Zie hierover ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 284.
HR, 20-12-2022, nr. 20/02028
ECLI:NL:HR:2022:1865
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2022
- Zaaknummer
20/02028
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1865, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2022; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1081
ECLI:NL:PHR:2022:1081, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑11‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1865
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑12‑2022
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02028
Datum 20 december 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 juni 2020, nummer 22-003315-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.P. Visser, advocaat te 's–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf; de Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2022.
Conclusie 22‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Diefstal. In het middel wordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uos dat oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak. Conclusie strekt tot verwerping.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02028
Zitting 22 november 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 25 juni 2020 door het gerechtshof Den Haag voor een drietal strafbare feiten, waaronder een diefstal, veroordeeld tot een taakstraf van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.P. Visser, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Bespreking van het middel
2.1.
2.2.
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-131403-19 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 30 januari 2019 te 's-Gravenhage meerdere bierkratjes en lege bierflesjes, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [aangever], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
2.3.
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 1 februari 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PLI500-2019029080-1.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 3 e.v.):
als de op 1 februari 2019 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van [aangever]:
Ik doe aangifte van diefstal van vier bierkratten met lege flesjes. Deze zijn mijn eigendom.
Ik woon in een studentenflat gelegen aan de [a-straat 1-2] te [plaats]. Op woensdag 30 januari 2019, omstreeks 09:30 uur, zag ik dat de kratjes met de lege flesjes niet meer op de plek stonden waar ik ze voor het laatst had gezien.
Op de camerabeelden is gezien dat op 30 januari 2019, omstreeks 09:00 uur, een mij onbekende persoon het pand binnen is gekomen doordat hij is meegelopen met een medebewoner. Op de beelden is te zien dat NNI met een viertal kratten het pand verlaat.
Ik kan NNI omschrijven als:
- man;
- negroïde (Antilliaans, Surinaams) ;
- lengte 190 - 195 centimeter;
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari van de politie Eenheid Den Haag met nr. PLI500-2019029080-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 14 e.v.):
als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant, heb de camerabeelden van woensdag 30 januari 2019, gemaakt in de centrale hal van de studentenflat aan de [a-straat] in [plaats], bekeken.
09:26:34 In de lift staat man 1. Man 1 draagt 4 opgestapelde kratten bier.
09:26:45 Man 1 loopt met de 4 kratten bier de hal door, en gaat via de deur naar buiten.
5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari van de politie Eenheid Den Haag met nr. PLI500-2019029080-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 15 e.v.):
als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op dinsdag 5 februari 2019 bekeek ik, verbalisant, het beeldmateriaal van de diefstal gepleegd op 30 januari 2019, van vier kratten bier uit een studentenflat, gevestigd [a-straat 1-2] te [plaats]. Ik, verbalisant, zag op de beelden dat een lange donkergetinte man in de omgeving van de centrale hal bleef hangen. Korte tijd later zag ik dat de man de flat inging en met vier kratten opgestapeld weer naar buiten liep. Ik herkende deze man voor honderd procent als [verdachte].”
2.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte het volgende verklaard:
“Met de bierkratjes ging het als volgt. Ik heb ze gewoon uit de keuken gepakt. Je kunt ze makkelijk naar de Albert Heijn brengen. [betrokkene 1] heeft mij gevraagd haar kratten weg te brengen. Het is een studentenhuis. Zondag zou ik die dingen wegbrengen. Zo gezegd, zo gedaan. Op haar verdieping woont nog een jongen. Hij beweerde dat ik een van zijn kratten had meegenomen. Ik moest drie kratjes wegbrengen, maar het bleken er vier te zijn. U houdt mij voor dat er vier kratten op de foto's staan. Het waren er ook vier. U houdt mij voor dat de aangever [aangever] heeft verklaard: "Op de beelden is te zien dat hij omstreeks 09:15 uur met een viertal kratten in zijn handen het pand verlaat". Ik heb dit niet gelezen. Het is in de straat van mijn moeder. De bewoners kennen me. Ik ben binnen gekomen door daar te blijven hangen. Ik ben daarna meegelopen met iemand die ik ken. Het was 's ochtends rond 9 uur. Ik kom daar vaker. U vraagt mij hoe ik in de keuken kom. Het is een grote, gemeenschappelijke keuken, zonder deur, die voor iedereen toegankelijk is. De keuken is niet van één huis. Het zijn studentenwoningen. Alle rommel staat daar.
(…)
De vrouw van de bierkratjes woonde vier hoog. De keuken is op de hoogste verdieping. Ik ben niet door haar binnengelaten. Ik had haar eerder gebeld, maar ze nam niet op. Het kan dat ik daar een tijdje heen en weer heb gelopen. Ik weet de achternaam van [betrokkene 1] niet. Zij weet mijn achternaam ook niet.”
2.5.
Voorts heeft de raadsvrouw van de verdachte, mr. M.P. Friperson, ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd:
“De diefstal kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. De verklaring van aangever vindt onvoldoende steun in het dossier. Client beschikte over een auto, model station. Hij had voldoende ruimte. Hij heeft haar gebeld. Zij was aan het douchen. Hij heeft even gewacht en is maar naar binnengegaan toen de deur open ging. Het waren haar kratten. Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening kan niet worden bewezen. Voorwaardelijke opzet is voor oogmerk onvoldoende. Ik verzoek u mijn cliënt vrij te spreken.”
2.6.
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof geopteerd voor de bekende (standaard)overweging:
“Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.”
2.7.
In het cassatiemiddel wordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk voorgedragen en onderbouwde standpunt dat er geen sprake was van oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Deze selectie en waardering van het bewijs behoeft – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de invoering van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv de vrijheid van de feitenrechter niet heeft aangetast. Wel zal de rechter op grond van deze bepaling zijn beslissing(en) in een aantal gevallen nader moeten motiveren, onder meer indien door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen. De omvang van de motiveringsplicht die door een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het leven wordt geroepen, is in het algemeen niet goed in regels uit te drukken. In dit verband komt onder meer betekenis toe aan de aard van het onderwerp waarop het standpunt betrekking heeft en aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.1.De motiveringsplicht gaat in elk geval niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.2.
2.8.
Terug naar het middel. Het hof heeft in zijn arrest niet expliciet gereageerd op hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Kennelijk heeft het hof het verweer dat de verdachte op verzoek van een bewoonster van het studentenhuis kratjes met lege flesjes heeft meegenomen in de veronderstelling dat die van de bewoonster waren niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Dat oordeel getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Weliswaar is ter terechtzitting van het hof een betoog gevoerd dat uitmondt in een verzoek om vrijspraak, maar van een duidelijk, door argumenten geschraagd standpunt kan in het onderhavige geval niet worden gesproken.3.De enkele verwijzing naar ene [betrokkene 1], een verder onbekend gebleven (en dus ook nimmer gehoorde) bewoonster van het studentenhuis waarin ook de aangever woonde, is daarvoor te mager. Was er wel van zo’n uitdrukkelijk onderbouwd standpunt sprake geweest, dan had de rechter daaraan – in beginsel – niet ongemotiveerd voorbij mogen gaan.4.
2.9.
Een andere vraag is of het hof de diefstal en in het bijzonder het daarvoor vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft kunnen bewijzen en heeft kunnen volstaan met de standaardoverweging dat het zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, grondt op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Uit de bewijsmiddelen blijkt (i) dat er aangifte is gedaan van diefstal van vier bierkratjes uit een studentenflat, (ii) dat uit camerabeelden van de centrale hal van de studentenflat blijkt dat op de dag dat de aangever zijn kratten mist een man met vier opgestapelde bierkratjes via de hal de studentenflat heeft verlaten en (iii) dat een verbalisant deze man voor honderd procent heeft herkend als de verdachte. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt bovendien (iv) dat de verdachte enige tijd in de omgeving van de centrale hal heeft rondgehangen en (v) dat hij de flat is binnengekomen door met een bewoner mee naar binnen te lopen. Dat het hof bij deze, aan de bewijsmiddelen ontleende, loop van de gebeurtenissen “het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening” van de aan aangever toebehorende bierkratjes bewezen oordeelt, acht ik niet onbegrijpelijk. In dit oordeel ligt besloten dat het hof is voorbijgegaan aan het verweer dat de verdachte de kratten op verzoek van een bewoonster heeft opgehaald. Ook dit acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte zelf heeft verklaard dat de bewoonster hem die dag niet de toegang tot de flat heeft verleend en hij verder geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zijn verweer kunnen staven. De verdachte heeft enkel nog verklaard dat die bewoonster [betrokkene 1] heet en op de vierde verdieping van de flat woont, maar haar achternaam kent hij niet en zij zou ook de achternaam van de verdachte niet kennen.
2.10.
Hoewel de steller van het middel er terecht op wijst dat het hof niet expliciet heeft gereageerd op het verweer dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt, vindt dat verweer voldoende weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Ik merk op dat uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding niet blijkt dat de verdediging op enig moment in de procedure een poging c.q. een verzoek heeft gedaan de bewoonster van de flat te traceren en/of te (laten) horen.
2.11.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Slotsom
3.1.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde motivering.
3.2.
Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering zoals de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
3.3.
Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
3.4.
Deze conclusie strekt
- tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf; de Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf, en
- tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑11‑2022
Vgl. onder meer HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072 (art. 81 RO) en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.1. In rov. 3.8.2 gaat deHoge Raad in op uitzonderingen op de motiveringsplicht. Zo kan zich het geval voordoen dat de uitspraakvoldoende gegevens bevat waarin de nadere motivering besloten ligt, dat het ontbreken van een uitdrukkelijkeweerlegging – mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door ofnamens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht – geen afbreuk doet aande toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak of dat het verzuim van de rechter omeen nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen van zo ondergeschikte betekenis is dat het niet tot nietigheidleidt.