Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.6.2
8.6.2 Pringle: analyse
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS450516:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer: Borger 2013; De Witte & Beukers 2013; Tomkin 2013; Van den Brink & Van Rossem 2013; Vandenbruwaene 2013; Van Malleghem 2013; Craig 2013; Beck 2013; Nettesheim 2013a.
Kamerstukken I 2012/13, 33454, AB, p. 10. Zie ook: Raad van State 2017, p. 31, 85; Van der Pot 2014, p. 812.
Zie ook: Ioannidis 2016, p. 1250.
Conclusie A-G Kokott 26 oktober 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 133, 139 en 140.
Dat geldt overigens niet voor de mogelijkheid van het kwijtschelden van schulden die in het kader van het ESM zijn aangegaan. Dit is bijvoorbeeld ten aanzien van Griekenland meermaals besproken, maar stuit vooralsnog op politieke en juridische bezwaren. Zie voor de vraag of het kwijtschelden van schulden verenigbaar is met het Unierecht: Steinbach 2016a; Steinbach 2016b; Thiele 2016.
Het Pringle-arrest lokte vele, gemengde reacties uit.1 De Raad van State noemde de no bail out-clausule na Pringle zelfs ‘praktisch buiten werking gesteld’.2 Hoewel dit arrest nadrukkelijk kiest voor een strikte interpretatie van artikel 125 VWEU, gaat de discussie in de literatuur over de reikwijdte van deze bepaling verder.
Mijns inziens is de ruime lezing van artikel 125 VWEU, waarbij het idee centraal staat dat staten zelf verantwoordelijk zijn voor aangegane schulden, beter te verdedigen wanneer gekeken wordt naar het doel achter deze bepaling: het realiseren van begrotingsdiscipline. Door de interpretatie van artikel 125 VWEU te beperken tot de vraag wie formeel aansprakelijk is voor verbintenissen, kan dit doel makkelijk omzeild worden. Zo draagt het opzetten van een steunfonds, waarvan de betrokken lidstaten weten dat zij daar in een uiterst geval altijd terecht kunnen (hoewel onder strenge voorwaarden), mijns inziens niet bij aan het streven naar begrotingsdiscipline. Een ruime interpretatie van artikel 125 VWEU verdient daarom, gelet op het doel achter die bepaling, naar mijn mening in beginsel de voorkeur.3
Het toepassen van de ruime benadering zou echter tot de conclusie leiden dat het ESM onrechtmatig is. Wat de reacties op het Pringle-arrest gemeen hebben, is dat geen van alle de uitkomst van de zaak erg verrassend vond. Gelet op de ernst van de eurocrisis en de gevolgen die een afkeurend oordeel van het Hof van Justitie zouden hebben, leek het Hof weinig andere keuze te hebben dan het ESM goed te keuren. Zo stelde advocaat-generaal Kokott in haar conclusie bij deze zaak, na te hebben vastgesteld dat het doel achter artikel 125 VWEU het meest gerealiseerd wordt bij een ruime interpretatie van die bepaling:
‘Wegens de door het Unierecht gestimuleerde en beoogde vervlechting van de economieën van de lidstaten kan het bankroet van één lidstaat ook de andere lidstaten aanzienlijke schade berokkenen. Zoals door enkele deelnemers aan de procedure is betoogd, zou die schade zelfs zo groot kunnen zijn dat daardoor het voortbestaan van de monetaire unie op het spel komt te staan. Wij hoeven hier niet vast te stellen dat een dergelijk gevaar voor de stabiliteit van de monetaire unie bestaat, noch na te gaan hoe een dergelijk gevaar het beste zou kunnen worden bezworen. Er dient alleen te worden beklemtoond dat een ruime uitlegging van artikel 125 VWEU het de lidstaten ook in dergelijke omstandigheden onmogelijk zou maken het bankroet van een andere lidstaat af te wenden en daarmee te trachten schade voor zichzelf te voorkomen. Een zo vérgaande beperking van de soevereiniteit van de lidstaten om maatregelen te nemen teneinde zichzelf te beschermen, kan naar mijn mening niet worden gebaseerd op een door teleologische overwegingen ingegeven ruime uitlegging van een bepaling die niet expliciet in een dergelijke beperking voorziet.’4
Ondanks de uitgebreide overwegingen van het Hof, kan men zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat de uitkomst van de zaak een rol heeft gespeeld bij de keuze tussen een strikte en een ruime interpretatie van artikel 125 VWEU. Dat lijkt mij overigens ook niet geheel onbegrijpelijk. Hoewel een doelredenering vanzelfsprekend niet wenselijk is, was in dit geval artikel 125 VWEU voor meerdere lezingen vatbaar. Wanneer een bepaling niet eenduidig is, getuigt het mijns inziens van pragmatisme om ook stil te staan bij de gevolgen die een bepaalde interpretatie met zich brengt. Hoewel mijns inziens een ruime interpretatie van artikel 125 VWEU dus beter past bij het doel van die bepaling, is, gelet op de consequenties die die interpretatie zou hebben, in zoverre de keuze van het Hof voor een strikte benadering van artikel 125 VWEU, gelet op de onduidelijke reikwijdte van de bepaling zelf, te begrijpen.
In ieder geval staat nu vast dat het ESM niet in strijd is met het Unierecht.5 Dezelfde redenering is los te laten op het EFSM en de EFSF. De EFSF is intergouvernementeel en in die zin vergelijkbaar met het ESM. Het EFSM is juist Unierechtelijk van aard en uitdrukkelijk gebaseerd op artikel 122, tweede lid, VWEU. Aangezien het daarbij gaat om een tijdelijke voorziening en hulp vanuit de EU in plaats van vanuit de lidstaten afzonderlijk, past ook deze vorm van steunverlening binnen de overwegingen van het Hof van Justitie in Pringle.