CBHO, 17-04-2007, nr. CBHO 2006/054
ECLI:NL:XX:2007:BA5616
- Instantie
College van Beroep voor het hoger onderwijs
- Datum
17-04-2007
- Magistraten
Mrs. R.W.L. Loeb, H.J.O. Martens, C.C. de Rijke-Maas
- Zaaknummer
CBHO 2006/054
- LJN
BA5616
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:XX:2007:BA5616, Uitspraak, College van Beroep voor het hoger onderwijs, 17‑04‑2007
Uitspraak 17‑04‑2007
Mrs. R.W.L. Loeb, H.J.O. Martens, C.C. de Rijke-Maas
Partij(en)
Uitspraak in de zaak tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats],
appellant,
gemachtigde: mr. E.J. de Groot, advocaat te Baarn
en
het college van bestuur van de Radboud Universiteit Nijmegen, gevestigd te Nijmegen,
verweerder,
gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2006 heeft verweerder de inschrijving van appellant als student aan zijn universiteit beëindigd en voorts appellant met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk en voor onbepaalde tijd de toegang tot de universitaire gebouwen en terreinen ontzegd.
Bij brief, door verweerder ontvangen op 10 juli 2006, heeft appellant daartegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft verweerder het aldus gemaakte bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de beëindiging van de inschrijving als student, ongegrond verklaard en voor het overige niet-ontvankelijk.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 oktober 2006, bij het College ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 18 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2007. Daar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het College nadere informatie te verschaffen. Nadat de reacties van partijen over en weer zijn ontvangen, is het onderzoek, met toestemming van partijen zonder nadere behandeling ter zitting, gesloten.
2. Overwegingen
2.1
Aan de in bezwaar gehandhaafde beëindiging van de inschrijving van appellant als student met toepassing van artikel 7.37 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) heeft verweerder ten grondslag gelegd dat deze zich expliciet en publiekelijk als pedofiel profileert, waardoor een ernstige inbreuk wordt gemaakt op het vertrouwensklimaat dat de universiteit moet bieden en in ernstige mate afbreuk wordt gedaan aan de eigen aard van verweerders universiteit.
Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de ontzegging van toegang tot de gebouwen en terreinen van de universiteit heeft hij ten grondslag gelegd dat, nu appellant met ingang van 15 juni 2006 niet langer als student is ingeschreven, de beslissing hem de toegang te ontzeggen geen besluit is, waartegen bezwaar gemaakt kan worden, maar een beheershandeling naar burgerlijk recht.
2.2
In beroep heeft appellant aangevoerd dat, zakelijk weergegeven, uit het bestreden besluit niet blijkt, wat de eigen aard is van verweerders universiteit, waarop een inbreuk zou worden gemaakt. Verweerder heeft volgens appellant dan ook de bevoegdheid van artikel 7.37 van de WHW gebruikt voor een ander doel, dan waartoe deze is verleend.
Nu hem de toegang tot de gebouwen krachtens artikel 7.57 van de WHW is ontzegd, kon tegen dat besluit bezwaar worden gemaakt, aldus appellant. Hij wijst er voorts op dat de commissie die verweerder heeft ingesteld voor het horen in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift in het advies van 1 augustus 2006 geen ernstige verstoring van de orde heeft aangenomen.
2.3
In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de WHW grondslag biedt voor de beëindiging van de inschrijving van appellant. Ten aanzien van de eigen aard van de universiteit heeft hij nog verwezen naar het Strategisch Plan 2005–2009.
2.4
Ingevolge artikel 7.37, zesde lid, van de WHW, voor zover thans van belang, kan de inschrijving aan een bijzondere instelling worden ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft gemaakt.
2.5
Appellant heeft zich op 28 september 2005 ingeschreven voor het vak Basispracticum klinische vaardigheden voor de periode 9 januari 2006 tot 12 juni 2006. Dat vak maakt deel uit van de differentiatie Orthopedagogiek.
De doelstelling van dat practicum is het kennismaken en oefenen door studenten van vaardigheden die nodig zijn bij het proces van hulpverlenen in klinische en orthopedagogische settingen. In dat kader moeten studenten een testafname bij kinderen doen, waarbij rechtstreeks één op één contact plaatsvindt tussen student en kind. Naar hij stelt ten behoeve van dat practicum heeft appellant buiten de universiteit om contact gelegd met een 15-jarige meisje.
Appellant heeft zich in de media voorts openlijk geafficheerd als pedofiel. Hij is onder meer op 14 juni 2006 naar aanleiding van de oprichting van de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit, waarvan hij de secretaris is, geïnterviewd door het dagblad de Gelderlander. In dat interview heeft hij verteld dat hij onder toezicht orthopedagogiek studeert aan verweerders universiteit.
2.6
Verweerders universiteit is een instelling van bijzonder onderwijs. Gelet op de kenmerken van het bijzondere onderwijs en de vrijheid die instellingen van bijzonder onderwijs hebben om hun organisatie te regelen en de eigen aard van hun instelling te bepalen, dient de wijze waarop de instelling daaraan inhoud geeft, door het College in beginsel te worden gerespecteerd.
2.7
Verweerder stelt dat de eigen aard van de door hem bestuurde universiteit mede bestaat in haar bijzondere positie in relatie tussen kerk en staat. Ter toelichting heeft hij verwezen naar de statuten van de ‘Stichting Katholieke Universiteit’ en het naar aanleiding daarvan opgestelde Strategisch Plan Radboud Universiteit Nijmegen 2005–2009.
In artikel 10, tweede lid, van die statuten is bepaald dat de katholieke identiteit van de universiteit en het ziekenhuis bewaakt en bevorderd dient te worden. Daaruit volgt volgens verweerder dat de normen en waarden die binnen de gemeenschap van de universiteit gelden, de moraal omvatten van de katholieke kerk en de katholieke gemeenschap.
Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder de eigen aard van de Radboud Universiteit niet in redelijkheid heeft kunnen invullen en uitleggen, zoals hij heeft gedaan. Het aangevoerde geeft evenmin grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitingen van appellant in ernstige mate afbreuk doen aan die aard, omdat het handelen van appellant en het volgen door hem van de opleiding Pedagogische Wetenschappen en in het bijzonder van de differentiatie Orthopedagogiek niet in overeenstemming is te brengen met de binnen de katholieke moraal overwegende bezwaren tegen vrije opvattingen op seksueel gebied, als door hem in het openbaar geuit, in het algemeen en het zich bekennen tot pedofilie in het bijzonder.
Verweerder heeft door de inschrijving van appellant als student met toepassing van artikel 7.37, zesde lid, van de WHW te beëindigen, de daar geregelde bevoegdheid niet voor een ander doel gebruikt dan, waarvoor deze is verleend. Het betoog faalt.
2.8
Verweerder heeft de toegangsontzegging aanvankelijk ten onrechte gebaseerd op artikel 9.2 van de WHW. Die bepaling regelt de algemene bevoegdheden van het college van bestuur van een openbare universiteit.
2.9
Nu verweerder de inschrijving van appellant mocht beëindigen, als hij heeft gedaan, had appellant geen toegang meer tot de universitaire gebouwen en terreinen. Een besluit van die strekking is niet noodzakelijk. Het bezwaar van appellant hiertegen is, zij het op andere gronden dan door verweerder gebruikt, terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.10
Gelet op het vorenstaande, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
2.11
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. H.J.O. Martens en mr. C.C. de Rijke-Maas, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, als secretaris.
mr. R.W.L. Loeb
Voorzitter
mr. C.M. Woestenburg-Bertels
als secretaris
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007