WFR 2025/258
Fiscaliteit in de verkiezingsprogramma’s
Dr. F.J. Elsweier, datum 07-10-2025
- Datum
07-10-2025
- Auteur
Dr. F.J. Elsweier1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD26239:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Kiesrecht
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Fiscale wetsvoorstellen (V)
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Frank Elsweier is universitair docent en onderzoeker bij het Fiscaal Instituut van Tilburg University en werkzaam bij het Tax Knowledge Center van EY Belastingadviseurs B.V.
Op het moment van het afsluiten van deze bijdrage (8 oktober 2025) hebben alle partijen die volgens de peilingen kans maken op één of meerdere zetels een verkiezingsprogramma gepubliceerd. Het CPB biedt politieke partijen de mogelijkheid om de economische gevolgen van de verkiezingsprogramma’s te laten doorrekenen. Het betreft een doorrekening van budgettaire en macro-economische gevolgen van het beleid. De publicatie hiervan verschijnt op 10 oktober 2025 en is (dus) niet meegenomen in deze bijdrage.
Voor een uitgebreid overzicht van alle fiscale punten uit de verkiezingsprogramma’s – uiteengezet in verschillende belastingthema’s – verwijs ik naar https://www.ey.com/nl_nl/insights/tax/fiscale-punten-verkiezingprogrammas. Hierbij merk ik op dat ik geen intentie heb een voorkeur voor een politieke partij weer te geven. Omwille van de leesbaarheid heb ik ervoor gekozen niet steeds te verwijzen naar de bron en paginanummers van hetgeen de partijen opmerken.
GroenLinks-PvdA wil de hypotheekrenteaftrek stapsgewijs afbouwen (p. 46). D66 heeft het over het afbouwen van het belastingvoordeel van woningbezit en wil mensen die net een hypotheek hebben afgesloten ontzien (p. 84). Het is niet duidelijk of de afbouw die GroenLinks-PvdA voor ogen heeft, hetzelfde is als die van D66.
CDA wil bijvoorbeeld investeren in defensie en merkt op: “iedere Nederlander levert een vrijheidsbijdrage, want veiligheid is niet gratis” (p. 5). De partij geeft echter niet aan wat wordt bedoeld met “vrijheidsbijdrage”. De PVV wil “fors snijden in de vele ondoelmatige fiscale subsidies voor het bedrijfsleven (p. 40)”. Welke fiscale subsidies dat zijn, wordt niet benoemd.
Zie onder meer Kamerstukken II 2024/25, 32140, nr. 211.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 26 september 2025, kenmerk 2025-0000462107.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 11 juli 2025, kenmerk 2025-0000184009.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 21 april 2023, kenmerk 2023-0000099517.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 29 augustus 2025, kenmerk 2025-0000345751.
PVV, VVD, NSC, BBB, Hoofdlijnenakkoord HOOP, LEF EN TROTS, 2024, p. 24; Regeerprogramma kabinet-Schoof, 2024, p. 117, 118.
Dat terwijl, nu de G7 op 28 juni 2025 tot een verklaring over een vrijstelling van de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) voor het Amerikaanse bedrijfsleven kwam, toch alle aanleiding is hierover wel iets om te merken. Zie hierover M. de Wilde, ‘Na de Pijlers: een oproep voor een competitieve EU-vennootschapsbelasting 2.0’, WFR 2025/235.
Hoewel de partijen hier niet expliciet naar verwijzen, ligt het voor de hand dat hun opmerkingen mede zijn ingegeven door het ambtelijke rapport “Kansen voor lagere tarieven en beter beleid – Aanpak fiscale regelingen voor een eenvoudiger en beter belastingstelsel”. Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 30 juni 2025, 2025-0000181369. Het valt me overigens op dat de tot op heden verschenen rapporten over vereenvoudiging van belastingwetgeving vooral gekoppeld lijken te zijn aan budgettaire opbrengsten: alleen regelingen die geld opleveren voor de schatkist komen onder de loep. Het eventueel afschaffen van regelingen die budgettaire kosten met zich meebrengen (bijvoorbeeld afschrijvingsbeperkingen bedrijfsmiddelen, verliesverrekeningstemporisering) worden niet of nauwelijks onderzocht.
Zie hierover Brief Staatssecretaris van Financiën, 3 oktober 2025, kenmerk 2025-0000451198.
In het Belastingplan 2025 is de versobering van de 30%-regeling grotendeels teruggedraaid. Het afbouwschema van 30-20-10%-regeling is geschrapt. Wel is vastgelegd dat vanaf 1 januari 2027 de maximale onbelaste vergoeding wordt verlaagd naar een forfait van 27% en het salariscriterium wordt verhoogd. In het Belastingplan 2026 is opgenomen dat de ETK-regeling wordt versoberd. De kosten van levensonderhoud (inclusief gas, water, licht en nutsvoorzieningen) en telefoonkosten zullen niet langer belastingvrij kunnen worden vergoed.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 11 juli 2025, kenmerk 2025-0000199872.
Ik verwijs bijvoorbeeld naar de columns van Heithuis van 25 augustus 2025 (‘Umwertung aller Werte; of waarom de hypotheekrenteaftrek moet blijven’) en 2 september (‘Eigen woning in box 3 is eenvoudig in te regelen’) en Stevens van 28 augustus 2025 (‘De renteaftrek blijft een discussiepunt’) in taxlive, waarbij uitgebreid wordt stilgestaan bij de achtergronden en toekomstige mogelijkheden wat betreft de fiscale behandeling van de eigen woning.
Zie hierover R.H.J.M. Gradus, ‘Fiscale behandeling eigen woning vraagt om forse herziening’, WFR 2025/78.
Zie hierover Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 3 maart 2025, kenmerk 2025-0000162009, Kamerstukken II 2024/25, 31560, nr. 54, amendement 36735, nr. 10, D.J.J. Altena, ‘Politieke profilering bij Fiscale verzamelwet’, WFR 2025/223 en D.J.J. Altena, ‘Woning, klimaat en vermogen centraal richting Belastingplan’, WFR 2025/184.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 9 september 2025, kenmerk 2025-0000432084.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 9 september 2025, kenmerk 2025-0000432084.
Bijlage (blg-1196416) bij Kamerstukken II 2024/25, 27926, nr. 394.
Wat ik jammer vind, is dat de verkiezingsprogramma’s in hun beleidsvoorstellen veelal op hoofdlijnen blijven, waardoor de inhoudelijke diepgang beperkt is. Hoewel begrijpelijk is dat partijen hun boodschap toegankelijk willen houden, onderschatten zij volgens mij daarmee het vermogen van de burger om genuanceerde keuzes te maken. Meer concreet uitgewerkte (al dan niet fiscale) plannen zouden het publieke debat verrijken en kiezers beter in staat stellen te beoordelen waar partijen werkelijk voor staan.
Op 29 oktober 2025 gaan de kiezers opnieuw naar de stembus voor de Tweede Kamerverkiezingen. In aanloop naar deze verkiezingen hebben de politieke partijen hun (concept)verkiezingsprogramma’s gepubliceerd, waarin een breed scala aan beleidsvoornemens is opgenomen. Fiscaal beleid vervult daarin, zoals gebruikelijk, een prominente rol. Belastingen en heffingen raken immers niet alleen de rijksbegroting, maar ook de koopkracht van burgers, de investeringsruimte voor ondernemingen en de effectiviteit van beleid op terreinen zoals klimaat, woningmarkt en zorg. Is er op fiscaal gebied veel veranderd ten opzichte van de vorige verkiezingen? In deze bijdrage gaat de auteur – aan de hand van enkele belastingthema’s – in op de fiscale punten uit de verkiezingsprogramma’s.
1. Inleiding
Na 1 jaar, 11 maanden en 7 dagen gaat Nederland opnieuw naar de stembus voor de Tweede Kamerverkiezingen. In aanloop naar de verkiezingen op 29 oktober 2025 hebben de politieke partijen hun (concept)verkiezingsprogramma’s gepubliceerd, waarin een breed scala aan beleidsvoornemens is opgenomen.2 Fiscaal beleid vervult daarin, zoals gebruikelijk, een prominente rol. Belastingen en heffingen raken immers niet alleen de rijksbegroting, maar ook de koopkracht van burgers, de investeringsruimte voor ondernemingen en de effectiviteit van beleid op terreinen zoals klimaat, woningmarkt en zorg. Is er op fiscaal gebied veel veranderd ten opzichte van de vorige verkiezingen? In deze bijdrage ga ik – aan de hand van enkele belastingthema’s – in op de fiscale punten uit de verkiezingsprogramma’s.3
In paragraaf 2 bespreek ik de opmerkingen van partijen over fiscale hervormingen (in het algemeen) van het belasting- en toeslagenstelsel. In paragraaf 3 ga ik in op de mogelijke fiscale gevolgen voor bedrijven. Wat willen de partijen op het gebied van de vennootschapsbelasting, innovatie, het vestigingsklimaat en wat merken zij op over belastingontwijking? In paragraaf 4 zet ik de fiscale plannen uiteen die gevolgen kunnen hebben voor burgers. Onder meer ga ik in op de inkomstenbelasting, belasting op vermogen, schenk- en erfbelasting, de bedrijfsopvolgingsregeling, rekeningrijden en de vliegbelasting. In paragraaf 5 bespreek ik de fiscale plannen voor de woningmarkt. Welke partijen willen iets veranderen aan de hypotheekrenteaftrek en welke partijen willen een leegstandsheffing, speculatiesbelasting, of planbatenheffing invoeren? Ook geef ik aan welke partijen de winstbelasting voor (bepaalde) woningcorporaties willen afschaffen. In paragraaf 6 sluit ik mijn bijdrage af. Vooraf merk ik op dat een een-op-een vergelijking tussen partijen veelal niet mogelijk is, aangezien partijen hun standpunten verschillend formuleren.4 Ook ontbreekt het vaak aan een nadere invulling of toelichting van een bepaald standpunt.5 Dat neemt niet weg dat er in algemene zin wel het een en ander op te merken is over de fiscale punten uit de verkiezingsprogramma’s.
2. Belastingen, toeslagen en hervorming
Het Nederlandse belasting- en toeslagenstelsel wordt al jaren gekenmerkt door een hoge mate van complexiteit. Burgers en bedrijven hebben te maken met een lappendeken aan belastingsoorten, aftrekposten, heffingskortingen en vrijstellingen. Toeslagen – zoals zorgtoeslag, huurtoeslag en kinderopvangtoeslag – zijn uitgegroeid tot een belangrijk instrument om inkomenspolitiek vorm te geven. Tegelijkertijd zorgen de veelheid aan regelingen en de strikte inkomensafhankelijke afbouwmechanismen voor een hoge uitvoeringslast bij de Belastingdienst en voor onzekerheid bij burgers. Het demissionaire kabinet beoogde wetgeving voor een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel voor te bereiden.6 Het is echter (wederom) niet gelukt om in de kabinetsperiode tot een voorstel te komen. Ook het belastingpakket 2026 is (wederom) beleidsarm, zonder fiscale plannen voor de lange termijn. De Staatssecretaris van Financiën gaat in een Kamerbrief van 26 september 2025 in op vereenvoudiging van het belasting- en toeslagenstelsel en onderdelen van de sociale zekerheid. In de brief worden aspecten van vereenvoudiging toegelicht en ingegaan op de stappen die zijn gezet. Er wordt door het demissionaire kabinet voorgesteld om ‘ritme’ in het vereenvoudigingsproces te brengen om zo de focus op vereenvoudiging te vergroten.7 De staatssecretaris geeft aan dat een fundamentele hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel hard nodig is, maar dat het aan een volgend kabinet is om keuzes te maken.
In de aanloop naar de verkiezingen van 2025 blijkt uit de verkiezingsprogramma’s dat vrijwel alle politieke partijen erkennen dat fiscale hervorming noodzakelijk is. Er is een breed gedeeld gevoel dat het huidige fiscale stelsel onvoldoende bijdraagt aan eenvoud, transparantie en rechtvaardigheid. Uit de verkiezingsprogramma’s blijkt dat partijen, hoewel verschillend in hun oplossingsrichting, zoeken naar nieuwe evenwichten tussen lastenverdeling, inkomensondersteuning en uitvoerbaarheid.
Een brede groep partijen spreekt zich uit voor een eenvoudiger en rechtvaardiger belasting- en toeslagenstelsel. Hiertoe behoren onder meer CDA, NSC, ChristenUnie, BBB, SP, D66, JA21 en Denk. Het CDA wil “prioriteit maken van vereenvoudigen van [het] complexe belastingstelsel. Eenvoudig, rechtvaardig, voorspelbaar en uitvoerbaar.” Daarbij wil de partij het inkomensbegrip harmoniseren om toeslagen automatisch te kunnen toekennen. NSC stelt eveneens “een veel eenvoudiger belasting- en toeslagenstelsel” te willen en kondigt aan toeslagen stapsgewijs af te bouwen, beginnend bij de zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag. ChristenUnie pleit voor “uitwerking van compleet nieuw belastingstelsel, dat is doorgerekend door het Centraal Planbureau”, waarbij eenvoud en rechtvaardigheid centraal staan. Ook BBB bepleit “een eenvoudiger belasting- en toeslagenstelsel met vaste bedragen als toelage in plaats van ingewikkelde regelingen”. De SP wil het toeslagenstelsel overbodig maken door lonen en uitkeringen te verhogen en het belastingstelsel “grondig te herzien”. D66 ziet als langetermijnoplossing dat toeslagen verdwijnen en vervangen worden door “een basisbedrag voor iedereen”, waarbij het kindgebonden budget en de kinderbijslag worden samengevoegd. JA21 kondigt aan “een nieuw toeslagensysteem [te introduceren] dat het huidige onbegrijpelijke en complexe toeslagenstelsel vervangt”. Denk kiest eveneens voor eenvoud door het toeslagenstelsel te vervangen en daarbij de lasten voor lage en middeninkomens te verlagen.
Een aantal partijen legt in algemene zin het accent op een eerlijke verdeling van lasten en zwaardere belasting van vermogens en winsten. Hierbinnen vallen GroenLinks-PvdA, SP, D66, PvdD, Volt en Denk. GroenLinks-PvdA stelt te willen “strijden voor een eerlijk belastingstelsel” zonder speciale kortingen en met “een eerlijke belasting op vermogen, winst en vervuiling”. De SP gaat verder met concrete voorstellen voor een “miljonairstax” (zie ook paragraaf 4.3). D66 benadrukt dat “grote vermogens en vervuilers meer betalen”, terwijl de PvdD een systeem wil waarin “de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen” en diverse fiscale regelingen wil afschaffen. Volt stelt zelfs alle toeslagen, kortingen en aftrekposten te willen vervangen door een basisinkomen, aangevuld met uitgebreidere schijven in de inkomstenbelasting. Denk sluit hierbij aan door te pleiten voor een “rechtvaardigere inkomensverdeling” waarbij “mensen met een heel hoog inkomen of vermogen een extra bijdrage leveren”.
Daarnaast zijn er partijen die zich richten op belastingverlaging en beperking van overheidsuitgaven, zoals PVV, VVD, FvD en SGP. De PVV wil de “lasten van burgers verlagen” en de dekking vinden door “elders uitgaven te beperken”. De VVD streeft naar “werken meer lonend maken” en “minder uitgeven in plaats van hogere belastingen”. Daarbij wil de partij dat bij amendementen die tot hogere belastingen leiden eerst de effecten op het vestigingsklimaat en de koopkracht van werkenden worden onderzocht. FvD stelt voor het stelsel grondig te vereenvoudigen door middel van een vlaktax. De SGP benadrukt dat “het belastingstelsel dringend aan herziening toe is” en wil lasten op arbeid verlagen en consumptie zwaarder belasten.
Opvallend is verder de Europese dimensie die door enkele partijen expliciet wordt genoemd. GroenLinks-PvdA pleit voor “minder veto’s op Europees belasting- en buitenlandbeleid” en een sterkere rol voor het Europees Parlement. Volt wil het vetorecht volledig afschaffen en Europese belastingen invoeren ter financiering van uitgaven. Daartegenover staat een duidelijke afwijzing van Europese belastingen door JA21, dat “principieel tegen Europese belastingen” is, evenals door BBB, NSC, SP, ChristenUnie, FvD en SGP, die allen de nadruk leggen op het behoud van nationale (fiscale) soevereiniteit.
Hoewel vrijwel alle politieke partijen de noodzaak van hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel onderkennen en op hoofdlijnen vergelijkbare ambities formuleren, blijft de concrete invulling vooralsnog beperkt en gefragmenteerd. De voorstellen blijven veelal steken in richtinggevende uitgangspunten zonder uitgewerkte systematische keuzes. Het is te hopen dat een volgend kabinet deze brede politieke bereidheid weet te vertalen in daadwerkelijke hervormingsstappen en daarmee eindelijk vaart brengt in de noodzakelijke vereenvoudiging van het fiscale stelsel.
3. Bedrijven
3.1 Inleiding
De schijfgrens (€ 200.000) en het tarief in de vennootschapsbelasting (19% en 25,8%) zijn sinds 2023 onveranderd. Ondanks dat de evaluatie van het lage vennootschapsbelastingtarief heeft uitgewezen dat de regeling geen duidelijke doelstelling heeft, heeft de staatssecretaris laten weten dat het (demissionaire) kabinet de regeling niet gaat aanpassen vanwege negatieve effecten op het vestigingsklimaat en de lastendruk voor bedrijven.8 De staatssecretaris is ook ingegaan op het mogelijk belasten van overwinsten in de winstbelasting. In 2023 ging het om een algemene solidariteitsbijdrage voor bedrijven die onevenredig veel profiteren van een crisis9 en in 2025 om een belastingheffing op overwinsten van de wapenindustrie.10 De staatssecretaris geeft onder meer aan dat het extra belasten juridisch, uitvoeringsmatig en economisch onwenselijk is en dat het complex is om uitzonderlijke omstandigheden te koppelen aan behaalde overwinsten. Naast het tarief is voor bedrijven uiteraard ook van belang of er jaarlijks veel wijzigingen zijn in de belastingrondslag, of er (genoeg) aandacht is voor het fiscale vestigingsklimaat en of en hoe belastingontwijking wordt aangepakt.
Het demissionaire kabinet leek in ieder geval weer wat meer aandacht te hebben voor het vestigingsklimaat. In het Hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma was expliciet opgenomen dat de verbetering van het vestigingsklimaat voorop staat. Daarbij werd ook gekeken naar fiscale maatregelen, zo valt er te lezen.11 In een Kamerbrief over belastingontwijking in de vennootschapsbelasting en het invoeren van mogelijke maatregelen om belastingontwijking te voorkomen was dit streven terug te vinden.12 In de brief merkt de staatssecretaris onder meer een aantal keer op dat hij niets ziet in een nieuwe maatregel, omdat het een verslechtering zou betekenen voor het vestigingsklimaat. In algemene zin wordt in de Kamerbrief opgemerkt dat het “kabinet oog blijft houden voor een goed vestigingsklimaat en de complexiteit van het belastingstelsel, zodat bedrijven zich in Nederland willen (blijven) vestigen”.
3.2 Belastingen voor bedrijven in het algemeen
Het is mijns inziens opmerkelijk dat er niet of nauwelijks in de verkiezingsprogramma’s wordt ingegaan op de rol van de winstbelasting op de lange termijn. Ook is er geen enkele aandacht voor bijvoorbeeld de Wet minimumbelasting 2024, hoe het Europees verder moet met de minimumbelasting en wat het Nederlandse standpunt daarin is.13
Ten aanzien van de algemene belastingdruk voor ondernemingen onderscheiden zich grofweg twee benaderingen. Enerzijds zijn er partijen die inzetten op een zwaardere belastingheffing voor winstgevende ondernemingen. GroenLinks-PvdA, SP en Denk positioneren zich in dit kamp. GroenLinks-PvdA stelt dat “de bijdrage van de meest winstgevende bedrijven” dient te worden verhoogd en dat “onrechtvaardige fiscale voordelen voor sectoren” worden afgeschaft. De SP kiest voor een verhoging van de winstbelasting “naar ten minste het niveau van de inkomstenbelasting die gewone mensen betalen” en voegt daaraan toe dat “de allergrootste multinationals, net zoals alle andere burgers en bedrijven, moeten bijdragen aan onze samenleving”. Denk stelt dat “grote bedrijven die flinke winsten maken, een eerlijker deel gaan bijdragen” en noemt daarbij specifiek de belasting op banken.
Anderzijds zijn er partijen die juist een lastenverlichting voor het bedrijfsleven beogen. VVD, JA21, SGP, FvD en in zekere mate ook BBB profileren zich in dit verband. VVD stelt uitdrukkelijk “lagere belasting voor ondernemers” voor, terwijl JA21 een “eenvoudige vennootschapsbelasting” bepleit met één tarief van 20% en tevens een verschuiving naar een kasstroombelasting. SGP stelt dat “winstbelasting bedrijfsleven en werkgeverslasten worden verlicht, vooral gericht op het mkb”, en FvD formuleert dat de belastingen “veel te hoog zijn geworden en innovatie en economische groei belemmeren”. De FvD wil verder de schijfgrens van de vennootschapsbelasting naar € 1 miljoen verhogen. BBB wil bestaande faciliteiten, zoals de bedrijfsopvolgingsfaciliteit en deelnemingsvrijstelling, behouden en koppelt dit aan een stabiel fiscaal beleid.
In algemene zin kunnen de belasting voor bedrijven op hoofdlijnen als volgt worden weergegeven.
3.3 Innovatie fiscaal ondersteunen?
Een groot aantal partijen (VVD, NSC, CDA, BBB, SGP en Volt) bepleiten expliciet het behoud of de uitbreiding van bestaande innovatiefaciliteiten. VVD stelt dat de “Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) wordt uitgebreid”, de innovatiebox behouden blijft en uitgaven aan innovatie omhooggaan. NSC en CDA sluiten daarbij aan door de WBSO, de innovatiebox en de aftrek voor milieu-investeringen te willen handhaven. SGP wil de durfkapitaalregeling terugbrengen en noemt daarnaast de introductie van de win-winlening om investeringen in start-ups en familiebedrijven te stimuleren. Volt benadrukt Europese coördinatie en stelt fiscale stimuleringsregelingen voor start-ups en medewerkersparticipatie voor. JA21 wil “bedrijfskosten voor R&D direct aftrekbaar maken” en investeringen in kapitaalgoederen volledig in het jaar van investering aftrekbaar stellen. GroenLinks-PvdA en D66 koppelen innovatie aan duurzaamheid en maatschappelijke doelen. GroenLinks-PvdA stelt samen met innovatieve bedrijven en ondernemers te willen werken “aan een sterke en groene economie van de toekomst, met hoge productiviteit en eerlijke lonen”. D66 spreekt over fiscale voordelen om “innovatief en duurzaam ondernemen te stimuleren” en noemt investeringen in software-start-ups en scale-ups.
3.4 Vestigingsklimaat
Ten aanzien van het vestigingsklimaat vallen partijen uiteen in een groep die nadruk legt op stabiliteit en voorspelbaarheid, en een groep die selectie wil aanbrengen in de soorten bedrijven die Nederland aantrekt. VVD, CDA, BBB en ChristenUnie behoren tot de eerste categorie. VVD wil wettelijk vastleggen dat de overheid verplicht is het ondernemersklimaat te verbeteren en koppelt dit aan een “stabiel fiscaal klimaat”. CDA benadrukt dat een aantrekkelijk vestigingsklimaat gebaseerd moet zijn op “rust, reinheid en regelmaat”, met behoud van de expatregeling en de innovatiebox. BBB stelt dat investeren in vestigingsklimaat nodig is en wil “de regeldruk verlagen en hier zo veel als mogelijk rekening mee houden bij belastingmaatregelen”. De ChristenUnie wil dat regels en tarieven “voor langere periodes worden vastgelegd” en ziet voorspelbaarheid als basisvereiste.
GroenLinks-PvdA en NSC hanteren daarentegen een selectieve benadering. GroenLinks-PvdA stelt afscheid te willen nemen van bedrijven die slechts bestaan “door belastingvoordelen en uitbuiting van werknemers”. NSC benadrukt dat het vestigingsbeleid gericht moet zijn “op de bedrijven die een bijdrage leveren aan de reële economie en de brede welvaart van Nederland – en niet op brievenbusfirma’s”. Volt plaatst dit thema in Europees perspectief en stelt voor een “28ste regime” in te voeren waarin bedrijven in alle EU-lidstaten dezelfde regels kennen omtrent belastingen en insolventie.
Een brede consensus bestaat over het terugdringen van ondoelmatige regelingen en subsidies. PVV, JA21, NSC, CDA, D66 en Volt benoemen dit nadrukkelijk. PVV spreekt over “fors snijden in de vele ondoelmatige fiscale subsidies voor het bedrijfsleven” en kondigt aan de “SDE++ en andere klimaatsubsidies” te willen schrappen. JA21 wil een “drastische afbouw van subsidies die markten verstoren en innovatie belemmeren”. NSC benadrukt dat Nederland nog “te veel (fiscale) regelingen kent die niet doelmatig zijn maar wel veel geld kosten”, terwijl CDA constateert dat “het belastingstelsel vol zit met allerlei fiscale uitzonderingsregelingen” die stapsgewijs moeten worden afgeschaft of versoberd. D66 stelt eveneens dat “oneerlijke belastingvoordelen” moeten worden verminderd en noemt de landbouwvrijstelling en de bedrijfsopvolgingsregeling als voorbeelden. Volt wil “op termijn alle ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen afschaffen”.14
Opmerkelijk vind ik dat bij deze verkiezingen wederom de expatregeling expliciet benoemd wordt als fiscale regeling waar partijen iets van vinden. Een aantal partijen wil de expatregeling afschaffen of sterk versoberen (PVV, GroenLinks-PvdA, NSC, SP, ChristenUnie, FvD, SGP, Denk, PvdD, Volt), terwijl enkele andere partijen (CDA en BBB) deze als instrument voor een concurrerend vestigingsklimaat willen behouden. In de verkiezingsprogramma’s is overigens niet altijd even duidelijk of partijen nu de extraterritoriale-kostenregeling (ETK-regeling) of de expatregeling bedoelen15 en of er al rekening is gehouden met de aangekondigde versoberingen die per 1 januari 2026 en per 1 januari 2027 inwerking treden.16 Nieuw is dat in de verkiezingsprogramma’s ook expliciet aandacht is voor de landbouwvrijstelling. GroenLinks-PvdA, D66, PvdD en Volt zien de vrijstelling als een oneigenlijk fiscaal voordeel dat moet worden herzien, terwijl FvD en SGP expliciet het behoud ervan bepleiten.
3.5 Belastingontwijking
Ten aanzien van belastingontwijking bestaat er een breed gedeelde consensus dat dit verschijnsel moet worden tegengegaan, maar de instrumenten en toonzetting lopen uiteen. GroenLinks-PvdA, SP, PvdD en Denk hanteren een strikte benadering. GroenLinks-PvdA stelt dat “belastingontwijking harder moet worden aangepakt en agressieve constructies illegaal gemaakt”, en dat Nederland moet stoppen “een belastingparadijs te zijn”. SP stelt dat “geheime afspraken en belastingkortingen” voor multinationals moeten worden afgeschaft en dat bestuurders die belasting ontduiken “strafrechtelijk vervolgd” moeten worden. PvdD bepleit dat Nederland zijn deuren sluit als belastingparadijs en dat “belastingdeals openbaar” worden gemaakt. Denk sluit zich hierbij aan met de oproep dat “belastingontwijking steviger aangepakt” moet worden.
NSC, CDA, VVD, SGP en Volt kiezen voor een meer procedurele of internationale invalshoek. NSC stelt een “exit- en trailing tax” voor om extreem vermogende particulieren die naar belastingvriendelijke landen vertrekken te belasten. CDA wil jaarlijks de “tax gap” in kaart brengen. VVD stelt dat belastingontduiking en ondernemers die zich niet aan de regels houden “blijven worden aangepakt”. SGP wil dat “de mazen in ons fiscale stelsel worden gedicht” en dat grote ondernemingen een eerlijke bijdrage blijven leveren. Volt pleit voor een Europese belastingautoriteit, een “exit tax” voor bedrijven die naar een land met lagere belastingdruk vertrekken. Opvallend is dat geen van de partijen concrete fiscale maatregelen tegen belastingontwijking formuleren of nader uitwerken; evenmin wordt aandacht besteed aan mogelijke overlappingen tussen bestaande antimisbruikbepalingen.
Visueel kan een en ander als volgt worden weergegeven:
4. Burgers
4.1 Inleiding
Het Nederlandse belastingstelsel kent een systeem waarin inkomen, vermogen, overdrachten (erven en schenken) en consumptie op verschillende wijzen worden belast. Het boxenstelsel vormt de kern van de inkomstenbelasting: arbeid en eigen woning vallen onder box 1, aanmerkelijk belang onder box 2 en inkomen uit sparen en beleggen onder box 3. Box 3 is de afgelopen jaren onderwerp van stevige kritiek en discussie geweest vanwege de fictieve rendementsheffing, die door de Hoge Raad onrechtmatig is verklaard. Sindsdien is een overgangsregime ingevoerd, met een mix van forfaitaire rendementen en werkelijke opbrengsten, terwijl een fundamentele stelselwijziging nog in de maak is. Daarnaast kennen we de erf- en schenkbelasting, die progressief is vormgegeven met tarieven oplopend tot 40%. De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) speelt een cruciale rol bij de overdracht van familiebedrijven: deze biedt vrijstellingen in zowel de schenk- als erfbelasting om de continuïteit van ondernemingen te waarborgen. Tot slot wordt in deze paragraaf nog stilgestaan bij de auto- en vliegbelastingen.
4.2 Inkomstenbelasting algemeen
Ten aanzien van de inkomstenbelasting blijkt uit de verkiezingsprogramma’s een breed gedeelde wens om de lasten op arbeid te verlagen, zij het met verschillende accenten (vlaktax, meer of juist minder schijven, hogere belastingvrije voet, of hervorming van kortingen). De PVV stelt dat de “lasten van de burgers verlagen” centraal dient te staan. Ook de VVD benadrukt dat “werken moet lonen” en wil daartoe de koopkracht van middeninkomens verhogen door lastenverlichting, met een “werkbonus voor tweeverdieners”. D66 kiest voor een verlaging van “het tarief in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting” en koppelt daaraan een verhoging van het minimumloon en een “belastingkorting voor mensen die minstens vier dagen per week werken”. Het CDA verbindt de verlaging van de inkomstenbelasting expliciet aan het “stapsgewijs afbouwen van de hypotheekrenteaftrek”. De SP vindt dat “werken moet lonen” en dat de “belasting omlaag moet”. Ook de ChristenUnie stelt voor de belastingdruk op arbeid te verlagen, onder meer door geen belasting te heffen over de eerste € 30.000 inkomen. Vervolgens geeft de partij concreet aan dat het belastingtarief verlaagd zou moeten worden naar 33,3% op het inkomen tot € 45.000, 41,6% op het inkomen tussen € 45.000 en € 90.000, en 49,9% daarboven. Ook FvD wil een belastingvrije voet van € 30.000, maar met een vlaktax. NSC wijst op een eerlijk loon zonder afhankelijkheid van toeslagen en wil daartoe “verlaging van de belasting op arbeid” realiseren. BBB pleit voor een eenvoudiger stelsel met vaste bedragen en “een hogere belastingvrije voet in plaats van heffingskortingen”. JA21 wil het “circus aan toeslagen en heffingskortingen afschaffen” en vervangen door een eenvoudig stelsel van toelagen, met structurele lastenverlaging. Verder wil JA21 box 2 volledig afschaffen. Inkomsten uit een aanmerkelijk belang zouden voortaan belast moeten worden in box 3. De gebruikelijkloonregeling vervalt daarmee ook. Volt pleit voor een uitbreiding van het aantal schijven, maar met lagere tarieven om de belastingdruk op arbeid te verminderen. De SGP kiest voor een splitsingsstelsel waarbij het gezinsinkomen fiscaal gedeeld wordt.
Tot slot benoem ik nog dat PVV, NSC, SP, Denk, PvdD en Volt expliciet opmerken dat de koning (het koningshuis) voortaan belasting zou moeten betalen.
4.3 Belasting op vermogen
Met betrekking tot de belastingheffing op vermogen en box 3 is er een duidelijke scheidslijn. GroenLinks-PvdA kiest voor een forse verhoging van de belastingdruk op vermogen en spreekt expliciet over “invoering van miljonairsbelasting voor de allerrijksten” en over een verschuiving: “de belasting op werk naar beneden en verhogen van de belastingen op inkomen uit vermogen”. D66 sluit hierbij aan en wil “grote vermogens meer belasten, onder meer met een miljonairsbelasting”. De SP stelt voor een “miljonairsbelasting van 5% voor vermogens boven € 5 miljoen” en zelfs een “vermogensplafond vanaf € 50 miljoen”. De ChristenUnie kiest eveneens voor een vermogensbelasting van 1% voor vermogens boven € 1 miljoen. Volt stelt een “progressieve vermogensbelasting voor vermogens boven € 1 miljoen” voor. De PvdD wil een “klimaatbelasting voor de grootste vermogens” introduceren, een vermogensregister opzetten en “toewerken naar een grens aan extreem vermogensbezit”.
Daartegenover staan VVD, BBB en SGP, die zich expliciet uitspreken tegen verhoging van de belasting op sparen en beleggen. De VVD wil “geen belastingverhogingen op spaargeld, geen verhogingen van de belastingen op sparen (box 3), ondernemen (box 2)” en dringt aan op spoedige invoering van een systeem waarbij “alleen nog over werkelijk rendement belasting wordt betaald”. Ook BBB pleit voor heffing “over daadwerkelijk genoten inkomsten inclusief vermogenswinsten”, en SGP benadrukt dat “rendement belast [moet] worden als dat liquide is”. NSC kiest voor een benadering met belastingheffing over “daadwerkelijke inkomsten en winsten” en expliciet rekening houdend met “de problematiek rondom de nog niet verzilverde papieren winsten van incourante vermogensbestanddelen”.
Opvallend vind ik dat in de verkiezingsprogramma’s niet wordt ingegaan op de huidige keuze om per 1 januari 2028 een box 3-stelsel in te voeren met een combinatie van vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting. Alleen in de verkiezingsprogramma’s van BBB en CDA komen bovengenoemde begrippen voor. BBB geeft expliciet aan “geen vermogensaanwasbelasting over niet gerealiseerd inkomen” te willen, maar een “vermogenswinstbelasting over daadwerkelijk genoten inkomen”. Totdat de vermogenswinstbelasting is ingevoerd, wil CDA een tijdelijke (financiële) maatregel om verhuur door kleine particuliere verhuurders mogelijk te houden. Of dat betekent dat CDA geen vermogensaanwasbelasting (meer) wil is onduidelijk.
4.4 Schenk- en erfbelasting
De schenk- en erfbelasting vormt een afzonderlijk twistpunt. GroenLinks-PvdA wil “gewone erfenissen niet belasten” maar de belasting op “grote erfenissen verhogen”, met behoud van de partnervrijstelling. De SP stelt voor erfenissen tot € 100.000 belastingvrij te maken en daarboven oplopende tarieven, zodat “enorme ongelijkheid niet meer van generatie op generatie wordt overgedragen”. D66 spreekt van een meer “progressieve erf- en schenkbelasting” en wil grote vermogens zwaarder belasten. Volt kiest voor een wijziging van de schenk- en erfbelasting door invoering van een “ontvangstbelasting”, relatie-onafhankelijk, maar met behoud van de partnervrijstelling. De PvdD wil “grote erfenissen belasten als inkomen” en een gelijke behandeling van alle erfgenamen, “ongeacht de familieband”. Daartegenover staan VVD, BBB en SGP, die juist stellen dat de erf- en schenkbelasting niet verhoogd mogen worden. JA21 en FvD gaan nog verder en willen de erf- en schenkbelasting afschaffen. CDA wil schenken aantrekkelijker maken dan erven.
Visueel kan een en ander als volgt worden weergegeven:
4.5 Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)
Op 1 januari 2026 zullen de resterende wijzigingen die volgen uit de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 in werking treden. In de verkiezingsprogramma’s wordt niets concreets over deze wijzigingen opgemerkt. Wel wordt in algemene zin – net als in de verkiezingsprogramma’s van 2023 – ingegaan op de bedrijfsopvolgingsregeling als zodanig. De VVD wil “niet toestaan dat de BOR verder wordt versoberd” en het CDA wil het voortbestaan van familiebedrijven ondersteunen door de BOR te handhaven, maar “scherp zijn op misbruik”. De NSC wil “de BOR toespitsen op datgene waarvoor zij bedoeld is: het waarborgen van de continuïteit van familiebedrijven die van waarde zijn voor Nederland”. Ook BBB, ChristenUnie, FvD en SGP kiezen voor behoud of uitbreiding van de BOR. JA21 wil de erf- en schenkbelasting afschaffen, waardoor de BOR niet meer nodig is. Daartegenover staan GroenLinks-PvdA, D66 en Volt. Volt stelt dat “de BOR wordt afgeschaft” en vervangen moet worden door een leenfaciliteit. GroenLinks-PvdA wil “onrechtvaardige fiscale voordelen voor sectoren afschaffen” en D66 noemt de BOR expliciet als voorbeeld van een regeling die geëvalueerd en eventueel afgeschaft moet worden.
Visueel kan dat als volgt worden weergegeven:
4.6 Auto
De Staatssecretaris van Financiën heeft op 11 juli 2025 in een contourenbrief de uitgangspunten en overwegingen voor een mogelijke hervorming van de autobelastingen gepresenteerd. Doel is om mobiliteit betaalbaar te houden en tegelijkertijd klimaat-, energie- en stikstofdoelen te realiseren, de overheidsfinanciën houdbaar te maken en de bereikbaarheid van Nederland te waarborgen. De brief bevat geen nieuw beleid, maar schetst opties en analyses ter voorbereiding op keuzes die een volgend kabinet of de Tweede Kamer zal moeten maken.17 Verder is interessant dat in het Belastingplan 2026 is opgenomen dat vanaf 1 januari 2027 voor alle nieuwe fossiele-brandstof-personenauto’s die door de werkgever ook voor privédoeleinden ter beschikking worden gesteld een pseudo-eindheffing van 12% geldt over de waarde van de auto. Deze heffing komt boven op de reguliere bijtelling die werknemers al betalen voor privégebruik van hun auto van de zaak. Deze strafheffing komt volledig voor rekening van werkgevers en is daarmee een extra kostenpost, aangezien deze ook niet mag worden verhaald op de werknemer. Voor deze strafheffing geldt overgangsrecht. Voor werkgevers die vóór 1 januari 2027 een fossiele personenauto ter beschikking hebben gesteld, geldt een overgangstermijn tot 17 september 2030. In het Belastingplan 2026 is verder opgenomen dat het verlaagde accijnstarief voor ongelode benzine, diesel en LPG wordt verlengd. Sinds 1 juli 2022 is het accijnstarief voor ongelode benzine, diesel en LPG verlaagd ter compensatie van de hoge prijzen. Er wordt voorgesteld om de accijnstarieven nog een jaar gelijk te houden aan het niveau van 1 juli 2023. Doordat de accijnstarieven wederom niet worden geïndexeerd, is de accijnskorting in feite nog ruimer in 2026.
In de verkiezingsprogramma’s is er de nodige aandacht voor mobiliteit en het gebruik van de (elektrische) auto. Wat betreft rekeningrijden (kilometerheffing, kilometerbelasting) tekenen zich duidelijke scheidslijnen af. GroenLinks-PvdA, D66, CDA, ChristenUnie, PvdD en Volt zijn voorstanders van een vorm van betalen naar gebruik. GroenLinks-PvdA wil differentiatie naar tijd en regio, met een hoger tarief voor vrachtwagens. D66 stelt voor het bezit van auto’s niet langer te belasten, maar het gebruik, met oog voor regio’s met beperkt openbaar vervoer. CDA stelt een congestieheffing voor tijdens de spits in drukke gebieden. ChristenUnie wil een kilometerprijs invoeren, gedifferentieerd naar milieu, tijd en plaats. PvdD pleit voor een intelligente kilometerheffing voor alle voertuigen en Volt wil een systeem naar Zweeds voorbeeld, met differentiatie naar tijd, plaats en uitstoot. Daartegenover staan uitgesproken tegenstanders. PVV, SP, Denk, FvD, SGP en JA21 zijn tegen rekeningrijden of varianten daarvan. BBB is tegen maatregelen die de automobilist “zwaar belasten zonder positief effect” en de VVD wil een toekomstbestendige “hervorming van de autobelasting”, waarbij het uitgangspunt is “dat werkenden er niet op achteruit mogen gaan”.
Verder valt op dat veel partijen in de verkiezingsprogramma’s een mening hebben over een eventuele (toekomstige) verhoging van de accijns op brandstof. PVV, VVD, BBB, NSC, Denk, FvD en JA21 laten weten dat ze dat geen goed idee te vinden.
Visueel kan een en ander als volgt worden weergegeven:
4.7 Vliegen
In het Belastingpakket 2026 is het Wetsvoorstel Wet differentiatie tarief vliegbelasting opgenomen, waarin wordt voorgesteld per 1 januari 2027 een progressief gedifferentieerd tarief te hanteren op basis van de eindbestemming van passagiers; een laag tarief van € 29,40, een middentarief van € 47,24 en een hoog tarief van € 70,86 per passagier. Op dit moment geldt een vlak tarief van € 29,40 voor vluchten vanuit een in Nederland gelegen luchthaven. Dit betekent dat een korte afstandsvlucht (nu nog) met hetzelfde tarief wordt belast als een langeafstandsvlucht. De vliegbelasting is ook een onderwerp dat terugkomt in de verkiezingsprogramma’s. De vliegbelasting verdeelt partijen in voor- en tegenstanders. Tot de voorstanders van (verhoging of differentiatie van) de vliegbelasting behoren GroenLinks-PvdA, D66, ChristenUnie, PvdD, Volt en SGP. Zij koppelen de vliegbelasting doorgaans aan milieu- of klimaatoverwegingen. GroenLinks-PvdA wil de hoogte aanpassen aan de milieu-impact van de vlucht, terwijl D66 een gedifferentieerde, “rechtvaardige” vliegbelasting wil invoeren. ChristenUnie wil de vliegbelasting differentiëren op basis van CO₂-uitstoot en afstand, met een opslag voor korte vluchten. De PvdD wil een progressieve vliegbelasting voor veelvliegers en privéjets en de afschaffing van fiscale vrijstellingen op de luchtvaart. Volt stelt een aanzienlijke verhoging voor, met differentiatie naar vluchtklasse. De SGP wil de belasting op langeafstandsvluchten verhogen, waarbij de opbrengst deels teruggesluisd wordt in de sector. Daartegenover staan partijen die de vliegbelasting willen afschaffen of niet verder willen verhogen. VVD, PVV, JA21 en FvD zijn uitgesproken tegenstanders van uitbreiding van de vliegbelasting. De VVD stelt dat vliegen betaalbaar moet blijven en dat geen nieuwe heffingen moeten worden geïntroduceerd. De PVV wil voorkomen dat de vliegbelasting verder stijgt. JA21 wil de vliegbelasting zelfs geheel afschaffen en in plaats daarvan inzetten op innovatie. FvD verzet zich tegen elke vorm van vliegbelasting en pleit voor belastingvrij vliegen binnen het Koninkrijk. Ook bij dit thema is het niet duidelijk of de partijen bij hun standpunten in de verkiezingsprogramma’s al rekening hebben gehouden met het wetsvoorstel in het Belastingpakket 2026.
5. Woningmarkt
5.1 Inleiding
In de verkiezingsprogramma’s is er dit keer ook weer ruimschoots aandacht voor de woningmarkt. Vanuit een fiscale invalshoek denkt men dan toch al gauw aan de fiscale behandeling van de eigen woning in box 1 (het eigenwoningforfait en de hypotheekrenteaftrek). Het is het fiscale onderwerp dat de afgelopen tijd het meeste aandacht heeft gekregen.18 Het demissionaire kabinet heeft in deze kabinetsperiode de fiscale behandeling van de eigen woning ongemoeid gelaten. De hypotheekrenteaftrek is stelselmatig ieder jaar (verder) afgebouwd en is vanaf 1 januari 2023 maximaal aftrekbaar tegen het tweede tarief in de inkomstenbelasting. Ook het percentage eigenwoningforfait en het percentage aftrek bij geen of kleine eigenwoningschuld (Wet Hillen) worden ieder jaar verder afgebouwd. Wat verder opvalt is dat er bij deze verkiezingen meer aandacht is voor een leegstandsheffing, speculatiebelasting of planbatenheffing en dat enkele partijen expliciet uitspreken dat de vennootschapsbelastingplicht voor (bepaalde) woningcorporaties afgeschaft zou moeten worden.
5.2 Fiscale behandeling eigen woning; hypotheekrenteaftrek
Een fundamentele uiteenzetting over de fiscale behandeling van de eigen woning over bijvoorbeeld defiscalisering, overheveling naar box 3 of box 1 met aanpassingen19 is in de verkiezingsprogramma’s helaas niet (of nauwelijks) te vinden. In de programma’s is er veelal alleen aandacht voor de hypotheekrenteaftrek. Enkele partijen laten zich ook uit over wat er moet gebeuren met het eigenwoningforfait.
De PVV, VVD, BBB, FvD en Denk willen de hypotheekrenteaftrek behouden. De PVV stelt ondubbelzinnig dat “de hypotheekrenteaftrek blijft; daar wordt niet aan getornd!”. De VVD wil dat “de hypotheekrenteaftrek in stand blijft” en dat “de huidige dertig-jaarstermijn van de hypotheekrenteaftrek behouden blijft”. NSC laat zich in soortgelijke bewoordingen uit. BBB benadrukt eveneens het behoud van de regeling en voegt daaraan toe dat “de hypotheekrenteaftrek niet verder wordt beperkt” en dat “de (over)waarde van de eigen woning niet wordt belast”. FvD neemt een vergelijkbaar standpunt in en stelt dat “de eigen woning in box 1 blijft”. Daarbij “wordt de hypotheekrenteaftrek behouden” en “gaat het maximale aftrektarief terug omhoog naar 52%”. De partij benadrukt dat de “eigen woning nooit in box 3” zal vallen en pleit tevens voor “afschaffing van het eigenwoningforfait”. Denk stelt dat “de hypotheekrenteaftrek blijft bestaan om woningbezitters tegemoet te komen”, maar wil het systeem doelmatiger maken “door de aftrek af te schaffen voor ultrarijken met superdure woningen”. De SGP geeft aan geen voorstander te zijn van afschaffing van de hypotheekrenteaftrek, maar “staat niet afwijzend tegenover een herziening ervan”. Daarbij stelt de partij dat “een eventuele herziening geen nadelige financiële gevolgen mag hebben” en dat er “passende, lastenverlichtende maatregelen” moeten worden genomen. Het uitgangspunt blijft dat “eigenwoningbezit wordt bevorderd”. Opmerkelijk is dat de VVD wil dat starters makkelijker kunnen sparen voor een huis. Daartoe wil de partij “dat starters geld specifiek kunnen oormerken buiten de heffingsvrije voet (box 3) voor de koop van een eigen huis.” Dit wordt beschouwd als “een belangrijk onderdeel van de hervorming van box 3”.
GroensLinks-PvdA, D66, CDA, ChristenUnie, SP, PvdD en Volt zijn de partijen die de hypotheekrenteaftrek willen afbouwen. GroenLinks-PvdA pleit voor een stapsgewijze afbouw van de regeling. De partij geeft aan dat “de opbrengsten worden ingezet voor woningbouw en lastenverlichting, waardoor mensen meer overhouden van hun loon”. D66 wil de fiscale voordelen tussen huurders en huiseigenaren verkleinen “onder andere via de afbouw van de hypotheekrenteaftrek, verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw en aanscherping van het eigenwoningforfait voor de duurste huizen”. Daarbij worden “mensen die net een hypotheek hebben afgesloten ontzien”. De opbrengsten “worden geheel ingezet voor lagere inkomstenbelasting voor iedereen”. CDA stelt eveneens voor “de hypotheekrenteaftrek geleidelijk af te bouwen”, waarbij “de opbrengsten een-op-een worden gebruikt om de inkomstenbelasting te verlagen”. De partij formuleert daarbij “belangrijke randvoorwaarden”: de afbouw moet plaatsvinden “over een lange transitieperiode van dertig jaar”, zodat huiseigenaren “niet in de knel komen”. Daarnaast “wordt rekening gehouden met andere fiscale regelingen rondom huisbezit” en “de impact op de huizenmarkt wordt goed in kaart gebracht en meegenomen in de voorstellen”. ChristenUnie wil in het kader van een algehele herziening van het belastingstelsel “deze regeling de komende decennia geleidelijk afbouwen”, terwijl tegelijkertijd “het eigenwoningforfait over de eerste miljoen euro wordt afgeschaft”. SP geeft aan dat zij “voor de komende vier jaar de regeling garandeert voor woningen tot 600 duizend euro”, maar “boven dit bedrag de hypotheekrenteaftrek direct versneld afbouwt”. Op termijn “moet de prijsopdrijvende hypotheekrenteaftrek helemaal worden afgebouwd”, “stapsgewijs zodat mensen niet in de knel komen”. De opbrengsten “worden bovendien ingezet voor het verlagen van de inkomstenbelasting”. PvdD wil de hypotheekrenteaftrek “versneld afbouwen voor bedragen boven de nationale hypotheek garantie (NHG)”. Volt kiest voor een ingrijpender hervorming: “We bouwen de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait zo snel mogelijk af en verplaatsen de eigen woning stapsgewijs naar box 3.” Daarbij “worden de gestegen maandlasten voor huiseigenaren gecompenseerd met een lagere inkomstenbelasting en een basisinkomen”.
Ten opzichte van de verkiezingen in 2023 is het belangrijkste verschil dat CDA zich nu expliciet heeft uitgesproken de hypotheekrenteaftrek te willen afbouwen en dat BBB zich juist expliciet uitspreekt voor het behoud van de hypotheekrenteaftrek.
Visueel kan dit op de volgende manier worden weergegeven:
5.3 Leegstandsheffing, speculatiebelasting of planbatenheffing
In de afgelopen jaren is er diverse malen geëvalueerd en gediscussieerd over de vraag of het zinvol is naast eventuele wijzigingen in de leegstandswet ook een leegstandheffing of -belasting in te voeren.20 Uit een evaluatie blijkt volgens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dat leegstand vele oorzaken kan hebben en dat speculatie slechts in beperkte mate voorkomt. Daarmee is het volgens haar de vraag in hoeverre een financiële prikkel effectief zal zijn in het verminderen van leegstand. De minister geeft aan dat zij geen nut of noodzaak ziet om over te gaan tot een vorm van een leegstandbelasting waarbij een eigenaar na bijvoorbeeld anderhalf jaar leegstand voor een vastgesteld bedrag door de gemeente wordt belast of procentueel via de OZB of anderszins.21 Op 2 september 2025 is er bij de Fiscale verzamelwet 2026 echter een amendement aangenomen waarin het voor gemeenten via een wijziging in de Gemeentewet mogelijk wordt een leegstandsheffing in te voeren. De indieners van het amendement zijn van mening dat gemeenten zo veel mogelijk opties moeten hebben om leegstand tegen te gaan en woningen beschikbaar te maken voor hun inwoners. De gemeenten zouden zelf kunnen beslissen hoe hoog deze belasting dient te zijn en vanaf wanneer deze ingaat. De hoogte van de belasting kan een vast of oplopend bedrag zijn, maar ook gebaseerd worden op de WOZ-waarde van leegstaande woningen. Gemeenten kunnen ook besluiten geen leegstandbelasting in te voeren als zij dat niet nodig achten. De indieners verwachten dat gemeenten hiermee maatwerk kunnen toepassen en de leegstand in Nederland effectief terug kunnen dringen.22 De Staatssecretaris van Financiën had het amendement eerder nog ontraden, aangezien de minister een wetsvoorstel Wet aanpak leegstand uitwerkt en het amendement niet past bij de Fiscale verzamelwet. De discussie over de leegstandsheffing zou betrokken moeten worden bij het betrekken bij dit wetsvoorstel.23
Meerdere partijen laten zich in de verkiezingsprogramma’s uit over een leegstandsheffing, een speculatiebelasting of planbatenheffing. Wat opvalt in de verkiezingsprogramma’s is dat de termen leegstandsheffing, speculatiebelasting en planbatenheffing soms door elkaar lijken te worden gebruikt. Waar de leegstandsheffing een directe prikkel vormt om het onbenut laten van vastgoed te beëindigen, is de speculatiebelasting gericht op het ontmoedigen van prijsopdrijvende handelspraktijken, terwijl de planbatenheffing primair een mechanisme van herverdeling van planologische winsten betreft.
Volt bepleit “de Vlaamse aanpak, een methode waarbij leegstand wordt aangepakt met een jaarlijks stijgende gemeentelijke belasting”, met als doel eigenaren te bewegen sneller in actie te komen bij leegstand. De PvdD sluit daarbij aan met het voorstel van “een heffing op leegstand en braakliggende grond bij (woning)bouwprojecten”, zodat het onaantrekkelijk wordt “panden leeg te laten staan en te speculeren met bouwgrond”. Ook GroenLinks-PvdA stelt dat “het gemeentelijk belastinggebied moet worden uitgebreid met een leegstandsheffing”. De SP benadrukt dat “leegstaande panden extra worden belast, zodat speculatie niet langer loont”. Het CDA spreekt in gelijke zin van de noodzaak “een leegstandsheffing in de wet [te] introduceren”, nu volgens de partij “te veel panden onnodig leegstaan”. Opvallend is dat in de formuleringen van Volt en PvdD naast de leegstandsheffing ook expliciet de dimensie van bouwgrond wordt betrokken, terwijl CDA, GroenLinks-PvdA en SP vooral de bestaande panden belichten. Ten aanzien van de planbatenheffing bestaat eveneens steun onder meerdere partijen. De ChristenUnie stelt zich expliciet “voor een belasting op de winst die ontstaat als grond bouwgrond wordt (planbatenheffing)”. Het CDA verbindt de planbatenheffing aan gebiedsontwikkeling: “met de planbatenheffing kunnen winsten vanwege gestegen waarden van grond gericht worden ingezet in gebiedsontwikkeling”. De PVV merkt op dat “door wijziging van de bestemming (woningbouw) grond meer waard wordt” en wil met een planbatenheffing “een deel daarvan inzetten om méér betaalbare woningen te bouwen en zo grondspeculatie tegen te gaan”. Ook GroenLinks-PvdA benadrukt dat de “winsten van grondspeculanten afgeroomd” moeten worden en ingezet voor woningbouw. De partij onderbouwt dit met de constatering dat “per jaar de waardestijging van landbouwgrond naar woonbestemming maar liefst € 8 miljard” bedraagt, en stelt dat deze speculatiewinsten “ten goede moeten komen aan de samenleving”. Er is in ieder geval een duidelijke gezamenlijke lijn zichtbaar: de meerwaarde die voortvloeit uit bestemmingswijzigingen dient door middel van heffing (gedeeltelijk) te worden afgeroomd en terug te vloeien naar collectieve doelen, met name woningbouw.
Met betrekking tot de speculatiebelasting kiezen verschillende partijen voor aanvullende maatregelen. NSC bepleit een “gemeentelijke heffing om grondspeculatie tegen te gaan”, waarbij opbrengsten moeten worden ingezet voor “gebiedsontwikkeling of sociale woningbouw”. Daarnaast stelt NSC voor verouderde terreinen te kunnen onteigenen “zodat grondspeculanten er geen woekerprijzen voor kunnen vragen” en wil de partij een “heffing op overdrachtsbelasting” (het is mij overigens niet duidelijk wat hier mee wordt bedoeld) invoeren wanneer een woning binnen drie jaar na aankoop wordt doorverkocht, teneinde speculatie met woningen te ontmoedigen. De SP kiest voor een meer verstrekkende benadering en wil “grondspeculatie stoppen door duidelijke voorwaarden te stellen aan ontwikkelaars” en door “speculatie op landbouwgrond door banken, pensioenfondsen en buitenlandse investeerders” te verbieden. De partij spreekt expliciet van een einde aan “land grabbing”, zodat grond in handen blijft van “boeren en gemeenschappen”. Daarbij stelt de SP dat de opbrengsten uit zowel de afbouw van de hypotheekrenteaftrek als uit “het belasten van grondspeculatie” moeten terugvloeien in het Nationaal Woonfonds.
5.4 Woningcorporaties
De Staatssecretaris van Financiën heeft in een Kamerbrief van 9 september 2025 de stand van zaken omtrent het belasten van woningcorporaties toegelicht.24 De partiële vennootschapsbelastingplicht voor woningcorporaties is ingevoerd per 1 januari 2006, gevolgd door de integrale vennootschapsbelastingplicht per 1 januari 2008. Dit gebeurde omdat de vennootschapsbelastingvrijstelling voor woningcorporaties marktverstorend kon werken. De staatssecretaris merkt op dat er (sindsdien) verschillende mogelijkheden onderzocht zijn om woningcorporaties gedeeltelijk of volledig uit te zonderen van de vennootschapsbelasting Hierbij is vooral het staatssteunaspect van belang.25 In mei 2025 is een notitie verschenen waarin onder meer mogelijke maatregelen in kaart zijn gebracht om de vennootschapsbelastinglast voor woningcorporaties te verlagen, zoals vrijstelling, bestedingsreserves, verduurzamingsaftrek en aanpassing van de earningsstrippingmaatregel.26 Op 30 september 2025 is er nog een motie ingediend waarin de regering is verzocht de winstbelasting voor woningbouwcorporaties af te schaffen en dit te dekken door invoering van een planbatenheffing.27 De motie is echter verworpen.
In de verkiezingsprogramma’s is bij enkele partijen expliciet aandacht voor de fiscale positie van woningcorporaties. De PVV, GroenLinks-PvdA, Volt en PvdD willen de vennootschapsbelastingplicht voor woningcorporaties afschaffen. De PVV wil de sociale huren volgend jaar met 10% verlagen. Woningcorporaties zouden volgens de partij gecompenseerd moeten worden door voor hen de winstbelasting te schrappen, zodat de bouwopgave niet in gevaar komt. GroenLinks-PvdA wil een woningcorporatie nieuwe stijl. De partij omschrijft de nieuwe stijl als “een woningcorporatie die gaat bouwen voor de sociale meerderheid”. Dat zijn volgens de partij investeerders zonder winstoogmerk, die betaalbare huurwoningen van topkwaliteit bouwen voor iedereen. GroenLinks-PvdA wil de wet aanpassen zodat de woningcorporaties nieuwe stijl geen winstbelasting betalen. Volt wil de vennootschapsbelasting voor woningcorporaties afschaffen om de corporaties in staat te stellen meer te bouwen. De PvdD wil ook de winstbelasting voor woningcorporaties schrappen en hen extra financiële steun geven. Hierdoor kunnen woningcorporaties volgens de partij huren bevriezen om wonen betaalbaar te houden en nieuwe sociale huurwoningen te bouwen. De ChristenUnie wil woningcorporaties meer financiële ruimte geven. Ze mogen een deel van hun winst opnieuw investeren in nieuwe woningen (de herbestedingsreserve). Dat levert volgens de partij elk jaar een miljard euro extra op voor meer betaalbare huizen. De NSC merkt op dat de financiële armslag van corporaties al is verruimd door het afschaffen van de verhuurderheffing. Om ervoor te zorgen dat woningcorporaties ook in de toekomst kunnen investeren in duurzame woningbouw zouden volgens de partij voor corporaties fiscale heffingen die bedoeld zijn voor commerciële partijen, op korte termijn verlaagd of afgeschaft moeten worden. Ook is voor de NSC een optie om met een herbestedingsreserve binnen de vennootschapsbelasting te werken.
Visueel kan dit als volgt worden weergegeven:
6. Afsluiting
Binnen vrijwel alle politieke stromingen lijkt consensus te bestaan dat hervormingen in het belastingstelsel noodzakelijk zijn. Wat daarbij echter vaak ontbreekt, is een nadere uitwerking en samenhangende visie van wat men onder die hervormingen verstaat. Hoewel het begrijpelijk is dat fiscale vraagstukken en uitwerkingen in een verkiezingsprogramma doorgaans een ondergeschikte rol spelen ten opzichte van de centrale politieke boodschap, en dat complex fiscaal jargon bewust wordt vermeden om de toegankelijkheid te waarborgen, had ik – vanuit mijn fiscale achtergrond – toch op meer richtinggevende ideeën, verklarende toelichtingen en concrete voorstellen gehoopt en die ook verwacht.28 Hoe dan ook, samenvattend vallen mij de volgende punten in het bijzonder op:
De partijen GroenLinks-PvdA, SP, PvdD en Denk willen de vennootschapsbelasting voor (grote) bedrijven verhogen.
De partijen PVV, GroenLinks-PvdA, NSC, SP, ChristenUnie, FvD, SGP, Denk, PvdD en Volt vinden dat de expatregeling moet worden ingeperkt of afgeschaft. Niet blijkt of de per 1 januari 2027 voorziene versobering van de regeling door de partijen in hun standpunten is betrokken.
GroenLinks-PvdA, D66, PvdD en Volt hebben expliciet aangegeven de landbouwvrijstelling te willen aanpassen of afschaffen. FvD en SGP geven expliciet aan de landbouwvrijstelling te willen behouden.
VVD, NSC, BBB en CDA spreken zich expliciet uit voor het behoud van de innovatiebox en/of de WBSO.
De partijen VVD, BBB, NSC, CDA, ChristenUnie, FvD, PvdD, CU en SGP willen de bedrijfsopvolgingsregeling (al dan niet in aangepaste vorm) behouden.
De partijen GroenLinks-PvdA, D66, SP ChristenUnie, Denk, PvdD en Volt willen een (extra) vermogensbelasting en/of een verhoging van de schenk- en erfbelasting. VVD, BBB, FvD, SGP en JA21 pleiten juist voor een lagere of afschaffing van schenk- en erfbelasting. CDA wil schenken aantrekkelijker maken dan erven.
GroenLinks-PvdA, D66, CDA, ChristenUnie, PvdD en Volt zijn voorstanders van invoering van (een vorm van) rekeningrijden. De partijen PVV, SP, Denk, FvD, SGP en JA21 merken op dat zij tegen (een vorm van) rekeningrijden zijn.
Tot de voorstanders van (verhoging of differentiatie van) de vliegbelasting behoren GroenLinks-PvdA, D66, ChristenUnie, PvdD, Volt en SGP. De partijen VVD, PVV, JA21 en FvD zijn tegenstanders van uitbreiding van de vliegbelasting.
GroenLinks-PvdA, D66, SP, ChristenUnie, PvdD en Volt willen net als bij de verkiezingen in 2023 een verdere afbouw of afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Bij deze verkiezingen is nieuw dat ook het CDA heeft aangegeven de hypotheekrenteaftrek te willen afbouwen en dat de SGP er open voor staat.
GroenLinks-PvdA, SP, CDA, PvdD en Volt concentreren zich op een leegstandsheffing. PVV, GroenLinks-PvdA, CDA en ChristenUnie profileren zich (daarnaast) op een planbatenheffing. NSC en SP onderscheiden zich door aanvullende maatregelen tegen speculatie.
PVV, GroenLinks-PvdA, NSC, SP, PvdD en Volt willen de winstbelasting voor (bepaalde) woningcorporaties afschaffen.
Het is te hopen dat er na de verkiezingen op 29 oktober 2025 snel een nieuwe regering gevormd kan worden en dat er in het regeerakkoord ruim aandacht is voor evenwichtige – op belastingbeginselen gebaseerde – concrete plannen voor ons belastingstelsel.