één enkele staat.
II. Toepasselijke bepalingen
5.
Naast artikel 1, artikel 3 en artikel 6 van het Verdrag van Rome [thans artikel 8 van verordening (EG) nr. 593/20085.] komt in de onderhavige zaak een bijzonder belang toe aan artikel 5, eerste alinea, punt 1, van het Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken6. [thans artikel 19 van verordening (EG) nr. 44/20017.].
III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
6.
ES is bij arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2002 als chauffeur in dienst genomen door Locatrans Sàrl, een in Bettembourg (Luxemburg) gevestigde vervoersonderneming. Deze arbeidsovereenkomst voorzag in een maandelijkse arbeidstijd van 166 uur. Voorts was erin bepaald dat het Luxemburgse recht van toepassing was en dat de vervoersactiviteiten hoofdzakelijk plaatsvonden in Duitsland, de Benelux, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk.
7.
Bij brief van 14 januari 2014 heeft Locatrans de werknemer in kennis gesteld van de beslissing om zijn arbeidstijd met ingang van 16 juli 2014 te verminderen tot 35 uur per week, oftewel 151,55 uur per maand. ES heeft zich tegen deze wijziging van zijn arbeidsovereenkomst verzet.
8.
Bij brief van 31 maart 2014 heeft Locatrans de werknemer ervan in kennis gesteld dat het haar, na onderzoek van zijn werkzaamheden over de laatste achttien maanden, was gebleken dat hij een wezenlijk deel van zijn werkzaamheden in loondienst (meer dan 50 %) in Frankrijk had verricht en dat zij verplicht was hem bij de Franse sociale zekerheid aan te sluiten.
9.
Bij brief van 17 april 2014 heeft Locatrans de werknemer een dienstbetrekking bij een Franse vennootschap aangeboden en hem meegedeeld dat hij — nadat hij had geweigerd zijn arbeidstijd te verminderen — vanaf 16 juli 2014 niet langer deel zou uitmaken van het personeelsbestand van de onderneming.
10.
Op 8 januari 2015 heeft de werknemer bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst en verschillende schadevorderingen ingesteld bij de conseil de prud'hommes de Dijon (arbeidsrechter Dijon, Frankrijk).
11.
Bij vonnis van 4 april 2017 heeft de conseil de prud'hommes de vorderingen van de werknemer afgewezen op grond dat het Luxemburgse recht van toepassing was op de uitvoering en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, dat zijn ontslag duidelijk en ondubbelzinnig was en dat er geen reden was om dit ontslag te herkwalificeren als onrechtmatige beëindiging.
12.
Op het hoger beroep van de werknemer heeft de cour d'appel de Dijon (rechter in tweede aanleg Dijon, Frankrijk) bij arrest van 2 mei 2019 het vonnis van 4 april 2017 vernietigd. In dit verband heeft deze rechter opgemerkt dat uit de betrokken arbeidsovereenkomst duidelijk bleek dat partijen ervoor hadden gekozen om het Luxemburgse recht op hun arbeidsverhouding toe te passen. Bij brief van 31 maart 2014 heeft Locatrans echter erkend dat de werknemer het grootste deel van zijn arbeid in Frankrijk had verricht, en de werknemer heeft daarvan bewijs overgelegd. Gelet op artikel 6 van het Verdrag van Rome kon de keuze van partijen voor het Luxemburgse recht er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming werd ontnomen die de dwingende bepalingen van Frans recht hem boden, zoals de voorschriften betreffende de wijziging en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bijgevolg heeft genoemde rechter, na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te hebben geherkwalificeerd als ontslag en te hebben vastgesteld dat het ontslag niet berustte op een gewichtige reden, Locatrans veroordeeld tot betaling van een aantal bedragen aan de werknemer als schadevergoeding.
13.
Locatrans heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation — chambre sociale [hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken — kamer voor arbeidszaken (Frankrijk)], de verwijzende rechter in deze zaak.
14.
Deze verwijzende rechter verwijst in wezen naar de collisieregel van artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag van Rome. In dit verband merkt hij op dat het Hof meer bepaald in het arrest Koelzsch8.de uitleggingscriteria heeft verduidelijkt voor het begrip ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van deze bepaling, in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht. In datzelfde arrest heeft het Hof zich ook gebaseerd op de rechtspraak over artikel 5, lid 1, van het Verdrag van Brussel, waaruit de intentie blijkt om een eenduidige uitlegging te geven aan de aanknopingscriteria op het gebied van jurisdictiegeschillen en wetsconflicten. Met betrekking tot laatstgenoemde bepaling herinnert de verwijzende rechter ook aan de relevantie van het arrest Weber.9.
15.
De verwijzende rechter merkt op dat, hoewel de door het Hof in het arrest Koelzsch10. aangebrachte preciseringen over de uitlegging van het begrip ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’, op grond van het favor-laboratorisbeginsel ertoe zouden kunnen leiden dat het criterium wordt gehanteerd van de laatste plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, dit niet wegneemt dat het Hof in het arrest Weber11.uitdrukkelijk verwijst naar de inaanmerkingneming van ‘de volledige duur van de arbeidsverhouding’, zonder het in punt 54 van dit arrest geformuleerde criterium van de laatste plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, over te nemen.
16.
In het licht van deze rechtspraak vraagt de verwijzende rechter zich af of ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing is, de volledige duur van de arbeidsverhouding in aanmerking moet worden genomen om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, dan wel of het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen. Deze rechter is van mening dat, hoewel het criterium van de laatste plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht relevant is voor de aanwijzing van de bevoegde rechter, aangezien hij daardoor met minder moeite een gerechtelijke procedure kan aanspannen, het echter niet zeker is of dit criterium kan worden toegepast ter bepaling van het toepasselijke recht bij gebreke van een rechtskeuze, aangezien een dergelijke benadering er met name toe kan leiden dat eenzelfde arbeidsovereenkomst achtereenvolgens aan verschillende dwingende wetten wordt onderworpen naargelang van de wijzigingen in de werkplek.
17.
In die omstandigheden heeft de Cour de cassation — chambre sociale bij beslissing van 10 juli 2024, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
‘Moeten de artikelen 3 en 6 van het [Verdrag van Rome] aldus worden uitgelegd dat, in het geval waarin de werknemer dezelfde werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgever in meer dan één verdragsluitende staat verricht, ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van partijen van toepassing zou zijn, de volledige duur van de arbeidsverhouding in aanmerking moet worden genomen om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte, dan wel dat het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen wanneer de werknemer, na zijn arbeid gedurende een bepaalde tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam verricht op een andere plaats, die volgens de duidelijke wil van partijen de nieuwe plaats moet worden waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht?’
18.
Partijen in het hoofdgeding, de Franse en de Tsjechische regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er is geen terechtzitting gehouden.
IV. Prejudiciële vraag
19.
Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van Rome aldus moeten worden uitgelegd dat in de situatie waarin, enerzijds, een werknemer aanvankelijk dezelfde werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgever in meer dan één staat heeft verricht en vervolgens, in de periode voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsverhouding, zijn werkzaamheden duurzaam in één staat heeft verricht, die volgens de duidelijke wil van partijen een nieuwe gewoonlijke plaats van arbeid moest worden en, anderzijds, deze werknemer de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst betwist, de volledige duur van de arbeidsverhouding dan wel het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen ter bepaling van de plaats waar genoemde werknemer gewoonlijk zijn arbeid verrichtte en bijgevolg van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing is.
20.
Deze rechter wenst dus in wezen te vernemen welke van deze beide criteria van toepassing is op de beëindiging van de aan de orde zijnde arbeidsovereenkomst, aangezien deze beëindiging een conflict tussen de toepasselijke rechtsstelsels met zich brengt.12. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de inaanmerkingneming van de volledige duur van de arbeidsverhouding bij toepassing van het eerstgenoemde criterium tot gevolg zou hebben dat de gegrondheid van de door ES ingestelde vorderingen zou worden beoordeeld naar Luxemburgs recht en bijgevolg zouden moeten worden afgewezen. Wanneer echter bij toepassing van het tweede genoemde criterium alleen rekening zou worden gehouden met het meest recente tijdvak van arbeid, zou de Franse wet betreffende de wijziging en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn, wat voor ES gunstiger zou uitvallen.
21.
Dienaangaande is deze rechter van oordeel dat er gerede twijfel bestaat over de vraag of het criterium van de laatste plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, dat relevant is voor de aanwijzing van de bevoegde rechter, ook kan worden gehanteerd voor de bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing is op een arbeidsovereenkomst, aangezien een dergelijke benadering er met name toe kan leiden dat eenzelfde arbeidsovereenkomst achtereenvolgens aan verschillende dwingende wetten wordt onderworpen naargelang van de wijzigingen in de plaats waar de arbeid wordt verricht.
22.
De partijen in het hoofgeding en de belanghebbenden zijn het oneens over de uitlegging van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome.
23.
Locatrans en de Tsjechische regering voeren, onder verwijzing naar het arrest Weber, met name aan dat in het geval waarin de werknemer dezelfde werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgever in meer dan één staat verricht, ter bepaling van de plaats waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte en, bijgevolg, van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing is, de volledige duur van de arbeidsverhouding in aanmerking moet worden genomen. De Franse regering van haar kant is van mening dat afgezien daarvan het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking kan worden genomen om, in het licht van alle relevante omstandigheden, het bestaan van nauwere banden met een ander land vast te stellen. ES stelt om te beginnen dat hij, ondanks de bewoordingen van de prejudiciële vraag, tijdens zijn arbeidsverhouding niet van werkplek is veranderd.13. Bijgevolg is zijn situatie duidelijk verschillend van die welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest Weber, waarin de werknemer zijn werkzaamheden achtereenvolgens op twee verschillende werkplekken had verricht. Hoe dan ook, zelfs al mocht het arrest Weber daadwerkelijk relevant worden geacht voor de onderhavige zaak, moet er worden aangeknoopt bij het meest recente tijdvak van arbeid. De Commissie van haar kant merkt op dat in een zaak als die in het hoofdgeding, waarin het geschil draait om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de voor de beslechting daarvan relevante feiten zich aan het einde van deze overeenkomst hebben voorgedaan, het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen.
24.
In het licht van de door de verwijzende rechter gekoesterde twijfel en gelet op de door de partijen in het hoofdgeding en de belanghebbenden aangevoerde argumenten, zal ik eerst enkele algemene overwegingen formuleren over de doelstelling en de algemene opzet van het Verdrag van Rome en van de in artikel 6 daarvan opgenomen collisieregel (deel A). Vervolgens zal ik nader ingaan op het begrip ‘land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van dat verdrag, en wel in het licht van de relevante rechtspraak, om daaruit de gevolgen te trekken voor de onderhavige zaak (deel B).
A. Inleidende opmerkingen over de doelstelling en de algemene opzet van het Verdrag van Rome en van de in artikel 6 daarvan opgenomen collisieregel
25.
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat, zoals het Hof reeds heeft opgemerkt14., uit de preambule van het Verdrag van Rome blijkt dat dit is gesloten ter voortzetting, op het gebied van het internationale privaatrecht, van de eenmaking van het recht waarmee was begonnen met de vaststelling van het Verdrag van Brussel.15.
26.
Uit deze preambule vloeit tevens voort dat dit verdrag tot doel heeft eenvormige regels op te stellen voor het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ongeacht de plaats waar de beslissing moet worden gegeven. Zoals immers blijkt uit het rapport betreffende genoemd verdrag, lag daaraan het verlangen ten grondslag om de nadelen uit de weg te ruimen die voortvloeien uit de verscheidenheid aan verwijzingsregels op het gebied van overeenkomsten.16.
27.
Met betrekking tot, in de tweede plaats, de context van de in artikel 6 van het Verdrag van Rome opgenomen collisieregel, moet worden gewezen op de in dit verdrag neergelegde algemene criteria ter bepaling van het toepasselijke recht. In dit verband moet worden vastgesteld dat de eenvormige regels in titel II van genoemd verdrag het beginsel vastleggen dat voorrang wordt gegeven aan de wil van partijen, aan wie in artikel 3 van datzelfde verdrag de vrije keuze van het toepasselijke recht is toegekend. Bij gebreke van een dergelijke keuze geeft artikel 4 van het Verdrag van Rome de aanknopingscriteria op basis waarvan de rechter moet bepalen welk recht dit is.17. Deze criteria zijn van toepassing op iedere categorie overeenkomsten.18.
28.
Zoals bekend is er voor bepaalde soorten overeenkomsten ook voorzien in specifieke regels. Met name artikel 6 van het Verdrag van Rome stelt een collisieregel in die geldt voor individuele arbeidsovereenkomsten. Deze bijzondere collisieregel (net als die van artikel 8 van de Rome I-verordening) bestaat uit twee algemene bepalingen [lid 1 en lid 2, onder a)], een subsidiaire bepaling [lid 2, onder b)] en een uitzonderingsbepaling (lid 2, laatste volzin)19.. Volgens de opstellers van dit verdrag werd met deze bijzondere collisieregel de invoering beoogd van een regeling die beter toegespitst is op onderwerpen waarbij de ene partij overwicht heeft op de andere en die tegelijkertijd zorgt voor een betere bescherming van de partij die in sociaaleconomisch opzicht in de contractuele relatie de zwakkere is.20.
29.
Op grond van deze algemene overwegingen bepaalt artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome dat ‘[o]ngeacht artikel 3 […] de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe [kan] leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van [dit] artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn’.21. Bij gebreke van een dergelijke keuze noemt artikel 6, lid 2, van datzelfde verdrag twee aanknopingscriteria, namelijk primair ‘het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’ [onder a)], zijnde dus het objectief toepasselijke recht, of subsidiair ‘het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht’ [onder b)].22. In de laatste volzin van dit lid 2 is een uitzonderingsbepaling opgenomen volgens welke deze beide aanknopingscriteria niet van toepassing zijn wanneer ‘uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is’.
30.
In deze context23., en rekening houdend met de noodzaak om te zorgen voor een onderlinge coördinatie van de verschillende instrumenten van internationaal privaatrecht van de Unie, zal ik nu overgaan tot de uitlegging van het begrip ‘land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome.
B. Begrip ‘land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome
1. Relevante rechtspraak en tekstuele, contextuele en teleologische uitlegging
31.
Artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome bepaalt dat de arbeidsovereenkomst, ongeacht artikel 4 en bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, wordt beheerst door ‘het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land te werk is gesteld’.
32.
Uit de lezing van deze bepaling blijkt dat het autonome begrip ‘recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’ op basis van alleen een tekstuele uitlegging niet nader kan worden gedefinieerd. In het arrest Koelzsch24. heeft het Hof zich voor het eerst uitgesproken over dit begrip in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome.25.
a) Arrest Koelzsch: afbakening van het begrip
1) Doelstelling om te zorgen voor een passende bescherming van de werknemer en noodzaak van een ruime uitlegging van het aanknopingscriterium
33.
In het arrest Koelzsch heeft het Hof ter afbakening van het autonome begrip ‘recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’ gekozen voor een ruime uitlegging daarvan. Daartoe heeft het Hof eerst aangegeven dat een dergelijke uitlegging de uitlegging betreffende de criteria van artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel niet buiten beschouwing mag laten voor zover deze criteria regels vaststellen voor de bepaling van de rechterlijke bevoegdheid voor dezelfde materies en soortgelijke begrippen gebruiken.26. Onder verwijzing naar zijn rechtspraak waarin deze bepaling wordt uitgelegd27., heeft het Hof in herinnering gebracht dat in een situatie waarin de werknemer zijn beroepswerkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, naar behoren rekening moet worden gehouden met het streven naar een passende bescherming van de werknemer als de sociaal zwakste contractpartij.28.
34.
Vervolgens heeft het Hof opgemerkt dat het Verdrag van Brussel en het Verdrag van Rome op het gebied van arbeidsovereenkomsten dezelfde doelstelling nastreven, namelijk een passende bescherming van de werknemer. In het licht van die doelstelling heeft het dan ook geoordeeld dat artikel 6 van het Verdrag van Rome moet worden opgevat als een waarborg dat eerder het recht van de staat waarin de werknemer zijn beroepswerkzaamheden verricht, van toepassing is dan dat van de staat van de zetel van de werkgever.29. Gelet op deze identieke doelstelling van beide verdragen heeft het Hof bevestigd dat de rechtspraak waarin uitlegging wordt gegeven aan artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel, relevant blijft bij de analyse van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome.30.
35.
Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de arbeid in meer dan één lidstaat wordt verricht, het criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht ruim moet worden uitgelegd en aldus worden opgevat dat het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht en — bij gebreke van een centrum van de activiteiten — naar de plaats waar hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.31. Bijgevolg moet, ter vaststelling of een werknemer zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht in een van de betrokken staten, het in artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome geformuleerde aanknopingscriterium ruim worden uitgelegd.32. Hiertoe heeft het Hof de aard van de arbeid in de sector van het internationale transport in aanmerking genomen en gepreciseerd dat er rekening moet worden gehouden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken.33. In die omstandigheden heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling, het land is waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.34.
2) Grondregel en op aanwijzingen gebaseerde methode ter verwezenlijking ervan: kwalitatief criterium
36.
Uit deze rechtspraak volgt dat het Hof, om vast te stellen of een werknemer zijn arbeid gewoonlijk in een van de verdragsluitende staten heeft verricht en om te bepalen welke van die staten dat is, in punt 50 van het arrest Koelzsch een grondregel heeft geformuleerd die op de inaanmerkingneming van verschillende feitelijke criteria berust. Volgens deze regel is ‘het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’, het land waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.35.
37.
Om de nationale rechter te helpen bij de toepassing van genoemde regel heeft het Hof, met inachtneming van de specifieke kenmerken van de arbeidsverhoudingen in de vervoerssector, een aantal aanwijzingen vermeld die in aanmerking kunnen worden genomen bij de toepassing van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome. De nationale rechter moet met name vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Hij moet tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.36.
38.
Deze ‘op aanwijzingen gebaseerde methode’ is naar mijn mening een belangrijk element voor het afbakenen van de reikwijdte van een begrip als ‘plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ bij de toepassing ervan in een concreet geval. Volgens het Hof kan door die methode niet alleen de realiteit van de rechtsverhoudingen beter worden weergegeven doordat rekening moet worden gehouden met alle factoren die kenmerkend zijn voor de werkzaamheden van de werknemer, maar kan ook worden vermeden dat dit begrip wordt geïnstrumentaliseerd of gaat bijdragen tot het ontstaan van ontwijkingsstrategieën.37.
39.
Bovendien zij erop gewezen dat het Hof zich voor de vaststelling van de hierboven genoemde grondregel38. heeft gebaseerd op zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel.39. Er mag namelijk niet uit het oog worden verloren dat de zaken die tot deze rechtspraak hebben geleid, betrekking hadden op een werknemer die zijn beroepswerkzaamheden in meer dan één staat verrichtte, maar die in een van deze staten, waar hij zijn woonplaats had gevestigd, een kantoor had van waaruit hij de voor zijn werkgever te verrichten werkzaamheden organiseerde en waar hij na elke in verband met zijn werk gemaakte buitenlandse reis terugkeerde. Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat er voor de concrete bepaling van de plaats waar een werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’, moet worden aangeknoopt bij de plaats van waaruit de werknemer hoofdzakelijk zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult of bij de plaats van waaruit hij het werkelijke centrum van zijn beroepswerkzaamheden heeft gevestigd.40.
40.
Bovendien wijs ik erop dat de formulering ‘van waaruit’ aan artikel 8, lid 2, van de Rome I-verordening41. is toegevoegd bij de omzetting van het Verdrag van Rome in een verordening42.. Zodoende heeft de Uniewetgever met deze nieuwe formulering de rechtspraak van het Hof over artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel in deze verordening opgenomen.43.
41.
Afgezien daarvan moet worden opgemerkt dat het Hof in zijn rechtspraak over artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel met betrekking tot arbeidsovereenkomsten die op het grondgebied van meer dan één staat worden uitgevoerd, zich ook heeft moeten buigen over een andere situatie waarin geen van de verschillende betrokken plaatsen kon worden aangeduid als de plaats waar of van waaruit de werknemer zijn beroepswerkzaamheden verricht. Dit was het geval in het arrest Weber.
b) Arrest Weber: temporeel criterium
42.
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Weber was onder meer de vraag gerezen of, teneinde te bepalen of een werknemer zijn arbeid ‘gewoonlijk’ in een verdragsluitende staat heeft verricht, de ‘gehele periode’ van zijn dienstverband of alleen de laatste periode daarvan in aanmerking moet worden genomen.44.
43.
Om te beginnen heeft het Hof de hem voorgelegde zaak onderscheiden van de zaken die hebben geleid tot de arresten Mulox IBC en Rutten, waarin, anders dan in deze zaak, de werknemer in een van de verdragsluitende staten beschikte over een kantoor dat het werkelijke centrum van zijn beroepswerkzaamheden was en van waaruit hij het merendeel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervulde.45. Gelet op die verschillen heeft het Hof geoordeeld dat de uit deze arresten voortvloeiende rechtspraak niet volledig op genoemde zaak kon worden toegepast.46. Niettemin heeft het Hof opgemerkt dat deze rechtspraak relevant blijft voor zover zij impliceert dat wanneer een arbeidsovereenkomst op het grondgebied van meer dan één verdragsluitende staat wordt uitgevoerd, artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel aldus moet worden uitgelegd dat het doelt op de plaats waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval, feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.47.
44.
Vervolgens heeft het Hof gepreciseerd dat, vanwege dit verschil in omstandigheden, het relevante criterium dat in aanmerking moet worden genomen om de gewoonlijke plaats van arbeid in de zin van deze bepaling te bepalen, in beginsel de plaats is waar de werknemer het belangrijkste deel van zijn arbeidstijd voor zijn werkgever heeft doorgebracht.48. Het Hof heeft dan ook voor recht verklaard dat, bij gebreke van andere criteria, deze plaats de plaats is waar de werknemer het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht.49.
45.
Opgemerkt moet worden dat dit temporele criterium, dat gebaseerd is op de respectieve duur van de in de verschillende betrokken verdragsluitende staten verrichte arbeid, volgens het Hof logischerwijs impliceert dat het tijdvak van arbeid van de werknemer volledig in aanmerking wordt genomen om de plaats te bepalen waar de werknemer het belangrijkste deel van zijn arbeid heeft verricht en waar zich, in een dergelijke situatie, het centrum van zijn contractuele verhouding met de werkgever bevindt.50. Op grond daarvan heeft het Hof dan ook voor recht verklaard dat wanneer het een arbeidsovereenkomst betreft ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, dan in beginsel rekening moet worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte.51.
46.
In dit verband acht ik het van belang erop te wijzen dat het Hof evenwel heeft voorzien in wat op het eerste gezicht zou kunnen lijken op een uitzondering op de regel van het temporele criterium, volgens welke de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid heeft verricht, samenvalt met de plaats waar de werknemer het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht. Ik ben echter van mening dat het hier niet om een uitzondering gaat, maar veeleer om de toepassing door het Hof van het temporele criterium in een specifieke situatie. Het Hof heeft namelijk verduidelijkt dat het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen ingeval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam op een andere plaats verricht, wanneer die plaats, volgens de duidelijke wil van partijen, de nieuwe plaats moet worden waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht.52. Bijgevolg berust, bij gebreke van een werkelijk centrum van de beroepswerkzaamheden van de werknemer, het door het Hof in dit arrest geformuleerde temporele criterium op een grondregel waarvan alleen kan worden afgeweken in de situatie waarin het voorwerp van het betrokken geschil, gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid.53. Ik zal later terugkomen op dit temporele criterium dat van bijzonder belang is voor het onderzoek van de prejudiciële vraag.54.
47.
Ter samenvatting van dit deel van mijn analyse wil ik in de eerste plaats in herinnering brengen dat het Hof zich voor het formuleren van de grondregel dat het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, het land is waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, in punt 50 van het arrest Koelzsch heeft gebaseerd op zijn rechtspraak die is voortgevloeid uit de arresten Mulox IBC55. en Rutten56.. Zoals ik reeds heb uiteengezet, is deze regel vervolgens bevestigd in de punten 49 en 50 van het arrest Weber.57.Hieruit volgt dat de toetsing aan genoemde regel het uitgangspunt is voorde beoordeling door de nationale rechter van alle situaties waarin, zoals in het onderhavige geval, de arbeidsovereenkomst wordt uitgevoerd op het grondgebied van meer dan één verdragsluitende staat.
48.
In de tweede plaats heeft het Hof, zoals hierboven opgemerkt, ter aanduiding van de staat die kan worden beschouwd als ‘de plaats waar of van waaruit’ de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult, een kwalitatief58. en een temporeel59. criterium geformuleerd waarmee de nationale rechter60. rekening moet houden. Hoewel het temporele criterium volgens het Hof in beginsel vereist dat het tijdvak van arbeid van de werknemer ten behoeve van zijn werkgever in zijn geheel in aanmerking wordt genomen, heeft het Hof evenwel voorzien in de toepassing van dit temporele criterium in de specifieke situatie waarin het voorwerp van het betrokken geschil ‘nauwere’ aanknopingspunten heeft ‘met een andere plaats van arbeid’.61. In dat geval moet de nationale rechter62. bij zijn beoordeling het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking nemen, en niet het tijdvak van arbeid in zijn geheel.63.
49.
Bijgevolg moet er bij de beoordeling van de onderhavige zaak rekening worden gehouden met deze rechtspraak.
2. Uit de analyse van de rechtspraak voortvloeiende gevolgen voor de onderhavige zaak
50.
In dit stadium van de redenering merk ik op dat uit de door de partijen in het hoofdgeding en de belanghebbenden aangevoerde argumenten kan worden opgemaakt dat de vraag van de verwijzende rechter zich lijkt te situeren op het snijpunt van twee, a priori, onderscheiden jurisprudentiële benaderingen. In het licht van de voorgaande analyse passen deze twee benaderingen, ondanks hun schijnbare divergentie, evenwel in een en dezelfde jurisprudentiële lijn volgens welke de toepassing van een door het Hof geformuleerde grondregel afhankelijk wordt gesteld van de inaanmerkingneming van een kwalitatief en een temporeel criterium. In dit verband moet erop worden gewezen dat de nationale rechters rekening moeten houden met het kwalitatieve criterium dat als doorslaggevend geldt. Alleen bij gebreke van kwalitatieve elementen of wanneer deze onvoldoende nauwkeurig zijn, komt er relevantie toe aan het temporele criterium. Bovendien kunnen deze beide criteria met elkaar samenvallen en elkaar aanvullen.64. Hoe dan ook moeten de nationale rechters het nabijheidsbeginsel in acht nemen, alsook de bescherming van de werknemer.
51.
Bovendien wijs ik erop dat, voor zover de arbeidsverhouding van duurzame aard is, de kenmerkende elementen van deze verhouding, zoals het verrichten van de arbeid, de plaats waar de arbeid wordt verricht of de beloning, aan verandering onderhevig kunnen zijn. Met name in een grensoverschrijdende arbeidssituatie kan het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’ eveneens veranderen als gevolg van gewijzigde objectieve omstandigheden.65. Met andere woorden, het toepasselijke recht bij gebreke van een keuze van partijen kan veranderen juist vanwege de duurzame aard zelf van de arbeidsverhouding. Gelet evenwel op het feit dat het Verdrag van Rome onder meer beoogt het vertrouwen in de bestendigheid van de verhoudingen tussen de contractpartijen te versterken, moet de verandering van het toepasselijke recht als gevolg van gewijzigde feitelijke omstandigheden ook voortkomen uit de duidelijke wil van partijen. Deze verandering mag namelijk geen gevolgen hebben voor de rechtsbetrekkingen die vóór die verandering zijn ontstaan, zodat het geschil ratione temporis beheerst blijft door het recht dat ten tijde van het optreden van deze omstandigheden van toepassing was (tempus regit actum).
52.
In het licht van het voorgaande rijst in wezen de vraag welk criterium in casu relevant is voor de concrete vaststelling van het tijdstip waarop het voorwerp van het geschil is ontstaan, met het oog op het bepalen van de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verrichtte en bijgevolg ook van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing is.
53.
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Locatrans de werknemer ervan in kennis had gesteld dat uit onderzoek van zijn werkzaamheden over de laatste achttien maanden was gebleken dat hij een wezenlijk deel van zijn werkzaamheden in loondienst in Frankrijk had verricht en dat zij om die reden verplicht was hem bij de Franse sociale zekerheid aan te sluiten. Bijgevolg, aldus de verwijzende rechter, heeft de werknemer tijdens deze periode voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsverhouding zijn werkzaamheden alleen in Frankrijk duurzaam verricht. Hieruit volgt dat mijns inziens kan worden gesteld dat een dergelijke ontwikkeling of verandering in de situatie van de werknemer met als gevolg dat de werkzaamheden duurzaam worden verricht in één enkele verdragsluitende staat, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan, binnen de werkingssfeer valt van het temporele criterium, zoals dat door het Hof is geformuleerd in de punten 53 en 54 van het arrest Weber. Aangezien de relevante feiten zich aan het einde van de arbeidsovereenkomst hebben voorgedaan, volgt hieruit dat, anders dan Locatrans aanvoert, de inaanmerkingneming van het gehele tijdvak van arbeid van de werknemer in casu niet aan de orde kan zijn.
54.
Dienaangaande deel ik de mening van de Commissie dat in een zaak als die in het hoofdgeding, waarin de werknemer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betwist en de relevante feiten ter beoordeling van deze betwisting zich aan het einde van deze arbeidsovereenkomst hebben voorgedaan, het meest recente tijdvak van arbeid66. in aanmerking moet worden genomen, en wel om de hiernavolgende redenen.
55.
Ten eerste acht ik het van belang erop te wijzen dat de nationale rechter bij de toepassing van het meest relevante criterium (of dit nu kwalitatief of temporeel is) ter bepaling van de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid heeft verricht, rekening moet houden met het door artikel 6 van het Verdrag van Rome nagestreefde doel de werknemer een passende bescherming te verlenen. Bijgevolg moet de eerbiediging van de voorschriften ter bescherming van de arbeid zoals die zijn neergelegd in het recht van de staat waar de werknemer zijn beroepswerkzaamheden verricht, zo veel mogelijk worden gewaarborgd.67. Zoals de Commissie terecht opmerkt, kan dit doel echter alleen ten volle worden bereikt wanneer bij een verandering of duurzame ontwikkeling in het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, ook het toepasselijke recht verandert.68.
56.
Ten tweede strookt deze uitlegging mijns inziens met het doel van het Verdrag van Rome, dat erin bestaat de rechtszekerheid te vergroten door het vertrouwen in de bestendigheid van de verhoudingen tussen de contractpartijen te versterken.69. Naar mijn mening gaat het er niet om het criterium van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, in de regel afhankelijk te stellen van de laatste plaats waar de arbeid is verricht, maar veeleer om, met gebruikmaking van de op aanwijzingen gebaseerde methode en gelet op het feit dat de betwisting van de werknemer betrekking heeft op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, het temporele criterium met betrekking tot het ‘meest recente tijdvak’ te hanteren. Zodoende kan de juiste toepassing van dit temporele criterium geen bron van onvoorspelbaarheid vormen voor partijen. Voorts wijs ik erop dat de mogelijke inaanmerkingneming van deze laatste plaats als de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, geregeld wordt door de in het arrest Weber70. gestelde voorwaarden.
57.
Ten derde maakt genoemde uitlegging het mogelijk om de samenhang tussen artikel 5 van het Verdrag van Brussel en artikel 6 van het Verdrag van Rome te respecteren (forum en ius).71. Het is immers zo dat de rechter van de plaats waar (of van waaruit) de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht (of, in voorkomend geval, van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt)72. in de regel bevoegd zal zijn om kennis te nemen van uit arbeidsovereenkomsten voortvloeiende geschillen. Tegelijkertijd zal deze rechter dwingende bepalingen van het eigen recht (lex loci laboris) toepassen.73. De omstandigheid dat de hantering van dit temporele criterium met betrekking tot het ‘meest recente tijdvak van arbeid’ wordt bepaald door het voorwerp van het geschil, het tijdvak waarin de relevante feiten zich hebben voorgedaan en de duidelijke wil van partijen, zorgt er in dit opzicht voor dat de situatie waarin verschillende wetten gelijktijdig van toepassing zijn, nauwkeurig kan worden afgebakend.
V. Conclusie
58.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Cour de cassation — chambre sociale te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980
moet aldus worden uitgelegd dat
in de situatie waarin, enerzijds, een werknemer aanvankelijk dezelfde werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgever in meer dan één staat heeft verricht en vervolgens, in de periode voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsverhouding, zijn werkzaamheden duurzaam in één staat heeft verricht, die volgens de duidelijke wil van partijen een nieuwe gewoonlijke plaats van arbeid moest worden en, anderzijds, deze werknemer de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst betwist, het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen ter bepaling van de plaats waar genoemde werknemer gewoonlijk zijn arbeid verrichtte en bijgevolg van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing is.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑07‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1; hierna: ‘Verdrag van Rome’). Gelet op de datum van sluiting van de arbeidsovereenkomst blijft deze nog beheerst door dit verdrag.
Artikel 4 van het Verdrag van Rome voorziet in een algemene regeling voor de aanwijzing van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing is op een overeenkomst.
Zie arrest van 15 maart 2011 (C-29/10, EU:C:2011:151, punten 40, 46, 50 en dictum; hierna: ‘arrest Koelzsch’).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6; hierna: ‘Rome I-verordening’). Deze verordening is in de plaats gekomen van het Verdrag van Rome en is van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn gesloten. Aangezien de litigieuze overeenkomst op 15 oktober 2002 is gesloten, is dit verdrag bijgevolg ratione temporis van toepassing op het geschil in het hoofdgeding.
Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1; hierna: ‘Verdrag van Brussel’).
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: ‘Brussel I-verordening’). Deze verordening is in de plaats gekomen van het Verdrag van Brussel. De Brussel I-verordening is ingetrokken en vervangen bij verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: ‘Brussel I bis-verordening’). Artikel 19 van de Brussel I-verordening is thans artikel 21 van de Brussel I bis-verordening.
Zie de punten 40, 46, 50 en het dictum van dit arrest.
Arrest van 27 februari 2002 (C-37/00, EU:C:2002:122, punten 54 en 58; hierna: ‘arrest Weber’).
Punten 40 en 46 van dit arrest.
Dictum, punt 2, van dit arrest.
Artikel 1, lid 1, van het Verdrag van Rome bepaalt dat ‘[d]e bepalingen van dit verdrag […] van toepassing [zijn] op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen’.
ES voert namelijk aan dat hij zijn vervoersactiviteit op verschillende plaatsen heeft verricht, waarbij hij een belangrijke band met Frankrijk, zijn land van verblijf, heeft behouden, aangezien zijn werkgever enkel nota had genomen van deze feitelijke situatie die vóór de beëindiging van de arbeidsverhouding bestond. In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat het enerzijds in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde samenwerkingsprocedure niet aan het Hof, maar aan de nationale rechter staat om de aan het geding ten gronde liggende feiten vast te stellen en daaruit de nodige conclusies te trekken voor de door hem te geven beslissing. Anderzijds moet het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en die van de lidstaten acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst [zie met name arrest van 7 juni 2018, Scotch Whisky Association (C-44/17, EU:C:2018:415, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
Zie arrest van 6 oktober 2009, ICF (C-133/08, EU:C:2009:617, punten 22 en 23).
In dit verband zij erop gewezen dat in overweging 7 van de Rome I-verordening te lezen staat dat ‘[h]et materiële toepassingsgebied en de bepalingen van deze verordening moeten stroken met [de Brussel I-verordening] en met verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Rome II’)’. Bovendien moeten volgens overweging 7 van laatstgenoemde verordening ‘[h]et materiële toepassingsgebied en de bepalingen van de verordening […] stroken met [de Brussel I-verordening] en met de instrumenten betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst’ (cursivering van mij). Hieruit volgt dan ook de noodzaak om te zorgen voor zowel de coördinatie van de instrumenten van internationaal privaatrecht van de Unie als de onderlinge samenhang van de toepassingsgebieden van een aantal bepalingen van deze instrumenten; zie met name Gaudemet-Tallon, H., ‘Fasc. 337: Convention de Rome du 19 juin 1980 et règlement ‘Rome I’ du 17 juin 2008 — Champ d'application — Clauses générales’, JurisClasseur Commercial, 2023, blz. 1–39, met name paragraaf 81, en Szpunar, M., ‘Droit international privé de l'Union: cohérence des champs d'application et/ou des solutions?’, Revue critique du Droit International Privé, nr. 3, 2018, blz. 573–582.
Rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst door Mario Giuliano, hoogleraar aan de Universiteit van Milaan, en Paul Lagarde, hoogleraar aan de Universiteit van Parijs I (PB 1980, C 282, blz. 1; hierna: ‘rapport Giuliano en Lagarde’).
Zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, ICF (C-133/08, EU:C:2009:617, punten 24 en 25), en 14 september 2023, Diamond Resorts Europe e.a. (C-632/21, EU:C:2023:671, punten 67 en 69).
Zie arrest van 6 oktober 2009, ICF (C-133/08, EU:C:2009:617, punt 25).
In de rechtsleer overheerst de opvatting dat artikel 8 van de Rome I-verordening de inhoud van artikel 6 van het Verdrag van Rome in wezen overneemt, waaronder met name de mogelijkheid om het toepasselijke recht te kiezen, zonder evenwel de bescherming te verliezen die wordt geboden door de bepalingen van het objectief toepasselijke recht dat normaliter het recht is van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht of, zo niet, het recht van het land van de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, tenzij de uitzonderingsbepaling toepassing zou vinden. Zie met name Lagarde, P., en Tenenbaum, A., ‘De la convention de Rome au règlement Rome I’, Revue critique de droit international privé, 2008, blz. 727–780, met name punt 18. Zie ook Palao, Moreno, G., ‘Article 8’, Commentary on the Rome I Regulation, Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), Verlag Dr. Otto Schmidt, Keulen, 2017, deel 22, blz. 577–599, met name blz. 586, punt 7.
Zie rapport Giuliano en Lagarde, blz. 25.
Er zij op gewezen dat artikel 6 van het Verdrag van Rome partijen aldus beperkt in hun keuzevrijheid van het toepasselijke recht, zoals die is verankerd in artikel 3 van dit verdrag. Anders uitgedrukt, wanneer het recht dat op grond van het tweede lid toepasselijk is de werknemer een grotere bescherming biedt dan het door partijen gekozen recht, prevaleren de bepalingen die ingevolge het tweede lid toepasselijk zijn boven die van het gekozen recht en worden in plaats daarvan toegepast. Zie rapport Giuliano en Lagarde, blz. 25. De bepalingen van het gekozen recht moeten dus worden gecombineerd met de dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze objectief toepasselijk is wanneer die gunstiger zijn voor de werknemer. Zie in die zin Palao, Moreno, G., ‘Article 8’, Commentary on the Rome I Regulation, Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), op. cit., blz. 586, met name punt 6.
Er zij aan herinnerd dat het Hof reeds heeft aangegeven dat ‘de wetgever een rangorde heeft willen vaststellen tussen de criteria die in aanmerking dienen te worden genomen voor het bepalen van het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke recht’ (punt 34), dat wil zeggen tussen de punten a) en b) van lid 2 van artikel 6 van het Verdrag van Rome. In dit verband heeft het Hof met name geoordeeld dat ‘voor de bepaling van het toepasselijke recht het voor aanknoping van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomst in aanmerking komende criterium van de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, eerst moet worden toegepast, en dat toepassing ervan inaanmerkingneming van het subsidiaire criterium van de plaats van de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, uitsluit’ [zie arrest van 15 december 2011, Voogsgeerd (C-384/10, EU:C:2011:842, punten 32 en 34; hierna: ‘arrest Voogsgeerd’)]; zie met betrekking tot zeevervoer, punt 38 van dit arrest. Een dergelijke rangorde geldt ook voor de leden 2 en 3 van artikel 8 van de Rome I-verordening en leidt er volgens het Hof in beide gevallen toe dat het criterium van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht ruim moet worden uitgelegd, terwijl het criterium van de plaats van de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen slechts toepassing kan vinden wanneer de rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk wordt verricht (zie eveneens in die zin de punten 33–35 van genoemd arrest en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie, met betrekking tot deze juridische context, arrest Koelzsch (punten 33–36).
Er zij aan herinnerd dat de zaak die tot dit arrest heeft geleid, betrekking had op het ontslag van een internationale vrachtwagenchauffeur met woonplaats in Duitsland en die in dienst is genomen door een Luxemburgse vennootschap, die zelf een dochteronderneming is van een Deense vennootschap. Hij was aangesloten bij de Luxemburgse sociale zekerheid. Deze dochteronderneming vervoerde bloemen en andere planten vanuit Denemarken naar verschillende bestemmingen, voornamelijk in Duitsland maar ook in andere Europese landen, daarbij gebruikmakend van in Luxemburg geregistreerde vrachtwagens met standplaats in Duitsland, waar genoemde dochteronderneming echter geen zetel of kantoren had. Zie arrest Koelzsch (punten 13–16).
Ik herinner eraan dat dit begrip volgens het Hof autonoom moet worden uitgelegd, in die zin dat de inhoud en de strekking van deze collisieregel moeten worden vastgesteld volgens eenvormige criteria teneinde de volle werking van het Verdrag van Rome van 1980 te verzekeren, gelet op de doelstellingen die daarmee worden nagestreefd. Zie in die zin arrest Koelzsch (punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Koelzsch (punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie in dit verband punt 25 van deze conclusie. Wat omgekeerd de inaanmerkingneming betreft van de overeenkomstige bepalingen van het Verdrag van Rome bij de autonome uitlegging van het begrip van artikel 19, punt 2, van de Brussel I-verordening, zie, op het gebied van luchtvervoer, arrest van 14 september 2017, Nogueira e.a. (C-168/16 en C-169/16, EU:C:2017:688, punten 55 en 56; hierna: ‘arrest Nogueira e.a.’).
Zie arresten van 9 januari 1997, Rutten (C-383/95, EU:C:1997:7, punt 22; hierna: ‘arrest Rutten’), en 10 april 2003, Pugliese (C-437/00, EU:C:2003:219, punt 18).
Zie arrest Koelzsch (punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat de werknemer zijn economische en sociale functie in eerstgenoemde staat uitoefent en dat zijn arbeid in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat ondergaat. Bijgevolg moet de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk worden gewaarborgd. Zie arrest Koelzsch (punt 42).
Dienaangaande heeft advocaat-generaal Trstenjak in haar conclusie in de zaak Koelzsch (C-29/10, EU:C:2010:789, punt 83) erop gewezen dat ‘niet kan worden uitgegaan van een algemeen vermoeden dat alle identieke of vergelijkbare begrippen uniform moeten worden uitgelegd, maar dat men zich bij iedere zaak steeds moet afvragen of een uniforme uitlegging mogelijk is’.
Zie arrest Koelzsch (punt 45).
Zie voetnoot 22 van deze conclusie.
Zie arrest Koelzsch (punt 48). Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Koelzsch (C-29/10, EU:C:2010:789, punten 93–96).
Zie arrest Koelzsch (punt 50).
Het is belangrijk erop te wijzen dat de nationale rechterlijke instantie zich in haar beoordeling primordiaal moet laten leiden door de werkzaamheid van de werknemer en niet door die van de werkgever, zie van Calster, G., European Private International Law, Bloomsbury, 2016, blz. 111.
Zie arrest Koelzsch, punt 49. Dezelfde aanwijzingen zijn door het Hof in aanmerking genomen in het specifieke geval van zeevervoer [zie arrest Voogsgeerd (punt 38)]. In het specifieke geval van luchtvervoer heeft het Hof geoordeeld dat eveneens in aanmerking moet worden genomen op welke plaats de luchtvaartuigen aan boord waarvan het werk gewoonlijk wordt verricht gestationeerd zijn [zie arrest Nogueira e.a. (punt 64)].
Zie arrest Nogueira e.a. (punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 36 van deze conclusie.
Dit artikel is vervolgens artikel 19, lid 2, van de Brussel I-verordening geworden, dat thans zelf artikel 21, lid 1, onder b), i), van de Brussel I bis-verordening is geworden. Er zij aan herinnerd dat de Uniewetgever de formulering ‘van waaruit’ niet bij de vaststelling van de Brussel I-verordening aan eerstgenoemde bepaling heeft toegevoegd, maar wel aan laatstgenoemde bepaling bij de vaststelling van de Brussel I bis-verordening.
Zie, met betrekking tot werknemers die in meer dan één staat werkzaamheden op het gebied van handelsvertegenwoordiging verrichten, arresten van 13 juli 1993, Mulox IBC (C-125/92, EU:C:1993:306, punten 25 en 26; hierna ‘arrest Mulox IBC’), en Rutten (punten 25 en 27). Er zij aan herinnerd dat het Hof zich in het eerstgenoemde arrest voor het eerst heeft uitgesproken over de situatie waarin een werknemer zijn beroepswerkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht.
Artikel 8, lid 2, van de Rome I-verordening bepaalt dat ‘[v]oor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, […] de overeenkomst [wordt] beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’. Cursivering van mij.
Zoals in de rechtsleer is opgemerkt, beoogt deze verduidelijking een betere bescherming te bieden aan werknemers van wie de beroepswerkzaamheden een groot aantal verplaatsingen met zich brengen, zoals dat het geval is voor werknemers in het internationaal vervoer over de weg, via de lucht of over zee, aangezien deze werknemers vaak aan een vaste uitvalsbasis zijn verbonden. Zie in die zin Francq, S., ‘Le règlement Rome I sur la loi applicable aux obligations contractuelles. De quelques changements…’, Journal du droit international (Clunet), 2009, deel 36, nr. 1, blz. 41–69. Volgens advocaat-generaal Trstenjak is deze wijziging relevant omdat er met name mee wordt aangegeven dat deze bepaling ruim moet worden uitgelegd; zie haar conclusie in de zaak Koelzsch (C-29/10, EU:C:2010:789, punt 77).
Zie in dit verband voetnoot 40 van deze conclusie.
Punt 26 van dit arrest. Er zij aan herinnerd dat deze zaak een werknemer betrof die als kok in dienst was bij een werkgever die hem had uitgezonden naar maritieme installaties, eerst op het Nederlandse deel van het continentaal plat en vervolgens in de Deense territoriale wateren.
Zie punt 39 van deze conclusie. Weber beschikte immers niet in een van de verdragsluitende staten over een kantoor dat ‘het werkelijke centrum van zijn beroepswerkzaamheden was en van waaruit hij het merendeel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervulde’. Zie arrest Weber (punt 48).
Zie arrest Weber (punt 49).
Zie arrest Weber (punt 49 en dictum, punt 2).
Zie arrest Weber (punt 50). In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat in een dergelijk geval, waarin de werknemer gedurende de gehele betrokken arbeidsperiode voortdurend dezelfde activiteit voor zijn werkgever had uitgeoefend, het kwalitatieve criterium betreffende de aard en het belang van de op verschillende plaatsen in verdragsluitende staten verrichte arbeid, immers volkomen irrelevant was; zie arrest Weber (punt 51).
Zie arrest Weber (punt 58 en dictum, punt 2). Er zij aan herinnerd dat het temporele criterium al in vroegere rechtspraak van het Hof is opgedoken, in combinatie met een kwalitatief criterium waarbij rekening werd gehouden met het bestaan van een kantoor van waaruit de werknemer zijn beroepswerkzaamheden organiseert; zie in dit verband arrest Rutten (punt 27).
Zie arrest Weber (punt 52).
Zie arrest Weber (punt 58 en dictum, punt 2).
Zie arrest Weber (punt 54).
Zie arrest Weber (punten 53, 58 en dictum, punt 2). Met betrekking tot punt 53 van dit arrest wil ik erop wijzen dat het gebruik door het Hof van de formulering ‘nauwere aanknopingspunten met een andere plaats van arbeid heeft’, niet mag worden verward met de uitzonderingsbepaling in de laatste volzin van artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome. Er zij aan herinnerd dat het Hof in genoemd arrest uitlegging heeft gegeven aan artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel, waarin niet was voorzien in een dergelijke uitzonderingsbepaling.
Zie in dit verband de punten 48 en 50–57 van deze conclusie.
Punten 24–26 van dit arrest.
Punten 23 en 27 van dit arrest. Zie punt 43 van deze conclusie.
Zie punt 43 van deze conclusie.
Dit criterium is ontleend aan de aard en het belang van de op verschillende plaatsen in verdragsluitende staten verrichte arbeid, voor het geval dat een werkelijk centrum van de beroepswerkzaamheden van de werknemer kan worden aangeduid. Zie in die zin arrest Koelzsch (punten 48–50).
Dit criterium is ontleend aan de respectieve duur van de in elke verdragsluitende staat verrichte arbeid en is van toepassing wanneer de werknemer gedurende de gehele betrokken arbeidsperiode voortdurend dezelfde activiteit ten behoeve van zijn werkgever heeft verricht. Zie in die zin arrest Weber (punten 51 en 52).
Zie de punten 37 en 44 van deze conclusie.
Deze formulering, die niet mag worden verward met de uitzonderingsbepaling in de laatste volzin van artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome (zie voetnoot 53 van deze conclusie), lijkt te zijn geïnspireerd door punt 25 van het arrest Mulox IBC: ‘Verder zou de nationale rechter in aanmerking kunnen nemen dat op het moment waarop het hem voorgelegde geschil ontstond, de werknemer zijn werkzaamheden uitsluitend op het grondgebied van deze verdragsluitende staat verrichtte.’
Zie in die zin arrest Weber (punten 53 en 54).
Afgezien daarvan acht ik het van belang op te merken dat indien het voorwerp van het geschil aan het begin van de arbeidsverhouding is ontstaan, bijvoorbeeld wanneer het een schadevergoeding van de werknemer betreft wegens feiten die zich aan het begin van de contractuele relatie hebben voorgedaan, dit tijdvak door de nationale rechter in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de gewoonlijke plaats van arbeid.
Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de werknemer het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden gedurende twaalf maanden in een eerste land en tijdens de daaropvolgende tien maanden in een tweede land heeft verricht.
Dit temporele criterium zou kunnen worden gecombineerd met het kwalitatieve criterium, omdat de werknemer gedurende datzelfde tijdvak door zijn werkgever bij de Franse sociale zekerheid was aangesloten. Zie voetnoot 48 van deze conclusie.
Zie arrest Koelzsch (punt 42) en voetnoot 29 van deze conclusie.
Zoals de Commissie immers terecht benadrukt, kan dit doel namelijk niet worden bereikt wanneer de werknemer in het hoofdgeding niet op dezelfde wijze in aanmerking komt voor de door het Franse recht geboden bescherming bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als een andere werknemer die pas anderhalf jaar vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in dienst is genomen en die gedurende datzelfde tijdvak van anderhalf jaar meer dan de helft van zijn werkzaamheden in Frankrijk heeft verricht.
Zie arrest van 6 oktober 2009, ICF (C-133/08, EU:C:2009:617, punten 23 en 44).
Het Hof stelt drie voorwaarden: de duur van de verrichte arbeid op een bepaalde plaats, de duurzame verrichting van deze werkzaamheden op een andere plaats en de duidelijke wil van partijen dat die plaats de nieuwe plaats moet worden waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Zie arrest Weber (punt 54 en dictum, punt 2).
Zie punt 28 en voetnoot 15 van deze conclusie.
Dit aanknopingscriterium is opgenomen in artikel 19, lid 2, onder a), van de Brussel I-verordening, thans artikel 21, lid 1, onder b), i) van de Brussel I bis-verordening. Hoewel genoemd criterium niet altijd kan worden toegepast ter bepaling van het toepasselijke recht (tempus regit actum), kunnen forum en ius met elkaar samenvallen wanneer het voorwerp van het geschil aan het einde van de arbeidsverhouding is ontstaan. Aangezien de Brussel I-verordening op 1 maart 2002 in werking is getreden, of twee dagen na wijzing van het arrest Weber (punt 54), kan dit criterium overeenkomstig deze rechtspraak dienen ter aanwijzing van de bevoegde rechter wanneer het voorwerp van het geschil de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft, op voorwaarde dat er sprake is van een duidelijke wil van partijen en dat deze ‘laatste plaats’ bestendig en duurzaam is.
Zie de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak Koelzsch (C-29/10, EU:C:2010:789, punt 81).