Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/306
306 Evidentiecriterium
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS451069:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Lindijer 2006, nr. 550. Zie ook D.J. Veegens in zijn noot in NJ 1971, 178 onder HR 14 januari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4718 (Bandt/Icke): “Uit de overweging van de HR dat de grief van eisers/ appellanten ‘reeds’ op die grond moet worden verworpen, mag wel worden afgeleid dat de aanwezigheid van een geoorloofd doel misbruik van procesrecht uitsluit, ook al zouden tevens ongeoorloofde nevenbedoelingen hebben voorgezeten.”; HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2388 (Multi-Terminals Waalhaven/FNV). Van der Wiel 2004, nr. 116 merkt op dat het moeten uitzoeken welke doelen wel en niet geoorloofd zijn en de mogelijke conflicten tussen wel en niet geoorloofde doelen maakt, dat het doelcriterium weinig populair is in de praktijk.
Als meerdere doelen worden nagestreefd, geoorloofde én ongeoorloofde doelen, dan kan misbruik op grond van het doelcriterium worden aangenomen als evident is dat alléén de geoorloofde belangen een partij niet tot de uitoefening van de bevoegdheid zouden hebben bewogen. Met het evidentiecriterium wordt enerzijds voorkomen, dat ongeoorloofde doelen die slechts een bijrol spelen, in de weg staan aan de uitoefening van de bevoegdheid en wordt anderzijds bereikt dat misbruik op grond van het doelcriterium alleen wordt aangenomen als uit de omstandigheden van het geval is gebleken dat het ongeoorloofde doel doorslaggevend is voor het uitoefenen van de bevoegdheid.1