Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.3.2
9.3.2 Verschil tussen goederen- en verbintenissenrecht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300448:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie in algemene zin over het onderscheid tussen goederen- en verbintenissenrecht Kisch 1932; Rank-Berenschot 1992; Sagaert 2005; Lebon 2006, waar ook overzichten te vinden zijn van de verschillende ‘scholen’ die in Nederland en elders tegenover elkaar hebben gestaan. Zie in algemene zin over de numerus clausus Smits 1996; Struycken 2007; Akkermans 2008.
Rank-Berenschot 1992, p. 127 e.v.; Vegter 1993, p. 803; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 23.
Kisch 1932, p. 28; Rank-Berenschot 1992, p. 36; Lebon 2006, p. 31.
Het betreft de ‘heerschappijleer’ (zie Kisch 1932, p. 35; Rank-Berenschot 1992, p. 40) en de ‘ius ad rem’-leer (zie Kisch 1932, p. 43; Rank-Berenschot 1992, p. 41).
Kisch 1932, p. 59; Rank-Berenschot 1992, p. 42; Lebon 2006, p. 32.
Het betreft de opvattingen van Planiol en Windscheid, die nog wel verschillen zien tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten, en de opvatting van Demogue, de het verschil tussen beide ontkent; zie Lebon 2006, p. 34 e.v. Daarnaast betreft het de opvatting van Kisch 1932, die goederenrechtelijke rechten herleidt tot een gebondenheid aan de zijde van de rechthebbende jegens andere goederenrechtelijk gerechtigden. Zie hierover Rank-Berenschot 1992, p. 54.
Zie Rank-Berenschot 1992, p. 38 e.v., 45 v.; Schoordijk 1992, p. 1203.
De reeds besproken opvattingen van Eggens en Schoordijk verschillen met de direct hierna te bespreken opvattingen in het feit dat zij óók voor wat betreft de interne zijde van een (goederenrechtelijk) recht uitgaan van de verhoudingen tussen de gerechtigde en andere personen, in plaats van de klassieke opvatting te huldigen. De opvatting van Meijers 1948, p. 269 e.v., die stelde dat (goederenrechtelijke) rechten zich in meerdere of mindere mate als een ‘normaaltype’ van een goederenrechtelijk recht gedragen, is mijns inziens eerder een praktische oplossing dan een wetenschappelijke theorie om het verschil tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten te duiden. Zie ook de kritiek op de opvatting van Honoré in randnummer 159.
Deze aanpak is aangehangen door o.a. Rigaud en Roguin; zie Rank-Berenschot 1992, p. 50–51; Lebon 2006, p. 36 e.v. Ook Lebon 2006, p. 72–73 schaart zich uiteindelijk achter hun opvattingen. Een interessante aanhanger van deze aanpak is von Gierke, die veel van de elementen uit de voorgaande hoofdstukken in zijn benadering betrekt (de verhouding persoon-rechtsobject-andere personen, het samenbundelen van bevoegdheden en verplichtingen). Uiteindelijk stelt hij echter dat rechtsgeleerden zich moeten neerleggen bij ‘het rechtsbewustzijn’ dat goederenrechtelijke rechten primair een band tussen persoon en rechtsobject vormen en sluit hij zich op basis daarvan voor wat betreft de interne zijde van een goederenrechtelijk recht aan bij de klassieke leer. Zie von Gierke 1895, p. 254–265; Rank-Berenschot 1992, p. 48 e.v.; Lebon 2006, p. 38 e.v.
Zie de voorbeelden genoemd in randnummer 521.
Deze opvatting vindt zijn grondslag in het werk van Ginossar; zie over zijn werk Rank-Berenschot 1992, p. 60 e.v.; Lebon 2006, p. 45 e.v. In Nederland heeft zijn werk grotendeels navolging gevonden bij Rank-Berenschot 1992, p. 62, 313. Zie hierover ook Vegter 1993, p. 803–804.
Ginossar 1960, p. 33.
Rank-Berenschot 1992, p. 313. Zie over de discussie over het ‘toebehoren’ van een recht meer uitgebreid paragraaf 9.3.3.
Zie in deze zin Rank-Berenschot 1992, para. 311, 319–320.
Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 23.
Eggens 1960, p. 198–199; Kortmann 1973, p. 433; Biemans 2011, p. 464; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2015, para. 46; Asser/Sieburgh 2016, para. 17; Tweehuysen 2016, p. 21.
Rank-Berenschot 1992, p. 311–313; Tweehuysen 2016, p. 22.
Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 23; Asser/Sieburgh 2016, para. 16. Ik meen daarom dat de opmerking van de Jong 2005, p. 40 – “Praktisch ingesteld als de meeste Nederlandse schrijvers altijd zijn geweest, heeft men het klassieke onderscheid tussen zakenrecht en verbintenissenrecht als vaststaand feit beschouwd en van daaruit dogmatiek bedreven” – daarom wel wat al te stellig is.
Eén van de weinige Nederlandse auteurs die wel wat voor deze opvatting voelde was Pitlo 1972, p. 130–131.
Zie de Jong 2005; Mollema 2013a, p. 242.
Zoals gesteld door de Jong 2005, p. 34. Zie hierover de bespreking van de verschillende juridische posities die onderdeel van een subjectief recht kunnen uitmaken in paragraaf 3.4.2.
Zoals gesteld door de Jong 2005, p. 39, die dit idee zelfs ‘potsierlijk’ noemt. Zie hierover paragraaf 3.4.3.
Zoals gesteld door Mollema 2013a, p. 242. Zie hierover paragraaf 3.4.4.
Zoals gesteld door de Jong 2005, p. 46: “Anders dan een esthetisch verlangen naar het overwinnen van tegenstellingen in een begrip van een hogere orde, is er volgens mij geen enkele noodzaak om de klassieke dichotomie in de privaatrechtelijke dogmatiek te overwinnen”.
398. Het verschil tussen goederen- en verbintenissenrecht is één van de kernthema’s van de Nederlandse vermogensrechtelijke dogmatiek. Het onderwerp heeft tot het verschijnen van veel literatuur geleid, die vaak (deels) overlapt met literatuur over de numerus clausus.1 Ik bespreek achtereenvolgens het praktische belang van het onderscheid, de verschillende dogmatische opvattingen uit de Nederlandse rechtsliteratuur, en de huidige heersende leer.
399. Het praktische belang van het onderscheid tussen goederen- en verbintenissenrecht is gelegen in het verschil in rechtsgevolg van het aanmerken van een recht als goederenrechtelijk, dan wel verbintenisrechtelijk. Deze gevolgen betreffen de inroepbaarheid van het recht tegen derden en de remedies die openstaan bij niet-nakoming door, en faillissement van, de wederpartij.2 Kortgezegd is een goederenrechtelijk recht gemakkelijker te handhaven jegens derden, omdat het eenvoudiger aan te tonen is dat zij daar inbreuk op maken. Ook geeft een goederenrechtelijk recht een uitgebreider arsenaal aan rechtsmiddelen (goederenrechtelijke acties) die kunnen worden ingeroepen. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de mogelijkheid om de zaak te revindiceren, óók in geval van faillissement van de wederpartij. Of een recht goederenrechtelijk of persoonlijk is, volgt uit de numerus clausus.
400. Om het onderscheid tussen goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten dogmatisch te duiden, zijn verschillende ‘leren’ ontwikkeld. In de ‘klassieke leer’ over het verschil tussen goederenrecht en verbintenissenrecht wordt gesteld dat een goederenrechtelijk recht de rechtsbetrekking is tussen een persoon en een rechtsobject.3 Dit in tegenstelling tot een persoonlijk recht, dat een rechtsbetrekking vormt tussen twee of meer bepaalde personen. Op deze klassieke leer bestaan enkele varianten, die ik hier buiten beschouwing laat.4
401. Tegenover de klassieke leer is de zogenaamde ‘respectleer’ geplaatst. Deze houdt in dat een goederenrechtelijk recht bestaat uit een rechtsverhouding tussen de gerechtigde en alle andere (onbepaalde) personen; deze anderen dienen zich van inbreuk te onthouden (het recht van de gerechtigde te ‘respecteren’). Een verbintenisrechtelijk recht bestaat in deze leer óók uit een rechtsverhouding tussen personen, maar hier zijn de personen bepaald en kan de inhoud van de rechtsverhouding ook uit iets anders bestaan dan het zich onthouden van bepaald gedrag.5 Ook op de respectleer bestaan meerdere varianten, die ik eveneens buiten beschouwing laat.6
402. Zowel de klassieke leer als de respectleer heeft kritiek ondervonden. De klassieke leer wordt verweten dat deze miskent dat het recht slechts tussen personen bestaat; een rechthebbende kan iets vorderen van een andere persoon, maar kan niet iets vorderen van een rechtsobject. De respectleer daarentegen biedt slechts een ‘lege’ definitie, omdat deze uitgaat van iets dat anderen niet mogen in plaats van iets dat de gerechtigde wél mag.7 Meerdere pogingen zijn daarom ondernomen om tot een betere theorie te komen. Ik bespreek hieronder twee groepen auteurs; de eerste groep bestaat uit ‘verzoeners’, die hebben geprobeerd om de verschillen tussen de klassieke leer en de respectleer weg te nemen door beide te combineren. De tweede groep bestaat uit ‘vernieuwers’, die hebben geprobeerd voor beide leren een derde leer in de plaats te stellen. Andere opvattingen in de literatuur laat ik hier buiten beschouwing.8
403. De ‘verzoeners’ proberen de verschillen tussen de klassieke leer en de respectleer te overbruggen door het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht terug te brengen tot de interne zijde van een recht.9 De externe zijde – het zich moeten onthouden van inbreuk door derden – is voor goederenrechtelijke en persoonlijke rechten in deze opvatting gelijk. De interne werking verschilt, al naar gelang het voorwerp van deze werking. Bij een goederenrechtelijk recht is dat een rechtsobject, bij een persoonlijk recht een andere persoon.
404. Door onderscheid te maken tussen de externe werking en de interne werking van een goederenrechtelijk recht, lukt het om zowel voor het voetlicht te brengen dat goederenrechtelijke rechten gelden tussen personen (externe werking), als om ze een positieve inhoud te geven waaruit blijkt wat hetgeen is waartoe de rechthebbende gerechtigd is (interne werking). Daardoor kan een goederenrechtelijk recht gedetailleerder worden beschreven dan in de respectleer, hetgeen duidelijke voordelen biedt. Het verschil met de klassieke leer is gevoelsmatig kleiner, omdat het enige voordeel bestaat uit de dogmatische ‘zuiverheid’ die wordt gewonnen door de externe zijde van alle rechten weer te kunnen geven als relaties tussen personen. De winst is hier beperkt, omdat dit voordeel praktisch weinig verschil maakt. Mensen zullen vooral gebruik willen maken van de interne zijde van hun recht, die voor goederenrechtelijke rechten nog steeds wordt weergegeven door de klassieke leer. De mogelijkheden die een relationele benadering biedt om de interne zijde van een goederenrechtelijk recht gedetailleerd te omschrijven, blijven buiten bereik. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk om bij de ‘interne’ zijde van een goederenrechtelijk recht te differentiëren al naar gelang de wederpartij of rechtsobject. Het betreft immers één ‘recht’ van de rechthebbende ‘op’ een rechtsobject. Eventuele verschillen in verhoudingen tot anderen moeten dan ‘buiten’ het goederenrechtelijke recht worden vormgegeven. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de wettelijke regeling voor het burenrecht, waaruit blijkt dat de bevoegdheden en verplichtingen die voor de eigenaar gelden jegens (directe) naburen anders zijn dan voor andere partijen.10 Dat lijkt zich op zijn minst slecht te verhouden tot de opvatting dat al deze bevoegdheden en verplichtingen onderdeel zijn van het eigendomsrecht (zie meer uitgebreid randnummer 519-520).
405. De ‘vernieuwers’ hebben geprobeerd om voor de klassieke leer en de respectleer een derde leer in de plaats te stellen.11 De mate waarin hun opvattingen verschillen van die van de ‘verzoeners’ is mijns inziens echter betrekkelijk. Ook de ‘vernieuwers’ gaan uit van een verschil tussen de interne en de externe zijde van een subjectief recht. Zij komen eveneens tot de conclusie dat deze externe zijde voor zowel beperkte rechten als voor persoonlijke rechten gelijk is: de plicht voor anderen om geen inbreuk te maken. De interne zijde karakteriseren zij als een rechtsbetrekking tussen personen. Bij een persoonlijk recht geldt deze rechtsbetrekking simpelweg tussen de personen in kwestie. Bij een beperkt recht is er iets aparts aan de hand: de partij die gehouden is om de verplichtingen uit de rechts-betrekking te voldoen, wordt kwalitatief aangewezen door het zijn van moedergerechtigde. Wordt het moederrecht waarop een beperkt recht is gevestigd overgedragen, dan kan het beperkte recht dus ook tegenover de nieuwe gerechtigde van het moederrecht worden ingeroepen (het zogenaamde goederenrechtelijk gevolg, oftewel droit de suite).
406. Het voordeel van deze opvatting is dat zowel persoonlijke rechten als beperkte rechten kunnen worden weergegeven als rechtsverhoudingen tussen personen (al dan niet kwalitatief bepaald). Het nadeel is dat er in het zojuist beschreven schema geen plaats is voor het eigendomsrecht; dit eigendomsrecht wordt namelijk niet kwalitatief bepaald. In plaats van een onderscheid tussen enerzijds goederenrechtelijke rechten en anderzijds persoonlijke rechten, wordt daarom een ander onderscheid gehanteerd: enerzijds het eigendomsrecht, anderzijds de beperkte en persoonlijke rechten. Dat betekent dat nog een invulling moet worden gegeven aan het eigendomsrecht. Eén van de voorgestelde invullingen is om het eigendomsrecht los van de beperkte en persoonlijke rechten te zien, omdat het van een hogere orde is. Het eigendomsrecht is in die visie een recht van ‘toebehoren’ dat de band tussen een persoon en een recht aangeeft, in plaats van dat het een recht ‘is’.12 Deze opvatting is in de literatuur (mijns inziens terecht) bestreden.13 Een andere invulling is om het eigendomsrecht (als enige) te karakteriseren als een verhouding tussen een persoon en een rechtsobject.14 Daarmee verschilt deze opvatting alleen voor wat betreft de beperkte rechten van de opvatting van de ‘verzoeners’. Het eigendomsrecht wordt weergegeven aan de hand van de klassieke leer. De eerdergenoemde bezwaren tegen het karakteriseren van een eigendomsrecht als een verhouding tussen een persoon en een rechtsobject, blijven daarmee van kracht.
407. De heersende leer in het Nederlandse vermogensrecht lijkt te zijn dat er een tweedeling bestaat tussen rechten die op rechtsobjecten rusten en rechten die tegen personen kunnen worden uitgeoefend.15 Dit stemt het meest overeen met de klassieke leer.16 Anderzijds wordt breed aangenomen dat de scheiding niet zo strikt is als het op het eerste gezicht lijkt. Zo heeft een vordering jegens een persoon bijvoorbeeld ook een ‘absolute’ zijde, die ertoe dient om anderen ervan te weerhouden om inbreuk te maken.17 Andersom leiden goederenrechtelijke rechten tot verbintenissen tussen personen.18 De onderverdeling tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten lijkt dan ook vooral gebruikt te worden als handig hulpmiddel om enkele van de kenmerken van een recht weer te geven. In de meeste handboeken wordt het onderscheid tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten daarom sterk gerelativeerd.19 Daarbij wordt niet expliciet één van de opvattingen aangehangen die proberen de verschillen tussen de klassieke leer en de respectleer te overbruggen.
408. De heersende leer lijkt daarmee voldoende ‘neutraal’ om voor de meeste juristen acceptabel te zijn. De respectleer heeft in de Nederlandse rechtsliteratuur eigenlijk geen aanhangers meer.20 De enige kritiek die op de heersende leer wordt geleverd, komt van enkele (fervente) aanhangers van de klassieke opvatting. Zij nemen expliciet stelling tegen het karakteriseren van goederenrechtelijke rechten als (mede) betrekking hebbend op andere personen dan de gerechtigde.21 Zij noemen daarvoor verschillende argumenten, die ik in het voorgaande al heb behandeld (zie de verwijzingen in de voetnoten hierna). Zo zou het karakteriseren van goederenrechtelijke rechten in verbintenisrechtelijke termen leiden tot ‘lege’ begrippen, omdat enkel een plicht tot onthouding van inbreuk bestaat.22 Verder zou een definitie die afhankelijk is van een grote groep onbepaalde personen niet goed werkbaar zijn.23 Ook zou de verhouding tussen persoon en rechtsobject – los van andere personen – op zichzelf een bron van rechten en verplichtingen vormen.24 Ten slotte zou het in relationele termen denken over goederenrechtelijke rechten geen enkel voordeel bieden.25 Vooral van dit laatste argument hoop ik met het voorliggende onderzoek het tegendeel te bewijzen.