Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.3.2
4.3.2 Redelijkheid en billijkheid als begrippen
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS583835:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 64 en 67, Hartkamp 1981, p. 215-217, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 397 en Schut 1987, t.a.p.
Vgl. Parl. Geschiedenis Boek 6, p. 64. Zie ook Schut 1987, p. 129.
Zie hierover o.m. Buddeberg 2011, p. 234 e.v. Zie ook Raes 2001, p. 362-363 en Wendt 2008, p. 28.
HR 15 november 1957, NJ 1958, 67, nadien herhaald in onder meer HR 5 januari 2001, NJ 2001, 79 (Nethou/Multi Vastgoed), HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 (CBB/JP0) en HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565 (Vodafone/ETC).
Vgl. Gadamer 1983, p. 243.
Aldus ook Valk, T&C aant. 4 bij art. 6:228 BW.
Aldus ook Reurich 2003, p. 52.
Vgl. Schut 1987, t.a.p. Zie over het begrip billijkheid voorts hoofdstuk 1, § 5 alsmede de aldaar genoemde literatuur.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 975.
Zoals ik in de hoofdstukken hiervoor al heb betoogd, zijn de in art. 6:2 BW gebruikte termen redelijkheid en billijkheid geen onversneden "Leerformeln", waaraan elke willekeurige inhoud kan worden toegedicht, maar vormen zij een uit twee te onderscheiden termen opgebouwd begrippenpaar waarin een eigen, op het gedrag van de justitiabelen gerichte normatieve inhoud ligt besloten.1 In hoofdstuk 1 werd duidelijk dat het begrip redelijkheid in hoge mate verbonden is met noties van rede en rationaliteit.2 Rationaliteit is in deze context echter niet op te vatten als de bloedeloze verstandelijkheid van de op het eigen succes gerichte enkeling, maar veeleer als een de menselijke gemeenschapsvorming constituerend begrip, waaraan ook een ethische component eigen is: wie het vermogen tot rationaliteit bezit, draagt daarmee ook verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het eigen handelen.3 Dit uitgangspunt weerklinkt ook in het standaardarrest Baris/Riezenkamp, waarin de Hoge Raad overwoog dat:
"(...) partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst, tot elkaar komen te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste, rechtsverhouding, medebrengende, dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (...)4
De daarop volgende overweging dat:
(...) dit onder meer medebrengt, dat voor dengene die overweegt een overeenkomst aan te gaan, tegenover de wederpartij een gehoudenheid bestaat om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder den invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft, de omvang van welke gehoudenheid mede hierdoor wordt bepaald, dat men in den regel mag afgaan op de juistheid van door de wederpartij gedane mededelingen (...)"
maakt duidelijk dat de in dit arrest aangenomen verplichting van partijen om steeds met elkaars gerechtvaardigde belangen te rekenen met zich brengt dat van beide partijen over en weer rationeel gedrag mag worden verwacht. De rationaliteit die hier van partijen wordt verwacht heeft echter niet (zozeer) van doen met de doel-middel-rationaliteit van het op het eigen succes gerichte handelen, maar heeft een onmiskenbare ethische geladenheid.5 Duidelijk laat de Hoge Raad namelijk in het arrest uitkomen dat degene die overweegt te contracteren (voor het gemak hierna kortweg "koper" te noemen) niet zozeer met het oog op de eigen belangen, maar tegenover de wederpartij (hierna: "verkoper") gehouden is tot rationeel gedrag, en wel door "binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder den invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft". Het zijn de gerechtvaardigde belangen van de laatste die de koper nopen tot rationeel, redelijk gedrag. Ook hier snijdt het mes van de redelijkheid echter aan twee kanten: de verkoper dient zich al evenzeer redelijk te gedragen en wel met het oog op de belangen van de koper. Dat brengt met zich dat, indien de verkoper een (geruststellende) mededeling doet in het kader van de betreffende voorgenomen transactie, deze er redelijkerwijs mee te rekenen heeft dat de koper op de juistheid van die mededeling zal vertrouwen en verder onderzoek naar het door die mededeling bestreken aspect van de transactie achterwege zal laten. Indien de koper, afgaande op die mededeling, vervolgens onder dwaling contracteert, gaat zijn gerechtvaardigd belang bij vernietiging van de overeenkomst in beginsel voor op het belang van de verkoper bij instandhouding daarvan.6 Aldus wordt duidelijk dat de wederzijdse plicht tot het betrachten van redelijk gedrag in de hiervoor bedoelde zin niet straffeloos kan worden verzaakt: wie dat toch doet, ondergraaft daarmee de eigen rechtspositie en versterkt die van zijn wederpartij.7
Partijen dienen derhalve als redelijke mensen jegens elkaar te handelen en mitsdien rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Mèt de verplichting tot redelijk handelen is tevens voor partijen de verplichting gegeven om billijkheid te betrachten ingeval een tussen hen krachtens een verbintenis geldende regel door zijn algemeenheid in het gegeven geval tekortschiet en een star vasthouden aan de regel de gerechtvaardigde belangen van één der partijen zou schaden.8 Alsdan is het primair aan partijen zelf om naar billijkheid tot contractsaanpassing te komen, hetzij door een tussen partijen geldende contractuele regel buiten toepassing te laten, hetzij door de onvolledigheid van het contract op te heffen door additionele afspraken te maken, hetzij door een combinatie van beide. Deze verplichting van partijen om zelf, d.w.z. zonder daartoe door de rechter te zijn gemaand of veroordeeld, tot een billijke contractsaanpassing te komen, zal zich in het bijzonder kunnen voordoen ingeval van onvoorziene omstandigheden.9 Voorzover zulke omstandigheden in het contract geen (im- of expliciete) regeling gevonden hebben (m.a.w. niet in het contract zijn verdisconteerd) en evenmin krachtens verkeersopvattingen voor rekening van de beknelde partij behoren te komen en voorzover ongewijzigde voortzetting van het contract de gerechtvaardigde belangen van de beknelde partij wezenlijk zou schaden, zullen zij immers niet zelden tot de conclusie moeten voeren dat een of meer algemene regels die in het contract zijn vervat voor het gegeven — onvoorziene — geval tekortschieten. Partijen zullen in zo'n geval zelf in constructief overleg een billijke oplossing dienen te vinden, welke ofwel bestaat uit aanvulling van de betreffende contractuele regel(s), ofwel uit (al dan niet gedeeltelijke) terzijdestelling daarvan ofwel uit een combinatie van beide.