Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.3.3.0
6.3.3.0 Inleiding
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630494:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Deze paragraaf is gebaseerd op een eerdere publicatie. Coebergh en Stevens.
Zie bijvoorbeeld Duffhues.
De contante waarde is berekend door de kasstromen contant te maken tegen 6%. Er is daarbij van uit gegaan dat de rente aan het eind van het jaar is verschuldigd.
Voor de vrijval kunnen diverse methoden worden gehanteerd. In 2011 hebben S.A. Stevens en ik aangegeven dat er voor de vrijval meerdere methoden zijn, waarbij onze voorkeur uitging naar de effectieve rente methode (zie paragraaf 3.6.1.2) die inhoudt dat op elk jaar de contante waarde van dat financieringsresultaat, berekend op basis van de effectieve rente bij de initiële waardering van de schuld op de openingsbalans, drukt. Coebergh en Stevens.
Bruijsten is eveneens van mening dat een eventuele winst- of verliesneming ten aanzien van vorderingen en schulden na aanvang van de belastingplicht over de resterende contractduur moet worden uitgesmeerd. Een verlies kan niet direct worden genomen en een winst kan niet worden uitgesteld tot de aflossingsdatum. Bruijsten 2016-2.
Bruijsten 2016-2.
De Commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties.
Van den Dool, bijdrage aan de bundel, vermogensredementheffing: vonst of miskleun, pagina 72.
In deze paragaaf wordt de winsttoerekening bij een schuld aan de orde gesteld. Er is voor dit vermogensbestanddeel gekozen, omdat de meeste ondernemingen (gedeeltelijk) zijn gefinancierd met vreemd vermogen.1
Op basis van de waarderingsregel waarde in het economische verkeer, wordt de schuld gewaardeerd tegen de indirecte opbrengstwaarde. Bij toepassing van de dcf-methode wordt het verwachte rendement contant gemaakt. De waarde in het economische verkeer van een vordering of schuld is de contante waarde van de verwachte toekomstige betalingen. Dat wil zeggen de contante waarde van de aflossingen en rentebetalingen.2 Daarvoor bepalend zijn het verloop van de kasstromen en de rentevoet waartegen de kasstromen contant moeten worden gemaakt. De kasstromen moeten contant worden gemaakt tegen de (markt)rente die de belastingplichtige verschuldigd zou zijn als de betreffende lening op het moment van aanvang belastingplicht zou worden afgesloten. De marktrente wordt bepaald door de hoogte van het risicovrije rendement (afhankelijk van marktomstandigheden) en de risico-opslag voor de onderneming die afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van de onderneming op het tijdstip van waarderen. Omdat het opmaken van de openingsbalans als eerste relevante fiscale moment geldt, zal fiscaal gefingeerd moeten worden dat op dat moment de geldlening is aangegaan. Het verschil tussen de nominale waarde en de contante waarde van de lening wordt beschouwd als (dis)agio. Agio is het voordelige verschil tussen de contante waarde en de nominale waarde, zodat bij agio de contante waarde van de schuld lager is dan de nominale waarde. Agio dient in de belaste periode te worden afgeschreven ten laste van het resultaat (extra bate). Disagio is een nadelig verschil tussen de contante waarde en de nominale waarde, zodat bij disagio de contante waarde hoger is. Disagio dient in de belaste periode ten gunste van het resultaat vrij te vallen (extra last). Door de waardering van schulden op marktwaarde worden resultaten in verband met de financieringsstructuur tot uitdrukking gebracht in het resultaat die geen reële betekenis hebben in de zin dat het resultaat (het (dis)agio) in kastermen nooit wordt gerealiseerd. Realisatie vindt uitsluitend plaats via hogere of lagere rente-uitgaven in vergelijking met een fictieve financieringsstructuur die de onderneming gehad zou hebben als zij ten tijde van aanvang belastingplicht de financiering had aangetrokken. Aan de hand van onderstaand voorbeeld hebben S.A. Stevens en ik de fiscale verwerkingswijze geïllustreerd:
X trekt in jaar 1 een schuld ad € 1.000 nominaal aan die na afloop van jaar 10 in haar geheel wordt afgelost. Over de lening is 7% rente verschuldigd en de marktrente bedraagt eveneens 7%. Aan het begin van jaar 6 wordt X belastingplichtig en bedraagt de marktrente 6%. De schuld wordt op de openingsbalans gewaardeerd op de hogere contante waarde. Het disagio valt vrij in de belaste periode en compenseert het feit dat de vennootschap elk jaar 1% meer rente ten laste van de winst kan brengen dan de geldende marktrente ten tijde van het opmaken van de openingsbalans. De realiteit is echter dat het lichaam feitelijk 7% rente moet betalen en niet 6%.
De waarde in het economische verkeer van de schuld is € 1.042. Hierdoor komen in de belaste periode de volgende resultaten tot uitdrukking:3
Onbelaste periode WEV
Belaste periode WEV
Totaal
(5 jaar)
(5 jaar)
(dis)agio
€
-42
€
42
€
0
Rente
€
-350
€
-350
€
-700
Totaal
€
-392
€
-308
€
-700
De last van de onbelaste periode is derhalve lager dan de nominaal verschuldigde rente.45 De nominale waarde van de schuldverhouding kan ook om andere redenen afwijken van de waarde in het economische verkeer, bijvoorbeeld als sprake is van insolventie van de debiteur(en). Door waardering tegen de waarde in het economische verkeer wordt het waardedrukkende effect toegerekend aan de onbelaste periode. Als in de belastingplichtige periode dit waardedrukkende effect komt te vervallen, wordt dit beschouwd als voordeel van de belastingplichtige periode.
Bruijsten merkt in dit kader op dat als het lichaam van het begin af aan belastingplichtig was geweest, enkel de overeengekomen vaste rente jaarlijks ten laste van de winst kan worden gebracht. Er was dan op geen enkele wijze sprake van een (latent) vermogensresultaat. Hij stelt vervolgens de vraag of het dan redelijk is in de openingsbalans niet uit te gaan van de waarde in het economische verkeer van de schuld maar de nominale waarde van de schuld aan te houden. Als we de waardering tegen de waarde in het economische verkeer als een middel zien, en niet als een doel op zich, zou volgens hem hiervoor wel iets te zeggen zijn. Hij maakt daarbij de kanttekening dat een dergelijk standpunt alleen vol te houden is bij vermogensbestanddelen waarbij er vanaf het moment van de aanvang van de belastingplicht geen enkele mogelijkheid is een vermogensresultaat op het vermogensbestanddeel te realiseren.6 Ik neem aan dat hij dit standpunt inneemt omdat als een voordeel potentieel realiseerbaar is er ook al sprake kan zijn van vermogensaanwas. De Commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties betoogt (in het kader van de box 3 heffing) dat het in aanmerking nemen van een waardestijging van schuldvorderingen ten gevolge van een algemene rentedaling complex is. Indien een schuldvordering niet te gelde wordt gemaakt, kan volgens de Commissie in theorie een verhoging van draagkracht worden geconstateerd maar een belastingplichtige zal dit niet zo ervaren. Het verweer dat het de keuze van de belastingplichtige is dat hij de verbetering van zijn bestedingsmogelijkheden op dat moment niet incasseert, is volgens de Commissie te academisch.7 Ook Van Dool is van mening dat bij een vermogensaanwasbelasting, schulden in beginsel wel moeten worden gewaardeerd op de nominale waarde.8 Diverse auteurs zijn derhalve van mening dat het onwenselijk is om vermogensmutaties op schulden te belasten als er nog geen realisatie is.