Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.2.2
9.2.2 De aard van goederenrechtelijke rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS304003:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Asser/Scholten 1945, p. 32. Deze opvatting wordt door Feenstra 1978, p. 25 toegeschreven aan Hugo de Groot; de Romeinsrechtelijke juristen waar De Groot zich op baseerde waren niet zozeer bekend met goederenrechtelijke rechten, maar acties die tegen eenieder konden worden ingesteld. Zie van Oven 1932, p. 518; Feenstra 1978, p. 6; Rank-Berenschot 1992, p. 13 e.v.
Kortmann 1973, p. 425. Vergelijk het identieke voorbeeld dat wordt gegeven door Demsetz in voetnoot 87 van hoofdstuk 3.
Eggens 1960, p. 188.
Soortgelijke opvattingen als die van Eggens waren – zij het minder expliciet – reeds ook in het buitenland ontwikkeld; zie Rank-Berenschot 1992, p. 48 e.v.
Zie de auteurs aangehaald in voetnoot 82 van hoofdstuk 3.
Nieuwenhuis 1980, p. 19–20; Schoordijk 1992, p. 1203. Zonder expliciete verwijzing worden Eggens’ opvattingen gedeeld door bijvoorbeeld Rank-Berenschot 1992, p. 311. Zelfs aanhangers van de opvatting dat goederenrechtelijke rechten ‘op’ een rechtsobject rusten, ontkomen er soms niet aan om toe te geven dat ook andere personen in de definitie van het goederenrechtelijke recht een plaats dienen te krijgen; zie bijvoorbeeld Mollema 2013a, p. 241.
Eggens 1960, p. 199 geeft het voorbeeld van de positie die de cessionaris van een vordering inneemt, waarbij kan worden onderscheiden tussen de verhouding tot de schuldenaar van de vordering en tot derden, zowel voorafgaand aan als volgend op mededeling van de cessie aan de schuldenaar.
Een vroege gebruiker van deze terminologie is Eggens 1960, p. 201. Hij wordt onder andere gevolgd door Verstijlen 2006, p. 272; Tweehuysen 2016, p. 22.
Bij een beperkt recht is het natuurlijker om te spreken van een ‘interne’ zijde die alleen tussen de moedergerechtigde en de beperkt gerechtigde geldt; de ‘interne’ zijde van een eigendomsrecht – de vrijheid die jegens alle andere personen kan worden ingeroepen om van de zaak gebruik te maken – voelt een beetje gek aan. Dat is wat mij betreft eerder het gevolg van de gekozen terminologie, dan dat er een inherent verschil bestaat tussen eigendomsrechten en beperkte rechten.
Zie in deze zin bijvoorbeeld Nieuwenhuis 1980, p. 19–20.
Schoordijk 1992, p. 1205.
Voor een resterend verschil met de opvattingen die Schoordijk hier uitwerkt, zie randnummer 392-393.
Tweehuysen 2016, p. 23–24. In dezelfde zin Rank-Berenschot 1992, p. 311–312; Vegter 1993, p. 804.
Een soortgelijke aanpak wordt voorgesteld door Neppelenbroek 2016, die voorstelt slechts enkele aspecten van een eigendomsrecht ‘uit te plooien’ wanneer een concrete casus daarom vraagt. Zijn definitie van het eigendomsrecht, waarin een verwijzing naar andere personen dan de gerechtigde ontbreekt, deel ik niet.
Eggens 1998, p. 247.
373. Traditioneel wordt in de Nederlandse rechtsliteratuur een goederenrechtelijk recht gekarakteriseerd als een recht ‘op’ een rechtsobject, waardoor het goederenrechtelijke recht kan worden omschreven door enkel de gerechtigde en het object van zijn recht te noemen.1 In de loop der jaren heeft een redelijk aantal Nederlandse auteurs ervoor gekozen bij de omschrijving van goederenrechtelijke rechten ook de andere personen jegens wie het recht kan worden ingeroepen te betrekken. Kortmann verwoordt krachtig waarom het nodig is om andere personen een plaats toe te delen in de omschrijving van een goederenrechtelijk recht:
“Eigendom vooronderstelt een betrekking tussen een object en een subject. Maar deze enkele betrekking van object en subject is onvoldoende om (het functioneren van) de eigendom te kunnen begrijpen en beschrijven. Naast de relatie tot het object bestaat er een relatie met de maatschappij, met derden. Zo er buiten de gerechtigde en het object verder geen ander rechtssubject is, dan is spreken van eigendom zinloos, dan is de gehele ordening via het recht overbodig (Robinson Crusoe).”2
374. Kortmann baseert zich voor deze opvatting op het werk van Eggens. Deze stelde bij het bespreken van de verhouding tussen eigendom en verbintenis onder meer:
“In den eigendom zijn […] de betrekkingen ‘persoon-zaak’ en ‘persoon-andere personen’ wel te onderscheiden, maar niet te scheiden, zij vormen een eenheid: de betrekking ‘persoon-zaak-de andere personen’. Eenzijdig-verstandelijk denken kan dit niet laten gelden, en meent dat het van tweeën slechts één mogelijk kan zijn: de eigendom is óf een rechtsbetrekking van persoon tot zaak, óf een rechtsbetrekking van persoon tot andere personen. In waarheid geldt de eigendom – als rechtsbetrekking van persoon tot zaak – in de rechtsbetrekkingen van die persoon (als eigenaar betrokken) tot andere personen”.3
375. Eggens maakt hier een grote sprong voorwaarts. Hij laat niet alleen zien dat de opvatting dat goederenrechtelijke rechten bestaan uit een verhouding tussen persoon en rechtsobject te kortzichtig is. Hij laat ook zien dat de tegenhanger van deze opvatting – dat goederenrechtelijke rechten niets meer zijn dan relaties tussen personen – evengoed te kort door de bocht is.4 Bij het beschrijven van een goederenrechtelijk recht is het nodig om zowel aandacht te besteden aan het object van het recht, als aan de personen jegens wie het recht kan worden uitgeoefend. Deze opvattingwordt inmiddels ook in de Amerikaanse rechtsliteratuur aangehangen.5 In Nederland heeft Eggens, naast van de eerdergenoemde Kortmann, ook expliciet navolging gekregen van onder meer Nieuwenhuis en Schoordijk.6
376. Een voordeel van het opnemen van andere personen in de definitie van een goederenrechtelijk recht is dat het daardoor mogelijk wordt om ten opzichte van iedere individuele andere partij aan te geven wat de positie van de gerechtigde is (zie randnummer 95).7 In de Nederlandse rechtsliteratuur wordt gemakshalve onderscheiden tussen twee groepen andere personen, waarbij wordt gesproken van de ‘interne’ en de ‘externe’ zijde van een goederenrechtelijk recht.8 De ‘interne’ zijde duidt op hetgeen waartoe de goederenrechtelijk gerechtigde positief gerechtigd is, zoals het gebruik van een onroerende zaak bij een erfpacht- of opstalrecht jegens de eigenaar ervan, of het zich mogen verhalen op een rechtsobject jegens een pand- of hypotheekgever.9 De ‘externe’ zijde duidt dan op de ‘perimeter of protection’ (zie randnummer 88). Hiermee wordt gedoeld op hetgeen waartoe willekeurige derden (negatief) gehouden zijn: zij mogen geen inbreuk maken op hetgeen waartoe de gerechtigde gerechtigd is.10
377. In de Nederlandse rechtsliteratuur heeft Schoordijk het meest expliciet gesteld dat goederenrechtelijke rechten – zowel voor wat betreft hun interne als hun externe zijde – zijn opgebouwd uit de juridische posities die de gerechtigde inneemt in relatie tot anderen:
“Is er sprake van huur, dan neemt een ieder aan dat er sprake is van een obligatoire overeenkomst. Zodra echter een sportcomplex in erfpacht gegeven wordt, rept men van een afsplitsing, een heerschappijverdeling e tutti quanti. Naar mijn mening is hier sprake van een misverstand. Ook bij erfpacht neemt de erfverpachter de verplichting op zich aan de erfpachter het vrije genot van het in erfpacht gegeven terrein te garanderen. Daarnaast neemt de erfverpachter andere verplichtingen op zich. Tot zoverre is er dus geen verschil tussen erfpacht en huur. Het bijzondere nu van de erfpacht is dat de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen verzakelijkt zijn. […] Nogmaals, de verhouding tussen erfverpachter en erfpachter is rechtstheoretisch een puur obligatoire overeenkomst, die krachtens de wet in een zakelijk jasje gestoken kan worden”11
378. Met het bovenstaande fragment komt Schoordijk van alle Nederlandse auteurs het meest in de buurt van de in de eerdere hoofdstukken uitgewerkte opvattingen.12 Om te beginnen stelt hij dat goederenrechtelijke rechten niets meer zijn dan rechtsverhoudingen tussen partijen (zie paragraaf 3.4.4). Hij benadrukt vervolgens dat deze rechtsverhoudingen bestaan uit meerdere elementen (zie paragraaf 3.4.2). Om de rechtsverhouding te beschermen, voorziet Schoordijk deze van een ‘zakelijk jasje’, oftewel een ‘perimeter of protection’ (zie randnummer 88). Ten slotte legt hij de koppeling naar de numerus clausus; slechts de in de wet genoemde rechtsverhoudingen kunnen in aanmerking komen om verzakelijkt te worden (zie randnummer 187 e.v.).
379. Een laatste punt waarop parallellen kunnen worden getrokken met de (Anglo-) Amerikaanse rechtsliteratuur is het nut voor het spraakgebruik van de opvatting dat goederenrechtelijke rechten ‘op’ goederen rusten (zie randnummer 101). Ook in de Nederlandse rechtsliteratuur is opgemerkt dat het juist handig kan zijn om op deze manier over goederenrechtelijke rechten te spreken. Zo stelt Tweehuysen:
“Uit de constatering dat rechten uiteindelijk uitgeoefend worden tegen andere personen [blijkt] dat het spreken van goederenrechtelijke rechten ‘op’ objecten slechts een verkorte wijze van om het over het recht te hebben. Zeggen dat we te maken hebben met een goederenrechtelijk recht is een afgekorte manier van spreken om aan te geven dat bepaalde gevolgen aan het betreffende recht verbonden zijn. Natuurlijk komt het uiteindelijk aan op de aanspraken die een goederenrechtelijk recht je jegens anderen verleent, maar in plaats van de gevolgen hiervan telkens in detail uit te werken, kunnen we volstaan met de constatering dat het om een goederenrechtelijk recht gaat en spreken we voor het gemak bijvoorbeeld over een beperkt recht ‘op’ een vordering of ‘op’ een ander beperkt recht.”13
380. Men moet er simpelweg voor waken om aan dit spraakgebruik ook de consequentie te verbinden dat een goederenrechtelijk recht los zou bestaan van de personen waartegen het kan worden ingeroepen. Beter kan worden gedacht aan een aanpak waarin goederenrechtelijke rechten op twee niveaus kunnen worden beschreven: zolang het geen verschil maakt voor de uitkomst van een concrete casus, is het prima om een goederenrechtelijk recht te zien als een recht ‘op’ een rechtsobject. In gevallen waarin het erop aankomt, is het nuttig om de juridische posities die de gerechtigde ten aanzien van een rechtsobject in relatie tot anderen inneemt, te expliciteren.14 Bij dat laatste is het overigens niet nodig om alle mogelijke andere partijen individueel aan te geven. Ook hier kan worden aangesloten bij Eggens, die in het kader van het verbintenissenrecht een ‘concretiseringsgedachte’ heeft uitgewerkt om de verhouding tussen verplichting en verbintenis aan te geven.15 Op eenieder rust de verplichting om niet onrechtmatig te handelen. Deze verplichting wordt echter pas geconcretiseerd tot verbintenis op het moment dat voldoende elementen aanwezig zijn om van een onrechtmatige daad te spreken. Op soortgelijke wijze bestaat een goederenrechtelijk recht uit ontelbare juridische posities die de gerechtigde inneemt jegens anderen; deze hoeven echter pas ‘uit de kast te worden gehaald’ op het moment dat er concreet behoefte aan is, bijvoorbeeld omdat één van deze anderen dreigt inbreuk te maken op het rechtsobject (vergelijk randnummer 95 en 101).