Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.4.1
4.4.1 Inleiding
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633730:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Temperman 2008, p. 157 e.v.
Plaisier 2013, p. 122.
Zie onder meer ARRvS 7 april 1983, AB 1983, 430 (antroposofische huisarts) en ECRM 12 oktober 1978 Arrowsmith v. Verenigd Koninkrijk, r.o. 71: ‘When the actions of the individuals do not actually express the belief concerned they cannot be considered to be as such protected by Article 9.1.’ De CGB spreekt van “gedragingen die, mede gelet op hun karakter en op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, een rechtstreekse uitdrukking geven aan de godsdienstige overtuiging” (CGB 25 januari 1999, nr. 1999-6, r.o. 4.3).
Kortmann 2012, p. 434.
Hoge Raad 15 februari 1957, NJ 1957/201; zie hierover Verheij 2018, par. 5 en 6.2.
Van Bijsterveld & Vermeulen webeditie 2021, par. 5, laatst geraadpleegd op 29 november 2021; Vermeulen 2000-a, p. 96; Overbeeke 2014, p. 250.
Vleugel 2018, p. 427 e.v.; Vleugel 2017, par. 5, 6 en 8.
Zie paragraaf 2.3.2.2.2.
Zie onder meer Grabenwarter 2014, p. 238; Evans, Malcolm 1997, p. 294; Tahzib 1996, p. 73.
Vermeulen 2000-a, p. 98.
Temperman 2008, p. 159-161.
Ik verwijs hiervoor naar paragraaf 2.3 en 2.5.
Overbeeke 2014, p. 247.
Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (of kortweg geloofsvrijheid1) wordt door sommige auteurs de moeder van alle vrijheden genoemd.2 Het gaat niet alleen om de vrijheid al dan niet een geloofs- of levensovertuiging aan te hangen, maar dit vrijheidsrecht impliceert ook de vrijheid te veranderen van godsdienst of levensovertuiging en de vrijheid die overtuiging te praktiseren.
Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zoals verankerd in de Nederlandse grondwet en de daarmee corresponderende verdragsbepalingen (zie hierna) bestrijkt gedragingen die naar objectieve maatstaven ‘in redelijkheid rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienst of levensovertuiging’.3 De Nederlandse rechter en het EHRM vatten het object van dit grondrecht restrictief op (restrictieve-objectieve interpretatie), zodat het grondrecht alleen een gedraging beschermt die naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking geeft aan de godsdienst of levensovertuiging van de grondrechtsdrager.4 Bij twijfel geeft de rechter op grond van het beginsel van de interpretatieve terughoudendheid waar mogelijk ruimte aan de subjectieve kwalificatie die het individu of de collectiviteit toekent aan de handeling.5 Het beginsel van interpretatieve terughoudendheid is sinds 1957 vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het houdt in dat het niet aan de rechter is om te bepalen wat iemand onder het belijden van zijn of haar godsdienst of levensovertuiging heeft te verstaan.6 In de literatuur wordt aangenomen dat in ieder geval worden beschermd: (1) het hebben van een overtuiging, met inbegrip van het veranderen en ontberen van een overtuiging; (2) het uiting geven aan die overtuiging in de individuele en collectieve sfeer, de huiselijke en openbare uitoefening; (3) het uitdragen en overdragen van die overtuiging (onderwijs, opvoeding en verkondiging); (4) het oprichten en inrichten van organisaties voor het uiten van die overtuiging; en (5) overige gedragingen voor zover die rechtstreeks uitdrukking geven aan die overtuiging.7
Vleugel wijst een objectieve wijze van kwalificeren van uitingen en gedragingen als godsdienstig of levensbeschouwelijk af omdat dit wringt met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid. Volgens hem kan aan de andere kant een volledig subjectieve benadering van rsl misbruik in de hand werken en het onderscheid tussen de vrijheid van godsdienst en andere grondrechten als de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering op losse schroeven zetten.8 Een van de alternatieven die hij aandraagt betreft een minimale objectivering van het begrip godsdienst of levensovertuiging op basis van de EHRM-randvoorwaarden dat er sprake moet zijn van een bepaalde mate van begrijpelijkheid, samenhang, belangrijkheid en serieusheid.9
In de literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten vrijheden: het forum internum en het forum externum.10 De eerste vrijheid behelst de vrijheid van het individu om te denken en geloven en van overtuiging te veranderen. Deze vrijheid is absoluut zodat de overheid deze vrijheid gelet op artikel 9 lid 2 EVRM en artikel 18 lid 2 BUPO niet mag inperken.11 De tweede vrijheid verwijst naar de vrijheid om een bepaalde overtuiging actief te belijden, dat wil zeggen naar buiten uit te dragen en er onbelemmerd naar te leven. Het forum externum kan wel ingeperkt worden.12
Het VN-Mensenrechtencomité heeft in 1993 een overzicht gegeven van wat het forum externum zoal omvat:
"The freedom to manifest religion or belief in worship, observance, practice and teaching encompasses a broad range of acts. The concept of worship extends to ritual and ceremonial acts giving direct expression to belief, as well as various practices integral to such acts, including the building of places of worship, the use of ritual formulae, and objects, the display of symbols, and the observance of holidays and days of rest. The observance and practice of religion or belief may include not only ceremonial acts but also such customs as the observance of dietary regulations, the wearing of distinctive clothing or head coverings, participation in rituals associated with certain stages of life, and the use of a particular language, customarily spoken by a group. In addition, the practice and teaching of religion or belief includes acts integral to the conduct by religious groups of their basic affairs, such as freedom to choose their religious leaders, priests and teachers, the freedom to establish seminaries or religious schools and the freedom to prepare and distribute religious texts or publications."13
Om te bepalen of sprake is van schending van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging moet eerst worden vastgesteld wat godsdienst of levensovertuiging is14 en wat ‘belijden van een godsdienst’ of ‘tot uiting brengen van een levensbeschouwing’ omvat. Voor beide vragen kan de rechter of het bestuur deskundigenadvies inwinnen.15