Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/265:265 Oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/265
265 Oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS454654:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de Hoge Raad ligt de toewijsbaarheid van de vordering in de hoofdzaak niet ter toetsing voor bij de beoordeling van een verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor. Inderdaad moet het uitgangspunt zijn dat de rechter die beslist over een verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor, zich niet uitlaat over de vordering in de hoofdzaak. Dat betekent echter niet dat de rechter de haalbaarheid van de vordering in de hoofdzaak geheel niet mag meenemen in zijn beoordeling van het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor (zie hierover par. 6.6). Bij het onderzoek naar de toepasselijkheid van een afwijzingsgrond mag de rechter ook meewegen hoe zwak de vordering in de hoofdzaak is. Als bij oppervlakkige beoordeling de vordering in de hoofdzaak als kanslooswordt ingeschat, bestaat onvoldoende belang bij het voorlopig getuigenverhoor. Als de vordering in de hoofdzaak geen kans van slagen heeft, is het verzamelen van getuigenbewijs voor die hoofdzaak in een voorlopig getuigenverhoor zinloos.