De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.6:3.6 Aanpassing van het enquêterecht 2013
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.6
3.6 Aanpassing van het enquêterecht 2013
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372086:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
S.M. Bartman & M. Holtzer, ‘Enquêterecht voorzichtig onder het mes’, Ondernemingsrecht 2010, p. 76-86.
Kamerstukken TK 32887, nr. 3 (MvT), p. 3.
Kamerstukken TK 32887, nr. 3 (MvT), p. 39 en 40 en nr. 6 (NAV), p. 3, 4 en 31.
Kamerstukken TK 32887, nr. 6 (NAV), p. 11.
HR 23 maart 2012, NJ 2012, 393 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2012/141 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction II).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door het invoeren van onmiddellijke voorzieningen was het instrumentarium van de ondernemingskamer in die zin compleet dat zij voor alle organisatorische problemen waarmee rechtspersonen kampen wel een oplossing kon bieden. Dat wil niet zeggen dat de oplossing, die de ondernemingskamer met haar instrumenten kan bieden, altijd ideaal is. Uit dit onderzoek mag wel blijken dat er ruimte voor verbetering is. In het bijzonder zij verwezen naar slotwoord.
Deze observaties sluiten aan bij de opvattingen van de wetgever toen in 2013 het enquêterecht – om het in de woorden van Bartman en Holtzer1 te zeggen – voorzichtig onder het mes ging. De wetgever meende dat geen sprake was van fundamentele problemen met het systeem van het enquêterecht. Wel zag de wetgever ruimte voor verbetering.2 De aandacht van de wetgever ging echter nauwelijks uit naar de (onmiddellijke) voorzieningen die de ondernemingskamer kan treffen.
Er vond alleen wat fine tuning plaats ten aanzien van de (onmiddellijke) voorzieningen waarbij de ondernemingskamer functionarissen benoemt. In de praktijk was gebleken dat het functioneren van dergelijke (onmiddellijke) voorzieningen kan worden ondermijnd, indien deze functionarissen aansprakelijk worden gesteld. Met het oog daarop werd in de wet opgenomen dat de kosten die deze functionarissen moeten maken in verband met hun aansprakelijkstelling, door de rechtspersoon moeten worden vergoed voor zover het gaat om redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten. Ook werden bepalingen toegevoegd ten aanzien van de vergoeding die de door de ondernemingskamer benoemde functionarissen ontvangen.3
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel kwamen echter ook kwesties omtrent (onmiddellijke) voorzieningen aan de orde, terwijl dat in het wetsvoorstel niet zo was. Zo was de reikwijdte van de toelichting door de minister van Justitie op de nieuw in te voeren bepalingen soms vrij ruim in de zin dat ook andere kwesties werden aangesneden. Zo werd in het kader van de bepalingen omtrent de kosten die door de ondernemingskamer benoemde functionarissen moeten maken in verband met hun aansprakelijkstelling ook ingegaan op de aansprakelijkheidsnorm voor deze functionarissen en op de vraag wie aan hen decharge kan verlenen.4
Daarnaast zagen leden van de Tweede Kamer in het wetsvoorstel aanleiding om allerlei vragen over het enquêterecht te stellen. Een deel van deze vragen had betrekking op (onmiddellijke) voorzieningen. Het verband tussen deze vragen en het voorliggende wetsvoorstel hield soms niet veel meer in dan dat beide op het enquêterecht zagen. Anders gezegd, vroegen de desbetreffende Tweede Kamerleden de minister soms om reeds aangenomen wetsbepalingen, die niet werden gewijzigd, toch van een aanvullende toelichting te voorzien. Het is niet duidelijk hoeveel gewicht kan worden toegekend aan de antwoorden van de minister op dergelijke vragen. Bij wijze van voorbeeld noem ik de vraag van de leden van de VVD-fractie of belanghebbenden in de periode tussen de deponering van het verslag en de indiening van het wanbeleid-verzoek om een onmiddellijke voorziening kunnen verzoeken als hiertoe in spoedeisende gevallen aanleiding bestaat. In zijn antwoord meldde de minister dat belanghebbenden geen zelfstandig recht hebben om om onmiddellijke voorzieningen te verzoeken als anderen daar niet om verzocht hebben en dat hij geen aanleiding zag om dat te wijzigen.5 Dat was op 2 februari 2012. Op 23 maart 2012 besliste de Hoge Raad dat belanghebbenden dat recht wel hebben. Mogelijk heeft de Hoge Raad de desbetreffende opmerkingen van de minister over het hoofd gezien.6 Deze uitspraak zou echter ook kunnen worden gezien als bewijs dat pogingen tot parlementaire toelichting achteraf weinig zin hebben.
Daarnaast kwam ter sprake of een nieuwe voorziening zou moeten worden ingevoerd, te weten een definitieve overdracht van aandelen. Kort gezegd, schoof de wetgever deze kwestie op de lange baan. In par. 8.3.3.6 en 8.3.3.7 wordt daarop teruggekomen.