Procestaal: Tsjechisch.
HvJ EU, 19-11-2024, nr. C-808/21
ECLI:EU:C:2024:962
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
19-11-2024
- Magistraten
K. Lenaerts, T. von Danwitz, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin, D. Gratsias, E. Regan, I. Ziemele, Z. Csehi, O. Spineanu—Matei
- Zaaknummer
C-808/21
- Conclusie
J. Richard de la tour
- Roepnaam
Commissie/Tsjechische Republiek () en adhésion à un parti politique)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:962, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑11‑2024
ECLI:EU:C:2024:12, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑01‑2024
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Niet-nakoming — Artikel 20 VWEU — Burgerschap van de Unie — Artikel 21 VWEU — Recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven — Artikel 22 VWEU — Actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat van verblijf, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat — Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten — Geen recht om lid te worden van een politieke partij — Artikelen 2 en 10 VEU — Democratiebeginsel — Artikel 4, lid 2, VEU — Eerbiediging van de nationale identiteit van de lidstaten — Artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Rol van politieke partijen bij het tot uitdrukking brengen van de wil van Unieburgers
K. Lenaerts, T. von Danwitz, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin, D. Gratsias, E. Regan, I. Ziemele, Z. Csehi, O. Spineanu—Matei
Partij(en)
In zaak C-808/21,*
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 21 december 2021,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek, J. Tomkin en A. Szmytkowska als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door A. Edelmannová, T. Müller, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door:
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna, E. Borawska-Kędzierska en A. Siwek-Ślusarek als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin en D. Gratsias, kamerpresidenten, E. Regan, I. Ziemele (rapporteur), Z. Csehi en O. Spineanu—Matei, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2023,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 2024,
het navolgende
Arrest
1
Met haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof vast te stellen dat de Tsjechische Republiek, door Unieburgers die niet de Tsjechische nationaliteit hebben maar wel in Tsjechië verblijven het recht te ontzeggen lid te worden van een politieke partij of politieke beweging, de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
2
In het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’) is in artikel 11 (‘Vrijheid van vergadering en vereniging’) het volgende bepaald:
- ‘1.
Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
- 2.
De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.’
3
Artikel 16 EVRM, met als opschrift ‘Beperkingen op politieke activiteit van vreemdelingen’, bepaalt:
‘Geen der bepalingen van de artikelen 10, 11 en 14 mag beschouwd worden als een beletsel voor de hoge verdragsluitende partijen beperkingen op te leggen aan politieke activiteiten van vreemdelingen.’
4
Artikel 3 van het aanvullend protocol bij het EVRM, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952, heeft als opschrift ‘Recht op vrije verkiezingen’ en luidt als volgt:
‘De hoge verdragsluitende partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen.’
Unierecht
VEU en VWEU
5
Artikel 2 VEU bepaalt:
‘De waarden waarop de [Europese] Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.’
6
- ‘1.
Overeenkomstig artikel 5 behoren bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, toe aan de lidstaten.
- 2.
De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid. Met name de nationale veiligheid blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat.’
7
- ‘1.
De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
- 2.
Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie enkel binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.’
8
Artikel 10 VEU luidt:
- ‘1.
De werking van de Unie is gegrond op de representatieve democratie.
- 2.
De burgers worden op het niveau van de Unie rechtstreeks vertegenwoordigd in het Europees Parlement.
De lidstaten worden in de Europese Raad vertegenwoordigd door hun staatshoofd of hun regeringsleider en in de Raad [van de Europese Unie] door hun regering, die zelf democratische verantwoording verschuldigd zijn aan hun nationale parlement of aan hun burgers.
- 3.
Iedere burger heeft het recht aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen. De besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk is.
- 4.
De politieke partijen op Europees niveau dragen bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie.’
9
Artikel 18, eerste alinea, VWEU bepaalt:
‘Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.’
10
Artikel 20 VWEU luidt als volgt:
- ‘1.
Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.
- 2.
De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
[…]
- b)
het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
[…]
Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’
11
Artikel 21, lid 1, VWEU luidt:
‘Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’
12
Artikel 22 VWEU bepaalt:
- ‘1.
Iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, bezit het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een lidstaat.
- 2.
Onverminderd artikel 223, lid 1, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, heeft iedere burger van de Unie die verblijft houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een bepaalde lidstaat.’
Handvest
13
Artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) heeft als opschrift ‘De vrijheid van vergadering en vereniging’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Eenieder heeft op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, hetgeen mede omvat eenieders recht, ter bescherming van zijn belangen samen met anderen vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten.
- 2.
Politieke partijen op het niveau van de Unie dragen bij tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.’
14
Artikel 39 van het Handvest heeft als opschrift ‘Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement’ en bepaalt:
- ‘1.
Iedere burger van de Unie heeft actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
- 2.
De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen.’
15
Artikel 40 van het Handvest, met als opschrift ‘Actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen’, luidt:
‘Iedere burger van de Unie heeft actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.’
Richtlijn 93/109
16
De derde tot en met de zevende overweging van richtlijn 93/109/EG van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn (PB 1993, L 329, blz. 34), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/1/EU van de Raad van 20 december 2012 (PB 2013, L 26, blz. 27) (hierna: ‘richtlijn 93/109’), luiden:
‘Overwegende dat het actief en passief kiesrecht in de lidstaat van verblijf bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, als bedoeld in artikel 8 B, lid 2, [EG], een toepassing van het beginsel van non-discriminatie tussen onderdanen en niet-onderdanen en een logisch uitvloeisel van het in artikel 8 A [EG] neergelegde recht van vrij verkeer en van verblijf vormt;
Overwegende dat artikel 8 B, lid 2, [EG] uitsluitend betrekking heeft op de mogelijkheid tot de uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, zonder af te doen aan de toepassing van artikel 138, lid 3, [EG], volgens hetwelk in alle lidstaten een eenvormige procedure voor deze verkiezingen moet worden vastgesteld; dat het er in wezen toe strekt de nationaliteitsvoorwaarde waaraan de uitoefening van deze rechten momenteel in de meeste lidstaten onderworpen is, op te heffen;
Overwegende dat de toepassing van artikel 8 B, lid 2, [EG] geen harmonisatie van de kiesstelsels van de lidstaten onderstelt en dat bovendien uit hoofde van het in artikel 3 B, derde alinea, [EG] neergelegde proportionaliteitsbeginsel de communautaire regelgeving ter zake niet verder mag gaan dan noodzakelijk is om het doel van artikel 8 B, lid 2, [EG] te bereiken;
Overwegende dat met artikel 8 B, lid 2, [EG] wordt beoogd dat alle burgers van de Unie, ongeacht of zij al dan niet onderdaan van de lidstaat van verblijf zijn, aldaar onder gelijke voorwaarden hun actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen uitoefenen; dat bijgevolg de voorwaarden, met name die betreffende de duur en het bewijs van het verblijf, welke voor niet-onderdanen gelden, dezelfde moeten zijn als die waaraan in voorkomend geval de onderdanen van de betrokken lidstaat zijn onderworpen;
Overwegende dat artikel 8 B, lid 2, [EG] voorziet in het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat van verblijf, zonder dat dit echter in de plaats wordt gesteld van het actief en passief kiesrecht in de lidstaat waarvan de Europese burger onderdaan is; dat de vrijheid van de burgers van de Unie moet worden gerespecteerd om zelf te beslissen in welke lidstaat zij aan de Europese verkiezingen wensen deel te nemen, met dien verstande evenwel dat misbruik van deze vrijheid door het meer dan eenmaal uitbrengen van een stem of het zich meer dan eenmaal kandidaat stellen, moet worden voorkomen’.
17
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/109 bepaalt:
‘In deze richtlijn worden de nadere regels vastgesteld volgens welke de burgers van de Unie die in een lidstaat verblijven waarvan zij geen onderdaan zijn, in die lidstaat hun actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen uitoefenen.’
18
Artikel 10, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘Een communautair verkiesbaar persoon moet bij het indienen van zijn kandidaatstelling dezelfde bewijzen overleggen als een nationaal kandidaat. Hij moet bovendien een formele verklaring overleggen waarin hij:
- a)
zijn nationaliteit, geboortedatum en -plaats, laatste adres in de lidstaat van herkomst en zijn adres in het kiesgebied van de lidstaat van verblijf vermeldt,
- b)
te kennen geeft dat hij niet tegelijkertijd in een andere lidstaat kandidaat bij de verkiezingen voor het Europees Parlement is,
- c)
in voorkomend geval aangeeft, op de kiezerslijst van welk onder een lokale overheid ressorterend gebied of van welke kieskring in de lidstaat van herkomst hij de laatste maal was ingeschreven,
- d)
te kennen geeft dat zijn recht op kandidaatstelling hem in de lidstaat van herkomst niet is ontnomen door middel van een individuele rechterlijke of administratieve beslissing waartegen hoger beroep mogelijk is.’
19
Artikel 11, lid 2, van deze richtlijn bepaalt het volgende:
‘Wordt de betrokkene inschrijving op de kiezerslijst ontzegd of wordt zijn kandidaatstelling verworpen, dan kan hij de beroepsprocedures instellen die volgens de wetgeving van de lidstaat van verblijf in hetzelfde geval voor de nationale kiezers en verkiesbare personen openstaan.’
Richtlijn 94/80
20
De vierde, de vijfde en de veertiende overweging van richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten (PB 1994, L 368, blz. 38), luiden als volgt:
‘Overwegende dat de toepassing van artikel 8 B, lid 1, [EG] geen algemene harmonisatie van de kiesstelsels van de lidstaten onderstelt; dat het hoofdzakelijk gericht is op het wegwerken van de nationaliteitsvoorwaarde die momenteel in de meeste lidstaten is vereist voor de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht en dat bovendien uit hoofde van het in artikel 3 B, derde alinea, [EG] neergelegde evenredigheidsbeginsel de communautaire regelgeving ter zake niet verder mag gaan dan noodzakelijk is om het doel van artikel 8 B, lid 1, [EG] te bereiken;
Overwegende dat met artikel 8 B, lid 1, [EG] wordt beoogd dat alle burgers van de Unie, onverschillig of zij al dan niet onderdaan van de lidstaat van verblijf zijn, aldaar onder gelijke voorwaarden hun actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen kunnen uitoefenen en dat bijgevolg de voorwaarden, met name die betreffende de duur en het bewijs van het verblijf, welke voor niet-onderdanen gelden, dezelfde moeten zijn als die waaraan in voorkomend geval de onderdanen van de betrokken lidstaat zijn onderworpen; dat de niet-onderdanen niet mogen worden onderworpen aan specifieke voorwaarden, tenzij een verschillende behandeling van onderdanen en niet-onderdanen uitzonderlijk gerechtvaardigd is door specifieke omstandigheden welke betrekking hebben op de laatsten en hen onderscheiden van de eersten;
[…]
Overwegende dat het burgerschap van de Unie gericht is op een betere integratie van de burgers van de Unie in hun gastland en dat het in deze context in overeenstemming is met de bedoelingen van de auteurs van het EG-Verdrag elke polarisatie tussen kandidatenlijsten van onderdanen en niet-onderdanen te voorkomen.’
21
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 94/80 bepaalt:
‘In deze richtlijn worden de nadere regels vastgesteld volgens welke de burgers van de Unie die in een lidstaat verblijven waarvan zij geen onderdaan zijn, in die lidstaat hun actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen kunnen uitoefenen.’
22
Artikel 8, lid 3, van deze richtlijn luidt:
‘De […] kiezer die is ingeschreven op een kiezerslijst blijft onder dezelfde voorwaarden als de nationale kiezer daarop ingeschreven totdat hij ambtshalve daarvan wordt geschrapt omdat hij niet langer aan de voorwaarden voor de uitoefening van het actieve kiesrecht voldoet.
Kiezers die op eigen verzoek op de kiezerslijst zijn geplaatst, kunnen op hun verzoek ook weer van deze lijst worden afgevoerd.
Ingeval hij zijn verblijfplaats verplaatst naar een onder een ander primair lokaal lichaam ressorterend gebied in dezelfde lidstaat, wordt deze kiezer op de kiezerslijst van dit lichaam ingeschreven onder dezelfde voorwaarden als een nationale kiezer.’
23
Artikel 9, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
‘Een in artikel 3 bedoelde verkiesbare persoon moet bij het indienen van zijn kandidaatstelling dezelfde bewijzen overleggen als een nationale kandidaat. De lidstaat van verblijf kan eisen dat hij een officiële verklaring overlegt waarin zijn nationaliteit en zijn adres in de lidstaat van verblijf zijn aangegeven.’
24
Artikel 10, lid 2, van deze richtlijn luidt:
‘Wordt de betrokkene niet op de kiezerslijst ingeschreven, wordt zijn verzoek om inschrijving op de kiezerslijst afgewezen of wordt zijn kandidaatstelling verworpen, dan kan hij de beroepsprocedures instellen die volgens de wetgeving van de lidstaat van verblijf in vergelijkbare gevallen voor de nationale kiezers en verkiesbare personen openstaan.’
Tsjechisch recht
25
§ 1 van zákon č. 424/1991 Sb., o sdružování v politických stranách a v politických hnutích (wet nr. 424/1991 betreffende de vereniging in politieke partijen en politieke bewegingen), zoals gewijzigd bij zákon č. 117/1994 Sb. (wet nr. 117/1994) (hierna: ‘wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen’) bepaalt in lid 1:
‘De burgers hebben het recht zich te verenigen in politieke partijen en politieke bewegingen. Door dit recht uit te oefenen kunnen burgers deelnemen aan het politieke leven in de samenleving, in het bijzonder aan de samenstelling van de wetgevende organen en de organen van de regionale en lokale overheden […]’
26
In § 2, lid 3, van de wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen wordt het volgende bepaald:
‘Iedere burger van 18 jaar of ouder kan lid worden van een partij of beweging, doch slechts van één partij of beweging.’
27
In § 20, lid 1, van zákon č. 491/2001 Sb., o volbách do zastupitelstev obcí a o změně některých zákonă (wet nr. 491/2001 betreffende de gemeenteraadsverkiezingen en tot wijziging van bepaalde wetten), in de op het onderhavige beroep toepasselijke versie (hierna: ‘wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen’), is het volgende bepaald:
‘Krachtens deze wet kan een verkiesbare partij worden gevormd: door geregistreerde politieke partijen en politieke bewegingen […] waarvan de activiteiten niet zijn opgeschort, alsmede coalities daarvan, door onafhankelijke kandidaten, door groepen van onafhankelijke kandidaten of door groepen van politieke partijen of politieke bewegingen en onafhankelijke kandidaten.’
28
§ 21, lid 1, van zákon č. 62/2003 Sb., o volbách do Evropského parlamentu a o změně některých zákonă (wet nr. 62/2003 inzake de verkiezingen voor het Europees Parlement en tot wijziging van bepaalde wetten), in de op het onderhavige beroep toepasselijke versie (hierna: ‘wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement’), bepaalt dat de kandidatenlijsten voor de verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen worden ingediend door geregistreerde politieke partijen en politieke bewegingen waarvan de activiteiten niet zijn opgeschort, alsmede door coalities daarvan.
29
§ 22, leden 2 en 3, van de wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement bepaalt:
- ‘(2)
De kandidatenlijst moet vergezeld gaan van een bewijs van de nationaliteit van de kandidaat en van een door de kandidaat ondertekende verklaring waaruit blijkt dat hij ermee instemt zich kandidaat te stellen, dat hij niet op de hoogte is van enig beletsel dat zijn verkiesbaarheid in de weg staat, dat in voorkomend geval dit beletsel op de dag van de verkiezingen voor het Europees Parlement zal zijn weggenomen, en dat hij geen kandidatuur heeft aanvaard op een andere kandidatenlijst voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, ook niet in een andere lidstaat. De kandidaat vermeldt in zijn verklaring ook zijn woonplaats of, indien hij onderdaan is van een andere lidstaat, zijn verblijfplaats, alsmede zijn geboortedatum. De verklaring van de kandidaat mag overeenkomstig § 4 worden opgesteld in de Tsjechische taal of in een van de werktalen van de Unie.
- (3)
Indien de kandidaat onderdaan van een andere lidstaat is, vermeldt hij in zijn verklaring, naast de in lid 2 genoemde gegevens, zijn geboorteplaats en het adres van zijn laatste verblijfplaats in zijn lidstaat van herkomst, voegt hij daaraan een verklaring toe waaruit blijkt dat hem zijn passief kiesrecht in zijn lidstaat van herkomst niet door een gerechtelijke beslissing of een bestuurlijk besluit is ontnomen, en voegt hij bij de kandidatenlijst de in lid 2, eerste volzin, genoemde documenten.’
Precontentieuze procedure en de procedure bij het Hof
30
In 2010 heeft de Commissie in het kader van het EU Pilotsysteem aan de Tsjechische Republiek kenbaar gemaakt dat zij betwijfelde of het met artikel 22 VWEU verenigbaar was dat enkel Tsjechische onderdanen lid konden worden van een politieke partij.
31
Aangezien de door de Tsjechische Republiek verstrekte informatie deze twijfels niet wegnam en de Commissie van mening was dat de Tsjechische Republiek, door alleen Tsjechische onderdanen toe te staan lid te worden van een politieke partij, de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, heeft de Commissie deze lidstaat op 22 november 2012 een aanmaningsbrief gestuurd. Op 22 januari 2013 heeft de Republiek Tsjechië hierop geantwoord en elke schending van het Unierecht betwist.
32
Op 22 april 2014 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij haar standpunt handhaafde dat de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen doordat zij Unieburgers die niet de Tsjechische nationaliteit hebben, maar wel op haar grondgebied verblijven, het recht ontzegt om een politieke partij of politieke beweging op te richten, evenals het recht om lid te worden van een dergelijke partij of beweging. Derhalve heeft zij de Tsjechische Republiek verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst ervan te voldoen aan dit met redenen omkleed advies.
33
In haar op 20 juni 2014 toegezonden antwoord heeft de Tsjechische Republiek in wezen aangegeven dat de door deze lidstaat genomen maatregelen als evenredig en in overeenstemming met het Unierecht moesten worden beschouwd.
34
Bij brief van 2 december 2020 heeft de Europese commissaris voor Justitie de Tsjechische Republiek verzocht om informatie over de ontwikkeling van haar standpunt of over eventuele doorgevoerde wetswijzigingen om ervoor te zorgen dat voor op haar grondgebied verblijvende Unieburgers die niet de Tsjechische nationaliteit bezitten de betrokken rechten gewaarborgd zijn.
35
De Commissie heeft geen antwoord op deze brief ontvangen en heeft daarom besloten het onderhavige beroep in te stellen, waarbij zij het voorwerp ervan heeft beperkt tot de niet-nakoming door deze lidstaat van de krachtens artikel 22 VWEU op hem rustende verplichtingen wegens het feit dat het recht om lid te worden van een politieke partij of politieke beweging uitsluitend aan Tsjechische onderdanen is voorbehouden.
36
Bij beslissing van de president van het Hof van 19 mei 2022 is de Republiek Polen toegelaten tot interventie in het geding aan de zijde van de Tsjechische Republiek.
Beroep
Ontvankelijkheid van het beroep
Argumenten van partijen
37
De Tsjechische Republiek voert aan dat het onderhavige beroep wegens niet-nakoming niet-ontvankelijk is, aangezien de verweten niet-nakoming niet op artikel 22 VWEU kan worden gebaseerd. Deze bepaling betreft slechts de toepassing op het actief en passief kiesrecht van het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, terwijl het bij het lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging gaat om een ander aspect dan de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht. Feitelijk beroept de Commissie zich ter ondersteuning van haar beroep dan ook op schending van artikel 18 VWEU en, onder verwijzing naar beperkingen van het recht van vereniging, op schending van dit recht, zoals gewaarborgd door artikel 12, lid 1, van het Handvest.
38
In dit verband blijkt uit het verzoekschrift niet op begrijpelijke wijze op welke elementen rechtens het beroep is gebaseerd en of de Commissie, naast de gestelde schending van artikel 22 VWEU, de Tsjechische Republiek ook schending van artikel 18 VWEU en artikel 12, lid 1, van het Handvest verwijt.
39
De Commissie heeft aldus niet voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof volgens welke deze instelling gehouden is de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk uiteen te zetten, aangezien deze gegevens moeten overeenstemmen met die welke deze instelling in de precontentieuze fase van de procedure heeft aangevoerd. De Commissie kan een gestelde niet-nakoming van het Unierecht door een lidstaat in het betoog van haar verzoekschrift niet baseren op bepalingen die niet in de conclusies van dat verzoekschrift worden genoemd en waarvan de schending in de precontentieuze fase van de procedure niet is aangevoerd.
40
De Commissie betwist de gegrondheid van dit argument.
Beoordeling door het Hof
41
In herinnering moet worden gebracht dat het voorwerp van een op grond van artikel 258 VWEU ingesteld beroep wegens niet-nakoming wordt afgebakend door het met redenen omkleed advies van de Commissie, zodat het beroep op dezelfde overwegingen en middelen dient te berusten als dat advies [arrest van 28 juni 2022, Commissie/Spanje (Schending van het Unierecht door de wetgever) (C-278/20, EU:C:2022:503, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42
Bovendien volgt uit vaste rechtspraak over artikel 120, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat elk inleidend verzoekschrift duidelijk en nauwkeurig het voorwerp van het geschil dient te vermelden en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, zodat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Bijgevolg moeten de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop een dergelijk beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk blijken uit de tekst van het verzoekschrift zelf, en moeten de conclusies van dat verzoekschrift op ondubbelzinnige wijze zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een van die grieven recht te doen [arrest van 8 maart 2022, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Bestrijding van onderwaarderingsfraude), C-213/19, EU:C:2022:167, punt 132 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat, in het kader van een beroep krachtens artikel 258 VWEU, dat beroep de grieven coherent en nauwkeurig moet uiteenzetten opdat de lidstaat en het Hof de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies kunnen begrijpen, hetgeen noodzakelijk is opdat die lidstaat nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de vermeende niet-nakoming kan beoordelen [arrest van 8 maart 2022, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Bestrijding van onderwaarderingsfraude), C-213/19, EU:C:2022:167, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44
Met name moet het beroep van de Commissie een coherente en gedetailleerde uiteenzetting bevatten van de redenen die haar tot de overtuiging hebben gebracht dat de betrokken lidstaat een van de krachtens het Unierecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen [arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C-204/21, EU:C:2023:442, punt 190 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Wat in de eerste plaats het voorwerp van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming betreft, heeft de Commissie in de conclusies van het inleidend verzoekschrift uiteengezet dat zij de Tsjechische Republiek verwijt artikel 22 VWEU te hebben geschonden aangezien deze lidstaat Unieburgers die niet de Tsjechische nationaliteit bezitten maar wel op het Tsjechische grondgebied verblijven, het recht ontzegt om lid te worden van een politieke partij of een politieke beweging.
46
Deze grief stond wel degelijk in de aanmaningsbrief en in het met redenen omkleed advies.
47
Wat in de tweede plaats de argumenten van de Tsjechische Republiek betreft dat het inleidend verzoekschrift niet coherent en begrijpelijk is geformuleerd en deze lidstaat niet in staat stelt de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies te begrijpen, moet worden opgemerkt dat uit de conclusies van dat verzoekschrift ondubbelzinnig blijkt dat de Commissie de Tsjechische Republiek verwijt de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet te zijn nagekomen, meer in het bijzonder het vereiste dat de lidstaten moeten waarborgen dat Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de onderdanen van die lidstaat het recht hebben om zich kandidaat te stellen voor gemeenteraadsverkiezingen en voor de verkiezingen voor het Europees Parlement. Aangezien de Commissie in haar verzoekschrift niet naar artikel 18 VWEU heeft verwezen, kan dus niet worden geoordeeld dat zij deze lidstaat niet-nakoming van laatstgenoemd artikel en niet van artikel 22 VWEU verwijt. De vraag of artikel 22 VWEU inderdaad een verplichting bevat om Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten toe te staan lid te worden van politieke partijen en politieke bewegingen in die staat, is overigens een inhoudelijke vraag, die moet worden beoordeeld in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van de gestelde niet-nakoming.
48
Wat artikel 12 van het Handvest betreft, blijkt even duidelijk uit het verzoekschrift dat de Commissie betoogt dat artikel 22 VWEU moet worden uitgelegd in het licht van deze bepaling van het Handvest, zonder zich te beroepen op een autonome schending daarvan.
49
Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat het verzoekschrift dubbelzinnig is geformuleerd en op dit punt niet voldoet aan de in de rechtspraak gestelde vereisten die in de punten 42 en 43 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht.
50
Gelet op het voorgaande, moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
Ten gronde
Argumenten van partijen
51
De Commissie betoogt dat volgens artikel 22 VWEU moet zijn gewaarborgd dat een Unieburger die in een lidstaat verblijft waarvan hij de nationaliteit niet bezit, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat beschikt over het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement. Bijgevolg is de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen, aangezien de wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen het recht om lid te worden van een politieke partij of politieke beweging uitsluitend toekent aan Tsjechische onderdanen, en Unieburgers die op het grondgebied van die lidstaat verblijven zonder de nationaliteit ervan te bezitten het passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement niet onder dezelfde voorwaarden kunnen uitoefenen als Tsjechische onderdanen.
52
In artikel 22 VWEU is een algemene verplichting tot gelijke behandeling opgenomen, en dit artikel brengt mee dat er geen nationaliteitsvereiste meer mag gelden als voorwaarde voor actief en passief kiesrecht bij die verkiezingen en dat alle maatregelen moeten worden afgeschaft die voor Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten een belemmering kunnen vormen om hun passief kiesrecht uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat. Deze Unieburgers moeten dus gebruik kunnen maken van alle in de nationale rechtsorde bestaande middelen die de nationale kandidaten voor die verkiezingen ter beschikking staan.
53
In de eerste plaats spelen de politieke partijen een fundamentele rol in de kiesstelsels van de lidstaten, aangezien partijen de essentiële vorm van deelname aan het politieke leven uitmaken en de meest gebruikelijke manier bieden om als kandidaat aan de verkiezingen deel te nemen. Bovendien bestaat er een rechtstreeks verband tussen het lidmaatschap van een politieke partij en de mogelijkheid om succesvol en doeltreffend aan verkiezingen deel te nemen. In die omstandigheden worden, doordat Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten geen lid kunnen worden van een politieke partij of politieke beweging en dus niet de vele aan een dergelijk lidmaatschap verbonden voordelen kunnen genieten — met name op het gebied van bekendheid, personele en financiële middelen, organisatorische infrastructuur en toegang tot de media — de mogelijkheden van deze Unieburgers geschaad om zich onder dezelfde voorwaarden als Tsjechische onderdanen verkiesbaar te stellen.
54
Hoewel een Unieburger die in Tsjechië verblijft zonder de nationaliteit van dat land te bezitten zich als onafhankelijke kandidaat op de lijst van een partij of politieke beweging verkiesbaar zou kunnen stellen, zou hij zich niettemin in een minder gunstige positie bevinden dan de kandidaten die lid zijn van de betrokken partij of beweging. Een dergelijke Unieburger heeft immers niet dezelfde mogelijkheden om een kansrijke plaats op die lijst in te nemen en zou moeten instemmen met een programma waaraan hij in beginsel niet heeft meegewerkt. Het enkele feit dat hij zich slechts als zelfstandige kandidaat op die lijst verkiesbaar kan stellen, terwijl Tsjechische onderdanen dit als leden van die partij of beweging kunnen doen, toont op zich aan dat Unieburgers die in die lidstaat verblijven zonder de nationaliteit ervan te bezitten zich niet onder dezelfde voorwaarden als Tsjechische onderdanen als kandidaten bij de verkiezingen verkiesbaar kunnen stellen.
55
In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de inhoud en de materiële werkingssfeer van artikel 22 VWEU niet kunnen worden beperkt tot de formele aspecten die worden geregeld door de richtlijnen 93/109 en 94/80, die op basis van dat artikel zijn vastgesteld. Een dergelijke uitlegging komt noch in de bewoordingen van deze bepaling, noch in die van de richtlijnen 93/109 en 94/80 tot uiting en ontneemt artikel 22 VWEU zijn nuttig effect. Het arrest van 12 september 2006, Eman en Sevinger (C-300/04, EU:C:2006:545), biedt geen steun voor een restrictieve uitlegging van de omvang van de krachtens artikel 22 VWEU op de lidstaten rustende verplichting, maar wijst op het cruciale belang van het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit bij de uitlegging en toepassing ervan. Bovendien wordt aan de uit artikel 22 VWEU voortvloeiende verplichting om de gelijke behandeling te waarborgen niet afgedaan door het ontbreken in die bepaling van een uitputtende lijst van voorwaarden waaraan daartoe moet worden voldaan.
56
In de derde plaats betoogt de Commissie dat het thans weliswaar tot de taak van de lidstaten behoort om regelingen te treffen voor die aspecten van gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement die niet op het niveau van de Unie zijn geharmoniseerd, maar dat zij hun bevoegdheden toch moeten uitoefenen met inachtneming van het Unierecht. Een nationale maatregel waardoor een van de rechten die uit de status van Unieburger voortvloeien, zoals het passief kiesrecht bij die verkiezingen, mogelijkerwijs minder goed kan worden uitgeoefend, kan slechts worden gerechtvaardigd door het algemeen belang indien die maatregel verenigbaar is met de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, hetgeen in casu niet het geval is.
57
In de vierde plaats moeten artikel 20, lid 2, onder b), en artikel 22 VWEU volgens de Commissie worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van het Handvest, en met name van artikel 12, lid 1, daarvan, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 11 EVRM.
58
Wordt iemand het recht ontnomen om lid te worden van een politieke partij, dan is dat een beperking van het grondrecht op vrijheid van vereniging die overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest niet verder kan gaan dan de door het EVRM toegestane beperkingen. De in artikel 11, lid 2, EVRM genoemde gronden die een beperking van het recht op vrijheid van vereniging kunnen rechtvaardigen, zijn in casu niet van toepassing. Bovendien volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 april 1995, Piermont tegen Frankrijk (CE:ECHR:1995:0427JUD 001577389, § 64), dat de lidstaten zich niet op artikel 16 EVRM kunnen beroepen ten aanzien van onderdanen van andere lidstaten die zich beroepen op rechten die hun door de Verdragen worden toegekend, temeer daar het begrip ‘burgerschap van de Unie’ thans uitdrukkelijk is gedefinieerd in de Verdragen en rechten verleent aan de burgers van de Unie.
59
In de vijfde plaats betoogt de Commissie dat de essentiële rol van politieke partijen en politieke bewegingen bij nationale parlementsverkiezingen geen restrictieve uitlegging van artikel 22 VWEU rechtvaardigt en dat het verbod om lid te worden van een politieke partij of een politieke beweging niet kan worden gerechtvaardigd door de doelstelling om elke inmenging in nationale zaken en elke aantasting van de nationale identiteit te voorkomen.
60
Ten eerste zijn de politieke rechten opgenomen in de bepalingen van het VWEU inzake burgerschap opdat is gewaarborgd dat Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, in die lidstaat kunnen integreren en er een actieve politieke rol kunnen spelen bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. De Tsjechische wetgeving inzake politieke partijen en politieke bewegingen kent aan dergelijke Unieburgers echter enkel dezelfde status toe als aan derdelanders.
61
Ten tweede staat het de lidstaten vrij om het passief kiesrecht bij nationale of, in bepaalde gevallen, regionale verkiezingen voor te behouden aan hun onderdanen, of om bijzondere regels vast te stellen waardoor de rechten worden beperkt waarop Unieburgers die verblijven in die lidstaten waarvan zij de nationaliteit niet bezitten in hun hoedanigheid van lid van een partij of een politieke beweging aanspraak kunnen maken, zonder dat de strekking van die maatregelen zo ver mag gaan dat de gelijke voorwaarden voor hun deelname aan gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement in het gedrang komt. Daarentegen zou een algemeen verbod voor dergelijke Unieburgers om lid te worden van een politieke partij of politieke beweging die actief deelneemt aan gemeenteraadverkiezingen, nationale parlementsverkiezingen of Europese verkiezingen, zich duidelijk ook uitstrekken tot gebieden waar het recht op gelijke behandeling geldt, en restrictiever zijn dan een beperking van hun deelname aan bepaalde besluiten van de betrokken politieke partij of politieke beweging.
62
De door de Commissie voorgestane uitlegging van artikel 22 VWEU doet geen afbreuk aan het beginsel van eerbiediging van de nationale identiteit, aangezien ten eerste artikel 4, lid 2, VEU moet worden uitgelegd in overeenstemming met de andere bepalingen van de Verdragen, waaronder artikel 22 VWEU, en ten tweede laatstgenoemd artikel enkel van toepassing is op gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement en niet op de nationale parlementsverkiezingen. De draagwijdte van artikel 22 VWEU kan niet op grond van artikel 4, lid 2, VEU worden beperkt en laat niet toe dat Unieburgers op grond van hun nationaliteit rechtstreeks worden gediscrimineerd.
63
Hoe dan ook heeft de Tsjechische Republiek op geen enkele manier bewezen dat het een bedreiging vormt voor de nationale identiteit van die lidstaat wanneer Unieburgers die daar verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten en zich kandidaat willen stellen voor gemeenteraadsverkiezingen en voor de verkiezingen voor het Europees Parlement in die lidstaat, de mogelijkheid hebben om lid te worden van een politieke partij of politieke beweging.
64
In de zesde plaats voert de Commissie aan dat zij in het kader van een beroep wegens schending van het Unierecht als gevolg van een nationale wettelijke regeling en niet als gevolg van een onjuiste toepassing van het Unierecht, niet verplicht is om het Hof statistische gegevens te verstrekken over het aantal Unieburgers dat in de praktijk schade heeft geleden als gevolg van die wettelijke regeling, waarbij het overigens vrijwel onmogelijk is om de negatieve gevolgen van een discriminerende maatregel van afschrikkende aard te bewijzen.
65
De statistische gegevens die de Tsjechische Republiek heeft verstrekt om aan te tonen dat de situatie in deze lidstaat feitelijk in overeenstemming is met artikel 22 VWEU, zijn om die reden evenmin relevant.
66
Hoe dan ook hebben de door de Tsjechische Republiek overgelegde statistische gegevens in het algemeen betrekking op ‘personen zonder politieke binding’, waarbij het niet mogelijk is vast te stellen hoeveel van hen Unieburgers zijn die in die lidstaat verblijven zonder de nationaliteit ervan te bezitten. De situatie van laatstgenoemden is echter specifiek, omdat zij per definitie minder bekend zijn in hun gastlidstaat en er dus een groter belang bij hebben lid te worden van gevestigde politieke partijen of politieke bewegingen waarvan de waarden en politieke oriëntatie algemeen bekend zijn en die over een goed ontwikkelde infrastructuur voor verkiezingscampagnes beschikken. Uit deze gegevens kan evenmin worden afgeleid hoeveel verzoeken om inschrijving van dergelijke Unieburgers op lijsten van partijen of coalities van partijen zijn afgewezen.
67
Deze gegevens relativeren de stelling van de Tsjechische Republiek, of spreken die zelfs tegen, dat het voor de kansen van een kandidaat op een lijst van een politieke partij of politieke beweging om te worden verkozen helemaal niet uitmaakt of het gaat om een onafhankelijke kandidaat dan wel om een lid van die partij of beweging. Uit deze gegevens blijkt immers dat, wat de tussen 2004 en 2019 georganiseerde verkiezingen voor het Europees Parlement betreft, de grote meerderheid van de kandidaten zich kandidaat had gesteld als lid van een politieke partij of een politieke beweging en dat bij drie van de vier verkiezingen voor het Europees Parlement die in die periode werden georganiseerd, onder de gekozen kandidaten het aandeel van hen die geen lid waren van een dergelijke partij of beweging lager was dan dat van de kandidaten die wel lid waren. De in het Europees Parlement gekozen onafhankelijke kandidaten zijn zeer vaak prominenten met een uitzonderlijke bekendheid en populariteit, en het bestaan van één enkel geval waarin een Unieburger die in Tsjechië verblijft zonder de nationaliteit van dat land te bezitten in het Europees Parlement is gekozen, is niet representatief en kan niet afdoen aan het bestaan van de iure discriminatie.
68
Wat gemeenteraadsverkiezingen betreft, kan volgens de Commissie weliswaar worden aangenomen, zoals de Tsjechische Republiek betoogt, dat de kiezers, gelet op de lokale dimensie van deze verkiezingen, geneigd zijn om op dit niveau bekende personen te bevoordelen, waardoor het voor hen minder van belang is om zich kandidaat te stellen als lid van een politieke partij of politieke beweging in plaats van als onafhankelijke kandidaat, maar een dergelijke overweging blijkt slechts relevant als die personen onderdanen van de betrokken lidstaat zijn. Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, zijn immers op lokaal niveau per definitie minder bekend en hebben juist meer kans om te worden verkozen indien zij zich kandidaat kunnen stellen als lid van een politieke partij.
69
Ten slotte, ook al staan gemeenteraadsverkiezingen in Tsjechië ook open voor groeperingen van kandidaten zonder politieke binding en voor groeperingen van politieke partijen en kandidaten zonder politieke binding kleur en beschikt elke kiezer dankzij de stemmodaliteiten over evenveel stemmen als er leden van de gemeenteraad zijn, hetgeen de kansen voor de verschillende kandidaten om te worden verkozen vergroot, neemt dit geenszins weg dat Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, worden gediscrimineerd. Bovendien moeten onafhankelijke kandidaten, in tegenstelling tot zij die kandidaat zijn voor politieke partijen en politieke bewegingen, overeenkomstig § 21, lid 4, van de wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen een petitie indienen ter ondersteuning van hun kandidatuur, ondertekend door een bepaald aantal kiezers, afhankelijk van de grootte van de gemeente waar zij zich kandidaat stellen.
70
De Tsjechische Republiek, ondersteund door de Republiek Polen, voert in de eerste plaats aan dat het vraagstuk omtrent het verwerven van het lidmaatschap van een politieke partij niet onder artikel 22 VWEU valt. Een dergelijke vaststelling vloeit voort uit de bewoordingen van dit artikel, dat niet verwijst naar de voorwaarden om lid te worden van een politieke partij en waaruit niet kan worden afgeleid dat dit artikel inzake Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, mede het recht omvat om lid te zijn van politieke partijen. Dit wordt bevestigd door de historische, systematische en teleologische uitlegging van artikel 22 VWEU alsook door de rechtspraak van het Hof, en met name het arrest van 12 september 2006, Eman en Sevinger (C-300/04, EU:C:2006:545, punt 53), waaruit volgt dat dit artikel slechts betrekking heeft op de toepassing van het beginsel van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, en niet op andere nationale maatregelen inzake verkiezingen.
71
De uitdrukking ‘onder voorbehoud van de door de Raad […] vastgestelde nadere regelingen’ in artikel 22 VWEU impliceert dat de uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement afhankelijk is van de vaststelling van bepalingen van afgeleid recht, aangezien dit artikel buiten het relevante kader van afgeleid recht niet autonoom toepassing kan vinden. Door op basis van artikel 22 VWEU de richtlijnen 93/109 en 94/80 vast te stellen, heeft de Uniewetgever zich op het standpunt gesteld dat de daarin geregelde aspecten die zijn welke noodzakelijk zijn voor de naleving van dat artikel. Omdat in deze richtlijnen geen andere aspecten zijn geregeld, zoals de verwerving van het lidmaatschap van een politieke partij door Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, bevestigen de respectieve materiële werkingssferen van deze richtlijnen duidelijk dat deze andere aspecten niet behoren tot ‘dezelfde voorwaarden’ in de zin van artikel 22 VWEU, die voor deze Unieburgers moeten gelden vergeleken met de onderdanen van hun lidstaat van verblijf. Uit de overwegingen van de richtlijnen 93/109 en 94/80 volgt dat het enkel de bedoeling van de Uniewetgever was om de nationaliteitsvoorwaarde voor de uitoefening van het actief en passief kiesrecht te verbieden, en deze richtlijnen verwijzen geenszins naar de mogelijkheid dat het in artikel 22 VWEU neergelegde recht enige invloed kan hebben op de voorwaarden waaronder dergelijke Unieburgers lid kunnen worden van een politieke partij.
72
Volgens de Tsjechische Republiek is artikel 22 VWEU, anders dan artikel 18 VWEU — waarin het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is neergelegd — als bijzondere bepaling pas op een Unieburger van toepassing als hij eventueel kiezer of kandidaat bij verkiezingen is geworden. Het feit dat een persoon lid kan worden van een politieke partij betekent echter nog niet dat hij kandidaat zal zijn voor gemeenteraadsverkiezingen of voor het Europees Parlement of als zodanig op de lijsten van de politieke partij zal worden vermeld. Het algemene vraagstuk betreffende de verwerving van het lidmaatschap van een politieke partij kan daarom niet onder artikel 22 VWEU vallen.
73
Artikel 22 VWEU vormt een uitzondering op de eveneens in artikel 16 EVRM erkende beperkingen die de lidstaten aan de politieke activiteit van vreemdelingen kunnen stellen.
74
Zelfs indien het argument van de Commissie zou moeten worden aanvaard dat laatstgenoemde bepaling niet kan worden ingeroepen om de politieke activiteiten van Unieburgers in het kader van de uitoefening van de hun door de Verdragen toegekende rechten te beperken, is er in deze omstandigheden niets dat een lidstaat belet om de deelname van vreemdelingen aan politieke activiteiten die veel verdergaan dan de uitoefening van dat actief en passief kiesrecht te beperken.
75
Bijgevolg is een ruime uitlegging van artikel 22 VWEU waardoor de draagwijdte van artikel 4, lid 2, VEU wordt beperkt, niet mogelijk. De regeling inzake het functioneren van politieke partijen vormt de hoeksteen van de politieke en constitutionele structuren van de lidstaten en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkent de fundamentele rol van politieke partijen in het kader van de nationale parlementsverkiezingen. Aangezien het Unierecht een lidstaat niet verbiedt om alleen zijn eigen onderdanen de mogelijkheid te bieden om zich voor deze verkiezingen kandidaat te stellen, is het logisch dat dit recht een lidstaat evenmin verbiedt om op dezelfde wijze de mogelijkheid voor onderdanen van andere lidstaten te beperken om deel te nemen aan het ‘sleutelplatform’ voor de politieke activiteit op nationaal niveau, zoals politieke partijen kunnen worden gekenmerkt. Een dergelijke gevolgtrekking vloeit ook voort uit het in artikel 5, lid 3, van richtlijn 94/80 aan de lidstaten toegekende recht om de functies in de gemeentelijke uitvoerende organen uitsluitend aan hun onderdanen voor te behouden.
76
De Republiek Polen voegt daar in dit verband aan toe dat de door de Commissie voorgestane uitlegging van artikel 22 VWEU ertoe leidt dat Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten het recht hebben permanent en zonder beperking deel te nemen aan het politieke leven van die lidstaat, terwijl dit artikel hun dit recht niet verleent. Het is in beginsel de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten om de regels voor de werking, de structuur en de doelstellingen van de politieke partijen vast te stellen die op hun grondgebied actief zijn. Bijgevolg is de door de Commissie voorgestelde uitlegging van artikel 22 VWEU in strijd met het in artikel 5, lid 2, VEU neergelegde beginsel van bevoegdheidstoedeling. Een dergelijke uitlegging zou bovendien tot gevolg hebben dat de Verdragsbepalingen op het gebied van lidstatelijke bevoegdheden worden toegepast, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 4, leden 1 en 2, VEU.
77
In de tweede plaats voert de Tsjechische Republiek, ondersteund door de Republiek Polen, subsidiair aan dat het Tsjechische recht Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten weliswaar niet de mogelijkheid biedt lid te worden van een politieke partij of politieke beweging, maar dat het de door artikel 22 VWEU gewaarborgde rechten volledig ten uitvoer legt.
78
De uitdrukking ‘onder dezelfde voorwaarden’ in de zin van deze bepaling betekent dat Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, de mogelijkheid moeten hebben om hun actief en passief kiesrecht uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat en dat zij daar over dezelfde rechtsmiddelen moeten beschikken. Een dergelijke uitlegging volgt ten eerste uit de zesde overweging van richtlijn 93/109 alsmede uit artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 2, van deze richtlijn, en ten tweede uit de vijfde overweging van richtlijn 94/80, alsmede uit artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 2, van deze richtlijn. Die uitlegging wordt in het Tsjechische recht volledig ten uitvoer gelegd.
79
Iemands kandidaatstelling voor de verkiezingen op de lijsten van politieke partijen of coalities van politieke partijen, is niet afhankelijk van zijn lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging en vormt de in Tsjechië gebruikelijke gang van zaken.
80
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de Commissie gehouden is een onderbouwing te leveren voor haar stellingen dat kandidaten die niet voor een politieke partij of een politieke beweging aan de verkiezingen deelnemen, zich in een minder gunstige situatie bevinden dan degenen voor wie dat wel geldt en minder kans hebben om te worden verkozen, zonder zich op een of ander vermoeden op dit punt te kunnen baseren.
81
Hoe dan ook berusten deze beweringen niet op feiten, zoals blijkt uit de door de Tsjechische Republiek verstrekte statistische gegevens. Uit deze statistische gegevens blijkt dat er in die lidstaat veel kandidaten zonder politieke binding zijn, dat zij bij de verkiezingen geenszins worden benadeeld, dat hun status niet verschilt naargelang van hun nationaliteit en dat zij zich kandidaat kunnen stellen op de lijsten van politieke partijen of hun coalities, met name bovenaan de lijst, en aldus ten volle kunnen profiteren van de reputatie van die partijen. Het succes van een kandidaat bij de verkiezingen hangt niet af van zijn lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging, maar veeleer van factoren als zijn mening en persoonlijkheid.
82
Zo had bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in Tsjechië in 2004, 2009, 2014 en 2019 ten minste 30 % van de kandidaten op de lijsten van politieke partijen (waaronder de belangrijkste politieke partijen) of coalities van politieke partijen, geen politieke binding. Deze kandidaten hebben geprofiteerd van een plek, vaak bovenaan de lijst, en van voldoende sterke steun om te worden verkozen, hetgeen ook aantoont dat zij invloed hebben gehad op de vaststelling en de verwezenlijking van de prioriteiten van het programma van die partijen of coalities van partijen. Zo is bij de verkiezingen voor het Europees Parlement die in de loop van 2004 in Tsjechië zijn gehouden, een Duits onderdaan gekozen die zich in die lidstaat bij die verkiezingen kandidaat had gesteld.
83
Wat de gemeenteraadsverkiezingen in Tsjechië in 2006, 2010, 2014 en 2018 betreft, vertegenwoordigden de kandidaten zonder politieke binding de overgrote meerderheid van de kandidaten en verkozenen en stonden zij met name relatief vaak bovenaan op de lijsten van de belangrijkste politieke partijen. Kandidaten zonder politieke binding zijn in 2010 en 2014 ook in de grote steden, met name in Praag, bovenaan de lijst geplaatst en ook verkozen.
84
Bovendien kunnen volgens § 20, lid 1, van de wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen met name onafhankelijke kandidaten, groepen onafhankelijke kandidaten of groepen van politieke partijen of politieke bewegingen en onafhankelijke kandidaten zich bij gemeenteraadsverkiezingen kandidaat stellen. Overeenkomstig § 34 van deze wet heeft een kiezer evenveel stemmen als het aantal te kiezen gemeenteraadsleden, en kan hij stemmen voor specifieke kandidaten die op verschillende lijsten staan. Een kiezer is dus niet verplicht voor één enkele lijst te stemmen, maar heeft de mogelijkheid om aan specifieke kandidaten zijn stem te geven, ongeacht de lijst waarop zij staan. Bij gemeenteraadsverkiezingen speelt de persoonlijkheid van de verschillende kandidaten een overheersende rol, waardoor het minder belangrijk is of zij al dan niet lid zijn van een politieke partij of een politieke beweging.
85
De Commissie kan het succes van kandidaten zonder politieke aansluiting bij de gemeenteraadsverkiezingen in Tsjechië niet relativeren door te stellen dat het om vooraanstaande personen ging, of stellen dat Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten minder bekend kunnen zijn en dat het daarom des te meer gerechtvaardigd zou zijn dat zij zich bij die verkiezingen kunnen melden als lid van een politieke partij om een kans te hebben om te worden verkozen. De persoonlijkheid van een kandidaat is een bijzonder belangrijke factor, niet alleen bij gemeenteraadsverkiezingen, waar de vertegenwoordigers worden gekozen op het niveau dat het dichtst bij de burger staat, maar ook bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, met name in de lidstaten met minder leden van het Europees Parlement. Een Unieburger die in Tsjechië verblijft zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, heeft precies dezelfde kans om zijn persoonlijke kwaliteiten in te zetten als een onderdaan van die lidstaat, en het feit dat een dergelijke Unieburger, die vóór zijn verkiezing in die lidstaat niet zeer bekend was, in het Europees Parlement is gekozen, kan niet als een ‘op zichzelf staand geval’ worden aangemerkt, zoals de Commissie nochtans doet. Dit toont integendeel aan dat dergelijke Unieburgers zonder meer in staat zijn om zich kandidaat te stellen bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement en daarbij te worden verkozen, zelfs al zijn ze geen lid van een politieke partij of een politieke beweging.
86
In de derde plaats is volgens de Tsjechische Republiek de nationale wettelijke regeling die tot gevolg heeft dat Unieburgers die in die lidstaat verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, geen lid kunnen worden van een politieke partij of politieke beweging, bedoeld om het politieke en constitutionele bestel van die lidstaat te beschermen en dus om de eerbiediging van de nationale identiteit in de zin van artikel 4, lid 2, VEU te verzekeren, door aldus het recht om deel te nemen aan een ‘sleutelplatform’ voor de nationale politieke activiteit aan Tsjechische burgers voor te behouden. De maatregel die is gekozen om de eerbiediging van deze identiteit te waarborgen, strookt zowel met het hoofddoel van politieke partijen en politieke bewegingen, namelijk het beleid van de staat op het hoogst mogelijke niveau beïnvloeden, als met het feit dat in het geval van gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement het lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging geen voorwaarde is om zich kandidaat te stellen voor de verkiezing, noch, a fortiori, een waarborg om te worden gekozen. Een dergelijke maatregel is passend en doet geen afbreuk aan de inhoud van het in artikel 22 VWEU bedoelde actief en passief kiesrecht en daarmee kunnen Unieburgers die in die lidstaat verblijven zonder de nationaliteit ervan te bezitten, dit recht in de praktijk ten volle uitoefenen.
87
Het legitieme doel van de Tsjechische wetgeving kan niet met een minder vergaande maatregel worden bereikt. Het is niet denkbaar om Unieburgers die in deze lidstaat verblijven zonder de nationaliteit ervan te bezitten, toe te staan lid te worden van een politieke partij of politieke beweging, maar hun rechten als leden van die partij of politieke beweging te beperken door hen alleen te betrekken bij besluiten die verband houden met gemeenteraadsverkiezingen of de verkiezingen voor het Europees Parlement, omdat dit zou betekenen dat zij slechts aan een zeer klein deel van de activiteiten van die politieke partij of politieke beweging zouden kunnen deelnemen en dat zij van alle andere aspecten van hun activiteit zouden worden uitgesloten. Ten eerste wijst de Tsjechische Republiek, ondersteund door de Republiek Polen, erop dat een dergelijke regeling in strijd is met het fundamentele beginsel van gelijke behandeling van de leden van een politieke partij, en ten tweede biedt zij die Unieburgers niet de sterke positie in de politieke partij die de Commissie ten onrechte noodzakelijk acht. De Commissie heeft in het met redenen omkleed advies overigens evenmin gepreciseerd welke minder beperkende maatregelen de Tsjechische Republiek in dit verband had kunnen vaststellen.
88
Ten slotte voert de Tsjechische Republiek, ondersteund door de Republiek Polen, aan dat het volgens de rechtspraak van het Hof wegens het gebrek aan specifieke bepalingen in het VWEU over het recht van Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten om lid te zijn van politieke partijen, een taak van de lidstaten is om de regels vast te stellen die het best zijn aangepast aan hun constitutionele stelsel.
Beoordeling door het Hof
89
Met haar beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door Unieburgers die op haar grondgebied verblijven zonder de Tsjechische nationaliteit te bezitten, het recht te ontzeggen lid te worden van een politieke partij of politieke beweging.
90
Om de gegrondheid van dit beroep te onderzoeken, moet de draagwijdte van artikel 22 VWEU worden bepaald alvorens te beoordelen of het verschil in behandeling op grond van nationaliteit dat aldus door de Tsjechische wettelijke regeling wordt ingevoerd ten aanzien van de mogelijkheid om lid te worden van een politieke partij of een politieke beweging, op grond van deze bepaling is verboden of eventueel kan worden gerechtvaardigd door redenen die verband houden met de eerbiediging van de nationale identiteit van een lidstaat.
— Draagwijdte van artikel 22 VWEU
91
Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen en de doelstellingen ervan, maar ook met de context ervan. De ontstaansgeschiedenis van een bepaling van Unierecht kan ook relevante gegevens voor de uitlegging van die bepaling bevatten [arrest van 14 juli 2022, Italië en Comune di Milano/Raad (Zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau), C-59/18 en C-182/18, EU:C:2022:567, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
92
In de eerste plaats hebben volgens de formulering van artikel 22 VWEU Unieburgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van laatstgenoemde lidstaat, en worden deze rechten volgens dat artikel uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad vastgestelde nadere regelingen.
93
De bewoordingen van artikel 22 VWEU bevatten geen verwijzing naar de voorwaarden inzake het verwerven van het lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging.
94
Daarentegen volgt uit die bewoordingen om te beginnen dat het actief en passief kiesrecht dat wordt verleend aan Unieburgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, betrekking heeft op gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement in die lidstaat.
95
Voorts volgt daaruit dat deze Unieburgers dit recht genieten ‘onder dezelfde voorwaarden’ als de onderdanen van de lidstaat waar zij verblijven. Door te verwijzen naar de voorwaarden voor het actief en passief kiesrecht die gelden voor de onderdanen van de lidstaat van verblijf van een dergelijke Unieburger, verbiedt artikel 22 VWEU deze lidstaat om de uitoefening van dit recht door die Unieburger afhankelijk te stellen van andere voorwaarden dan die welke gelden voor zijn eigen onderdanen.
96
Deze bepaling bevat dus een specifiek verbod van discriminatie op grond van nationaliteit dat van toepassing is op de uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement (zie in die zin arrest van 12 september 2006, Spanje/Verenigd Koninkrijk, C-145/04, EU:C:2006:543, punt 66; 12 september 2006, Eman en Sevinger, C-300/04, EU:C:2006:545, punt 53, en 6 oktober 2015, Delvigne, C-650/13, EU:C:2015:648, punt 42) en is bijgevolg van toepassing op elke nationale maatregel die een verschil in behandeling teweegbrengt dat afbreuk kan doen aan de daadwerkelijke uitoefening van die rechten.
97
Bovendien moet worden opgemerkt dat dit discriminatieverbod slechts de specifieke uitdrukking is van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de grondbeginselen van het Unierecht [zie naar analogie arrest van 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging), C-715/20, EU:C:2024:139, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
98
Overeenkomstig vaste rechtspraak kan artikel 18, eerste alinea, VWEU slechts autonoom toepassing vinden in gevallen waarin het Unierecht wel geldt maar waarvoor het VWEU niet voorziet in een bijzonder discriminatieverbod [arrest van 15 juli 2021, The Department for Communities in Northern Ireland, C-709/20, EU:C:2021:602, punt 65].
99
De Tsjechische Republiek kan dus niet op goede gronden stellen dat de in het verzoekschrift van de Commissie bedoelde nationale wettelijke regeling onder artikel 18, eerste alinea, VWEU valt en niet onder artikel 22 VWEU, dat pas van toepassing is op een Unieburger die in een lidstaat verblijft waarvan hij de nationaliteit niet bezit, op het moment waarop hij kiezer of kandidaat bij verkiezingen is geworden.
100
Ten slotte blijkt uit de bewoordingen van artikel 22 VWEU dat het actief en passief kiesrecht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad vastgestelde nadere regelingen.
101
In dit verband stellen de richtlijnen 93/109 en 94/80, die zijn vastgesteld op de grondslag van artikel 8 B EG, thans artikel 22 VWEU, de nadere regelingen vast voor de uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij respectievelijk de verkiezingen voor het Europees Parlement en gemeenteraadsverkiezingen.
102
Deze richtlijnen, die, zoals blijkt uit de vijfde overweging van richtlijn 93/109 en de vierde overweging van richtlijn 94/80, geen uitputtende harmonisatie van de kiesstelsels van de lidstaten tot stand brengen, bevatten inderdaad geen bepalingen over de voorwaarden waaronder Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, lid kunnen worden van een politieke partij of politieke beweging.
103
De werkingssfeer van deze richtlijnen kan echter zelfs niet impliciet de omvang van de uit artikel 22 VWEU voortvloeiende rechten en verplichtingen beperken. Wat dat betreft moet namelijk worden opgemerkt dat het in deze bepaling opgenomen bijzondere verbod van discriminatie op grond van nationaliteit daarin algemeen is geformuleerd en dat volgens de bewoordingen van artikel 22 VWEU enkel de uitoefening van het daarin neergelegde actief en passief kiesrecht onderworpen is aan de door de Raad vastgestelde nadere regelingen. Deze nadere regelingen kunnen weliswaar ‘voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een lidstaat’, maar zij mogen buiten dit bijzondere geval niet tot gevolg hebben dat op algemene wijze afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van die rechten.
104
Bij gebreke van specifieke bepalingen betreffende de voorwaarden waaronder Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, aldaar lid kunnen worden van politieke partijen, zijn de lidstaten in dit verband weliswaar bevoegd om deze voorwaarden vast te stellen, maar bij de uitoefening van deze bevoegdheid moeten de lidstaten wel de verplichtingen nakomen die voor hen uit het Unierecht voortvloeien [zie naar analogie arresten van 2 maart 2010, Rottmann, C-135/08, EU:C:2010:104, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’, C-490/20, EU:C:2021:1008, punt 38; 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C-204/21, EU:C:2023:442, punt 63, en 5 september 2023, Udlændinge- og Integrationsministeriet (Verlies van de Deense nationaliteit), C-689/21, EU:C:2023:626, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
105
Aldus kan een lidstaat die zich houdt aan de nadere regelingen van die richtlijnen, een Unieburger die in die lidstaat verblijft zonder de nationaliteit ervan te bezitten, buiten de door deze richtlijnen geregelde gebieden niet onderwerpen aan nationale bepalingen die een verschil in behandeling invoeren bij de uitoefening van rechten die bij artikel 22 VWEU aan deze Unieburger worden verleend, omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan de nuttige werking van het in dat artikel neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (zie naar analogie met betrekking tot artikel 21, lid 1, VWEU, arresten van 12 maart 2014, O. en B., C-456/12, EU:C:2014:135, punt 54, en 27 juni 2018, Altiner en Ravn, C-230/17, EU:C:2018:497, punt 26).
106
Bijgevolg laat noch het feit dat in de richtlijnen 93/109 en 94/80 geen bepalingen zijn opgenomen over de voorwaarden waaronder Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten lid kunnen worden van politieke partijen of bewegingen in die lidstaat, noch het in artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 2, VEU neergelegde beginsel dat elke bevoegdheid die in de Verdragen niet aan de Unie is toegedeeld, aan de lidstaten toekomt, de gevolgtrekking toe dat de vaststelling van de voorwaarden voor het verwerven van het lidmaatschap van een politieke partij of een politieke beweging buiten de werkingssfeer van artikel 22 VWEU valt.
107
Wat in de tweede plaats de context van artikel 22 VWEU betreft, moet zowel worden verwezen naar de andere bepalingen van het VWEU als naar de bepalingen van gelijke rang in met name het VEU en het Handvest.
108
In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat artikel 22 VWEU deel uitmaakt van het tweede deel van het VWEU, dat de bepalingen betreffende non-discriminatie en het burgerschap van de Unie bevat.
109
Artikel 20 VWEU verleent aan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit de hoedanigheid van Unieburger, die volgens vaste rechtspraak de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn [arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C-184/99, EU:C:2001:458, punt 31; 18 januari 2022, Wiener Landesregierung (Intrekking van een naturalisatietoezegging), C-118/20, EU:C:2022:34, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut national de la statistique et des études économiques, C-673/20, EU:C:2022:449, punt 49].
110
Artikel 22 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 20, lid 2, VWEU, koppelt het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en verkiezingen voor het Europees Parlement aan de status van Unieburger (zie in die zin arresten van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut national de la Statistiques et des études économique, C-673/20, EU:C:2022:449, punten 49–51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 april 2024, Préfet du Gers en Institut national de la Statistiques et des études économique, C-716/22, EU:C:2024:339, punten 40 en 41).
111
Het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement wordt dus verleend door het burgerschap van de Unie en kan, anders dan de Tsjechische Republiek betoogt, dus niet worden beschouwd als uitzondering op een vermeende regel volgens welke alleen onderdanen van een lidstaat kunnen deelnemen aan het politieke leven van die staat en op grond waarvan een restrictieve uitlegging van artikel 22 VWEU geboden is. Een dergelijke uitlegging gaat eraan voorbij dat het burgerschap van de Unie bedoeld is als een fundamentele status van deze onderdanen.
112
Voorts verleent het burgerschap van de Unie overeenkomstig artikel 20, lid 2, en artikel 21 VWEU iedere Unieburger, binnen de beperkingen van het VWEU en de maatregelen tot uitvoering daarvan, een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten (arrest van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut National de la Statistique et des Études Économiques, C-673/20, EU:C:2022:449, punt 50).
113
Er bestaat dus een verband tussen enerzijds het recht op vrij verkeer en verblijf van Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten en anderzijds hun actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement. Zoals de advocaat-generaal in de punten 68 en 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, werd dat verband gelegd toen dit actief en passief kiesrecht in het Verdrag van Maastricht werd verankerd, door dit recht te koppelen aan het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
114
Ten tweede is de werking van de Unie volgens artikel 10, lid 1, VEU gegrond op de representatieve democratie, die concreet vorm geeft aan de democratie als waarde. De democratie is volgens artikel 2 VEU een van de waarden waarop de Unie berust (zie in die zin arresten van 19 december 2019, Puppinck e.a./Commissie, C-418/18 P, EU:C:2019:1113, punt 64, en 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, EU:C:2019:1115, punt 63).
115
116
Zoals de advocaat-generaal in punt 74 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, komt in artikel 10 VEU met betrekking tot de verkiezingen voor het Europees Parlement duidelijk het verband tot uiting tussen het beginsel van representatieve democratie binnen de Unie en het aan het burgerschap van de Unie verbonden actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 22, lid 2, VWEU.
117
Ten derde is in artikel 12, lid 1, van het Handvest het recht van eenieder op vrijheid van vereniging op alle niveaus vastgelegd, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied.
118
Dit recht komt overeen met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel 11, lid 1, EVRM en heeft daarom overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte als laatstgenoemd recht [zie in die zin arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C-78/18, EU:C:2020:476, punt 111], hetgeen niet verhindert dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt [arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken), C-660/21, EU:C:2023:498, punt 41].
119
In dit verband volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het recht op vrijheid van vereniging een van de wezenlijke grondslagen van een democratische en pluralistische samenleving is, omdat het de burgers in staat stelt om op gebieden van gemeenschappelijk belang collectief op te treden en aldus bij te dragen tot het functioneren van het openbare leven (zie in die zin EHRM, 17 februari 2004, Gorzelik e.a. tegen Polen, CE:ECHR:2004:0217JUD 004415898, §§ 88, 90 en 92).
120
De cruciale rol van politieke partijen bij de uitdrukking van de wil van Unieburgers wordt, met betrekking tot politieke partijen op Europees niveau, erkend in artikel 10, lid 4, VEU en artikel 12, lid 2, van het Handvest.
121
Politieke partijen, die als een van hun taken hebben om kandidaten voor te dragen voor verkiezingen (zie naar analogie EHRM, 8 juli 2008, Georgische Arbeidspartij tegen Georgië, CE:ECHR:2008:0708JUD 000910304, § 142), vervullen aldus een essentiële functie in het stelsel van representatieve democratie, waarop de werking van de Unie overeenkomstig artikel 10, lid 1, VEU is gegrond.
122
Hieruit volgt dat het lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging wezenlijk bijdraagt tot de daadwerkelijke uitoefening van het passief kiesrecht, zoals dit bij artikel 22 VWEU is verleend.
123
In de derde plaats wordt, wat de doelstelling van artikel 22 VWEU betreft, met dit artikel ten eerste beoogd aan Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten het recht toe te kennen om aan het democratische verkiezingsproces van die lidstaat deel te nemen. Zoals in punt 94 van het onderhavige arrest is opgemerkt, strekt dit recht zich uit tot de deelname aan dit proces door middel van het actief en passief kiesrecht op Europees en lokaal niveau.
124
Ten tweede strekt dit artikel ertoe de gelijke behandeling van Unieburgers te waarborgen, hetgeen impliceert dat er ten behoeve van een doeltreffende uitoefening van het passief kiesrecht van Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten gelijke toegang moet worden verleend tot de in de nationale rechtsorde aanwezige middelen waarover de onderdanen van die lidstaat ter uitoefening van dit recht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement beschikken.
125
Ten derde volgt uit het in punt 113 van het onderhavige arrest genoemde verband tussen enerzijds de vrijheid van verkeer en verblijf en anderzijds het actief en passief kiesrecht bij die verkiezingen, dat dit laatste recht met name beoogt de geleidelijke integratie van de betrokken Unieburger in de samenleving van de gastlidstaat te bevorderen [arresten van 14 november 2017, Lounes, C-165/16, EU:C:2017:862, punt 56, en 18 januari 2022, Wiener Landesregierung (Intrekking van een naturalisatietoezegging), C-118/20, EU:C:2022:34, punt 42].
126
Zoals de advocaat-generaal in punt 75 van zijn conclusie heeft benadrukt, is het dus de bedoeling van artikel 22 VWEU om te waarborgen dat Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, als uitvloeisel van hun integratie in de samenleving van de gastlidstaat, ook vertegenwoordigd worden.
127
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het op grond van artikel 22 VWEU, uitgelegd in het licht van de artikelen 20 en 21 VWEU, artikel 10 VEU en artikel 12 van het Handvest, vereist is dat aan Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, met het oog op de doeltreffende uitoefening van hun actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement in die lidstaat, gelijke toegang wordt verleend tot de middelen waarover de onderdanen van die lidstaat voor de daadwerkelijke uitoefening van die rechten beschikken.
— Bestaan van een door artikel 22 VWEU verboden verschil in behandeling
128
Zoals blijkt uit punt 90 van het onderhavige arrest, is er in de Tsjechische wetgeving sprake van een verschil in behandeling op grond van nationaliteit op het gebied van de mogelijkheid om lid te worden van een politieke partij of een politieke beweging.
129
De Tsjechische Republiek, ondersteund door de Republiek Polen, is echter subsidiair van mening dat dit verschil in behandeling niet in strijd is met artikel 22 VWEU, aangezien ten eerste volgens het Tsjechische recht aan Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten alle kandidaatstellingsvarianten ter beschikking staan, waaronder ook de kandidatuur op een door een politieke partij of politieke beweging voorgestelde lijst, want de inschrijving op een dergelijke lijst is niet afhankelijk van het lidmaatschap van die persoon van een politieke partij of politieke beweging.
130
Ten tweede heeft de Commissie niet aangetoond dat het verbod voor dergelijke Unieburgers om lid te worden van een politieke partij of een politieke beweging de uitoefening van hun passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement beperkt, noch dat de positie waarin kandidaten zonder politieke binding zich bevinden, minder gunstig is dan die van kandidaten die wel lid zijn van een politieke partij of politieke beweging, welke bewering overigens is weerlegd door de door de Tsjechische Republiek verstrekte statistische gegevens.
131
In dit verband is het van belang erop te wijzen dat het, zoals uit vaste rechtspraak van het Hof volgt, aan de Commissie staat om de door haar gestelde niet-nakoming aan te tonen, zonder dat zij zich daarbij op een of ander vermoeden kan baseren [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C-78/18, EU:C:2020:476, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
132
Wanneer een niet-nakoming voortvloeit uit de vaststelling van een wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel waarvan het bestaan en de toepassing niet worden betwist, kan het bestaan van die niet-nakoming evenwel worden aangetoond aan de hand van een juridische analyse van de bepalingen van die maatregel [arresten van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C-78/18, EU:C:2020:476, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 november 2021, Commissie/Hongarije (Strafbaarstelling van hulp aan asielzoekers), C-821/19, EU:C:2021:930, punt 106].
133
In casu is de niet-nakoming die de Commissie de Tsjechische Republiek verwijt, het gevolg van de vaststelling van een wettelijke maatregel, met name § 1 en § 2, lid 3, van de wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen, waarvan deze lidstaat noch het bestaan noch de toepassing betwist en waarvan de bepalingen in het inleidend verzoekschrift juridisch worden geanalyseerd.
134
Bijgevolg moet de gegrondheid van deze analyse worden onderzocht door na te gaan of het bij § 1 en § 2, lid 3, van de wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen ingevoerde verschil in behandeling ertoe leidt dat Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, in strijd met artikel 22 VWEU geen gelijke toegang hebben tot de middelen waarover onderdanen van die lidstaat beschikken om hun passief kiesrecht daadwerkelijk uit te oefenen.
135
Wat de verkiezingen voor het Europees Parlement betreft, bepaalt § 21, lid 1, van de wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement dat de kandidatenlijsten voor deze verkiezingen kunnen worden ingediend door geregistreerde politieke partijen en politieke bewegingen alsmede door coalities daarvan. Overeenkomstig § 22, leden 2 en 3, van deze wet kunnen onderdanen van een andere lidstaat dan de Tsjechische Republiek op de aldus ingediende kandidatenlijst worden opgenomen.
136
Wat gemeenteraadsverkiezingen betreft, kan overeenkomstig § 20, lid 1, van de wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen een verkiesbare partij worden gevormd door geregistreerde politieke partijen en politieke bewegingen, alsmede door coalities daarvan, door onafhankelijke kandidaten, door groepen van onafhankelijke kandidaten of door groepen van politieke partijen of politieke bewegingen en onafhankelijke kandidaten.
137
Hieruit volgt dat bij de verkiezingen voor het Europees Parlement de politieke partijen en politieke bewegingen, alsmede coalities daarvan, bij uitsluiting gaan over de kandidaatstelling en dat deze politieke partijen en politieke bewegingen bij gemeenteraadsverkiezingen behoren tot de organisaties die bevoegd zijn om personen voor die verkiezingen kandidaat te stellen.
138
Overeenkomstig § 22, leden 2 en 3, van de wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen onderdanen van een andere lidstaat dan de Tsjechische Republiek worden opgenomen op de kandidatenlijst die wordt ingediend door geregistreerde politieke partijen en politieke bewegingen alsmede door coalities daarvan. De Tsjechische Republiek stelt, zonder dat de Commissie dit betwist, dat een dergelijke kandidatuur ook mogelijk is bij gemeenteraadsverkiezingen, op een lijst die is ingediend door een politieke partij of politieke beweging of een coalitie daarvan, en dat onafhankelijke kandidaten hoe dan ook een verkiezingspartij kunnen vormen om zich kandidaat te stellen bij die gemeenteraadsverkiezingen.
139
Hoewel het, zoals de Tsjechische Republiek betoogt, dus mogelijk is dat een kandidaat die geen lid is van een politieke partij of een politieke beweging, wordt opgenomen op een kandidatenlijst van een politieke partij of een politieke beweging, of van een coalitie daarvan, moet ten eerste worden opgemerkt dat een Unieburger die in Tsjechië verblijft zonder de nationaliteit van dat land te bezitten en die aan die verkiezingen wenst deel te nemen, doordat hij niet overeenkomstig § 1 en § 2, lid 3, van de wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen lid kan worden van een politieke partij of van een politieke beweging, het risico loopt te worden uitgesloten van, of althans te worden beperkt in, zijn deelname aan de besluitvorming van die partij of politieke beweging over zijn opname op die kandidatenlijst en over de plaats die hij daarop zou kunnen innemen.
140
Voor potentiële kandidaten die de politieke ideeën van een politieke partij of een politieke beweging delen maakt het verbod om daarvan lid te worden het weliswaar niet onmogelijk om op een lijst van een politieke partij of een politieke beweging te worden geplaatst, maar toch op zijn minst ingewikkeld, aangezien het in beginsel de leden van een politieke partij of politieke beweging zijn die kiezen welke kandidaten op hun lijsten worden opgenomen en beslissen over hun plaats daarop, die van invloed kan zijn op hun kansen om te worden gekozen.
141
Deze omstandigheid plaatst Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, op het gebied van de mogelijkheid om zich op de lijst van een politieke partij of een politieke beweging, of van een coalitie daarvan, kandidaat te stellen voor gemeenteraadsverkiezingen en voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, in een positie die minder gunstig is dan die van Tsjechische onderdanen die lid zijn van een politieke partij of politieke beweging in die lidstaat.
142
Ten tweede blijkt uit het feit dat Tsjechische onderdanen de keuze hebben om zich kandidaat te stellen als lid van een politieke partij of een politieke beweging of als zelfstandige kandidaat, terwijl Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten slechts over laatstgenoemde mogelijkheid beschikken, dat deze Unieburgers hun passief kiesrecht bij die verkiezingen niet onder dezelfde voorwaarden kunnen uitoefenen als Tsjechische onderdanen, zoals de advocaat-generaal in punt 109 van zijn conclusie heeft uiteengezet.
143
Het in § 1 en § 2, lid 3, van de wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen vastgelegde verschil in behandeling leidt er dus toe dat Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, geen gelijke toegang hebben tot de middelen waarover onderdanen van die lidstaat beschikken om hun passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement daadwerkelijk uit te oefenen.
144
De Tsjechische Republiek betoogt evenwel dat er veel kandidaten zonder politieke binding zijn, dat zij niet worden benadeeld en dat het lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging de kansen van de kandidaten om te worden verkozen niet aantast, aangezien deze worden bepaald door hun handelen en hun persoonlijkheid. Deze lidstaat wil met de overgelegde statistische gegevens dus bewijzen dat de betrokken wettelijke regeling geen negatieve gevolgen heeft voor Unieburgers die in die lidstaat verblijven zonder de nationaliteit ervan te bezitten en die zich kandidaat willen stellen voor gemeenteraadsverkiezingen en voor de verkiezingen voor het Europees Parlement.
145
Statistische gegevens waaruit blijkt hoeveel kandidaten bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement onafhankelijk waren, doen in het algemeen echter niet af aan de in punt 143 van het onderhavige arrest gedane vaststelling dat het verschil in behandeling dat is ingevoerd bij de Tsjechische wettelijke regeling waartegen het beroep van de Commissie is gericht, Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten een gelijke toegang ontneemt tot de middelen waarover onderdanen van die lidstaat beschikken om hun passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement daadwerkelijk uit te oefenen.
146
Op basis van deze gegevens kan inderdaad worden vastgesteld dat bij de verkiezingen voor het Europees Parlement het merendeel van de kandidaten en gekozenen leden van een politieke partij of een politieke beweging waren, hoewel een niet onaanzienlijk deel van de kandidaten en gekozenen als onafhankelijke kandidaat aan die verkiezingen had deelgenomen. Wat voorts de gemeenteraadsverkiezingen betreft, kan uit die gegevens worden afgeleid dat bij de vier verkiezingen waarop zij betrekking hebben, het aantal kandidaten en gekozenen dat lid was van een politieke partij kleiner was dan het aantal onafhankelijke kandidaten en gekozenen.
147
Zoals de Commissie betoogt, geven deze vaststellingen met betrekking tot Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten echter geen uitsluitsel over hun specifieke situatie bij de daadwerkelijke uitoefening van hun passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement.
148
Ten eerste zijn deze burgers in het algemeen minder bekend dan de onderdanen van hun lidstaat van verblijf en kunnen zij er dus meer dan die onderdanen belang bij hebben om te profiteren van de structuren en het imago van een partij om zichzelf beter bekend te maken en hun kansen om gekozen te worden te vergroten. Ten tweede wordt in de door de Tsjechische Republiek verstrekte statistieken geen vergelijking gemaakt van de kansen van enerzijds Unieburgers die in die lidstaat verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten en anderzijds de onderdanen van die lidstaat om als zelfstandige kandidaten te worden toegelaten op lijsten van een politieke partij of een politieke beweging.
149
Uit de argumenten waarmee het belang van de kandidaatstelling op een lijst van een politieke partij of een politieke beweging bij gemeenteraadsverkiezingen wordt gerelativeerd kunnen, gelet op de stemmodaliteiten op grond waarvan de kiezers hun stem kunnen uitbrengen op kandidaten van verschillende lijsten, geen conclusies erover worden getrokken welke mogelijkheden Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder nationaliteit van dat land te bezitten, hebben om als kandidaat op een door een politieke partij of een politieke beweging opgestelde lijst te komen.
150
Zoals de advocaat-generaal in punt 111 van zijn conclusie heeft opgemerkt, voert de Commissie bovendien terecht aan, zonder op dit punt door de Tsjechische Republiek te zijn weersproken, dat voor een onafhankelijke kandidaatstelling voldaan moet zijn aan de wettelijke verplichting om een door de kiezers ondertekende petitie in te dienen, waarbij het aantal handtekeningen wordt bepaald door de grootte van de gemeente waar de kandidaat zich aanmeldt, terwijl een dergelijke verplichting niet geldt voor kandidaten van politieke partijen of bewegingen.
151
Hoewel niet mag worden onderschat hoe groot de invloed van de persoonlijkheid van de kandidaten en hun activiteiten op de kiezers is, hebben kandidaten tot slot meer kans om gekozen te worden dankzij hun lidmaatschap van een politieke partij of politieke beweging, waarvan per definitie de inzet voor een gunstig verkiezingsresultaat voor de eigen kandidaten kan worden verwacht en de organisatiestructuren en de personele, administratieve en financiële middelen aan dat doel zijn gewijd.
152
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het in § 1 en § 2, lid 3, van de wet inzake politieke partijen en politieke bewegingen ingestelde verschil in behandeling ertoe leidt dat Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, geen gelijke toegang hebben tot de middelen waarover onderdanen van die lidstaat beschikken om hun passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement daadwerkelijk uit te oefenen en dus in beginsel een door artikel 22 VWEU verboden verschil in behandeling vormt.
— Eerbiediging van de nationale identiteit
153
Voorts moeten nog de argumenten worden onderzocht waarmee de Tsjechische Republiek aanvoert dat § 1 en § 2, lid 3, van de wet betreffende politieke partijen en politieke bewegingen tot doel hebben de bescherming van het politieke en constitutionele stelsel op nationaal niveau te waarborgen en dat deze bepalingen aldus de eerbiediging van de nationale identiteit in de zin van artikel 4, lid 2, VEU waarborgen door uitsluitend aan Tsjechische burgers het recht voor te behouden om lid te worden van een politieke partij of politieke beweging, voor zover die moeten worden beschouwd als een ‘sleutelplatform’ voor politieke activiteit op nationaal niveau.
154
In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de organisatie van het nationale politieke leven, waaraan de politieke partijen en politieke bewegingen bijdragen, deel uitmaakt van de nationale identiteit in de zin van artikel 4, lid 2, VEU.
155
Aangezien het actief en passief kiesrecht dat in artikel 22 VWEU wordt toegekend aan Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten alleen betrekking heeft op gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement in die lidstaat, heeft dat artikel ten tweede niet tot gevolg dat deze lidstaat aan deze burgers het actief en passief kiesrecht bij nationale verkiezingen moet verlenen, en evenmin dat het deze lidstaat verbiedt om bijzondere regels vast te stellen voor de besluitvorming binnen een politieke partij of politieke beweging over de kandidaatstelling voor nationale verkiezingen waardoor het zou worden uitgesloten dat leden van de partij of beweging die geen onderdaan van die staat zijn, aan een dergelijke besluitvorming deelnemen.
156
Het argument van de Tsjechische Republiek dat het niet voorstelbaar is om de activiteiten of deelname van Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten te beperken tot aspecten die uitsluitend verband houden met gemeenteraadsverkiezingen of de verkiezingen voor het Europees Parlement, omdat een dergelijke regeling in strijd is met het fundamentele beginsel van gelijke behandeling van leden van een politieke partij of een politieke beweging, kan niet worden aanvaard.
157
Uit artikel 22 VWEU vloeit immers voort dat Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de nationaliteit van dat land te bezitten, zich wat de uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij nationale verkiezingen betreft niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van onderdanen van deze lidstaat, hetgeen rechtvaardigt dat de eersten in dit opzicht anders worden behandeld dan de laatsten.
158
Ten derde moet bij de lezing van artikel 4, lid 2, VEU rekening worden gehouden met bepalingen van dezelfde rang, met name de artikelen 2 en 10 VEU, en kan deze bepaling er niet toe leiden dat de lidstaten de uit deze bepalingen voortvloeiende vereisten niet hoeven na te leven [zie in die zin arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C-204/21, EU:C:2023:442, punt 72].
159
In dit verband zij eraan herinnerd dat het democratiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling waarden vormen waarop de Unie overeenkomstig artikel 2 VEU berust (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C-650/18, EU:C:2021:426, punt 94).
160
Artikel 2 VEU verwoordt niet gewoon een politieke koers of intentie, maar bevat waarden die tot de wezenlijke identiteit van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde behoren en geconcretiseerd zijn in beginselen die juridisch bindende verplichtingen voor de lidstaten bevatten (arresten van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C-156/21, EU:C:2022:97, punt 232, en 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C-157/21, EU:C:2022:98, punt 264).
161
Bovendien is, zoals volgt uit punt 10 van het onderhavige arrest, de werking van de Unie volgens de bewoordingen van artikel 10, lid 1, VEU gegrond op het beginsel van de representatieve democratie, dat een concrete uitwerking vormt van de democratie als een in artikel 2 VEU genoemde waarde (arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, EU:C:2019:1115, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
162
Door Unieburgers die in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit niet bezitten te waarborgen dat zij het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement in die lidstaat hebben onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat, concretiseert artikel 22 VWEU de beginselen van democratie en, zoals in punt 97 van het onderhavige arrest is opgemerkt, van gelijke behandeling van Unieburgers, welke beginselen behoren tot de gemeenschappelijke identiteit en waarden van de Unie, die de lidstaten onderschrijven en waarvan zij de eerbiediging op hun grondgebied moeten waarborgen.
163
Bijgevolg mag het feit dat dergelijke Unieburgers in hun lidstaat van vestiging lid kunnen worden van een politieke partij of politieke beweging, teneinde de beginselen van democratie en gelijke behandeling ten volle toe te passen, niet worden beschouwd als een ondermijning van de nationale identiteit van die lidstaat.
164
Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Tsjechische Republiek, door Unieburgers die niet de Tsjechische nationaliteit hebben maar wel in Tsjechië verblijven het recht te ontzeggen lid te worden van een politieke partij of politieke beweging, de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
165
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Tsjechische Republiek in het kader van het onderhavige beroep in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
166
Ingevolge artikel 140, lid 1, van dat Reglement dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten. Derhalve draagt de Republiek Polen haar eigen kosten.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
- 1)
Door Unieburgers die niet de Tsjechische nationaliteit hebben maar wel in Tsjechië verblijven, het recht te ontzeggen lid te worden van een politieke partij of politieke beweging, is de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
- 2)
De Tsjechische Republiek wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van de Europese Commissie.
- 3)
De Republiek Polen draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑11‑2024
Conclusie 11‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Niet-nakoming — Burgerschap van de Unie — Artikel 22 VWEU — Actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat van verblijf onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat — Unieburgers die in Tsjechië verblijven zonder de Tsjechische nationaliteit te bezitten — Geen recht om lid te worden van een politieke partij — Kandidaatstelling voor gemeenteraadsverkiezingen of de verkiezingen voor het Europees Parlement onder andere voorwaarden dan die welke voor de eigen onderdanen gelden — Artikel 10 VEU — Democratiebeginsel — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 12, 39 en 40 — Rechtvaardiging — Artikel 4, lid 2, VEU
J. Richard de la tour
Partij(en)
Zaak C-808/211.
Europese Commissie
tegen
Tsjechische Republiek
Inhoud
- I.
Inleiding
- II.
Toepasselijke bepalingen
- A.
Unierecht
- 1.
VWEU
- 2.
Handvest
- 3.
- 4.
- B.
Tsjechisch recht
- 1.
Wet betreffende de politieke partijen
- 2.
Wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen
- 3.
Wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement
- III.
Precontentieuze procedure
- IV.
Conclusies van partijen
- V.
Analyse
- A.
Door de Tsjechische Republiek opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid
- 1.
Argumenten van partijen
- 2.
Beoordeling
- B.
Ten gronde
- 1.
Grondslag van het beroep wegens niet-nakoming
- a)
Argumenten van partijen
- 1)
Commissie
- 2)
Tsjechische Republiek
- b)
Beoordeling
- 2.
Beperking op de uitoefening van de kiesrechten
- a)
Argumenten van partijen
- 1)
Commissie
- 2)
Tsjechische Republiek
- b)
Beoordeling
- 3.
Rechtvaardiging voor de beperking op het lidmaatschap van een politieke partij
- a)
Argumenten van partijen
- 1)
Commissie
- 2)
Tsjechische Republiek
- 3)
Republiek Polen, interveniërende partij
- b)
Beoordeling
- VI.
Kosten
- VII.
Conclusie
- VIII.
Bijlage I: Door de Commissie verstrekte regels inzake de financiering van politieke partijen
- IX.
Bijlage II: De door de Tsjechische Republiek verstrekte informatie over de samenstelling van de lijsten en de kandidaten die zijn verkozen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen
I. Inleiding
1.
Met haar overeenkomstig artikel 258 VWEU ingestelde beroep dat gebaseerd is op artikel 22 VWEU, verzoekt de Europese Commissie het Hof om vast te stellen dat de Tsjechische Republiek de krachtens laatstgenoemde bepaling op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, in wezen op grond dat zij de burgers van de Europese Unie die niet de Tsjechische nationaliteit bezitten maar wel verblijven op het grondgebied van Tsjechië2., niet het recht toekent om lid te worden van een politieke partij, waardoor zij minder kans hebben dan Tsjechische onderdanen om te worden verkozen bij de gemeenteraadsverkiezingen of verkiezingen voor het Europees Parlement.3.
2.
In deze conclusie zal ik uitleggen waarom het standpunt van de Tsjechische Republiek dat artikel 22 VWEU enkel letterlijk moet worden gelezen, in die zin dat het alleen de juridische voorwaarden voor verkiesbaarheid regelt, niet kan worden aanvaard en dat de contextuele en teleologische analyse van de verplichtingen die uit die bepaling voortvloeien juist tot de slotsom leidt dat de grief die is ontleend aan de door de Commissie aangevoerde schending van de daadwerkelijke uitoefening van het passief kiesrecht gegrond is.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. VWEU
3.
Artikel 20 VWEU bepaalt:
- ‘1.
Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.
- 2.
De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
[…]
- b)
het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
[…]
Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’
4.
Artikel 22 VWEU luidt:
- ‘1.
Iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, bezit het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een lidstaat.
- 2.
Onverminderd artikel 223, lid 1, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, heeft iedere burger van de Unie die verblijft houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een bepaalde lidstaat.’
2. Handvest
5.
Artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie4. draagt het opschrift ‘De vrijheid van vergadering en vereniging’ en bepaalt:
- ‘1.
Eenieder heeft op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, hetgeen mede omvat eenieders recht, ter bescherming van zijn belangen samen met anderen vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten.
- 2.
Politieke partijen op het niveau van de Unie dragen bij tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.’
3. Richtlijn 93/109
6.
In richtlijn 93/109/EG van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn5., staat in de vierde overweging te lezen:
‘Overwegende dat artikel 8 B, lid 2, van het EG-Verdrag uitsluitend betrekking heeft op de mogelijkheid tot de uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, zonder af te doen aan de toepassing van artikel 138, lid 3, van het EG-Verdrag, volgens hetwelk in alle lidstaten een eenvormige procedure voor deze verkiezingen moet worden vastgesteld; dat het er in wezen toe strekt de nationaliteitsvoorwaarde waaraan de uitoefening van deze rechten momenteel in de meeste lidstaten onderworpen is, op te heffen’.
7.
In artikel 1, lid 1, van deze richtlijn wordt bepaald:
‘In deze richtlijn worden de nadere regels vastgesteld volgens welke de burgers van de Unie die in een lidstaat verblijven waarvan zij geen onderdaan zijn, in die lidstaat hun actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen uitoefenen.’
4. Richtlijn 94/80
8.
In de vijfde overweging van richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten6. staat te lezen:
‘Overwegende dat met artikel 8 B, lid 1, van het EG-Verdrag wordt beoogd dat alle burgers van de Unie, onverschillig of zij al dan niet onderdaan van de lidstaat van verblijf zijn, aldaar onder gelijke voorwaarden hun actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen kunnen uitoefenen en dat bijgevolg de voorwaarden, met name die betreffende de duur en het bewijs van het verblijf, welke voor niet-onderdanen gelden, dezelfde moeten zijn als die waaraan in voorkomend geval de onderdanen van de betrokken lidstaat zijn onderworpen; dat de niet-onderdanen niet mogen worden onderworpen aan specifieke voorwaarden, tenzij een verschillende behandeling van onderdanen en niet-onderdanen uitzonderlijk gerechtvaardigd is door specifieke omstandigheden welke betrekking hebben op de laatsten en hen onderscheiden van de eersten’.
9.
In artikel 1, lid 1, van deze richtlijn wordt bepaald:
‘In deze richtlijn worden de nadere regels vastgesteld volgens welke de burgers van de Unie die in een lidstaat verblijven waarvan zij geen onderdaan zijn, in die lidstaat hun actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen kunnen uitoefenen.’
B. Tsjechisch recht
1. Wet betreffende de politieke partijen
10.
§ 1, lid 1, van zákon č. 424/1991 Sb. o sdružování v politických stranách a v politických hnutích (wet nr. 424/1991 betreffende de vereniging in politieke partijen en politieke bewegingen) van 2 oktober 1991, zoals gewijzigd7., bepaalt:
‘Burgers hebben het recht om zich te verenigen in politieke partijen en politieke bewegingen (hierna: ‘partijen en bewegingen’). De uitoefening van dit recht stelt de burgers in staat deel te nemen aan het politieke leven van de samenleving, met name aan de samenstelling van wetgevende organen en organen van regionale en lokale overheden […].’
11.
§ 2, lid 3, van deze wet bepaalt:
‘Iedere burger van 18 jaar of ouder kan lid worden van een partij of beweging, doch slechts van één partij of beweging.’
2. Wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen
12.
§ 20, lid 1, van zákon č. 491/2001 Sb. o volbách do zastupitelstev obcí a o změně některých zákonů (wet nr. 491/2001 betreffende de gemeenteraadsverkiezingen en tot wijziging van bepaalde wetten) van 6 december 2001, zoals gewijzigd8., bepaalt:
‘Krachtens deze wet kan een verkiesbare partij worden gevormd door geregistreerde politieke partijen en politieke bewegingen […] waarvan de activiteiten niet zijn opgeschort, alsmede door coalities van dergelijke partijen, van onafhankelijke kandidaten, van verenigingen van onafhankelijke kandidaten of van verenigingen van politieke partijen of politieke bewegingen en onafhankelijke kandidaten.’
3. Wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement
13.
§ 21, lid 1, van zákon č. 62/2003 Sb., o volbách do Evropského parlamentu a o změně některých zákonů (wet nr. 62/2003 betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement en tot wijziging van bepaalde wetten)9. van 18 februari 2003, bepaalt:
‘Kandidatenlijsten voor de verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen worden ingediend door geregistreerde politieke partijen en politieke bewegingen waarvan de activiteiten niet zijn opgeschort […], alsmede door coalities daarvan […].’
14.
In § 22, leden 2 en 3, van die wet staat te lezen:
- ‘(2)
De kandidatenlijst moet vergezeld gaan van een bewijs van de nationaliteit van de kandidaat en van een door de kandidaat ondertekende verklaring waaruit blijkt dat hij ermee instemt zich kandidaat te stellen, dat hij niet op de hoogte is van enig beletsel dat zijn verkiesbaarheid in de weg staat, dat in voorkomend geval dit beletsel op de dag van de verkiezingen voor het Europees Parlement zal zijn weggenomen, en dat hij zich niet kandidaat heeft gesteld op een andere kandidatenlijst voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, ook niet in een andere lidstaat. De kandidaat vermeldt in zijn verklaring ook zijn woonplaats of, indien hij onderdaan is van een andere lidstaat, zijn verblijfplaats, alsmede zijn geboortedatum. De verklaring van de kandidaat mag overeenkomstig § 4 worden opgesteld in de Tsjechische taal of in een van de werktalen van de Unie […].
- (3)
Indien de kandidaat onderdaan van een andere lidstaat is, vermeldt hij in zijn verklaring, naast de in lid 2 genoemde gegevens, zijn geboorteplaats en het adres van zijn laatste verblijfplaats in zijn lidstaat van herkomst, voegt hij daaraan een verklaring toe waaruit blijkt dat hij zijn passief kiesrecht in zijn lidstaat van herkomst niet heeft verloren, en voegt hij bij de kandidatenlijst de in lid 2, eerste volzin, genoemde documenten.’
III. Precontentieuze procedure
15.
In 2010 heeft de Commissie in het kader van het EU Pilot-systeem 1300/10/JUST onderzocht of het feit dat het recht om lid te worden van een politieke partij wordt beperkt tot Tsjechische staatsburgers, verenigbaar is met artikel 22 VWEU.
16.
Aangezien de door de Tsjechische Republiek verstrekte informatie de twijfels van de Commissie over de vraag of deze republiek haar verplichtingen krachtens artikel 22 VWEU was nagekomen, niet heeft weggenomen, heeft de Commissie haar op 22 november 2012 een ingebrekestelling doen toekomen. In haar opmerkingen van 22 januari 2013 in antwoord op die ingebrekestelling heeft de Tsjechische Republiek betwist dat het Unierecht was geschonden, omdat zij het niet eens is met de uitlegging van voornoemd artikel en meer in het bijzonder de daarin voorkomende uitdrukking ‘onder dezelfde voorwaarden’. Zij heeft aangevoerd dat dit artikel de lidstaten niet verplicht om burgers van andere lidstaten toe te staan lid te worden van een politieke partij of een politieke partij op te richten.
17.
Op 22 april 2014 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij bleef bij haar standpunt dat de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door ‘mobiele’ Unieburgers het recht te ontzeggen om een politieke partij of een politieke beweging op te richten, alsmede het recht om lid te worden van een politieke partij of een politieke beweging.
18.
In haar antwoord van 20 juni 2014 heeft de Tsjechische Republiek verklaard dat de door haar genomen maatregelen als evenredig en dus in overeenstemming met het Unierecht moeten worden beschouwd.
19.
Bij brief van 2 december 2020 heeft de Europese commissaris voor Justitie de Tsjechische Republiek verzocht om hem in kennis te stellen van eventuele wijzigingen van haar standpunt of van wetswijzigingen die zijn aangenomen om ‘mobiele’ Unieburgers de betreffende rechten te garanderen.
20.
Aangezien de Commissie geen antwoord heeft ontvangen op deze brief, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld, dat enkel betrekking heeft op de beperking van het lidmaatschap van een politieke partij tot Tsjechische staatsburgers. De Commissie heeft gespecificeerd dat zij zich het recht voorbehoudt om de kwestie van het recht van ‘mobiele’ Unieburgers om een politieke partij op te richten, die is genoemd in de eerdere fasen van de procedure, in een afzonderlijke procedure aan de orde te stellen.
IV. Conclusies van partijen
21.
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
vast te stellen dat ‘de Tsjechische Republiek in de krachtens artikel 22 [VWEU] op haar rustende verplichtingen is tekortgeschoten door Unieburgers die geen Tsjechische staatsburgers zijn maar wel verblijven in Tsjechië, het recht te ontzeggen lid te worden van een politieke partij of deel te nemen aan een politieke beweging[10.]’, en
- —
de Tsjechische Republiek te verwijzen in de kosten.
22.
De Tsjechische Republiek vordert primair niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair ongegrondverklaring van het beroep. Voorts concludeert zij tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
23.
Bij beschikking van de president van het Hof van 19 mei 2022 is de Republiek Polen toegelaten tot interventie aan de zijde van de Tsjechische Republiek.
24.
Daartoe heeft de Republiek Polen in haar memorie in interventie opmerkingen ingediend over de uitoefening van de in artikel 22 VWEU neergelegde rechten, over het stemrecht dat Unieburgers krachtens het Tsjechische recht bezitten bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen, en over de bevoegdheden die worden ontleend aan artikel 22 VWEU en aan de ‘aansluiting’ bij een politieke partij.
25.
De Commissie sluit haar opmerkingen over deze drie reeksen argumenten af door de conclusies van haar verzoekschrift te handhaven.
V. Analyse
26.
Ter ondersteuning van het op artikel 22 VWEU gebaseerde beroep wegens niet-nakoming dat de Commissie heeft ingesteld tegen de Tsjechische Republiek en dat ziet op een nationale regeling die alleen Tsjechische staatsburgers het recht toekent om lid te worden van een politieke partij, betoogt zij dat die lidstaat die bepaling schendt doordat zij het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit niet eerbiedigt. Dit beginsel houdt in dat de lidstaat ‘mobiele’ Unieburgers het passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen of bij verkiezingen voor het Europees Parlement moet garanderen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor zijn eigen onderdanen gelden.
27.
De Commissie onderstreept het belang van de mogelijkheid om bij verkiezingen lid te worden van een partij en voert met name aan dat artikel 12, lid 2, van het Handvest bepaalt dat politieke partijen op het niveau van de Unie bijdragen tot de uiting van de politieke wil van de Unieburgers.
A. Door de Tsjechische Republiek opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
28.
De Tsjechische Republiek betoogt dat de Commissie haar beroep weliswaar formeel gesproken baseert op artikel 22 VWEU, maar in de tekst van haar verzoekschrift schending van verschillende andere Unierechtelijke bepalingen aanvoert.
29.
Die lidstaat is van mening dat er geen argumenten kunnen worden ontleend aan artikel 22 VWEU, dat zich er volgens de rechtspraak van het Hof11. toe beperkt op het actief en passief kiesrecht het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit toe te passen, zodat de Commissie met betrekking tot het recht om lid te worden van een politieke partij in feite schending van dit in artikel 18 VWEU vastgelegde beginsel en schending van artikel 12, lid 1, van het Handvest heeft aangevoerd.
30.
In deze omstandigheden is de grondslag van het beroep niet begrijpelijk en wijkt hij af van de grondslag die in de precontentieuze fase van de procedure aan de orde was. Dit brengt het risico met zich mee dat het Hof ultra petita uitspraak doet.
31.
Volgens de Commissie blijkt zowel uit haar verzoekschrift als uit haar conclusies duidelijk dat de Tsjechische wet waarbij het recht om lid te worden van een politieke partij enkel wordt toegekend aan Tsjechische staatsburgers, onverenigbaar is met artikel 22 VWEU en dat zij overeenkomstig de rechtspraak van het Hof moet kijken naar andere regels van primair recht — met name de bepalingen van het Handvest — om rekening te houden met de juridische context van de bepalingen die zijn ontleend aan de Verdragen en met de grondrechten.12.
2. Beoordeling
32.
De Tsjechische Republiek is van mening dat verschillende gronden voor het beroep voortvloeien uit de motivering van het verzoekschrift, die in tegenspraak is met de conclusies ervan.
33.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof13.:
- —
moet elk inleidend verzoekschrift — overeenkomstig artikel 120, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en zijn rechtspraak over deze bepaling — het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten en een summiere uiteenzetting van die middelen bevatten. Deze vermeldingen moeten zodanig duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en dat het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Daaruit volgt dat de wezenlijke feitelijke en juridische elementen waarop een beroep gebaseerd is, coherent en begrijpelijk moeten worden weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf en dat de conclusies hiervan op ondubbelzinnige wijze geformuleerd moeten zijn teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een grief recht te doen, en
- —
moeten in het kader van een beroep krachtens artikel 258 VWEU de grieven coherent en nauwkeurig worden uiteengezet opdat de betrokken lidstaat en het Hof de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies kunnen begrijpen, wat noodzakelijk is opdat die lidstaat nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de gestelde niet-nakoming kan beoordelen.
34.
In casu blijkt uit de motivering van het verzoekschrift, die ondubbelzinnig is en in overeenstemming is met het met redenen omkleed advies, dat artikel 22 VWEU, waarop het verzoekschrift gebaseerd is, moet worden uitgelegd door het in zijn context te plaatsen en rekening te houden met het verband met het Handvest en in het bijzonder artikel 12, lid 1, ervan.
35.
In dit verband heeft de Commissie aangevoerd dat, gelet op de centrale en fundamentele rol die politieke partijen spelen in de kiesstelsels van de lidstaten en met het oog op hun deelname aan het politieke leven, een Unieburger niet kan worden geacht zich in zijn staat van verblijf verkiesbaar te kunnen stellen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, indien hij zich in die staat niet verkiesbaar kan stellen als lid van een politieke partij, aangezien deze situatie een negatief effect heeft op de mogelijkheden om verkozen te worden.
36.
Hieruit volgt dus niet dat wordt gesteld dat artikel 12, lid 1, van het Handvest is geschonden.14.
37.
Bovendien lijkt de door de Tsjechische Republiek vermelde dubbelzinnigheid verband te houden met haar eigen analyse van de grondslag van de gestelde niet-nakoming, die volgens deze analyse artikel 18 VWEU moet zijn. Er is dus sprake van een verweer dat die staat nuttig heeft kunnen voeren en dat niet in het stadium van de ontvankelijkheid van het beroep, maar ten gronde moet worden onderzocht.
38.
Derhalve geef ik het Hof in overweging om deze exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen.
B. Ten gronde
1. Grondslag van het beroep wegens niet-nakoming
a) Argumenten van partijen
1) Commissie
39.
De Commissie herinnert eraan dat artikel 20, lid 2, onder b), en artikel 22 VWEU specifiek bepalen dat ‘mobiele’ Unieburgers zich ‘onder dezelfde voorwaarden’15. als de eigen onderdanen kandidaat moeten kunnen stellen bij de gemeenteraadsverkiezingen of bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. Zij erkent dat artikel 22 VWEU niet preciseert op welke verschillende concrete manieren de gelijke behandeling moet worden gewaarborgd, maar is van mening dat dit artikel een algemene en universele verplichting tot gelijke behandeling vaststelt. Deze verplichting houdt in dat de lidstaten, bij gebreke van een uitputtende lijst van vereisten — waaronder het vereiste van lidmaatschap van een politieke partij — erop moeten toezien dat de bestaande regels Unieburgers in staat stellen om onder dezelfde voorwaarden als hun eigen onderdanen te stemmen en zich verkiesbaar te stellen bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement.
40.
Om na te gaan of deze verplichting daadwerkelijk wordt nagekomen, moet dus worden onderzocht of er in een lidstaat juridische of feitelijke belemmeringen bestaan die het ‘mobiele’ Unieburgers onmogelijk of moeilijk maken om gebruik te maken van een van de formeel in het nationale recht beschikbare vormen van kandidaatstelling.16.
41.
De Commissie beroept zich tevens op de rechtspraak van het Hof, volgens welke het thans weliswaar aan de lidstaten staat om de aspecten van de verkiezingen voor het Europees Parlement te regelen die niet op het niveau van de Unie zijn geharmoniseerd, maar zij daarbij het Unierecht moeten eerbiedigen.17. Voorts kan een nationale maatregel die de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kan beperken, krachtens het Unierecht alleen door het algemeen belang worden gerechtvaardigd wanneer die maatregel verenigbaar is met de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten.18.
42.
In dit verband betoogt zij dat de beperkingen van de uitoefening van het recht om een politieke partij op te richten en het recht om lid te worden van een politieke partij duidelijk beperkingen zijn van het fundamentele recht op vrijheid van vereniging, dat is neergelegd in artikel 12, lid 1, van het Handvest, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)19..
43.
De Commissie is namelijk van mening dat, gelet op de centrale en fundamentele rol die politieke partijen spelen in de kiesstelsels van de lidstaten, een Unieburger niet kan worden geacht zich in zijn staat van verblijf verkiesbaar te kunnen stellen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, indien hij zich in die staat niet verkiesbaar kan stellen als lid van een politieke partij.
44.
Zij voert namelijk aan dat:
- —
politieke partijen in alle lidstaten nog steeds een wezenlijke vorm van deelname aan het politieke leven zijn en het meest gebruikte middel zijn om als kandidaat aan verkiezingen deel te nemen, en
- —
het belang van politieke partijen aldus is erkend in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)20. en tevens is benadrukt in de richtsnoeren voor de regulering van politieke partijen van de Europese Commissie voor democratie middels het recht (Commissie van Venetië)21..
45.
De Commissie voegt daaraan toe dat de in artikel 11, lid 2, EVRM genoemde gronden die een beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van vereniging kunnen rechtvaardigen, waarnaar krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest moet worden verwezen, in casu duidelijk niet van toepassing zijn.
46.
In antwoord op de argumenten die zien op de beperkte werkingssfeer van artikel 22 VWEU met betrekking tot de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van politieke activiteiten22., betoogt de Commissie in de eerste plaats dat de werkingssfeer van de richtlijnen 93/109 en 94/80 — die administratieve of procedurele kwesties in verband met de betreffende kiesrechten regelen — de draagwijdte van het in artikel 22 VWEU neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit niet volledig benut. Deze werkingssfeer kan niet als grondslag of reden dienen voor een restrictieve uitlegging van de draagwijdte van het primaire recht.23. Bovendien zou een dergelijke redenering er om te beginnen toe leiden dat discriminatie met betrekking tot andere regels — zoals in een verkiezingscampagne bijvoorbeeld regels inzake bijeenkomsten of affiches — zou moeten worden toegestaan. Daarnaast kan de Tsjechische Republiek uit het arrest Eman en Sevinger24. niet afleiden dat dit betrekking heeft op de kiesrechten van onderdanen van andere lidstaten.
47.
In de tweede plaats betwist de Commissie dat de beperking van de politieke activiteiten van onderdanen van andere lidstaten kan worden aanvaard op grond van artikel 16 EVRM25. en benadrukt zij dat rekening moet worden gehouden met het begrip ‘burgerschap van de Unie’ en de daaraan verbonden rechten. In zoverre brengt zij in herinnering dat zij niet betwist dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen om de deelname van ‘mobiele’ Unieburgers aan de nationale parlementsverkiezingen te beperken, maar zij beklemtoont dat de draagwijdte van de vastgestelde maatregelen niet zo ver mag gaan dat de gelijke voorwaarden voor deelname van Unieburgers aan de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement in het gedrang komen. Voorts herinnert zij eraan dat, met uitzondering van de Tsjechische Republiek en één andere lidstaat, geen enkele lidstaat een dergelijke beperking stelt.
48.
In de derde plaats merkt de Commissie ten aanzien van het grondwettelijke aspect van de beperking van de deelname aan politieke partijen wegens hun belang op nationaal niveau, dat door de Tsjechische Republiek wordt aangetoond door te verwijzen naar het arrest van de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië)26., op dat in punt 9 van dat arrest uitdrukkelijk wordt verklaard dat het voorwerp van dat geding het besluit tot wijziging van de statuten van de betrokken partij was en niet een ‘vermeende schending van de rechten van Unieburgers […] in de voorwaarden voor hun deelname aan de verkiezingen voor het Europees Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen’. Met betrekking tot de uitlegging van de Listina základních práv a svobod (handvest van de grondrechten en fundamentele vrijheden) — die deel uitmaakt van de Tsjechische grondwettelijke orde — door de Nejvyšší správní soud, die inhoudt dat personen die geen Tsjechische staatsburgers zijn, geen lid mogen worden van een politieke partij, merkt de Commissie voorts op dat de Ústavní soud (grondwettelijk hof, Tsjechië) zich niet over die uitlegging heeft uitgesproken en dat daarover verschillende rechtsopvattingen bestaan.27.
2) Tsjechische Republiek
49.
Volgens de Tsjechische Republiek is artikel 22 VWEU niet van toepassing op de kwestie van het lidmaatschap van een politieke partij. Zij baseert zich in de eerste plaats op de totstandkomingsgeschiedenis en de onveranderlijkheid van de inhoud van die bepaling.28. Vanaf de eerste opname van de kiesrechten van ‘mobiele’ Unieburgers in het primaire recht — in artikel 8 B EG, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Maastricht — tot het Verdrag van Lissabon, waarbij zij zijn opgenomen in artikel 22 VWEU, zijn zij in dezelfde bewoordingen geformuleerd.
50.
In de tweede plaats betoogt de Tsjechische Republiek dat haar uitlegging voortvloeit uit de bewoordingen van artikel 22 VWEU en uit de bedoeling van de Uniewetgever, zoals die ondubbelzinnig tot uitdrukking is gebracht in de overwegingen van de richtlijnen 93/109 en 94/80.29. Het doel is elke nationaliteitsvoorwaarde voor de uitoefening van het actief en passief kiesrecht af te schaffen, zonder dat dit van invloed is op andere aspecten, waaronder de voorwaarden voor het lidmaatschap van een politieke partij.30. Bovendien heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk verklaard dat in deze kwestie rekening moet worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel.
51.
In de derde plaats onderstreept de Tsjechische Republiek dat de Uniewetgever in artikel 22 VWEU heeft gepreciseerd dat het actief en passief kiesrecht in kwestie moet worden uitgeoefend ‘onder voorbehoud van de door de Raad […] vastgestelde nadere regelingen’.31. Dat zijn precies de regelingen van de richtlijnen 93/109 en 94/80, waarin op geen enkele wijze wordt verwezen naar de mogelijkheid dat het in artikel 22 VWEU bedoelde recht gevolgen heeft voor de voorwaarden voor het lidmaatschap van een politieke partij.
52.
In de vierde plaats is de beperkte werkingssfeer van artikel 22 VWEU en van de uitvoeringsregeling van de Unie volledig in overeenstemming met artikel 4, lid 2, VEU32., waarin is bepaald dat de Unie de nationale identiteit van de lidstaten, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, moet eerbiedigen. De regeling voor het functioneren van politieke partijen vormt de hoeksteen van deze structuren33. en ook artikel 16 EVRM erkent dat de verdragsluitende partijen beperkingen kunnen opleggen aan politieke activiteiten van vreemdelingen. In dit opzicht vormt artikel 22 VWEU een uitzondering die niet zodanig ruim kan worden uitgelegd dat elke politieke activiteit eronder valt.34. Het is irrelevant om, zoals de Commissie doet, te verwijzen naar het aantal lidstaten dat niet een dergelijk standpunt heeft ingenomen.
53.
Bovendien volgt uit de door de Commissie aangehaalde rechtspraak van het EHRM dat politieke partijen van fundamenteel belang zijn voor verkiezingen op nationaal niveau. Op dit niveau is niet het Unierecht van toepassing, zoals de Commissie erkent.
54.
Ten slotte houdt het recht van de lidstaten om de deelname aan het belangrijkste platform voor nationale politieke activiteiten — te weten politieke partijen — voor te behouden aan hun onderdanen rechtstreeks verband met de door de Commissie erkende mogelijkheid om de kandidaatstelling voor de verkiezingen van de wetgevende macht te beperken en met de mogelijkheid om ‘mobiele’ Unieburgers overeenkomstig artikel 5, lid 3, van richtlijn 94/80 uit te sluiten van functies in bestuursorganen van de gemeente.
55.
In haar memorie van dupliek vervolledigt de Tsjechische Republiek haar betoog dat de materiële rechtsgrondslag van het onderhavige beroep artikel 18 VWEU moet zijn.35. Ten eerste leidt zij uit het arrest Eman en Sevinger36. af dat dit artikel van toepassing is op kwesties die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen vanuit het oogpunt van mogelijke discriminatie op grond van nationaliteit, zoals bijvoorbeeld verkiezingsreclame.
56.
Ten tweede is de Tsjechische Republiek van mening dat het, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, voor de keuze tussen het algemene discriminatieverbod en de bijzondere bepalingen van primair recht als toepasselijke Unierechtelijke bepaling, van wezenlijk belang is of de betrokkene een ‘hoedanigheid’37. heeft verworven waarin een bijzondere bepaling voorziet38., zoals onder meer die van werknemer in de zin van artikel 45 VWEU of die van gevestigd persoon in de zin van artikel 49 VWEU.
57.
Artikel 22 VWEU is volgens de Tsjechische Republiek dan ook enkel van toepassing op een ‘mobiele’ Unieburger wanneer hij de hoedanigheid van kiezer of kandidaat bij een verkiezing verkrijgt. De hoedanigheid van kandidaat kan niet afhangen van het lidmaatschap van een politieke partij, aangezien dit niet waarborgt dat de betrokkene op een kandidatenlijst zal worden opgenomen.39.
b) Beoordeling
58.
Het onderhavige beroep heeft betrekking op de gevolgen voor het passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement die voortvloeien uit het recht om lid te worden van een politieke partij, dat naar Tsjechisch recht niet wordt verleend aan ‘mobiele’ Unieburgers. Heeft deze uitsluiting tot gevolg dat deze burgers hun passief kiesrecht bij die verkiezingen — zoals de Commissie stelt — niet uitoefenen ‘onder dezelfde voorwaarden’ als Tsjechische onderdanen, in de zin van artikel 22 VWEU?
59.
Bij de huidige stand van het Unierecht behoort het lidmaatschap van een politieke partij tot de bevoegdheid van de lidstaten. Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen moeten nakomen.40.
60.
Daarom moet worden vastgesteld welke vereisten voortvloeien uit artikel 22 VWEU, waarop de Commissie zich beroept.
61.
Volgens de bewoordingen van artikel 22 VWEU is de werkingssfeer van dit artikel beperkt tot de verkiezingen die erin worden genoemd, te weten de gemeenteraadsverkiezingen (lid 1) en de verkiezingen voor het Europees Parlement (lid 2), zodat parlements- of presidentsverkiezingen uitgesloten zijn van de werkingssfeer van dat artikel.
62.
Met het onderhavige beroep wordt het Hof verzocht te verduidelijken of het in artikel 22 VWEU neergelegde gelijkheidsbeginsel aldus moet worden opgevat dat het zich uitstrekt tot alle voorwaarden waaronder elke ‘mobiele’ Unieburger zich verkiesbaar kan stellen, dan wel of het enkel betrekking heeft op de juridische voorwaarden voor verkiesbaarheid.
63.
Het komt er dus op aan de beoordelingsmarge vast te stellen die de lidstaten wordt geboden doordat de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement41. en bij de gemeenteraadsverkiezingen is vastgelegd in respectievelijk de richtlijnen 93/109 en 94/80.
64.
Het argument van de Tsjechische Republiek dat is ontleend aan een letterlijke lezing van artikel 22 VWEU en dat inhoudt dat deze richtlijnen het in dit artikel neergelegde gelijkheidsbeginsel beperken, moet bij voorbaat worden verworpen op grond van de door de Commissie terecht verdedigde overweging die verband houdt met de hiërarchie van de normen, die met zich meebrengt dat het afgeleide recht een door het Verdrag erkend recht niet mag beperken.42.
65.
Voormelde richtlijnen definiëren dus enkel een minimumkader waarbinnen het gelijkheidsbeginsel wordt geconcretiseerd bij de uitoefening van het actief en passief kiesrecht.43.
66.
Vooral uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 22 VWEU en de ontwikkeling van het juridische kader waarbinnen de inhoud van deze bepaling past, blijkt evenwel — sinds het Verdrag van Lissabon zeer duidelijk — dat die bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de twee pijlers waarop zij berust, te weten het burgerschap van de Unie en de representatieve democratie.
67.
Wat in de eerste plaats het burgerschap van de Unie betreft, beroept de Commissie zich terecht op de toepassing van artikel 20, lid 2, onder b), VWEU, dat bepaalt dat Unieburgers ten gevolge van dit burgerschap44. onder meer het actief en passief kiesrecht hebben bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat van verblijf, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
68.
Dit verband met het burgerschap maakt sinds het op 7 februari 1992 ondertekende Verdrag van Maastricht deel uit van het primaire recht.45. Het is vanaf het begin gekoppeld aan het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten46. en aan het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, dat deel uitmaakt van elk van de vrijheden van verkeer.
69.
Dit verband heeft evenwel een bijzondere dimensie gekregen door de bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde wijzigingen, ten gevolge van de wens van de lidstaten om met name een belangrijke plaats te geven aan het burgerschap. Ten eerste is het EU-Verdrag verrijkt met een Titel II, met als opschrift ‘Bepalingen inzake de democratische beginselen’. Van deze titel maakt artikel 9 deel uit. Daarin is bepaald: ‘De Unie eerbiedigt in al haar activiteiten het beginsel van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen, organen en instanties. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.’ De rechten die verbonden zijn aan het burgerschap van de Unie, zijn neergelegd in de artikelen 20 tot en met 24 VWEU, die overeenkomen met de artikelen 17 tot en met 21 EG. De rechten van ‘mobiele’ Unieburgers bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen zijn neergelegd in artikel 20, lid 2, onder b), en artikel 22 VWEU.
70.
Ten tweede komt elk van deze rechten ook voor in titel V van het Handvest47., met als opschrift ‘Burgerschap’. De rechten van ‘mobiele’ Unieburgers bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen zijn in het Handvest in algemene bewoordingen neergelegd in de artikelen 3948. en 4049..
71.
Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moeten de in artikel 22 VWEU neergelegde kiesrechten van de Unieburgers bijgevolg worden geanalyseerd als grondrechten en als uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling, dat inherent is aan de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten.50.
72.
De herhaling van deze rechten in het VEU en in het Handvest heeft eveneens tot doel een verband te leggen met andere daarin neergelegde rechten of beginselen, zoals gelijkheid en democratie, waarden die de lidstaten gemeen hebben en waarop de Unie berust.51.
73.
Wat in de tweede plaats de democratische beginselen betreft, wordt sinds het Verdrag van Lissabon in lid 1 van artikel 10 VEU bepaald dat ‘[d]e werking van de Unie is gegrond op de representatieve democratie’52. en wordt in de leden 2 en 3 van dat artikel erkend dat de Europese burgers het recht hebben om rechtstreeks te worden vertegenwoordigd in het Europees Parlement en om aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen.
74.
Doordat het Verdrag van Lissabon, althans wat de verkiezingen voor het Europees Parlement betreft, het actief en passief kiesrecht dat aan het burgerschap van de Unie verbonden is, koppelt aan de democratische beginselen binnen de Unie, komt de doelstelling om een doeltreffende vertegenwoordiging van de ‘mobiele’ Unieburgers te waarborgen dus duidelijk tot uiting.
75.
De Commissie betoogt op goede gronden dat deze representativiteit een uitvloeisel is van de integratie van ‘mobiele’ Unieburgers in het land van verblijf, zoals wordt benadrukt in de overwegingen van richtlijn 93/109 en richtlijn 94/80.53. Meer in het bijzonder wordt met de aan deze burgers toegekende politieke rechten op lokaal niveau beoogd de sociale integratie te bevorderen van die burgers, die ervoor hebben gekozen om in een lidstaat te verblijven waarvan zij geen onderdaan zijn. In dit verband dient eveneens te worden gewezen op de in de overwegingen genoemde doelstelling om ‘elke polarisatie tussen kandidatenlijsten van onderdanen en niet-onderdanen te voorkomen’.
76.
Bijgevolg heeft de Commissie naar mijn mening het recht om op grond van artikel 22 VWEU, bezien in de context van de aan het burgerschap van de Unie verbonden rechten en de in de Verdragen neergelegde democratische beginselen, te stellen dat de waarborg van gelijke kiesrechten voor de Unieburgers tot uitdrukking moet komen — zonder dat een indicatieve of zelfs uitputtende lijst van criteria hoeft te worden opgesteld — in de algemene verplichting om de deelname aan verkiezingen niet door verschillende factoren te ontmoedigen.54.
77.
Met andere woorden, artikel 22 VWEU moet aldus worden opgevat dat elke belemmering van de uitoefening van de kiesrechten op grond van nationaliteit — buiten de in de richtlijnen 93/109 en 94/80 vastgestelde kaders — gelijkstaat aan discriminatie binnen de werkingssfeer van de Verdragen55., die verboden is.
78.
Aangezien de nationale maatregelen in kwestie moeten worden getoetst aan deze bijzondere non-discriminatieregels van het VWEU, is artikel 18 van dit Verdrag — waarop de Tsjechische Republiek zich beroept — volgens vaste rechtspraak van het Hof niet van toepassing.56. Bovendien hoeft voor de toepassing van artikel 22 VWEU niet te worden onderzocht of er sprake is van een bijzondere ‘hoedanigheid’, aangezien gelijke rechten op het gebied van verkiezingen voortvloeien uit de hoedanigheid van Unieburger.57.
79.
Derhalve moet thans de analyse van de Commissie dat de onmogelijkheid om lid te worden van een politieke partij ertoe leidt dat de uitoefening van die rechten wordt belemmerd, worden onderzocht.
80.
In casu zijn partijen het erover eens dat de kansen voor ‘mobiele’ Unieburgers op toegang tot lokale of Europese functies die worden verkregen door verkiezing, afhangen van de mate waarin zij deelnemen aan het democratische bestel van de lidstaat waar zij zich kandidaat stellen, binnen een partij dan wel onafhankelijk.
81.
Net zoals de Commissie — die zich baseert op de richtsnoeren van de Commissie van Venetië58., die niet door de Tsjechische Republiek zijn bekritiseerd — ben ik evenwel van mening dat de toegang tot de middelen waarover politieke partijen beschikken, een essentieel element is ter bevordering van de kandidaatstelling voor de gemeenteraadsverkiezingen of de verkiezingen voor het Europees Parlement.59.
82.
Bovendien is de rol van politieke partijen — zoals de Commissie op basis van de rechtspraak van het EHRM heeft betoogd — van cruciaal belang voor de uitoefening van politieke rechten in de lidstaten.60. Op het niveau van de Unie wordt deze rol duidelijk erkend in artikel 10, lid 4, VEU61., waarmee artikel 12, lid 2, van het Handvest overeenstemt62..
83.
Er bestaat een onmiskenbaar verband tussen die bepaling van het Handvest en de artikelen 39 en 40 ervan.63. Om de reeds uiteengezette redenen64. moet elke lidstaat deze bepalingen — met strikte inachtneming van het in artikel 5, lid 2, VEU vastgelegde beginsel van bevoegdheidstoedeling — dan ook in aanmerking nemen om de uitoefening van de bij artikel 22 VWEU verleende rechten te waarborgen.
84.
Derhalve ben ik het met de Commissie eens dat haar beroep krachtens artikel 22 VWEU moet worden beoordeeld uit het oogpunt van het recht op vrijheid van vereniging dat is neergelegd in artikel 12, lid 1, van het Handvest, in samenhang met artikel 11 ervan65., dat ziet op de vrijheid van meningsuiting. Deze vrijheden worden met name beschermd wegens hun essentiële rol voor de deelname van de burgers aan de democratie.66. Artikel 12, lid 2, van het Handvest bevat een afgeleide van dit verband wat de Europese politieke partijen betreft.
85.
Dit recht op vrijheid van vereniging komt overeen met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel 11, lid 1, EVRM en heeft bijgevolg overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte als laatstgenoemd recht.67.
86.
Volgens de rechtspraak van het EHRM is het recht op vrijheid van vereniging een van de wezenlijke grondslagen van een democratische en pluralistische samenleving, omdat het de burgers in staat stelt om op gebieden van gemeenschappelijk belang collectief op te treden en aldus bij te dragen tot het functioneren van het openbare leven.68.
87.
Derhalve moet ook in het licht van die bepalingen van het VEU en het Handvest worden vastgesteld of — zoals de Commissie stelt — de juridische onmogelijkheid voor ‘mobiele’ Unieburgers om lid te worden van een politieke partij in Tsjechië het risico met zich meebrengt dat de voorwaarden waaronder zij zich verkiesbaar kunnen stellen bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement, niet identiek zijn aan die welke voor Tsjechische staatsburgers gelden, met name in die zin dat zij daardoor aanzienlijk minder kans hebben om te worden verkozen.
2. Beperking op de uitoefening van de kiesrechten
a) Argumenten van partijen
1) Commissie
88.
De Commissie wijst concreet op drie soorten voordelen die het lidmaatschap van een politieke partij oplevert bij de kandidaatstelling.
89.
Ten eerste kunnen kandidaten die lid zijn van een gevestigde politieke partij profiteren van de traditie, het imago en de sociaal-organisatorische structuren van deze partij. De Commissie beklemtoont dat alleen al de naam van de partij, zonder enig verband met een individu, volstaat om bepaalde waarden of benaderingen van de politiek te karakteriseren.
90.
Ten tweede kunnen deze kandidaten profiteren van het verkiezingsapparaat en de middelen van de politieke partijen. Deze ondersteunen namelijk de kandidaten bij de verkiezingen met hun ervaring, infrastructuur en specifieke operationele procedures (bijvoorbeeld netwerken, media en communicatiesystemen).
91.
Ten derde zijn politieke partijen erkende politieke actoren, zodat zij krachtens het nationale recht vaak specifieke voorrechten genieten, zoals financiële voordelen, een speciale belastingregeling en toegang tot de media. Wat de financiering in Tsjechië betreft, verwijst de Commissie naar verschillende bepalingen over de partijen.69.
92.
Volgens de Commissie worden ‘mobiele’ Unieburgers in Tsjechië, die zich daar als onafhankelijke kandidaat verkiesbaar moeten stellen, anders dan burgers die lid zijn van gevestigde politieke partijen dan ook gedwongen om hun eigen politieke identiteit te creëren en ingang te doen vinden alsook om hun eigen organisatie te ontwikkelen voor het voeren van een verkiezingscampagne, met een toegang tot financiering en tot de media waarbij er geen sprake is van bijzondere voorrechten.
93.
Daarnaast wijst de Commissie op verschillende problemen die onafhankelijke kandidaten ondervinden in verband met de lijsten. Zij verduidelijkt dat alleen onafhankelijke kandidaten bij de gemeenteraadsverkiezingen een petitie moeten indienen die is ondertekend door kiezers die hun kandidatuur ondersteunen. Het aantal vereiste handtekeningen hangt af van de grootte van de gemeente waarin de betrokkene zich kandidaat stelt.70.
94.
Zij is bovendien van mening dat het voor onafhankelijke kandidaten ontegenzeggelijk moelijker is om zich op de lijst van een politieke partij te laten plaatsen dan voor kandidaten die lid zijn van deze partij, aangezien zij voor plaatsing op die lijst en de vaststelling van hun plaats op die lijst afhankelijk zijn van de beslissing van die partij, zonder dat zij enige invloed kunnen uitoefenen binnen de partij zelf.
95.
Tevens wijst de Commissie erop dat in aanmerking moet worden genomen dat op kandidatenlijsten en stembiljetten wordt vermeld dat een persoon zich verkiesbaar stelt als onafhankelijke kandidaat of ‘persoon zonder label’ op de lijst van een politieke partij. Derhalve zijn onafhankelijke kandidaten, wat hun keuze van politieke prioriteiten of richtingen betreft, minder geloofwaardig dan leden van een politieke partij, die zich jegens hun kiezers kunnen beroepen op hun actieve rol binnen hun partij.71.
96.
Ten slotte verwijst de Commissie naar de bevinding van de Kancelář Veřejného ochránce práv (Tsjechisch bureau van de ombudsman) dat ‘mobiele’ Unieburgers bij verkiezingen worden benadeeld, alsmede naar zijn standpunt over de directe discriminatie die zij bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ondervinden doordat alleen politieke partijen kandidaten aanwijzen.72.
97.
In haar memorie van repliek verwerpt de Commissie elk argument dat gebaseerd is op verkiezingspraktijken. In de eerste plaats brengt zij in herinnering dat het verschil in behandeling voortvloeit uit de wet in kwestie, waaruit volgt dat een Tsjechische staatsburger ervoor kan kiezen om lid te worden van een politieke partij en deze partij bij verkiezingen te vertegenwoordigen, dan wel om onafhankelijk te blijven en eventueel in te gaan op een aanbod om als ‘niet-partijgebonden’ kandidaat te worden geplaatst op de lijst van een politieke partij die hem daarom verzoekt, terwijl een ‘mobiele’ Unieburger deze mogelijkheid niet heeft en zich alleen als onafhankelijke kandidaat verkiesbaar kan stellen of moet hopen op een aanbod van de politieke partij waarvan hij lid had willen worden om hem op te nemen als ‘niet-partijgebonden’ kandidaat.
98.
Wat in de tweede plaats de bewijslast betreft, is de Commissie van mening dat het in geval van juridische discriminatie — zoals de discriminatie waarvan er sprake is — voor de vaststelling van schending van het Unierecht niet noodzakelijk is om het Hof statistische gegevens te verstrekken over het aantal ‘mobiele’ Unieburgers die in de praktijk schade hebben geleden ten gevolge van dergelijke directe discriminatie. Zij voegt daaraan toe dat het vrijwel onmogelijk is om een lijst op te stellen van situaties waarin ‘mobiele’ Unieburgers ervan worden weerhouden om zich verkiesbaar te stellen doordat zij geen lid konden worden van een politieke partij.73.
99.
In de derde plaats stelt de Commissie zich op het standpunt dat de door de Tsjechische Republiek verstrekte statistische gegevens74. irrelevant zijn wanneer er sprake is van juridische discriminatie. Aangezien zij daarmee vaag en indirect verband houden, bevestigen zij veeleer haar zienswijze. In zoverre stelt de Commissie vast dat de statistieken in het algemeen betrekking hebben op ‘niet-partijgebonden personen’, zonder dat kan worden vastgesteld hoeveel van hen ‘mobiele’ Unieburgers zijn, van wie de situatie het voorwerp van het onderhavige beroep vormt. Bovendien leidt zij uit een gedetailleerd onderzoek van die gegevens voornamelijk af dat, wat de verkiezingen voor het Europees Parlement betreft:
- —
bijna twee derde van de kandidaten zich verkiesbaar had gesteld binnen het kader van een politieke partij;
- —
bij drie van de vier verkiezingen voor het Europees Parlement er onder de onafhankelijken procentueel gezien minder kandidaten worden verkozen dan onder de leden van een politieke partij, en
- —
de onafhankelijke kandidaten die worden verkozen voor het Europees Parlement, veelal persoonlijkheden met een uitzonderlijke bekendheid en populariteit zijn.75.
100.
Wat de gemeenteraadsverkiezingen betreft, erkent de Commissie dat de bekendheid met de lokale persoonlijkheden de keuze voor kiezers vergemakkelijkt. Zij is echter van mening dat hieruit blijkt dat ‘mobiele’ Unieburgers juist een grotere behoefte hebben om lid te worden van een politieke partij, teneinde een zo groot mogelijke kans te maken om te worden verkozen.
2) Tsjechische Republiek
101.
Nadat de Tsjechische Republiek nogmaals heeft opgemerkt dat het onderhavige beroep geen betrekking heeft op de juridische voorwaarden voor de uitoefening van de kiesrechten, onderstreept zij om te beginnen dat personen die geen lid zijn van een politieke partij ten volle kunnen gebruikmaken van de door de Commissie in haar verzoekschrift beschreven voordelen, door zich op de kandidatenlijst van welke partij ook te laten plaatsen, en dat dit op haar grondgebied gebruikelijk is.76.
102.
Vervolgens wijst de Tsjechische Republiek erop dat de door de Commissie aangevoerde schending gebaseerd is op veronderstellingen en ongegronde beweringen.77. Bovendien heeft de Commissie geen rekening gehouden met de toelichting die in de precontentieuze fase is gegeven bij de lokale omstandigheden, terwijl daaruit blijkt dat de Commissie ten onrechte stelt dat de onafhankelijke kandidaten zich onbetwistbaar in een zwakke positie bevinden.
103.
Zij draagt verschillende concrete bewijzen aan voor het feit dat ‘niet-partijgebonden personen’ in de Tsjechische Republiek regelmatig bovenaan de lijsten van grote politieke partijen staan, alsmede dat zij vaak worden verkozen en vervolgens belangrijke functies bekleden in de instelling waarin zij zijn verkozen.78. De Tsjechische Republiek leidt daaruit af dat het succes van een kandidaat bij verkiezingen niet afhangt van zijn lidmaatschap van een politieke partij, maar veeleer van factoren zoals zijn opvattingen en persoonlijkheid.
b) Beoordeling
104.
Volgens de Tsjechische Republiek, daarin ondersteund door de Republiek Polen, heeft de Commissie geen bewijs geleverd van de praktische gevolgen die de wettelijke bepalingen in kwestie hebben voor de verkiesbaarheid van ‘mobiele’ Unieburgers.
105.
Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat wanneer een niet-nakoming voortvloeit uit de vaststelling van een wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel waarvan het bestaan en de toepassing niet worden betwist, het bestaan van die niet-nakoming kan worden aangetoond aan de hand van een juridische analyse van de bepalingen van die maatregel.79.
106.
In casu vloeit de door de Commissie aan de Tsjechische Republiek verweten niet-nakoming voort uit de vaststelling van een wettelijke maatregel waarvan die lidstaat het bestaan noch de toepassing betwist en waarvan de bepalingen juridisch worden geanalyseerd in het inleidend verzoekschrift.
107.
Daarnaast gaat het om de beoordeling in hoeverre deze regeling een ontradend effect heeft op mogelijke kandidaatstellingen voor verkiezingen, wat niet kwantificeerbaar is.
108.
Derhalve verwijt de Tsjechische Republiek de Commissie ten onrechte dat deze geen bewijs heeft geleverd van de praktische gevolgen die de wet op grond waarvan het lidmaatschap van een politieke partij wordt voorbehouden aan Tsjechische staatsburgers, heeft voor de kiesrechten van ‘mobiele’ Unieburgers.
109.
Wat betreft de Tsjechische wet in kwestie, die het recht om lid te worden van een politieke partij voorbehoudt aan Tsjechische staatsburgers, vloeit de ongelijke behandeling met betrekking tot de kiesrechten mijns inziens voort uit het loutere feit dat Tsjechische staatsburgers vrijelijk kunnen kiezen op welke wijze zij zich kandidaat stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen of de verkiezingen voor het Europees Parlement, te weten als lid van een politieke partij dan wel als onafhankelijke, terwijl ‘mobiele’ Unieburgers alleen over de laatste mogelijkheid beschikken. Zoals hierboven is uiteengezet, maakt de toegang tot politieke partijen het mogelijk om de kiesrechten doeltreffender uit te oefenen teneinde aan het democratische bestel deel te nemen.
110.
De door de Tsjechische Republiek vermelde verzachtende maatregelen doen aan deze beoordeling niet af. Met name het feit dat ‘mobiele’ Unieburgers zich kandidaat kunnen stellen op een partijlijst, kan deze beperking van hun actieradius namelijk niet compenseren, aangezien zij aan specifieke criteria moeten voldoen, zoals die door de Commissie zijn uiteengezet.
111.
Bovendien ben ik in navolging van de Commissie van mening dat, gesteld al dat het onderhavige beroep zou kunnen worden beoordeeld op basis van de door de Tsjechische Republiek verstrekte gedetailleerde cijfers over de gekozen kandidaten80., uit deze cijfers niet blijkt dat ‘mobiele’ Unieburgers gelijk worden behandeld. Uit de statistieken komen weliswaar specifieke lokale omstandigheden van de gemeenteraadsverkiezingen naar voren, maar deze zijn niet relevant voor de situatie van de ‘mobiele’ Unieburgers waarop het onderhavige beroep betrekking heeft. Uit de gegeven voorbeelden volgt namelijk om te beginnen dat de niet-partijgebonden kandidaten die in het Europees Parlement worden verkozen, in meerderheid of zelfs uitsluitend Tsjechische staatsburgers zijn. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de moeilijkheden die moeten worden overwonnen door wie geen lid is van een politieke partij, in het bijzonder met betrekking tot de inschrijving op de kandidatenlijsten. Deze moeilijkheden vloeien rechtstreeks voort uit de wettelijke bepalingen, die als ‘discriminerend’ worden aangemerkt door de auteurs die de Commissie heeft aangehaald.81.
112.
Derhalve geef ik het Hof in overweging te oordelen dat de Commissie voldoende heeft aangetoond dat de uitoefening van de kiesrechten wordt beperkt ten nadele van ‘mobiele’ Unieburgers die zich in dezelfde situatie bevinden als de eigen staatsburgers.
113.
Hieruit volgt dat de Tsjechische Republiek — doordat zij in de uitoefening van haar bevoegdheid de litigieuze nationale bepalingen heeft vastgesteld — niet heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het Unierecht, te weten die van artikel 22 VWEU, dat moet worden gelezen in samenhang met de artikelen 12, 39 en 40 van het Handvest.
3. Rechtvaardiging voor de beperking op het lidmaatschap van een politieke partij
a) Argumenten van partijen
1) Commissie
114.
In de eerste plaats is de Commissie van mening dat niet kan worden ingestemd met het argument van de Tsjechische Republiek dat de beperking op het lidmaatschap van politieke partijen voor ‘mobiele’ Unieburgers wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om nationale politieke aangelegenheden te beschermen tegen ‘inmenging’ door die burgers, die zou voortvloeien uit het lidmaatschap van een politieke partij, waarbinnen belangrijke beslissingen voor de verkiezingen van de wetgevende macht worden genomen.82.
115.
Zij is van mening dat deze rechtvaardiging rechtstreeks in strijd is met de geest en het doel van de bepalingen van de Verdragen die betrekking hebben op het burgerschap. De bij deze bepalingen toegekende politieke rechten hebben juist tot doel te waarborgen dat ‘mobiele’ Unieburgers kunnen integreren en in de lidstaat van verblijf een actieve politieke rol kunnen spelen bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement.
116.
In dit verband onderstreept de Commissie dat de verplichting om de gelijke behandeling te waarborgen die wordt voorgeschreven door artikel 20, lid 2, onder b), en artikel 22 VWEU — die moeten worden uitgelegd in het licht van de artikelen 11 en 12 van het Handvest, waarin de deelname aan politieke partijen wordt gewaarborgd — zich er geenszins tegen verzet dat de lidstaten de mogelijkheid om zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen van de wetgevende macht of van de regionale overheden voor te behouden aan personen die de nationaliteit van het gastland bezitten.
117.
In de tweede plaats brengt de Commissie, in antwoord op het argument inzake de bescherming van de nationale identiteit, dat gebaseerd is op artikel 4, lid 2, VEU en dat inhoudt dat het functioneren van politieke partijen en de vrije concurrentie tussen deze partijen zijn vastgelegd in de Ústava (grondwet), in herinnering dat deze bepaling moet worden uitgelegd in overeenstemming met de overige bepalingen van de Verdragen die de lidstaten bij hun toetreding tot de Unie hebben toegezegd te zullen naleven, waaronder artikel 22 VWEU, dat niet van toepassing is op verkiezingen voor de wetgevende macht.83. De kiesrechten van ‘mobiele’ Unieburgers kunnen dus niet worden geacht afbreuk te doen aan het beginsel van eerbiediging van de nationale identiteit.
118.
In de derde plaats betwijfelt de Commissie, wat betreft het bezwaar van de Tsjechische Republiek dat de Commissie geen minder beperkende maatregel heeft genoemd waarmee het nagestreefde doel kan worden bereikt, of een lidstaat een nationale maatregel kan rechtvaardigen die afwijkt van de vereisten van artikel 20, lid 2, onder b), en artikel 22 VWEU en die direct discrimineert op grond van nationaliteit. Bovendien is het aan de betrokken lidstaat om de evenredigheid van zijn maatregelen aan te tonen.84.
119.
Voorts merkt de Commissie op dat de Tsjechische Republiek in de precontentieuze procedure niet heeft aangetoond dat het verbod voor ‘mobiele’ Unieburgers om lid te worden van een politieke partij — met name in de omstandigheden van de onderhavige zaak — een specifiek openbaar belang dient. Zij leidt daaruit af dat noch het nagestreefde doel, noch de noodzaak of de evenredigheid van dit verbod is toegelicht.
120.
Bovendien stelt de Commissie — in haar memorie van repliek — met betrekking tot het ‘fundamentele beginsel van gelijkheid van de leden van een politieke partij’ waarop de Tsjechische Republiek zich beroept, dat het volstrekt onjuist en inconsistent is om de vaststelling van de deelname van Unieburgers aan politieke partijen op een niveau dat overeenkomt met de politieke rechten die zij aan het Unierecht ontlenen, waarbij bijvoorbeeld hun deelname aan bepaalde besluiten van een politieke partij wordt beperkt, als onevenredige discriminatie aan te merken, en daarentegen een absoluut verbod op het lidmaatschap van een politieke partij voor ‘mobiele’ Unieburgers als evenredige discriminatie aan te merken.
2) Tsjechische Republiek
121.
De Tsjechische Republiek voert de volgende drie argumenten aan: ‘In de eerste plaats wordt metde nationale regeling in kwestie het legitieme doel nagestreefd om de deelname aan een belangrijk platform voor politieke activiteit op nationaal niveau voor te behouden aan Tsjechische burgers, hetgeen volledig in overeenstemming is met artikel 4, lid 2, VEU. Dit wordt in wezen overigens ook erkend door de Commissie in haar met redenen omkleed advies […]. In de tweede plaats is het feit dat alleen Tsjechische staatsburgers lid mogen worden van een politieke partij, een passende maatregel om dat doel te verwezenlijken, aangezien het de kern ervan rechtstreeks verwezenlijkt. In de derde plaats is de nationale regeling in kwestie evenredig. Zij doet geen afbreuk aan de essentie van het stemrecht krachtens artikel 22 VWEU, aangezien zij het volledige actieve en passieve stemrecht van mobiele Unieburgers geenszins wijzigt […] en het in de praktijk mogelijk maakt dat die rechten volledig worden uitgeoefend […]. Derhalve is de regeling in kwestie volledig in overeenstemming met de door de Commissie aangehaalde rechtspraak […].’85.
122.
De Tsjechische Republiek preciseert dat het nagestreefde legitieme doel niet kan worden verwezenlijkt met een minder beperkende maatregel, omdat het ondenkbaar is dat het ‘mobiele’ Unieburgers wordt toegestaan om lid te worden van een politieke partij teneinde deel te nemen aan slechts een marginaal deel van de politieke activiteiten, te weten de gemeenteraadsverkiezingen of de verkiezingen voor het Europees Parlement. Zij is van mening dat een regeling van die strekking in strijd zou zijn met het fundamentele beginsel van gelijke behandeling van de leden van een politieke partij. Bovendien zou het deze burgers niet de sterke positie in de politieke partij verschaffen die de Commissie — ten onrechte — noodzakelijk acht. De Tsjechische Republiek merkt op dat de Commissie zelf niet in staat was aan te geven welke maatregel in dit opzicht als minder beperkend zou kunnen worden beschouwd.
3) Republiek Polen, interveniërende partij
123.
Wat betreft de door de Commissie bedoelde beperking van de actieradius van ‘mobiele’ Unieburgers binnen politieke partijen, betoogt de Republiek Polen dat het ‘gebonden’ zijn aan een politieke partij een veel breder spectrum van activiteiten bestrijkt dan de activiteiten die voorafgaan aan bepaalde verkiezingen. Deze activiteiten houden verband met de beïnvloeding van het nationale beleid, daaronder begrepen beleidsterreinen die nog steeds tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten behoren. Een lidstaat is evenwel geenszins verplicht om ‘mobiele’ Unieburgers in staat te stellen de uitslag van de parlements- en presidentsverkiezingen via het partijenstelsel te beïnvloeden.
b) Beoordeling
124.
De argumenten van de Tsjechische Republiek leiden ertoe dat moet worden verduidelijkt onder welke voorwaarden een beperking van het in artikel 22 VWEU neergelegde beginsel van gelijke behandeling kan worden gerechtvaardigd.
125.
Deze lidstaat beroept zich op artikel 4, lid 2, VEU en betoogt in wezen dat het Unierecht — zoals dit wordt uitgelegd door de Commissie — ertoe zou leiden dat ‘mobiele’ Unieburgers op een ander niveau aan het openbare leven deelnemen dan de lidstaten toestaan, en hun met name de mogelijkheid zou bieden om invloed uit te oefenen op nationale besluiten door te profiteren van het vehikel van politieke partijen.
126.
In herinnering dient te worden gebracht dat de Unie krachtens artikel 4, lid 2, VEU verplicht is om de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, te eerbiedigen.
127.
Het is juist dat de organisatie van het nationale politieke bestel, waartoe politieke partijen bijdragen, deel uitmaakt van de nationale identiteit in de zin van artikel 4, lid 2, VEU. In dit verband komt de eerbiediging van deze identiteit tot uiting in het feit dat de deelname van ‘mobiele’ Unieburgers aan de verkiezingen beperkt is tot de verkiezingen voor het Europees Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen, zonder dat wordt gestreefd naar harmonisatie van de kiesstelsels van de lidstaten.86. De Uniewetgever heeft ook rekening gehouden met de gevolgen van een gemakkelijkere toegang tot deze verkiezingen voor het evenwicht van het politieke stelsel van de lidstaat van verblijf, door te bepalen dat de lidstaten binnen bepaalde kaders87. ten gunste van hun onderdanen bepaalde overgangsregelingen kunnen vaststellen.
128.
Ten aanzien van de vraag welke gevolgen het lidmaatschap van ‘mobiele’ Unieburgers van politieke partijen heeft op nationaal niveau — wegens de mogelijke effecten binnen deze partijen — merk ik op dat dit volgens alle partijen een zaak van die politieke partijen zelf is. Zij zijn namelijk vrij om hun organisatie en de wijze waarop hun kandidaten worden gekozen, te bepalen.88. Ik merk op dat de Tsjechische Republiek slechts stelt — zonder daarvoor bewijs aan te dragen — dat het onmogelijk is om de actieradius van leden die ‘mobiele’ Unieburgers zijn, te beperken tot bepaalde verkiezingen.
129.
Ik ben het dan ook met de Commissie eens dat de nationale identiteit van de Tsjechische Republiek niet wordt aangetast indien het ‘mobiele’ Unieburgers wordt toegestaan om lid te worden van een politieke partij teneinde de doeltreffendheid van hun rechten bij gemeenteraadsverkiezingen en verkiezingen voor het Europees Parlement te waarborgen.
130.
Bovendien dient artikel 4, lid 2, VEU — gesteld al dat van een dergelijke aantasting zou gebleken zijn — te worden gelezen in het licht van de bepalingen die dezelfde juridische waarde hebben.89.
131.
Derhalve kan artikel 4, lid 2, VEU de lidstaten niet ontslaan van de verplichting om de in het Handvest herbevestigde grondrechten90. te eerbiedigen, waaronder het beginsel van democratie en het gelijkheidsbeginsel91., dat tot uiting komt in artikel 22 VWEU en dat voortvloeit uit het burgerschap van de Unie, wat betreft de uitoefening van het passief kiesrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement. Deze beginselen maken deel uit van de fundamentele waarden van de Unie.92.
132.
Gelet op de argumenten van de Tsjechische Republiek die zien op de evenredigheid van de litigieuze nationale regeling, moet daaraan bovendien worden toegevoegd dat een rechtvaardiging voor een beperking van de bij artikel 22 VWEU toegekende rechten alleen kan worden onderzocht in de in die bepaling genoemde omstandigheden.
133.
De in de artikelen 39 en 40 van het Handvest erkende kiesrechten zijn namelijk het voorwerp van specifieke bepalingen van het VWEU, te weten artikel 22. De enige aanpassingen aan de uitoefening van die rechten die door het in dat artikel bedoelde afgeleide recht worden aangebracht93., betreffen alleen de juridische voorwaarden voor de uitoefening van het actief en passief kiesrecht.94.
134.
Gelet op al deze overwegingen geef ik het Hof in overweging te oordelen dat het beroep van de Commissie gegrond is.
VI. Kosten
135.
Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien ik van mening ben dat het Hof de vordering van de Commissie dient toe te wijzen, moet de Tsjechische Republiek worden verwezen in de kosten.
136.
Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Republiek Polen haar eigen kosten.
VII. Conclusie
137.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te oordelen als volgt:
- ‘1)
De Tsjechische Republiek is in de krachtens artikel 22 VWEU op haar rustende verplichtingen tekortgeschoten doordat zij Unieburgers die geen Tsjechische staatsburgers zijn maar wel verblijf houden in Tsjechië, het recht ontzegt om toe te treden tot een politieke partij of deel te nemen aan een politieke beweging.
- 2)
De Tsjechische Republiek wordt verwezen in de kosten.
- 3)
De Republiek Polen draagt haar eigen kosten.’
VIII. Bijlage I: Door de Commissie verstrekte regels inzake de financiering van politieke partijen
1.
Politieke partijen die bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten minste 1 % van de stemmen behalen, ontvangen 30 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 1,20 EUR) per stem als bijdrage in de verkiezingskosten (§ 65 van de wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement).
2.
Politieke partijen die bij de verkiezingen voor de Poslanecká sněmovna (kamer van afgevaardigden, Tsjechische Republiek) ten minste 1,5 % van de stemmen behalen, ontvangen 100 CZK (ongeveer 4 EUR) per stem als bijdrage in de verkiezingskosten (§ 85 van wet nr. 247/1995 betreffende de verkiezingen voor het parlement van de Tsjechische Republiek en tot wijziging en aanvulling van bepaalde wetten.
3.
Politieke partijen die bij de laatste verkiezingen voor de kamer van afgevaardigden 3 % van de stemmen hebben behaald, ontvangen bovendien een jaarlijkse overheidsbijdrage van 6 000 000 CZK (ongeveer 245 430 EUR) voor de partij of de beweging. Tegelijkertijd ontvangt de partij of de beweging 200 000 CZK (ongeveer 8 180 EUR) per jaar voor elke extra 0,1 % van de stemmen (§ 20, lid 6, van de wet betreffende de politieke partijen).
4.
Indien een partij of beweging meer dan 5 % van de stemmen behaalt, wordt de bijdrage niet verhoogd en ontvangt de partij of beweging 10 000 000 CZK (ongeveer 409 000 EUR) (§ 20, lid 6, van de wet betreffende de politieke partijen).
5.
Politieke partijen ontvangen tevens een jaarlijkse bijdrage van 900 000 CZK (ongeveer 36 800 EUR) voor het ambt van een afgevaardigde of senator, en 250 000 CZK (ongeveer 10 200 EUR) voor het ambt van een lid van de regionale raad of een lid van de gemeenteraad van Praag (§ 20, lid 7, van de wet betreffende de politieke partijen).
6.
Onder bepaalde voorwaarden ontvangen politieke partijen en bewegingen eveneens een jaarlijkse bijdrage ter ondersteuning van de activiteiten van een politiek instituut, ten belope van 10 % van het totale bedrag van de bijdrage aan de activiteiten van een dergelijke partij of beweging (§ 20, leden 5 en 8, van de wet betreffende de politieke partijen).
IX. Bijlage II: Door de Tsjechische Republiek verstrekte informatie over de samenstelling van de lijsten en de kandidaten die zijn verkozen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen
1.
In Tsjechië zijn in 2004, 2009, 2014 en 2019 verkiezingen voor het Europees Parlement gehouden.
- 1.
Het percentage niet-partijgebonden kandidaten op de lijsten van politieke partijen of politieke coalities was als volgt:
- a)
in 2004 was 37,22 % van de kandidaten niet-partijgebonden;
- a)
in 2009 was 38,28 % van de kandidaten niet-partijgebonden;
- c)
in 2014 was 30,27 % van de kandidaten niet-partijgebonden, en
- d)
in 2019 was 33,89 % van de kandidaten niet-partijgebonden.
- 2.
Het aantal verkozen niet-partijgebonden kandidaten was als volgt:
- a)
in 2004 7, dat wil zeggen 29,17 % van de in Tsjechië verkozen personen;
- b)
in 2009 1, dat wil zeggen 4,55 % van de in Tsjechië verkozen personen;
- a)
in 2014 8, dat wil zeggen 38,10 % van de in Tsjechië verkozen personen, en
- d)
in 2019 4, dat wil zeggen 19,05 % van de in Tsjechië verkozen personen.
- 3.
Niet-partijgebonden kandidaten stonden vaak bovenaan de kandidatenlijsten, ook bij de grote politieke partijen. Concreet ging het:
- a)
in 2004 om drie in het Europees Parlement verkozen afgevaardigden op de lijst van de partij Sdružení nezávislých a evropští demokraté (unie van onafhankelijke kandidaten en Europese democraten) (SNK) — onder wie de lijstaanvoerder, Zieleniec, en de tweede persoon op de lijst, Hybášková — alsook om Remek, de tweede op de kandidatenlijst van de partij Komunistická strana Čech a Moravy (communistische partij van Bohemen en Moravië) (KSČM);
- b)
in 2009 om Remek, de tweede op de kandidatenlijst van de KSČM;
- c)
in 2014 om de lijstaanvoerder van de partij TOP 09 a Starostové (Top 09 en burgemeesters), Niedermayer, en Pospíšil, de tweede op die lijst; Keller, de lijstaanvoerder van de partij Česká strana sociálně demokratická (Tsjechische sociaal-democratische partij) (ČSSD), destijds de grootste partij in de regering van de Tsjechische Republiek, en vier verkozen afgevaardigden op de lijst van de partij ANO, destijds de op een na grootste partij in de regering, waarvan de leider, Pavel Telička, vervolgens werd verkozen tot vicevoorzitter van het Europees Parlement, en
- d)
in 2019 om drie in het Europees Parlement verkozen afgevaardigden die op de eerste drie plaatsen van de lijst van ANO stonden, waarvan de leider, Dita Charanzová, vervolgens werd verkozen tot vicevoorzitter van het Europees Parlement.
- 4.
In 2004 is de Duitse staatsburger Stros in Tsjechië verkozen tot lid van het Europees Parlement.
2.
Wat betreft de gemeenteraadsverkiezingen (gemeenten, dorpen en steden), die zijn gehouden in 2006, 2010, 2014 en 2018, geldt het volgende.
- 1.
Het percentage niet-partijgebonden kandidaten en verkozenen was als volgt:
- a)
in 2006 79,85 % van de kandidaten en 84,51 % van de verkozenen;
- b)
in 2010 81,25 % van de kandidaten en 86,15 % van de verkozenen;
- c)
in 2014 84,13 % van de kandidaten en 88,30 % van de verkozenen, en
- d)
in 2018 84,97 % van de kandidaten en 89,96 % van de verkozenen.
- 2.
Het hoge percentage niet-partijgebonden kandidaten en verkozenen is een verschijnsel dat zich ook voordoet op de lijsten van de grote politieke partijen. Bijvoorbeeld bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018:
- a)
de kandidatenlijsten van de ČSSD, de oudste Tsjechische politieke partij met sterke wortels in de gemeentepolitiek, bevatten 54,58 % niet-partijgebonden personen en 57,31 % van de verkozenen van die lijsten waren niet-partijgebonden;
- b)
de kandidatenlijsten van de parti Občanská demokratická strana (democratische burgerpartij) (ODS), een traditionele conservatieve politieke partij met sterke wortels in de gemeentepolitiek, bevatten 59,47 % niet-partijgebonden personen en 52,93 % van de verkozenen van die lijsten waren niet-partijgebonden; en
- c)
de kandidatenlijsten van de parti Křesťanská a demokratická unie — Československá strana lidová (christendemocratische unie — Tsjechoslowaakse volkspartij) (KDU-ČSL), een traditionele politieke partij met het grootste aantal kandidaten en verkozenen in de gemeentepolitiek, bevatten 73,62 % niet-partijgebonden personen en 72,49 % van de verkozenen van die lijsten waren niet-partijgebonden.
- 3.
Wat de grote Tsjechische steden betreft, is in 2010 in Praag de niet-partijgebonden kandidaat Bohuslav Svoboda verkozen tot lijstaanvoerder van de ODS, destijds de grootste partij in de regering van de Tsjechische Republiek. Naderhand is hij burgemeester van Praag geworden. In 2014 werd Adriana Krnáčová, een niet-partijgebonden kandidaat en lijstaanvoerder van de ANO, burgemeester van Praag en werd Tomáš Macura, een niet-partijgebonden kandidaat en lijstaanvoerder van de ANO, burgemeester van Ostrava, de op twee na grootste stad van Tsjechië.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑01‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
Hierna: ‘‘mobiele’ Unieburgers’.
De Commissie heeft een identiek beroep ingesteld tegen de Republiek Polen (zaak C-814/21), dat samen met deze zaak wordt behandeld. Op 12 september 2023 is voor beide zaken een gezamenlijke hoorzitting gehouden.
Hierna: ‘Handvest’.
PB 1993, L 329, blz. 34, alsmede bijzondere uitgave van het Publicatieblad van de Europese Unie in het Tsjechisch, hoofdstuk 20, deel 1, blz. 7.
PB 1994, L 368, blz. 38, alsmede bijzondere uitgave van het Publicatieblad van de Europese Unie in het Tsjechisch, hoofdstuk 20, deel 1, blz. 12.
Hierna: ‘wet inzake politieke partijen’.
Hierna: ‘wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen’.
Hierna: ‘wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement’.
Hierna: ‘lid worden van een politieke partij’.
De Tsjechische Republiek verwijst naar het arrest van 12 september 2006, Eman en Sevinger (C-300/04, EU:C:2006:545, punt 53; hierna: ‘arrest Eman en Sevinger’).
Met betrekking tot het beginsel van non-discriminatie refereert de Commissie aan de arresten van 5 december 1989, Commissie/Italië (C-3/88, EU:C:1989:606, punt 8), en 17 juli 2008, Raccanelli (C-94/07, EU:C:2008:425, punt 45), alsmede aan de derde overweging van richtlijn 93/109. Ter illustratie verwijst zij naar het arrest van 16 december 2004, My (C-293/03, EU:C:2004:821, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), met betrekking tot artikel 18 EG, thans artikel 21 VWEU. Wat de grondrechten betreft, verwijst de Commissie naar het arrest van 18 juni 1991, ERT (C-260/89, EU:C:1991:254, punten 43 en 44), en herinnert zij aan de arresten die zij in haar verzoekschrift heeft genoemd, te weten de arresten van 27 april 2006, Commissie/Duitsland (C-441/02, EU:C:2006:253, punt 108), en 15 juli 2021, The Department for Communities in Northern Ireland (C-709/20, EU:C:2021:602, punt 88). Wat betreft het vereiste dat nationale regels in overeenstemming moeten zijn met de in artikel 12 van het Handvest erkende vrijheid van vereniging, verwijst zij naar het arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen) (C-78/18, EU:C:2020:476).
Zie met name arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punten 188 en 189 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest van 30 september 2010, Commissie/België (C-132/09, EU:C:2010:562, punten 40 en 41).
Cursivering van mij.
Dit argument wordt aangevoerd in antwoord op de memorie in interventie van de Republiek Polen.
In dit verband verwijst de Commissie naar het arrest Eman en Sevinger.
De Commissie doelt op het arrest van 27 april 2006, Commissie/Duitsland (C-441/02, EU:C:2006:253, punt 108).
Ondertekend te Rome op 4 november 1950.
De Commissie noemt het arrest van het EHRM van 30 januari 1998, Verenigde communistische partij van Turkije e.a. tegen Turkije (CE:ECHR:1998:0130JUD001939292, § 44), en — wat betreft het belang van de politieke partijen — bij wijze van voorbeeld de arresten van het EHRM van 25 mei 1998, Socialistische partij e.a. tegen Turkije (CE:ECHR:1998:0525JUD002123793, § 41), en 13 februari 2003, Refah Partisi (Welvaartspartij) e.a. tegen Turkije (CE:ECHR:2003:0213JUD004134098, §§ 86–89).
Hierna: ‘richtsnoeren van de Commissie van Venetië’. Zie de tweede uitgave van deze richtsnoeren (studie nr. 881/2017). De Commissie verwijst naar de opmerkingen in punt 1 (blz. 5) en in de punten 17 en 18 (blz. 8 en 9). Met betrekking tot de band die de partijen vormen tussen burgers en ambtsdragers, vermeldt de Commissie punt 18 (blz. 9).
Zie de punten 51 en 52 van deze conclusie.
De Commissie merkt op dat het argument van de Tsjechische Republiek dat is ontleend aan artikel 5, lid 3, van richtlijn 94/80, in dit verband ongegrond is. In antwoord op de memorie in interventie van de Republiek Polen betoogt zij dat een algemeen verbod om lid te worden van een politieke partij verder gaat dan de door het afgeleide recht toegestane beperkingen.
Punt 53 van dat arrest.
De Commissie verwijst naar het arrest van het EHRM van 27 april 1995, Piermont tegen Frankrijk (CE:ECHR:1995:0427JUD001577389, § 64). Volgens dat arrest kunnen de lidstaten van de Unie die bepaling niet inroepen tegen onderdanen van andere lidstaten die rechten doen gelden die hun bij de Verdragen zijn toegekend.
Zie voetnoot 33 van deze conclusie. De Commissie verduidelijkt dat het beroep van de politieke partij evropani.cz tegen het besluit van de Ministerstva vnitra (ministerie van Binnenlandse Zaken, Tsjechië) houdende weigering om een wijziging van de statuten van die politieke partij te registreren waarbij het lidmaatschap zou worden toegestaan aan Unieburgers die in het bezit zijn van een permanente verblijfsvergunning in Tsjechië, bij dat arrest werd verworpen.
De Commissie verwijst naar de documenten die worden aangehaald in de voetnoten 71 en 72 van deze conclusie.
In haar verweerschrift stelt de Tsjechische Republiek zich om te beginnen op het standpunt dat het onderhavige beroep een politieke doelstelling heeft, aangezien het beoogt ‘mobiele’ Unieburgers meer te betrekken bij het Europese politieke leven, onder meer door middel van hun stemrecht bij nationale of regionale verkiezingen. Door die lidstaat wordt bij wijze van voorbeeld verwezen naar het Vierde verslag van de Commissie over het burgerschap van de Unie (1 mei 2001-30 april 2004) [COM(2004) 695 definitief], blz. 12, en naar het Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de toepassing van richtlijn 94/80/EG inzake actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen van 25 januari 2018 [COM(2018) 44 final], blz. 12.
De aanhalingen in het verweerschrift komen overeen met de vierde tot en met de zesde overweging van eerstgenoemde richtlijn en de vijfde overweging van laatstgenoemde richtlijn.
De Tsjechische Republiek wijst erop dat het Hof artikel 19, lid 2, EG aldus heeft uitgelegd en verwijst naar het arrest Eman en Sevinger (punt 53).
In haar memorie van dupliek benadrukt de Tsjechische Republiek dat artikel 22 VWEU hierdoor moet worden onderscheiden van bijvoorbeeld artikel 59 VWEU, waarin er sprake is van de vaststelling van afgeleid recht om geleidelijk de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst te ‘verwezenlijken’. Zij leidt daaruit af dat de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting niet rechtstreeks afhangt van de vaststelling van een afgeleide regeling.
Volgens de Tsjechische Republiek heeft dit artikel 4, lid 2, VEU met andere woorden niet tot doel de inhoud van artikel 22 VWEU te beperken, doordat laatstgenoemde bepaling niet de door de Commissie gestelde werkingssfeer heeft, waardoor ‘de lidstaten de regels kunnen kiezen die het best bij hun constitutionele structuur passen’. Zij haalt het arrest Eman en Sevinger aan (punt 50).
In dit verband haalt de Tsjechische Republiek bij wijze van voorbeeld het arrest van de Nejvyšší správní soud van 10 januari 2018, 6 As 84/2017-27, aan. In antwoord op de opmerkingen van de Commissie (zie punt 48 van deze conclusie) wijst zij erop dat deze rechtspraak bepalend is voor de uitlegging van het Unierecht, omdat een beslissing van de Ústavní soud ontbreekt.
Zie de punten 29 en 37 van deze conclusie met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep.
Zie voetnoot 30 van deze conclusie.
De Tsjechische Republiek vermeldt het arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala (C-85/96, EU:C:1998:217, punten 58, 59 en 63).
De Tsjechische Republiek verwijst naar het arrest van 30 mei 1989, Commissie/Griekenland (305/87, EU:C:1989:218, punt 28). Zij merkt op dat ‘tot deze bijzondere bepalingen met name de bepalingen tot vaststelling van de fundamentele vrijheden behoren, namelijk de artikelen 34, 45, 49, 56 en 63 VWEU, maar ook andere bepalingen, zoals artikel 54 of artikel 94 VWEU, en ten slotte artikel 22 VWEU’.
Volgens de Tsjechische Republiek is deze benadering door het Hof gevolgd in het arrest van 29 juni 1999, Commissie/België (C-172/98, EU:C:1999:335, punt 12), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de nationaliteitsvoorwaarde voor de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van verenigingen betrekking heeft op de fundamentele vrijheden van de interne markt en dus valt onder het algemene discriminatieverbod in de zin van artikel 6 EG-Verdrag, thans artikel 18 VWEU. De Tsjechische Republiek wijst erop dat de vrijheid van vestiging als bijzondere bepaling van het primaire recht inzake het discriminatieverbod niet in aanmerking is genomen in die zaak.
Zie, met betrekking tot verkiezingen, wat betreft de vaststelling wie kiesrechten heeft, het arrest Eman en Sevinger (punten 45 en 52), en het arrest van 6 oktober 2015, Delvigne (C-650/13, EU:C:2015:648, punt 42). Zie ook, met betrekking tot de rechten die verbonden zijn aan het burgerschap van de Unie, arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’ (C-490/20, EU:C:2021:1008, punt 52). Zie ten slotte, met betrekking tot de waarden van de Unie, arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punten 64–67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Het Hof heeft geoordeeld dat uit artikel 8, eerste alinea, en artikel 12 van de akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (PB 1976, L 278, blz. 5) — waarin wordt verduidelijkt welke gemeenschappelijke beginselen van toepassing zijn op de procedure voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen — volgt dat de lidstaten in beginsel bevoegd blijven om de verkiezingsprocedure te regelen. Zie arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C-502/19, EU:C:2019:1115, punten 67–69).
Zie in die zin arrest van 16 juni 2022, Commissie/Oostenrijk (Indexering van gezinsbijslagen) (C-328/20, EU:C:2022:468, punt 57).
Zie artikel 22 VWEU in fine, alsmede de vierde en de zesde overweging van richtlijn 93/109 en de vierde en de vijfde overweging van richtlijn 94/80. Deze richtlijnen preciseren de gemeenschappelijke voorwaarden voor de uitoefening van het actief en passief kiesrecht, bijvoorbeeld inzake het burgerschap van de Unie en de door de lidstaat van verblijf vastgestelde verblijfsduur, de wijze van inschrijving op de kiezerslijsten en de kandidaatstelling, alsmede de gevallen van uitsluiting.
Zie aangaande de kwalificatie ‘primaire hoedanigheid’ met name arrest van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut National de la Statistique et des Études Économiques (C-673/20, EU:C:2022:449, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de eerste tot en met de derde overweging van de richtlijnen 93/109 en 94/80. Volgens Shaw, J., ‘Sovereignty at the Boundaries of the Polity’, in Walker, N., Sovereignty in Transition, Hart Publishing, Londen, 2003, blz. 461–500, met name blz. 471, vormen de bepalingen inzake de kiesrechten een groot deel van de toegevoegde waarde van de bepalingen van het Verdrag van Maastricht. De mogelijkheid om deel te nemen aan rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement bestaat namelijk sinds de akte van 20 september 1976 (zie voetnoot 41 van deze conclusie). Dit recht wordt evenwel pas sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht geregeld in het EG-Verdrag, in artikel 8 B, en vervolgens in artikel 19 EG en artikel 22 VWEU. Zie voor een overzicht van de totstandkomingsgeschiedenis van dit recht Shaw, J., en Khadar, L., ‘Article 39’, in Peers, S., Hervey, T., Kenner, J., en Ward, A., The EU Charter of Fundamental Rights: A Commentary, 2e druk, Hart Publishing, Oxford, 2021, blz. 1085–1112, met name de punten 39.33 en 39.34 (blz. 1093 en 1094). Hetzelfde geldt voor de gemeenteraadsverkiezingen sinds dat Verdrag. Zie voor een gedetailleerd historisch overzicht Groenendijk, K., ‘Article 40’, The EU Charter of Fundamental Rights: A Commentary, op. cit., blz. 1113–1123, met name punt 40.17 (blz. 1118). Zie, met betrekking tot artikel 19 EG, arrest van 12 september 2006, Spanje/Verenigd Koninkrijk (C-145/04, EU:C:2006:543, punt 66), en — in dezelfde zin — arrest van 6 oktober 2015, Delvigne (C-650/13, EU:C:2015:648, punt 42).
Zie de derde overweging van de richtlijnen 93/109 en 94/80, alsmede — in die zin — arrest van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut National de la Statistique et des Études Économiques (C-673/20, EU:C:2022:449, punt 50).
Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) (hierna: ‘toelichtingen bij het Handvest’) ‘[correspondeert] [l]id 1 van artikel 39 […] met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel 20, lid 2, [VWEU]’ en vormt artikel 22 VWEU de rechtsgrondslag voor de vaststelling van de nadere regelingen voor de uitoefening van dat recht.
Volgens de toelichtingen bij het Handvest stemt dit artikel ‘overeen met het recht dat wordt gewaarborgd door artikel 20, lid 2, [VWEU]’ en vormt artikel 22 VWEU de rechtsgrondslag voor de vaststelling van de nadere regelingen voor de uitoefening van dat recht. Zie arrest van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut National de la Statistique et des Études Économiques (C-673/20, EU:C:2022:449, punt 51).
Zie arrest van 20 september 2001, Grzelczyk (C-184/99, EU:C:2001:458, punt 31).
Zie artikel 2 VEU. Zie dienaangaande arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punten 64 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat vergelijkbaar is met het arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen) (C-78/18, EU:C:2020:476, punt 112), dat gebaseerd is op het impliciete verband tussen drie in artikel 2 VEU genoemde waarden, te weten democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de grondrechten. Zie aangaande de controlebevoegdheid van de instellingen arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad (C-156/21, EU:C:2022:97, punt 159).
Zie de tiende overweging en artikel 14, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 93/109, alsmede de veertiende overweging en artikel 12, lid 1, onder c), van richtlijn 94/80. Zie over het belang van deze factor ook Shaw, J., ‘Sovereignty at the Boundaries of the Polity’, op. cit., blz. 478, volgens welke ‘[e]lectorale rechten […] aanvullende rechten [zijn] op de migratie van Unieburgers, rechten die door de Unie als beschermende staatsvorm tot stand moeten worden gebracht om bij de migrant uit de Unie een dieper gevoel van betrokkenheid bij de gaststaat en bij bepaalde aspecten van de politieke cultuur van die staat te creëren, en om de schade in verband met het mogelijke verlies van politieke rechten ten gevolge van het verlaten van zijn staat van herkomst te beperken’ (vrije vertaling).
Volgens vaste rechtspraak verbieden de regels inzake gelijke behandeling tussen onderdanen en niet-onderdanen niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Zie arrest van 2 februari 2023, Freikirche der Siebenten-Tags-Adventisten in Deutschland (C-372/21, EU:C:2023:59, punt 29).
Zie in die zin de zesde overweging van richtlijn 93/109 en de vijfde overweging van richtlijn 94/80.
Zie arrest van 11 juni 2020, TÜV Rheinland LGA Products en Allianz IARD (C-581/18, EU:C:2020:453, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 9 juni 2022, Préfet du Gers en Institut National de la Statistique et des Études Économiques (C-673/20, EU:C:2022:449, punt 48).
Zie met name de punten 17 en 18 (blz. 8 en 9).
Zie dienaangaande, wat betreft de financiering en de toegang tot de media, de richtsnoeren van de Commissie van Venetië, punt 185 (blz. 54 en 55).
Zie punt 44 van deze conclusie. Zie ook het arrest van het EHRM van 8 juli 2008, Yumak en Sadak tegen Turkije (CE:ECHR:2008:0708JUD001022603, § 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In zijn vaste rechtspraak benadrukt het EHRM dat het politieke debat, waartoe politieke partijen bijdragen, ‘de kern van het begrip ‘democratische samenleving’ vormt’.
Deze bepaling heeft betrekking op Europese politieke partijen. In deze bepaling zijn de bewoordingen van artikel 191, eerste alinea, EG inhoudelijk overgenomen.
Zie de toelichtingen bij het Handvest.
Zie aangaande het verband tussen de artikelen 39 en 40 van het Handvest en artikel 12, lid 2, ervan, met betrekking tot de rol van politieke partijen, Costa, O., ‘Article 39 — Droit de vote et d'éligibilité aux élections municipales et au Parlement européen’, in Picod, F., Rizcallah, C., en Van Drooghenbroeck, S., Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne: commentaire article par article, 3e druk, Bruylant, Brussel, 2023, blz. 1043–1068, met name punt 6 (blz. 1048), en in hetzelfde werk Ducoulombier, P., ‘Article 12 — Liberté de réunion et d'association’, blz. 313–327, met name punt 6 (blz. 317 en 318). Zie ook Shaw, J., en Khadar, L., op. cit., punt 39.04 (blz. 1087), en Groenendijk, K., op. cit., punt 40.26 (blz. 1120).
Zie punt 72 van deze conclusie.
Dit artikel correspondeert met artikel 10 EVRM. Zie de toelichtingen bij het Handvest.
Zie dienaangaande ook artikel 3 van Protocol nr. 1 bij het EVRM en het arrest van het EHRM van 18 februari 1999, Matthews tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1999:0218JUD002483394, § 44), wat betreft de toepassing van deze bepaling bij de verkiezing van de leden van het Europees Parlement.
Zie arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen) (C-78/18, EU:C:2020:476, punten 111–114).
Zie arrest van het EHRM van 30 januari 1998, Verenigde communistische partij van Turkije e.a. tegen Turkije (CE:ECHR:1998:0130JUD001939292, § 25). Daarin wordt gesteld dat ‘politieke partijen een vorm van vereniging zijn die wezenlijk is voor het naar behoren functioneren van de democratie’ en dat het, ‘[g]elet op het belang van de democratie in het systeem van het [EVRM] […], […] geen twijfel [lijdt] dat politieke partijen binnen de werkingssfeer van artikel 11 vallen’. Zie aangaande het belang van de deelname van burgers aan het openbare leven in een bredere context, met name de arresten van het EHRM van 17 februari 2004, Gorzelik e.a. tegen Polen (CE:ECHR:2004:0217JUD004415898, §§ 88, 90 en 92), en 8 oktober 2009, Tebieti Mühafize Cemiyyeti en Israfilov tegen Azerbeidzjan (CE:ECHR:2009:1008JUD003708303, §§ 52 en 53).
Het gaat om § 65 van de wet betreffende de verkiezingen voor het Europees Parlement en § 85 van zákon č. 247/1995 Sb. o volbách do Parlamentu České republiky a o změně a doplnění některých dalších zákonů (wet nr. 247/1995 betreffende de verkiezingen voor het parlement van de Tsjechische Republiek en tot wijziging en aanvulling van bepaalde wetten) van 27 september 1995, alsmede § 20, leden 5 tot en met 8, van de wet betreffende de politieke partijen. Zie bijlage I bij deze conclusie voor een gedetailleerd overzicht van de inhoud van deze bepalingen.
De Commissie refereert aan § 21, lid 4, en de bijlage bij de wet betreffende de gemeenteraadsverkiezingen.
De Commissie baseert zich op de zienswijze van Antoš, M., ‘Politická participace cizinců v České republice’, Politologický časopis, Masarykova univerzita, Brno, 2012, nr. 2, blz. 113–127, met name blz. 123 en 124.
Zij verwijst naar het persbericht van het Tsjechische bureau van de ombudsman van 23 juli 2014, met als opschrift ‘Občané EU žijící v ČR mají právo účastnit se politického života’ (Unieburgers die in Tsjechië wonen, hebben het recht om deel te nemen aan het politieke leven), beschikbaar op de volgende website: https://www.ochrance.cz/aktualne/obcane-eu-zijici-v-cr-maji-pravo-ucastnit-se-politickeho-zivota, laatste alinea.
De Commissie refereert evenwel aan het effectbeoordelingsverslag bij het op 25 november 2021 ingediende voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de Unieburgers die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn [werkdocument SWD(2021) 357 final]. Zij merkt op dat daarin staat te lezen dat tijdens de openbare raadpleging, die slechts op een beperkte reactie van het publiek kon rekenen, ten minste één respondent heeft verklaard dat hij had geprobeerd zich verkiesbaar te stellen voor het Europees Parlement in een andere lidstaat, en tegen het probleem was aangelopen dat hij geen politieke partij kon oprichten en evenmin lid kon worden van een bestaande politieke partij.
Zie bijlage II bij deze conclusie.
De Commissie merkt op dat de genoemde personen de Tsjechische nationaliteit hebben. Het gaat bijvoorbeeld om de enige Tsjechische kosmonaut (Vladimír Remek), een voormalige minister van Buitenlandse Zaken (Josef Zieleniec), een bekende voormalige Tsjechisch ambassadeur in Qatar en Koeweit (Jana Hybášková), een in de media bekend langdurig lid van de raad van bestuur van de Česká národní banka (Tsjechische nationale bank) en de voormalige vicepresident van die bank (Luděk Niedermayer), een voormalige minister van Justitie (Jiří Pospíšil) alsook een populaire en in de media bekende universitaire topman (Jan Keller). Wat Franz Stros betreft, een Duitse staatsburger die in het Europees Parlement is verkozen, brengt de Commissie in herinnering dat het gaat om een letterkundige en voormalige Tsjechoslowaakse staatsburger.
De interveniërende partij, de Republiek Polen, benadrukt dat ‘niet-partijgebonden’ kandidaten — met inbegrip van ‘mobiele’ Unieburgers — volledig toegang hebben tot alle vormen van kandidaatstelling waarin het Tsjechische recht voorziet en dat de keuze om kandidaten op lijsten van politieke partijen te plaatsen in de praktijk uitsluitend afhangt van de wederzijdse bereidheid tot samenwerking.
Zij herinnert aan de rechtspraak van het Hof over de op de Commissie rustende bewijslast en haalt het arrest aan van 14 maart 2019, Commissie/Tsjechië (C-399/17, EU:C:2019:200, punt 51).
Zie bijlage II bij deze conclusie. In haar memorie van dupliek stelt de Tsjechische Republiek dat het zinloos is om een onderscheid te maken tussen Tsjechische en niet-Tsjechische burgers, omdat het gebruikelijk is dat kandidaten voor verkiezingen ‘niet aan een politieke partij gebonden’ zijn en hun hoedanigheid op geen enkele wijze verschilt naargelang van hun nationaliteit. Zij betwist de wijze waarop de Commissie de informatie over het electorale succes van bepaalde kandidaten relativeert (zie punt 99 van deze conclusie).
Zie arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen) (C-78/18, EU:C:2020:476, punt 37).
De Republiek Polen heeft deze op dezelfde wijze geanalyseerd.
Zie met name punt 93 van deze conclusie over de juridische voorwaarden voor de gemeenteraadsverkiezingen, waarop de Commissie zich beroept maar waarop de Tsjechische Republiek niet ingaat, alsmede de documenten die worden aangehaald in de voetnoten 71 en 72 van deze conclusie.
In antwoord op de argumenten van de Republiek Polen (zie punt 123 van deze conclusie), merkt de Commissie op dat zij uit deze argumenten afleidt dat die rechtvaardiging ook geldt voor de situatie waarin ‘mobiele’ Unieburgers voor de interne organen van politieke partijen onderdanen van de gastlanden kiezen die zich op ongepaste wijze zouden mengen in gebieden die voorbehouden zijn aan de lidstaten.
Volgens de Commissie toont deze beperking aan dat de eerbiediging van de nationale identiteit ‘volledig tot uitdrukking komt in artikel 22 VWEU’.
De Commissie vermeldt de arresten van 8 mei 2003, ATRAL (C-14/02, EU:C:2003:265, punt 69); 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen) (C-78/18, EU:C:2020:476, punten 76 en 77), en 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C-208/09, EU:C:2010:806, punten 81 en 90).
Het gaat om het arrest van 27 april 2006, Commissie/Duitsland (C-441/02, EU:C:2006:253, punt 108). Volgens de Tsjechische Republiek geeft de Commissie een onjuiste lezing van dit punt, gelet op de bewoordingen ervan, waarvan die lidstaat het laatste gedeelte benadrukt: ‘Redenen van algemeen belang kunnen ter rechtvaardiging van een nationale maatregel die de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden belemmert, immers slechts worden aangevoerd wanneer de betrokken maatregel rekening houdt met dergelijke rechten.’
Zie in die zin de vijfde overweging van richtlijn 93/109 en de vierde overweging van richtlijn 94/80. Zie ook het arrest Eman en Sevinger (punten 52 en 53).
Zie punt 77 van deze conclusie. Zie in dit verband, wat betreft het voorbehouden van de toegang tot bepaalde functies aan eigen staatsburgers en de beperking van de deelname aan de verkiezingen voor een parlementaire vergadering, de vijfde en de tiende overweging alsook artikel 5, leden 3 en 4, van richtlijn 94/80. Zie aangaande de regelingen van de lidstaten in het kader van deze beoordelingsruimte het in voetnoot 73 van deze conclusie aangehaalde effectbeoordelingsverslag, punt 1.3.6 (blz. 20), en de analyse van Blacher, P., ‘Article 40 — Droit de vote et d'éligibilité aux élections municipales’, in Picod, F., Rizcallah, en C., Van Drooghenbroeck, S., op. cit., blz. 1069–1088, met name punt 16 (blz. 1083 en 1084). Zie aangaande de beperkingen van het actief en passief kiesrecht — met name in verband met het percentage ‘mobiele’ Unieburgers in de lidstaat van verblijf en de perioden van verblijf — artikel 14 van richtlijn 93/109 en artikel 12 van richtlijn 94/80. Zie ook opmerkingen van Shaw, J., en Khadar, L., op. cit., punt 39.74 (blz. 1104), over de verkiezingen voor het Europees Parlement, alsmede van Groenendijk, K., op. cit., punten 40.27 en 40.28 (blz. 1121), over de gemeenteraadsverkiezingen.
Zie dienaangaande de richtsnoeren van de Commissie van Venetië, punten 153 en 155 (blz. 45 en 47). Zie ter illustratie ook het verslag van Alina Ostling, gefinancierd door het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap van de Commissie (2014–2020), met als titel Fair EU Synthesis report: Electoral Rights for Mobile EU Citizens — Challenges and Facilitators of Implementation, punt 4.1.2 (blz. 27).
Zie arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punt 72).
Zie de tweede en de vijfde overweging van het Handvest.
Wat de werkingssfeer van dit artikel betreft, wordt verwezen naar de punten 74, 84 en 87 van deze conclusie.
Zie in die zin arresten van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad (C-156/21, EU:C:2022:97, punt 127), en 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad (C-157/21, EU:C:2022:98, punt 145). Zie arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punt 72).
Anders dan de Tsjechische Republiek aanvoert, moet overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest worden vastgesteld dat artikel 22 VWEU — in tegenstelling tot andere artikelen van dit Verdrag, zoals artikel 45, lid 3, en artikel 65, lid 2, VWEU — niet bepaalt dat de lidstaten, afgezien van de op basis daarvan vastgestelde handelingen van afgeleid recht, maatregelen kunnen vaststellen die de kiesrechten van ‘mobiele’ Unieburgers kunnen belemmeren.
Zie artikel 1, lid 1, en artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 93/109 alsook artikel 1, lid 1, en artikel 3 van richtlijn 94/80. Zie ook punt 127 van deze conclusie.