Hof Amsterdam, 08-02-2007, nr. 1368/05
ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7432
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
08-02-2007
- Magistraten
Mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann, H.J. de Kluiver
- Zaaknummer
1368/05
- LJN
BA7432
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7432, Uitspraak, Hof Amsterdam, 08‑02‑2007
Uitspraak 08‑02‑2007
Mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann, H.J. de Kluiver
Partij(en)
ARREST
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
APPELLANT,
procureur: mr. E.S. Lassche,
tegen
de naamloze vennootschap ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. S.A. van der Sluijs.
Het geding in hoger beroep
1.1.
Appellant zal worden aangeduid met [appellant] en geïntimeerde met ING Bank.
1.2.
[appellant] is bij dagvaarding van 18 juli 2005 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam in deze zaak onder rolnummer 296243 HA ZA 04-2562 tussen [appellant] als eiser en ING Bank als gedaagde heeft gewezen en op 15 juni 2005 heeft uitgesproken.
1.3.
[appellant] heeft bij memorie van grieven gediend tegen het vonnis waarvan beroep, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ING Bank in de kosten van de procedure in beide instanties.
1.4.
Daarna heeft ING Bank bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
1.5.
Vervolgens hebben partijen gepleit, [appellant] bij monde van mr. [advocaat 1], advocaat te [plaats] en ING Bank bij monde van mr. [advocaat 2], advocaat te [plaats]. Mr. [advocaat 1] heeft pleitnotities overgelegd.
1.6.
Ten slotte is op de stukken van het geding arrest gevraagd.
2. Grieven
[appellant] heeft twee grieven voorgesteld. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.
3. Feiten
3.1.
De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in rechtsoverweging 1., onder 1.1. tot en met 1.8., een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt.
3.2.
Nu geen grieven tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zijn gericht, zal ook het hof van die feiten uitgaan.
4. Beoordeling
4.1.
Aan deze zaak is het volgende voorafgegaan.
4.1.1.
Tussen [appellant] en ING Bank is op 6 november 1998 onder nummer [nummer] een hypothecaire geldleningovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 95.000,- (hierna: de eerste hypothecaire geldlening). Op het woonhuis van [appellant], gelegen een het [adres] te [plaats] (hierna: het woonhuis), is ten behoeve van de ING Bank een recht van hypotheek gevestigd.
4.1.2.
De rechtbank te Middelburg heeft bij vonnis van 26 juli 2000 ten aanzien van [appellant] de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling krachtens de Wet Schuldsaneringnatuurlijke personen (hierna: WSNP) uitgesproken. Daarbij is mr. J.C. van den Doel te Zierikzee (hierna: mr. Van den Doel) tot bewindvoerder benoemd.
4.1.3.
ING Bank heeft bij brief van 4 augustus 2000 aan de bewindvoerder van [appellant] onder meer medegedeeld:
‘Tengevolge van het feit dat op de heer [appellant] een (voorlopige) schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, is opgemelde eerste hypothecaire geldlening opeisbaar geworden.
Wij delen u mede dat wij als eerste hypotheekhouder van onze rechten als bedoeld in artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek gebruik zullen maken en tot openbare verkoop van het verbonden onderpand zullen overgaan. (…)
Indien u echter van oordeel bent dat een andere wijze van liquidatie (onderhandse verkoop, verkoop bij inschrijving) van het voor onze lening verbonden registergoed mogelijk is, hetgeen onze voorkeur heeft, dan zijn wij bereid daaraan mede te werken, onder de voorwaarden evenwel dat:
- -1.
de opbrengst van een zodanige liquidatie van dien aard is dat deze ten opzichte van onze totale hypothecaire vordering eerste hypotheek) voor ons acceptabel is;
- -2.
de uitbetaling van het ons toekomende bedrag bij gelegenheid van het notarieel transport zal plaatsvinden, zodat wij ook in dit opzicht worden beschouwd onze rechten uit te oefenen buiten de schuldsaneringsregeling om;
Indien u van oordeel bent dat er gezien de belangen van de schuldeisers (vooralsnog) geen reden is onze door een hypotheekrecht gedekte vordering te saneren, zijn wij bereid de hypothecaire geldlening te continueren onder de volgende voorwaarden:
- -1.
de totale hypothecaire vordering mag over de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet verder oplopen;
- -2.
ingeval van betalingsachterstanden dient er over de looptijd van de schuldsaneringsregeling een nog nader overeen te komen inloop plaats te vinden;
- -3.
aangezien in artikel 299 lid 3 Fw niet staat vermeld dat de door pand of hypotheek gedekte vorderingen buiten de werking van de schuldsanering blijven, dient voor de beëindiging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling onze totale hypothecaire vordering, opnieuw gesecureerd te worden door een schuldvernieuwing, zodat onze rechten naar de toekomst in geen enkel opzicht bekort worden door de schuldsaneringsregeling.
…
Gaarne vernemen wij zo spoedig mogelijk van u of u een onderhandse verkoop dan wel continuering van de geldlening op de vooromschreven condities wenselijk acht. Mocht dit niet het geval zijn dan zullen wij de openbare verkoop opdragen en de notaris verzoeken alle voorbereidingen te treffen om tot een executie ex artikel 3:268 BW te geraken en al het verder ingevolge de wet vereiste te verrichten.
Tenslotte verzoeken wij u deze brief tevens te beschouwen als een aanmelding ter verificatie van onze vordering, zulks teneinde te worden gerangschikt, dit echter enkel voorzover onze vordering bij executie niet geheel uit de opbrengst van het registergoed verhaalbaar zal blijken te zijn. (…)’
4.1.4.
[appellant] is gedurende de periode dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing was met toestemming van de bewindvoerder in het woonhuis blijven wonen. Hij is zijn verplichtingen uit de hypothecaire geldlening tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling nagekomen.
4.1.5.
Bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 16 oktober 2002 is vastgesteld dat [appellant] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en is de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. Aldus is aan [appellant] de zogenoemde ‘schone lei’ verleend, hetgeen inhoudt dat het onbetaald gedeelte van de vorderingen die reeds op 26 juli 2000 aanwezig waren en ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt niet langer op grond van het bepaalde in artikel 358 van de Faillissementswet afdwingbaar is.
4.1.6.
Op 10 maart 2003 zijn [appellant] en mevrouw [betrokkene 1] met ING Bank een nieuwe hypothecaire geldlening overeengekomen voor een bedrag van € 122.000,- (hierna ook: de tweede hypothecaire geldlening). Met de tweede hypothecaire geldlening is de pro-resto-schuld van de eerste hypothecaire geldlening tot een bedrag van € 46.563,68 (hoofdsom en achterstand) betaald.
4.1.7.
Bij brief van 27 november 2003 heeft de raadsman van [appellant] aan ING Bank onder meer het volgende bericht:
‘Bij schrijven d.d. 4 augustus 2000 heeft u uw vordering uit hoofde van de hypothecaire lening ter verificatie ingediend bij de bewindvoerder. U heeft daarbij zelf, terecht, opgemerkt dat in artikel 299 Fw niet staat vermeld dat door pand of hypotheek gedekte vorderingen (zoals uw vordering) buiten de werking van de schuldsanering blijven. Mitsdien diende u tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling van cliënt over te gaan tot executie of tot novatie van de lening.
Bij uitspraak d.d. 16 oktober 2002 van de rechtbank te Middelburg is de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat cliënt niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen Aan cliënt is dan ook de zogenaamde schone lei verleend. Dit betekent dat het onbetaald gebleven gedeelte van de vordering die op 26 juli 2000 reeds aanwezig waren opgrond van artikel 358 Fw niet langer opeisbaar is. In dit geval is aan de betrokken schuldeisers geen enkele uitkering gedaan.
Op 16 oktober 2002 was u nog niet overgegaan tot executie of tot novatie van de lening. Dit betekent dat de hypothecaire geldlening niet langer afdwingbaar is en dat de zekerheidsrechten zijn vervallen. Tevens is het zo dat cliënt gedurende de schuldsaneringsregeling betalingen op de hypotheeklening heeft verricht. Deze betalingen zijn op grond van artikel 306 Fw nietig en worden hierbij door cliënt teruggevorderd.
Op 10 maart 2003 heeft u met cliënt een nieuwe hypotheeklening afgesloten tot een bedrag van € 122.000,-. Met deze lening is eerstgenoemde hypothecaire lening afgelost tot een bederag van € 46.563,68. Gezien het voorgaande is de aflossing op deze lening door cliënt onverschuldigd betaald. De lening was immers sinds de beëindiging van de schuldsanering niet langer opeisbaar.
Gezien het voorgaande verzoek ik u — en sommeer u voor zover nodig — om (…) binnen een week na heden te betalen (…)
- —
alle vanaf 26 juni 2000 door cliënt of derden verrichte betalingen aan rente en aflossing op eerstgenoemde hypothecaire lening
- —
het middels laatstgenoemde hypothecaire lening op eerstgenoemde hypothecaire lening afgeloste bedrag ad € 46.563,68. (…)’
4.2.
In de onderhavige procedure vordert [appellant] veroordeling — uitvoerbaar bij voorraad — van ING Bank tot het betalen van een bedrag van € 46.563,68, met rente, alsmede van het totaalbedrag van alle door [appellant] vanaf 26 juni 2000 verrichte betalingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening van 6 november 1998, met rente.
4.3.
[appellant] heeft aan zijn vordering — kort gezegd — het volgende ten grondslag gelegd:
- —
aan hem, [appellant], is bij vonnis van 16 oktober 2002 van de rechtbank te Middelburg de ‘schone lei’ verleend;
- —
nu ING Bank gedurende de looptijd van de schuldsanering geen gebruik heeft gemaakt van haar positie als separatist en niet is overgegaan tot schuldvernieuwing, is de vordering uit de lening vanaf het verbindend worden van de uitdelingslijst niet langer opeisbaar;
- —
bij het afsluiten van de tweede geldleen is de eerste geldleen verrekend;
- —
ING Bank was ten aanzien van de vordering uit de eerste geldleen niet bevoegd tot verrekenen, omdat de bevoegdheid tot verrekenen ingevolge het bepaalde in artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek slechts mogelijk is van een afdwingbare vordering;
- —
de tijdens de looptijd verrichte betalingen zijn nietig op grond van artikel 306 van de Faillissementswet.
4.4.
ING Bank heeft daartegenover — kort gezegd — het volgende aangevoerd:
- —
het resultaat van de vele gesprekken die tussen de bewindvoerder, [appellant] en ING Bank hebben plaatsgevonden was dat [appellant] ook tijdens het lopen van de schuldsaneringsregeling in zijn woning kon blijven wonen;
- —
de bewindvoerder heeft de geldvordering van ING Bank, voor zover door de hypotheek gedekt, buiten toepassing van de WSNP gehouden; ING Bank ‘kon en mocht vertrouwen op een juiste gang van zaken’;
- —
door schuldvernieuwing is de grondslag aan de vordering van [appellant] ontvallen;
- —
(subsidiair) [appellant] heeft door het inlossen van de oude schuld voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens ING Bank;
- —
er is sprake van een onaanvaardbare situatie indien [appellant] in zijn stellingen wordt gevolgd, omdat hij dan ‘voor 100% van zijn oude schulden af (zou) zijn terwijl hem een substantieel actief in de schoot geworpen zal worden, waarop de oude schuldeisers geen vat meer kunnen krijgen’; hiervoor is in het stelsel van de WSNP geen rechtvaardiging te vinden.
4.5.
De rechtbank heeft het door [appellant] gevorderde afgewezen.
4.6.1.
Grief 1 is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [appellant] tot betaling door ING Bank aan hem van het bedrag van € 46.563,68. Volgens [appellant] is de rechtbank er in rechtsoverweging 3.5. aan voorbijgegaan dat de rechter-commissaris geen toestemming had gegeven voor het vestigen van een nieuw recht van hypotheek. De rechtbank is er in de visie van [appellant] ook aan voorbij gegaan dat tijdens de looptijd van de schuldsanering geen nieuw recht van hypotheek is gevestigd waardoor de bestaande eerste hypothecaire geldlening werd afgelost. Mitsdien heeft tijdens de schuldsanering van [appellant] geen novatie van de hypothecaire geldlening plaatsgevonden. De rechtbank heeft bovendien niet duidelijk gemaakt op welke wijze en op welk moment tot schuldvernieuwing gekomen zou zijn. Ook ziet de rechtbank over het hoofd dat de door ING Bank geëiste schuldvernieuwing diende plaats te vinden middels het vestigen van een nieuw recht van hypotheek bij notariële akte. Dit volgt reeds uit de voorwaarde van ING Bank in haar brief van 4 augustus 2000 dat de vordering opnieuw gesecureerd diende te worden. Aldus steeds [appellant].
4.6.2.
ING Bank heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist.
4.6.3.
Het hof neemt bij de bespreking van de grief het volgende in aanmerking.
ING Bank heeft — naar aanleiding van het feit dat op [appellant] de (voorlopige) schuldsaneringsregeling van toepassing was verklaard — bij brief van 4 augustus 2000 aan de bewindvoerder onder andere medegedeeld dat zij bereid was de eerste hypothecaire geldlening, die door de van toepassingverklaring op [appellant] van de schuldsaneringsregeling opeisbaar was geworden, te continueren mits de totale hypothecaire vordering niet verder zou oplopen, een eventuele achterstand zou worden ingelopen en voor de beëindiging van de schuldsanering de totale hypothecaire vordering opnieuw zou worden gesecureerd. [appellant] is vervolgens met instemming van de bewindvoerder in het woonhuis blijven wonen en is zijn verplichtingen uit de eerste hypothecaire geldlening gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling nagekomen. ING Bank heeft geen gebruik gemaakt van haar recht van parate executie. De bewindvoerder heeft ING Bank gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen termijn gesteld om tot uitoefening van haar recht van parate executie over te gaan (zie artikel 58 juncto 299, derde lid, van de Faillissementswet).
4.6.4.
Artikel 57 van de Faillissementswet is blijkens artikel 299, derde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing verklaard op de schuldsaneringsregeling. Dit betekent dat de schuldsaneringsregeling niet werkt ten aanzien van vorderingen van separatisten, zoals in dit geval van de hypotheekhouder, ING Bank, voor zover die vorderingen op de daartoe verbonden goederen kunnen worden verhaald. Indien die vorderingen niet volledig op de daartoe verbonden goederen kunnen worden verhaald, dan valt het resterende gedeelte van de vordering onder de werking van de schuldsaneringsregeling en vindt verdeling plaats conform het bepaalde in artikel 349, tweede lid, van de Faillissementswet. Zoals hiervoor (zie rechtsoverweging 4.6.3.) is vermeld, heeft ING Bank echter geen gebruik gemaakt van haar recht van parate executie. In de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer inzake het wetsvoorstel tot ‘Wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen’ (Kamerstukken II, 1993/1994, 22 969, nr. 6, blz. 11) wordt bevestigd dat artikel 57 van de Faillissementswet aan de hypotheekhouder geen verplichting oplegt tot het uitoefenen van de in die bepaling genoemde rechten:
‘In zijn advies noemt de Sociaal-Economische Raad als derde mogelijkheid de situatie dat de woonlasten niet als (te) zwaar in verhouding tot het inkomen worden aangemerkt en de woning geen overwaarde van betekenis heeft. In die situatie zal veelal, zo stelt de Sociaal-Economische Raad, in het geheel niet behoeven te worden geëxecuteerd. Het wetsvoorstel schuldsaneringsregeling natuurlijke personen verzet zich er niet tegen dat de hypotheekhouder geen gebruik maakt van zijn bevoegdheden. Artikel 57 van de Faillissementswet dat in het wetsvoorstel van overeenkomstige toepassing is verklaard, geeft de hypotheekhouder immers een bevoegdheid en legt hem geen verplichting op zijn rechten uit te oefenen. De hypotheekhouder zal daaromtrent met de bewindvoerder in overleg kunnen treden. De bewindvoerder zal alsdan kunnen afzien van de in artikel 58 van de Faillissementswet gegeven bevoegdheden. Voorwaarde voor het een en ander zal moeten zijn dat uit de verkoop van het tot zekerheid verbonden goed geen enkele bate ten gunste van de boedel is te verwachten. Tevens zullen er geen andere schuldeisers mogen zijn die rechten op hetzelfde verbonden goed kunnen doen gelden (bijv. tweede hypotheekhouder). Voorts dat de hypotheekhouder op de schuldenaar geen enkele vordering heeft wegens achterstallige betaling. Het is de vraag of van dat laatste in de praktijk vaak sprake zal zijn bij een schuldenaar in financiële problemen. Zodra de hypotheekhouder een vordering heeft wegens achterstallige betaling op het tijdstip waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard en in het geval de woning naar verwachting bij verkoop onvoldoende zal opbrengen om daaruit de gehele nog resterende schuld aan de hypotheekhouder te volden (onderwaarde), zal tot verkoop en executie van het verbonden goed moeten worden (het hof:) overgegaan ten einde te kunnen vaststellen of deze schuldeiser nog een overblijvende vordering behoudt die alsdan onder de werking van artikel 358, eerste lid, kan komen te vallen. Ten einde daaromtrent zekerheid te verkrijgen zal het in de praktijk meestal tot verkoop c.q. executie moeten komen.’
4.6.5.
In het onderhavige geval heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden tussen ING Bank en de bewindvoerder (en [appellant] zelf). Blijkens het hiervoor geciteerde uit de Memorie van Antwoord kan de bewindvoerder afzien van de hem in artikel 58 van de Faillissementswet gegeven bevoegdheid om de hypotheekhouder een redelijke termijn te geven om tot uitoefening van zijn rechten over te gaan. Voorwaarde voor het een en ander zal dan moeten zijn dat uit de verkoop van het woonhuis geen enkele bate ten gunste van de boedel is te verwachten, er geen andere schuldeisers zijn die rechten op het verbonden goed hebben en de hypotheekhouder geen vordering heeft op de schuldenaar wegens achterstallige betaling(en), aldus het hiervoor geciteerde gedeelte uit de Memorie van Antwoord. In deze zaak heeft [appellant] tijdens de schuldsanering aan de hypothecaire verplichtingen voldaan. Volgens ING Bank is de bewindvoerder kennelijk tot de conclusie gekomen dat de verkoop van de onroerende zaak van [appellant] geen actief voor de boedel zou opleveren en heeft ING Bank zich bij het beleid van de bewindvoerder aangesloten (zie punt 2.7 van de conclusie van antwoord).
4.6.6.
Naar het oordeel van het hof kan uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot ‘Wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van natuurlijke personen’ niet als bedoeling van de wetgever worden afgeleid dat de beslissing van de hypotheekhouder om geen gebruik te maken van zijn recht van parate executie en de beslissing van de bewindvoerder om zijn in artikel 58 van de Faillissementswet gegeven bevoegdheid (om de hypotheekhouder een termijn te stellen tot het uitoefenen van zijn rechten) niet te benutten ertoe leiden dat de vordering van de hypotheekhouder onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt.
4.6.7.
Een andere conclusie zou in tegenspraak zijn met hetgeen verder in de Memorie van Antwoord — in aansluiting op hetgeen hiervoor is geciteerd — is vermeld ten aanzien van de lopende verplichtingen van de schuldenaar uit de hypothecaire geldlening (Kamerstukken II, 1993/1994, 22 969, nr. 6, blz. 12):
‘Overigens zij erop gewezen dat in het geval dat de woning waarop hypotheek rust niet in het kader van de toepassing van de schuldsanering wordt verkocht, de uit de geldlening verschuldigde verplichtingen door de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling moeten worden voldaan. In het systeem van de schuldsaneringsregeling betekent dit dat die schulden zullen moeten worden betaald uit de schuldenaar zelf toekomende, buiten de boedel vallende inkomsten.’
De lopende verplichtingen uit de hypothecaire geldlening vallen derhalve niet onder de werking van de schuldsaneringsregeling ingeval de hypotheekhouder zijn rechten niet uitoefent en de bewindvoerder ervoor kiest zijn in artikel 58 van de Faillissementswet toegekende bevoegdheid niet te gebruiken.
4.6.8.
Samenvattend: In het geval dat de hypotheekhouder en de bewindvoerder geen gebruik maken van de hun in de artikelen 57 respectievelijk 58 van de Faillissementwet gegeven bevoegdheden valt de hypothecaire schuld buiten de werking van de schuldsanering. De uit de hypothecaire geldlening verschuldigde lopende verplichtingen moeten worden voldaan uit de schuldenaar zelf toekomende, buiten de boedel vallende inkomsten. Indien een schuldenaar nadien zou achterraken met zijn lopende verplichtingen uit de hypothecaire geldlening, kan de hypotheekhouder derhalve alsnog gebruik maken van het recht van parate executie.
4.6.9.
Een en ander sluit aan met hetgeen is bepaald in artikel 309 van de Faillissementswet. Na afloop van de (mogelijk door de rechter-commissaris verlengde) tijdelijke afkoelingsperiode kan de hypotheekhouder alsnog gebruik maken van zijn recht van parate executie. Ook in dit geval valt de hypothecaire geldlening buiten de werking van de schuldsanering.
4.6.10.
Het voorgaande brengt mee dat artikel 358 van de Faillissementswet — dat bepaalt dat na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling de resterende vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt niet langer afdwingbaar zijn — in deze gevallen niet van toepassing is. Dit artikel heeft immers enkel betrekking op vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt en niet op vorderingen die daarbuiten vallen, zoals de onderhavige.
4.6.11.
Op 10 maart 2003, derhalve circa vijf maanden nadat de toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank was beëindigd, heeft [appellant] een tweede hypothecaire geldlening met ING Bank gesloten voor een bedrag van € 122.000,-. Van dat bedrag is een bedrag van € 46.563,68 afgetrokken ter aflossing van eerste hypothecaire geldlening (de nog openstaande hoofdsom en achterstand). Dat dit (mede) op instigatie van [appellant] is gebeurd blijkt bijvoorbeeld uit hetgeen [appellant] ter gelegenheid van de gehouden comparitie bij de rechtbank onder andere heeft verklaard:
‘Ik nam na de schuldsanering contact op met de bank omdat ik zo'n € 4.000,- achterstand had en ik vroeg hen: ‘Hoe gaan we dat doen.’ Van de nieuwe hypotheek wilde ik de oude schuld en de achterstallige termijnen inlossen.’
4.6.12.
Zoals hiervoor reeds overwogen, is door het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [appellant] de eerste hypothecaire geldlening opeisbaar geworden. [appellant] heeft met de aflossing van de eerste hypothecaire geldlening derhalve voldaan aan de opeisbare vordering die ING Bank op hem had. Aldus heeft [appellant] het door hem betaalde bedrag van € 46.563,68 niet onverschuldigd betaald. Dat dit bedrag door [appellant] aan ING Bank is betaald doordat dit bedrag is afgetrokken van c.q. is verrekend met het bedrag dat [appellant] op basis van de tweede hypothecaire geldlening van ING Bank had geleend maakt het voorgaande niet anders.
4.6.13.
Toestemming van de rechter-commissaris voor deze betaling (of verrekening) was niet nodig; de tweede hypothecaire geldlening waarmede mede de eerste geldlening is afgelost kwam immers circa vijf maanden na het beëindigen van de schuldsaneringsregeling tot stand.
4.6.14.
De grief faalt en behoeft geen verdere behandeling.
4.7.1.
[appellant] heeft tevens gevorderd om ING Bank te veroordelen aan hem terug te betalen het totaalbedrag van alle door hem vanaf 26 juni 2000 verrichte betalingen uit hoofde van de eerste hypothecaire geldlening. De rechtbank heeft daaromtrent in rechtsoverweging 3.8. overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 313 juncto artikel 47 juncto artikel 49 van de Faillissementswet de vordering van [appellant] tot vernietiging van een voldoening aan een opeisbare schuld tijdens de schuldsanering moet worden ingesteld door de bewindvoerder zodat [appellant] geen vorderingsrecht toekomt.
4.7.2.
Grief 2 is gericht tegen die overweging van de rechtbank. [appellant] voert ter toelichting op de grief aan dat de door de rechtbank genoemde wetsartikelen betrekking hebben op betalingen door de schuldenaar gedaan voorafgaand aan het faillissement terwijl het in casu gaat om betalingen verricht tijdens het faillissement. Volgens [appellant] zijn de door hem gedane betalingen op grond van artikel 306 van de Faillissementswet nietig en komt een beroep op die nietigheid niet enkel de bewindvoerder toe.
4.7.3.
ING Bank heeft daartegenover onder meer aangevoerd dat zij gerechtigd was gedurende de schuldsanering doorbetaling van de periodieke termijnen (rente en aflossing) te verlangen. Haars inziens is geen sprake van nietige of onverschuldigde betalingen.
4.7.4.
Blijkens de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer (zie rechtsoverweging 4.6.7.) vallen de door [appellant] gedane periodieke betalingen uit hem zelf toekomende inkomsten niet onder de werking van de schuldsaneringsregeling. Nu artikel 306 van de Faillissementswet is geschreven voor betalingen die wel onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen, mist de bepaling hier toepassing.
4.7.5.
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan de vraag of [appellant] dan wel de bewindvoerder bij toepassing van artikel 306 een vordering toekomt.
4.7.6.
Derhalve heeft de rechtbank terecht ook dit gedeelte van het door [appellant] gevorderde afgewezen en faalt de grief.
4.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er voor bewijslevering zoals door [appellant] is aangeboden geen plaats. Het bewijsaanbod wordt derhalve als onvoldoende gespecificeerd en niet ter zake dienend gepasseerd.
4.9.
Al hetgeen verder nog door [appellant] is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank.
5. Samenvatting
5.1.
De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
5.2.
[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
6. Beslissing
het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ING Bank begroot op € 291,- aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris voor de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann en H.J. de Kluiver en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 februari 2007.