Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.1:IX.1 Inleiding
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.1
IX.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598642:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorgaande hoofdstukken presenteren de bevindingen waarin dit onderzoek naar de onschuldpresumptie heeft geresulteerd. Vanuit vier perspectieven zijn de achtergronden, grondslagen, inhoud en werking van het beginsel geanalyseerd. Eerst is besproken waar de oorsprong van het beginsel ligt en hoe het zich ontwikkelde tot een fundamenteel recht dat in vrijwel alle internationale mensenrechtenverdragen terechtkwam.1 Dat gaf aanleiding een – voorlopig – onderscheid te maken tussen twee dimensies, die zich zowel in de historische ontwikkeling van het beginsel als in de wetenschappelijke literatuur en het positieve recht telkens aftekenen: een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie.2 De hoofdstukken III en IV ontrafelen vervolgens die dimensies op een meer hedendaags, theoretisch niveau. Voor beide blijken ook vandaag de dag nog overtuigende grondslagen en functies aanwijsbaar.3 Dat neemt niet weg dat ook eenvoudig belangen te identificeren zijn die tegen al te royale toekenning van het vermoeden van onschuld pleiten.4 Binnen die dimensies laten zich diverse (sub)normen onderscheiden.5 Tevens blijkt de onschuldpresumptie uit haar aard diverse vragen en dilemma’s met zich te brengen, waarvoor het positieve recht zich gesteld ziet.6 In de hoofdstukken V en VI kwam de positiefrechtelijke inhoud ervan uitvoerig aan bod. Besproken is welke minimumnormen het mensenrecht op de onschuldpresumptie de aan de mensenrechtenverdragen gebonden staten precies voorschrijft en wat de nog tamelijk recent tot stand gebrachte richtlijn over het onschuldvermoeden daaraan toevoegt en afdoet. In de hoofdstukken VII en VIII is nagegaan op welke wijze de onschuldpresumptie in de Nederlandse strafrechtspleging functioneert. Niet alleen is de verenigbaarheid van het Nederlandse strafprocesrecht met de normen van het internationale recht kritisch besproken, ook is onderzocht in welke mate aan de onschuldpresumptie in theoretische zin invulling is gegeven.
Het antwoord op de centrale vraag van dit boek – wat houdt de onschuldpresumptie in, wat is de ratio ervan en wat is de juridische betekenis ervan voor de Nederlandse strafrechtspleging? – ligt in de voorgaande hoofdstukken besloten. Om tot een synthese van die bevindingen te komen, is het nuttig terug te grijpen op de eerste paragrafen van dit boek. Dit boek vangt aan met de in de latere hoofdstukken in ruime mate bevestigde constatering dat over de onschuldpresumptie veel onduidelijkheid en onenigheid bestaat. Zes algemene vraagstukken die het beginsel omringen, dragen die constatering. Deze betreffen het karakter ervan op het meest abstracte niveau; de interne coherentie; de juridisch-praktische werking, oftewel de mate waarin de onschuldpresumptie daadwerkelijk sturend en maatgevend is in de praktijk van het strafrecht; de verhouding tot andere rechten en beginselen; het toepassingsbereik; en de betekenis en uitwerking in de Nederlandse strafrechtspleging.7 Ter afronding en synthetisering van dit onderzoek ga ik op elk van deze zes thema’s nog éénmaal afzonderlijk in.