Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 05-03-2020, nr. C-69/19 P
ECLI:EU:C:2020:178
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
05-03-2020
- Magistraten
L. S. Rossi, J. Malenovský, N. Wahl
- Zaaknummer
C-69/19 P
- Roepnaam
Credito Fondiario/CRU
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2020:178, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑03‑2020
Uitspraak 05‑03‑2020
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Economische en Monetaire Unie — Bankenunie — Herstel en afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen — Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) — Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) — Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) — Vaststelling van de vooraf te betalen bijdrage voor 2016 — Beroep tot nietigverklaring — Beroepstermijn — Tardiviteit — Exceptie van onwettigheid — Kennelijke niet-ontvankelijkheid’
L. S. Rossi, J. Malenovský, N. Wahl
Partij(en)
In zaak C-69/19 P*,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 januari 2019,
Credito Fondiario SpA, gevestigd te Rome (Italië), aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Sciaudone, S. Frazzani, A. Neri en F. Iacovone, avvocati, vervolgens door F. Sciaudone, A. Neri en F. Iacovone, avvocati,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door H. Ehlers als gemachtigde, bijgestaan door S. Ianc, B. Meyring, T. Klupsch en S. Schelo, Rechtsanwälte, en M. Caccialanza en A. Villani, avvocati,
verweerder in eerste aanleg,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, K.-P. Wojcik en A. Steiblytė als gemachtigden,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: L. S. Rossi, kamerpresident, J. Malenovský en N. Wahl (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt Credito Fondiario SpA om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 19 november 2018, Credito Fondiario/GAR (T-661/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:806; hierna: ‘bestreden beschikking’), houdende verwerping van haar beroep tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de bestuursvergadering van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 15 april 2016 betreffende de voor 2016 vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) te betalen bijdragen (SRB/ES/SRF/2016/06) (hierna: ‘eerste litigieus besluit’), alsmede van het besluit van de bestuursvergadering van de GAR van 20 mei 2016 betreffende de aanpassing van de voor 2016 vooraf aan het GAF te betalen bijdragen, dat is vastgesteld ter aanvulling van het eerste litigieuze besluit (SRB/ES/SRF/2016/13) (hierna: ‘tweede litigieus besluit’ en, gezamenlijk met het eerste litigieuze besluit, ‘litigieuze besluiten’), voor zover zij rekwirante betreffen, en, ten tweede, vaststelling van de onrechtmatigheid van artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44, met rectificatie in PB 2016, L 233, blz. 1), alsook van bijlage I daarbij of, in voorkomend geval, van de gehele gedelegeerde verordening.
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 54, lid 1, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1) luidt:
‘De [GAR] heeft in zijn bestuursvergadering de volgende taken:
- a)
alle besluiten voorbereiden die door de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering moeten worden genomen;
- b)
alle besluiten nemen om deze verordening uit te voeren, tenzij in deze verordening anders wordt bepaald.’
3
Artikel 70 van verordening nr. 806/2014, met als opschrift ‘Vooraf te betalen bijdragen’, bepaalt in lid 2:
‘Elk jaar berekent de [GAR], na raadpleging van de [Europese Centrale Bank (ECB)] of de nationale bevoegde autoriteit en in nauwe samenwerking met de nationale afwikkelingsautoriteiten, de individuele bijdragen om ervoor te zorgen dat de bijdragen die alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend, verschuldigd zijn, niet meer bedragen dan 12,5 % van het streefbedrag.
Elk jaar wordt de berekening van de bijdragen van individuele instellingen gebaseerd op:
- a)
een vaste bijdrage op basis van de verhouding tussen het bedrag van de passiva van de instelling (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito's) en het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito's) van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van de deelnemende lidstaten vergunning is verleend; en
- b)
een voor risico's aangepaste bijdrage op basis van de criteria in artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190)], rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, zonder verstoringen tussen de structuren van de banksector in de lidstaten te creëren.
De verhouding tussen de vaste bijdrage en de voor risico's aangepaste bijdragen houdt rekening met een evenwichtige verdeling van de bijdragen tussen de verschillende soorten banken.
In ieder geval bedraagt het totale bedrag van de overeenkomstig de punten a) en b) berekende bijdragen van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend, op jaarbasis niet meer dan 12,5 % van het streefbedrag.’
4
Artikel 5 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening nr. 806/2014 (PB 2015, L 15, blz. 1) bepaalt:
- ‘1.
De [GAR] stelt de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten in kennis van zijn besluiten tot berekening van de jaarlijkse bijdragen van de instellingen waaraan op hun respectieve grondgebied vergunning is verleend.
- 2.
Na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving brengt elke nationale afwikkelingsautoriteit elke instelling waaraan in haar lidstaat vergunning is verleend, op de hoogte van het besluit van de [GAR] tot berekening van de door die instelling verschuldigde bijdrage.’
5
Artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 luidt:
‘Bij de berekening van de in artikel 103, lid 2, van [richtlijn 2014/59] bedoelde bijdragen worden de volgende passiva buiten beschouwing gelaten:
[…]
- f)
in geval van instellingen die stimuleringsleningen verstrekken, de verplichtingen van de bemiddelende instelling jegens de initiërende of een andere ontwikkelingsbank, dan wel een andere bemiddelende instelling, en de verplichtingen van de oorspronkelijke ontwikkelingsbank jegens de partijen die haar financieren, voor zover tegenover het bedrag van die verplichtingen stimuleringsleningen van de instelling in kwestie staan.’
Voorgeschiedenis van het geding
6
De voorgeschiedenis van het geding wordt weergegeven in de punten 1 tot en met 10 van de bestreden beschikking en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.
7
Bij het eerste litigieuze besluit heeft de bestuursvergadering van de GAR op 15 april 2016 haar goedkeuring gehecht aan de bijdragen die voor 2016 vooraf aan het GAF moesten worden betaald. De GAR heeft van dat besluit kennisgegeven aan de nationale afwikkelingsautoriteiten (hierna: ‘NAA's’), die belast zijn met de inning van de individuele bijdragen bij de betrokken banken op hun respectieve grondgebied.
8
Tegen deze achtergrond heeft de Banca d'Italia (Italiaanse centrale bank) als Italiaanse nationale afwikkelingsautoriteit rekwirante bij nota nr. 585762/16 van 3 mei 2016, die op dezelfde dag is ontvangen, ervan in kennis gesteld dat de GAR de door haar voor 2016 vooraf te betalen bijdrage aan het GAF had vastgesteld en haar het bedrag ervan meegedeeld.
9
Bij het tweede litigieuze besluit heeft de bestuursvergadering van de GAR op 20 mei 2016 de voor 2016 vooraf aan het GAF te betalen bijdragen aangepast en de bijdrage van rekwirante verhoogd.
10
Dit tweede besluit is eveneens ter kennis gebracht van de NAA's en bij nota nr. 709489/16 van 27 mei 2016, ontvangen op 30 mei 2016, heeft de Banca d'Italia rekwirante meegedeeld dat zij het bedrag van de aldus vastgestelde verhoging diende te betalen.
11
Rekwirante heeft de Banca d'Italia gevraagd om de berekeningswijze en de motivering van het bedrag van haar bijdrage toe te lichten.
12
Op 15 juni 2016 heeft rekwirante de Banca d'Italia en de GAR meegedeeld dat zij bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) beroep had ingesteld waarbij zij verzocht om voorlopige maatregelen te gelasten en vervolgens de nota's nrs. 585762/16 en 709489/16 van de Banca d'Italia nietig te verklaren. In het kader van die procedure heeft de Banca d'Italia de litigieuze besluiten als bijlage bij haar verweerschrift van 8 juli 2016 gevoegd.
13
Bij beschikking van 14 juli 2016 heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio het verzoek om voorlopige maatregelen van rekwirante afgewezen.
Beroep bij het Gerecht en bestreden beschikking
14
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 september 2016, heeft rekwirante het in punt 1 van dit arrest bedoelde beroep ingesteld.
15
Tot staving van haar beroep voerde rekwirante zeven middelen aan. Eerste middel: de kennisgeving van de litigieuze besluiten was gebrekkig. Tweede middel: deze besluiten zijn ontoereikend gemotiveerd en schenden het beginsel van hoor en wederhoor. Derde middel: artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening 2015/63 is onjuist toegepast. Vierde middel: schending van artikel 4, lid 1, en artikel 6 van gelegeerde verordening 2015/63. Vijfde middel: schending van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’). Zesde middel: schending van het evenredigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel. Zevende middel: schending van artikel 16 van het Handvest.
16
Bij de bestreden beschikking, vastgesteld op grond van artikel 126 van zijn Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht, zonder uitspraak te doen over de door rekwirante aangevoerde middelen, het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en rekwirante verwezen in de kosten.
Conclusies van partijen voor het Hof
17
Rekwirante verzoekt het Hof:
- —
de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;
- —
de GAR te verwijzen in de kosten van de twee instanties, en
- —
subsidiair, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het Gerecht rekwirante daarbij heeft verwezen in de kosten van de GAR, en naar billijkheid te beslissen over de kosten van de procedure in eerste aanleg.
18
De GAR verzoekt het Hof:
- —
het hoger beroep ten dele niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond te verklaren, en
- —
rekwirante te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en in die van de procedure voor het Gerecht.
19
De Italiaanse Republiek verzoekt het Hof de hogere voorziening toe te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen.
20
De Europese Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen wat de ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg tegen het eerste litigieuze besluit betreft;
- —
uitspraak te doen als naar recht over de ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg tegen het tweede litigieuze besluit, en,
- —
als de hogere voorziening wordt afgewezen, rekwirante te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van die in eerste aanleg.
Hogere voorziening
21
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vijf middelen aan. Eerste middel: het Gerecht heeft de feiten juridisch onjuist gekwalificeerd wat betreft de datum waarop zij kennis heeft gekregen van de litigieuze besluiten en wat betreft de beoordeling van de vraag of de termijn waarbinnen zij heeft gehandeld onredelijk was. Tweede middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en de toepassing van de rechtspraak betreffende de redelijke termijn waarbinnen de betrokkene om mededeling van de aan te vechten handeling moet verzoeken indien deze niet wordt bekendgemaakt of indien hiervan geen kennisgeving wordt gedaan. Derde middel: schending van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en haar rechten van verdediging. Vierde middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het verzoek op grond van artikel 277 VWEU. Vijfde en laatste, subsidiair aangevoerd middel: voor het geval het Hof de hogere voorziening zou afwijzen, moet de bestreden beschikking worden vernietigd voor zover het Gerecht rekwirante heeft verwezen in haar eigen kosten en in die van de GAR.
Eerste en tweede middel
Argumenten van partijen
22
Met het eerste en tweede middel, die samen moeten worden behandeld, stelt rekwirante, daarin in wezen ondersteund door de Italiaanse Republiek, dat het Gerecht gedwaald heeft ten aanzien van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de rechtspraak inzake de redelijke termijn waarbinnen de betrokkene om mededeling van de aan te vechten handeling moet verzoeken indien deze niet wordt bekendgemaakt of indien hiervan geen kennisgeving wordt gedaan, alsook dat het Gerecht de feiten tweemaal juridisch verkeerd heeft gekwalificeerd.
23
Ten eerste heeft het Gerecht op basis van onjuiste informatie de feiten juridisch verkeerd gekwalificeerd wat betreft de datum waarop rekwirante van het bestaan van de litigieuze besluiten kennis heeft gekregen. Aangezien het Gerecht niet heeft verklaard waarom de ‘nauwe samenwerking’ tussen de GAR en de NAA's in dit verband irrelevant was, is de bestreden beschikking bovendien ontoereikend gemotiveerd.
24
Ten tweede is de door het Gerecht aangehaalde rechtspraak inzake de redelijke termijn waarbinnen de betrokkene om mededeling van de aan te vechten handeling moet verzoeken indien deze niet wordt bekendgemaakt of indien hiervan geen kennisgeving wordt gedaan, niet relevant en heeft het Gerecht de feiten juridisch verkeerd gekwalificeerd door te oordelen dat rekwirante niet binnen een redelijke termijn om mededeling van de litigieuze besluiten had gevraagd.
25
De GAR stelt dat het eerste en het tweede middel niet-ontvankelijk zijn omdat rekwirante tot staving van deze middelen dezelfde argumenten aanvoert en de feitelijke vaststellingen van het Gerecht betwist maar niet aanvoert dat de feiten of het bewijs onjuist zijn opgevat.
26
De GAR betoogt dat deze middelen in ieder geval ongegrond zijn. Naast het feit dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwirante via nota's nrs. 585762/16 en 709489/16 van de Banca d'Italia kennis had gekregen van het bestaan van de litigieuze besluiten, is de bestreden beschikking op dit punt immers toereikend gemotiveerd en heeft rekwirante naar eigen zeggen niet om mededeling van deze besluiten verzocht en daartoe geen concrete stappen ondernomen.
27
Bovendien heeft het Gerecht terecht herinnerd aan de rechtspraak inzake de redelijke termijn waarbinnen de betrokkene om mededeling van de aan te vechten handeling moet verzoeken, maar heeft het Gerecht deze in casu niet toegepast en heeft het zich daaromtrent dus niet vergist.
28
De Commissie ondersteunt de GAR maar refereert zich ten gronde aan het oordeel van het Hof met betrekking tot het tweede litigieuze besluit.
Beoordeling door het Hof
29
Wat de ontvankelijkheid van het eerste en tweede middel betreft, moet worden opgemerkt dat rekwirante afzonderlijke argumenten aanvoert tot staving van de gestelde onjuiste rechtsopvatting. Zij betwist de feitelijke vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot de relevante data niet, maar zij stelt in wezen dat deze data door het Gerecht niet konden worden beschouwd als de data waarop zij kennis had genomen van het bestaan van de litigieuze besluiten in de zin van artikel 263 VWEU. Bijgevolg voert zij aan dat het Gerecht de feiten tweemaal juridisch verkeerd heeft gekwalificeerd, hetgeen een rechtsvraag is die in het kader van een hogere voorziening aan de orde kan worden gesteld en door het Hof kan worden getoetst (zie arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, EU:C:1994:211, punt 49, en 23 november 2017, Bionorica en Diapharm/Commissie, C-596/15 P en C-597/15 P, EU:C:2017:886, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Bijgevolg zijn het eerste en het tweede middel ontvankelijk.
31
Wat de grond van de zaak betreft heeft het Gerecht, om het beroep krachtens artikel 263 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van de litigieuze besluiten kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren — na te hebben vastgesteld dat deze besluiten niet waren bekendgemaakt en evenmin ter kennis waren gebracht van rekwirante, aan wie zij niet gericht waren —, erop gewezen dat in een dergelijk geval de beroepstermijn volgens de rechtspraak pas ingaat op het moment waarop de betrokkene kennis heeft van de exacte inhoud en motivering van de betrokken handeling, mits hij binnen een redelijke termijn de volledige tekst ervan aanvraagt. In dit verband heeft het Gerecht vastgesteld dat rekwirante respectievelijk op 3 en 30 mei 2016 kennis heeft gekregen van het bestaan van de litigieuze besluiten via nota's nrs. 585762/16 en 709489/16 van de Banca d'Italia, en dat zij überhaupt niet om mededeling van die besluiten had verzocht, laat staan binnen een redelijke termijn. Aangezien rekwirante niet heeft aangevoerd of aangetoond dat er sprake was van toeval of overmacht op grond waarvan er van de beroepstermijn kon worden afgeweken, heeft het Gerecht geoordeeld dat het op 19 september 2016 krachtens artikel 263 VWEU ingestelde beroep kennelijk te laat was ingesteld en kennelijk niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
32
Om te bepalen of het Gerecht de feiten juridisch onjuist heeft gekwalificeerd wat betreft de data waarop rekwirante kennis heeft gekregen van het bestaan van de litigieuze besluiten, moet in de eerste plaats in aanmerking worden genomen dat het Gerecht zich in de punten 38 en 39 van de bestreden beschikking op twee elementen heeft gebaseerd.
33
Zo heeft het Gerecht ten eerste benadrukt dat op de documenten en de vragenlijsten die rekwirante had ontvangen om de gegevens te verstrekken waarmee haar individuele bijdrage aan het GAF kon worden berekend, de toepasselijke rechtsgrondslagen vermeld waren en rekwirante daarin werd meegedeeld dat die bijdrage door de GAR werd berekend. Ten tweede heeft het Gerecht verwezen naar nota's nrs. 585762/16 en 709489/16 van de Banca d'Italia, die respectievelijk op 3 en 30 mei 2016 ter kennis van rekwirante zijn gebracht en waarin stond te lezen dat haar door de GAR berekende bijdrage voor het GAF bestemd was.
34
Uit deze nota's, die aan rekwirante waren toegezonden toen zij reeds de voor de berekening van de individuele bijdragen door de GAR noodzakelijke documenten en vragenlijsten had ontvangen en ingevuld, kon het Gerecht afleiden dat rekwirante respectievelijk op 3 en 30 mei 2016 kennis had genomen van het bestaan van de litigieuze besluiten, zonder daarbij blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting.
35
De argumenten van rekwirante laten die beoordeling onverlet.
36
De omstandigheid dat rekwirante pas op 8 juli 2016 volledige kennis kreeg van de motivering van de litigieuze besluiten, namelijk toen de Banca d'Italia haar verweerschrift met deze besluiten als bijlage heeft ingediend in de door rekwirante bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio ingeleide procedure, wil ten eerste geenszins zeggen dat rekwirante vóór die datum niet op de hoogte was van het bestaan van die besluiten.
37
Ten tweede doet het niet ter zake dat de Banca d'Italia in nota's nrs. 585762/16 en 709489/16 niet de precieze data waarop de litigieuze besluiten zijn vastgesteld, noch de toepasselijke Unieregeling en de juiste rechtsgrondslagen heeft vermeld. Deze omstandigheden hebben immers niet alleen geen betrekking op de kennisneming door rekwirante van het bestaan van de litigieuze besluiten, zij beletten bovenal niet dat rekwirante op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze besluiten aan de hand van de gegevens die het Gerecht in de punten 38 en 39 van de bestreden beschikking aanhaalt.
38
Ten derde heeft het Gerecht in punt 30 van de bestreden beschikking vastgesteld dat de GAR de auteur van de litigieuze besluiten was zonder daaruit enige conclusie te trekken over de datum waarop rekwirante kennis van die besluiten had gekregen, zodat het door rekwirante aangevoerde gebrek aan motivering irrelevant is voor de juridische kwalificatie van de feiten.
39
Hieruit volgt dat het Gerecht de juiste gevolgen heeft verbonden aan zijn eigen feitelijke vaststellingen en de feiten niet juridisch onjuist heeft gekwalificeerd door te oordelen dat rekwirante op 3 en 30 mei 2016 op de hoogte was gesteld van het bestaan van de litigieuze besluiten.
40
In de tweede plaats stelt rekwirante dat het Gerecht gedwaald heeft ten aanzien van het recht door de rechtspraak inzake de redelijke termijn waarbinnen de betrokkene om mededeling van de aan te vechten handeling moet verzoeken indien deze niet wordt bekend gemaakt of hiervan geen kennisgeving wordt gedaan, onjuist uit te leggen en toe te passen, en dat het Gerecht de feiten juridisch onjuist heeft gekwalificeerd door te oordelen dat zij niet binnen een redelijke termijn om mededeling van de litigieuze besluiten had verzocht.
41
Dienaangaande volstaat het op te merken dat het Gerecht de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring niet heeft gebaseerd op het feit dat rekwirante buiten een redelijke termijn om mededeling van de litigieuze besluiten had verzocht, en deze rechtspraak dus niet heeft toegepast. In punt 47 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht immers beklemtoond dat rekwirante niet om mededeling van deze besluiten heeft verzocht nadat zij kennis van hun bestaan had gekregen.
42
Hieruit volgt dat het Gerecht wat die rechtspraak betreft niet heeft kunnen dwalen ten aanzien het recht.
43
Daarom moeten het eerste en het tweede middel van de hogere voorziening ongegrond worden verklaard.
Derde middel
Argumenten van partijen
44
Met het derde middel, betreffende schending van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en van de rechten van de verdediging, betwist rekwirante de kennelijke niet-ontvankelijkheid van haar beroep in eerste aanleg en voegt zij daaraan toe dat dit beroep is verworpen zonder dat zij een standpunt heeft kunnen innemen over de niet-ontvankelijkheid, die de GAR overigens niet had aangevoerd.
45
De GAR twijfelt aan de ontvankelijkheid van dit middel en acht het in ieder geval ongegrond. De Commissie betoogt dat dit middel niet ter zake dienend is.
Beoordeling door het Hof
46
Wat de ontvankelijkheid van het derde middel betreft, dient enerzijds te worden opgemerkt dat rekwirante uitvoerige argumenten heeft aangevoerd om aan te tonen dat haar beroep in eerste aanleg niet kennelijk niet-ontvankelijk was en dat haar rechten van verdediging zijn geschonden, en anderzijds dat de vraag of het Gerecht artikel 126 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft geschonden, een rechtsvraag is die vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie naar analogie arrest van 1 juli 1999, Alexopoulou/Commissie, C-155/98 P, EU:C:1999:345, punten 9-15; zie in die zin arrest van 6 juni 2018, Apcoa Parking Holdings/EUIPO, C-32/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:396, punten 21-24).
47
Hieruit volgt dat dit middel ontvankelijk is.
48
Wat in de eerste plaats de gestelde schending van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht betreft, moet ten gronde worden beklemtoond dat het Gerecht, indien het van oordeel is dat het door de stukken in een dossier voldoende is ingelicht, op grond van deze bepaling te allen tijde kan beslissen om bij een met redenen omklede beschikking uitspraak te doen (zie in die zin beschikking van 29 oktober 2004, Ripa di Meana/Parlement, C-360/02 P, EU:C:2004:690, punt 35).
49
Er zij ook op gewezen dat de kennelijke niet-ontvankelijkheid bij toepassing van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet alleen duidelijk kan zijn in die zin dat zij in een vroeg stadium van de procedure wordt ontdekt, gelet op met name het stuk dat het geding inleidt, maar ook in de zin dat er geen twijfel over bestaat, met name gelet op de vaste rechtspraak van het Hof.
50
Vastgesteld moet worden dat het Gerecht, om het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, zich in casu in de punten 36 en 51 van de bestreden beschikking op vaste rechtspraak heeft gebaseerd.
51
Rekwirantes argument dat de niet-ontvankelijkheid wegens tardiviteit van het beroep in eerste aanleg niet kennelijk was omdat zij niet te wijten was aan het feit dat de termijn van twee maanden voor het instellen van het beroep niet in acht was genomen, maar aan de beoordeling van de redelijkheid van de termijn waarbinnen de betrokkene om mededeling van de bestreden handeling moet verzoeken, kan in dat verband niet slagen.
52
Uit punt 47 van de bestreden beschikking blijkt immers duidelijk dat het Gerecht de redelijkheid van de termijn in casu niet heeft beoordeeld, aangezien rekwirante niet om mededeling van de litigieuze besluiten had verzocht.
53
Anders dan rekwirante stelt, was het feit dat het Gerecht de zaak heeft onderzocht, dat het verzoeken tot interventie heeft ingewilligd en dat het maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie heeft getroffen, bovendien geen beletsel om op grond van artikel 126 van zijn Reglement voor de procesvoering een beschikking van kennelijke niet-ontvankelijkheid te geven. In het bijzonder kan de vaststelling van dergelijke maatregelen, die met name tot doel hebben om het voldingen van de zaken en het procesverloop mogelijk te maken, op zich niet in de weg staan aan het geven van een beschikking op die grondslag (zie in die zin arrest van 19 januari 2006, AIT/Commissie, C-547/03 P, EU:C:2006:46, punten 28-30).
54
Aangezien de ontvankelijkheid van het beroep een middel van openbare orde is dat ambtshalve door het Gerecht moet worden opgeworpen, is de vaststelling van een beschikking op grond van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ten slotte niet afhankelijk van de voorwaarde dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist. In casu maakt het voor de beoordeling van de kennelijke niet-ontvankelijkheid dus geen verschil dat de GAR, verweerder in het kader van het beroep voor het Gerecht, niet heeft aangevoerd dat het beroep te laat was ingesteld (zie in die zin beschikking van 17 juli 2014, Melkveebedrijf Overenk e.a./Commissie, C-643/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2118, punt 38).
55
Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was in de zin van artikel 126 van zijn Reglement voor de procesvoering.
56
Wat in de tweede plaats de gestelde schending van rekwirantes rechten van verdediging betreft, moet worden opgemerkt dat de toepassing van de procedure van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgens vaste rechtspraak op zich geen afbreuk doet aan een regelmatige en doeltreffende rechtsprocedure, aangezien deze bepaling slechts van toepassing is op zaken waarin het bij het Gerecht ingestelde beroep kennelijk moet worden verworpen (zie naar analogie arrest van 19 februari 2009, Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement, C-308/07 P, EU:C:2009:103, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Uit de punten 43 en 55 van het onderhavige arrest volgt echter dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Bijgevolg kan rekwirante niet slagen met het argument dat de vaststelling van een beschikking op grond van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft geleid tot schending van haar rechten van verdediging, en dat artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in casu een geschiktere rechtsgrondslag vormde, aangezien het garandeert dat de rechten van de verdediging geëerbiedigd worden.
58
Gelet op de voorgaande overwegingen moet het derde middel ongegrond worden verklaard.
Vierde middel
Argumenten van partijen
59
Met het vierde middel stelt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door haar verzoek krachtens artikel 277 VWEU niet-ontvankelijk te verklaren omdat het op artikel 263 VWEU gebaseerde beroep kennelijk niet-ontvankelijk was.
60
De GAR, ondersteund door de Commissie, stelt dat dit middel ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
61
Na erop te hebben gewezen dat de mogelijkheid om zich krachtens artikel 277 VWEU te beroepen op de onrechtmatigheid van een handeling van algemene strekking geen autonoom vorderingsrecht vormt en niet kan worden benut wanneer een primair beroepsrecht ontbreekt, heeft het Gerecht geoordeeld dat rekwirantes verzoek tot vaststelling van de gehele of gedeeltelijke onrechtmatigheid van gedelegeerde verordening 2015/63 kennelijk niet-ontvankelijk was omdat zij niet over een autonoom vorderingsrecht beschikte om de onrechtmatigheid van een handeling van algemene strekking aan te voeren.
62
Bovendien heeft het Gerecht benadrukt dat aangezien met dit verzoek impliciet maar noodzakelijkerwijs de vaststelling van onrechtmatigheid werd beoogd in het kader van het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze besluiten, de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, voor zover het tegen die besluiten gericht was, leidde tot de niet-ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid.
63
Met het vierde middel voert rekwirante alleen aan, onder verwijzing naar de argumenten ter ondersteuning van haar eerste twee middelen, dat het Gerecht het op artikel 263 VWEU gebaseerde verzoek ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij leidt daaruit af dat het Gerecht zich op een onjuiste premisse heeft gebaseerd om het op artikel 277 VWEU gebaseerde verzoek tot vaststelling van de gehele of gedeeltelijke onrechtmatigheid van gedelegeerde verordening 2015/63 kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
64
Uit de afwijzing van de eerste drie middelen van de hogere voorziening volgt echter dat de vaststelling van het Gerecht dat het op artikel 263 gebaseerde verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was, niet ter discussie is gesteld. Derhalve heeft het Gerecht overeenkomstig vaste rechtspraak terecht geoordeeld dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak ertoe leidt dat de op artikel 277 VWEU gebaseerde exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk was (zie beschikkingen van 28 juni 1993, Donatab e.a./Commissie, C-64/93, EU:C:1993:266, punten 19 en 20, en 8 december 2006, Polyelectrolyte Producers Group/Commissie en Raad, C-368/05 P, niet gepubliceerd, EU:C:2006:771, punt 72).
65
Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen.
Vijfde middel
Argumenten van partijen
66
Subsidiair, en voor het geval het Hof de hogere voorziening zou afwijzen, verzoekt rekwirante om vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het Gerecht haar heeft verwezen in haar eigen kosten en in die van de GAR. Aangezien de handelswijze van de GAR ertoe heeft bijgedragen dat het onderzoek van de zaak voor het Gerecht langer duurde en de kosten hoger waren, had het Gerecht immers gebruik moeten maken van de in artikel 135 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde mogelijkheden.
67
De GAR en de Commissie betogen dat dit middel niet-ontvankelijk is. De GAR voegt hieraan toe dat het middel in ieder geval ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
68
Volgens vaste rechtspraak moeten, wanneer alle andere middelen in hogere voorziening zijn afgewezen, de conclusies betreffende de vermeende onregelmatigheid van de beslissing van het Gerecht over de kosten niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 58, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, volgens hetwelk een hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten (arrest van 30 januari 2020, České dráhy/Commissie, C-538/18 P en C-539/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:53, punten 85 en 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Aangezien in casu de eerste vier middelen van de hogere voorziening zijn afgewezen, moet het vijfde en laatste middel, betreffende de verdeling van de proceskosten, niet-ontvankelijk worden verklaard.
70
Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Kosten
71
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd.
72
Aangezien de GAR heeft geconcludeerd tot verwijzing van rekwirante in de kosten en deze laatste in het ongelijk is gesteld, dient zij in haar eigen kosten te worden verwezen alsook in die van de GAR.
73
Ingevolge artikel 140, lid 1, van dat Reglement, bepalende dat de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten dragen, zullen de Italiaanse Republiek en de Commissie hun eigen kosten dragen.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart:
- 1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
Credito Fondiario SpA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad.
- 3)
De Italiaanse Republiek en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑03‑2020