Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.1
6.1 Inleiding
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384583:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kenbaar uit ‘Investeerders zijn net sprinkhanen’, Volkskrant 21 augustus 2006. De vergelijking van investeerders met sprinkhanen was een jaar eerder in Duitsland al getrokken door de toenmalige SPD-voorzitter Müntefering in een interview in Bild am Sonntag van 17 april 2005: “Manche Finanzinvestoren verschwenden keinen Gedanken an die Menschen, deren Arbeitsplätze sie vernichten – sie bleiben anonym, haben kein Gesicht, fallen wie Heuschreckenschwärme über Unternehmen her, grasen sie ab und ziehen weiter. Gegen diese Form von Kapitalismus kämpfen wir.”
‘Zalm verwijt Wijn karikatuurteksten’, Telegraaf 26 augustus 2006.
Beantwoording van Kamervragen door Minister van Economische Zaken Wijn over de waardering van het kabinet van de rol die private equity speelt bij overnames van Nederlandse ondernemingen van 29 augustus 2006, Handelingen II, 2005/06, TK 99, p. 6105-6108.
Deze voorbeelden werden eerder aangehaald door CDA-Kamerlid De Nerée tot Babberich tijdens het Kamerdebat over de Voorjaarsnota 2006 op 28 juni 2006, Handelingen II, 2005/ 06, TK 96, p. 5958.
Aldus fondsbeheerder Oppetit in een interview getiteld ‘Wij zoeken altijd de dialoog met bedrijven, Ahold is een uitzondering’, NRC Handelsblad 16 september 2006.
Deze beschrijving is gebaseerd op A.W.A. Boot & K. Cools, ‘Private equity en activistische aandeelhouders: bestuur onder vuur’, in S.C.W. Eijffinger & C.G. Koedijk, Private Equity en Aandeelhoudersactivisme, Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2007, Amsterdam: KVS 2007, p. 21.
Kenbaar uit het verslag van de voorjaarsvergadering van de Vereniging Corporate Litigation van 19 mei 2006 waarin de fondsbeheerder van het activistische fonds Knight Vinke een voordracht hield over de wijze waarop activistische aandeelhouders opereerden. Zie M. Bras, ‘Verslag vergadering Vereniging Corporate Litigation over verantwoordelijkheid van aandeelhouders ten opzichte van de vennootschap’, Ondernemingsrecht 2006, 155. Zie voor contemporaine reacties op het verschijnsel hedge funds G.T.M.J. Raaijmakers & R.H. Maatman, ‘Hedge funds in het ondernemingsrecht: virus of vaccin?’, Ondernemingsrecht 2006, 77 en E.P.M. Vermeulen, ‘De rol van hedge funds: symbiose of parasiet?’, TOP 2006, p. 44-46.
A. de Jong, P.J.G. Rooseboom, M.J.C.M. Verbeek & P. Verwijmeren, Hedgefondsen en Private Equity in Nederland, onderzoeksrapport RSM Erasmus University, opgesteld in opdracht van het Ministerie van Financiën, 31 oktober 2007, Kamerstukken II, 2007/08, 31 083, nr. 5 (bijlage), p. 117-140. De veertien ondernemingen waar de casus betrekking op hadden, waren Shell, Unilever, CSM, Laurus, PinkRoccade, Versatel, ASMI, Ahold, Stork, ArcelorMittal, Euronext, AkzoNobel, Stork en ABN AMRO.
Ibid, p. 65.
Ibid. Zoals in voetnoot 24 op dezelfde pagina is aangegeven, is dit beeld echter niet helemaal juist. Bij Vendex KBB was in mei 2003 al sprake van een activistische campagne door investeerder Wyser-Pratte en later het hedgefonds K-Capital. Omdat de casus rond Vendex KBB in het onderzoek was ingedeeld als private equity-casus (vanwege de overname door KKR in 2004) was deze casus niet meegeteld in het onderzoek naar de activiteiten van hedge funds. De casus rond VNU (2005-2006) was om dezelfde reden niet meegeteld. In feite waren er dus zestien gevallen van aandeelhoudersactivisme geregistreerd.
Ibid, p. 66.
Het betrof de gevallen bij CSM, PinkRoccade, Versatel, Ahold, Nutreco en Stork. Ook hier is de uitkomst vertekend door de opzet van het onderzoek: Centaurus had ook belangen in VNU en Vendex KBB en was dus in totaal bij acht voorvallen van aandeelhoudersactivisme betrokken.
Ibid, p. 67.
Ibid, p. 68-71.
De brief is thans nog te raadplegen via het Alphaville blog van de Financial Times. Zie
Kenbaar uit de agenda voor de algemene vergadering van aandeelhouders van ABN AMRO Holding N.V. van 26 april 2007. Zie
Zie de notulen van deze aandeelhoudersvergadering, p. 75-78. Voor de toelichting die vanuit TCI ter vergadering op haar agendapunten werd gegeven, zie p. 65-66 van de notulen. Bron:
Zie Battes/Elshout 2008, p. 70-77.
In dezelfde zin C.F. van der Elst, A. de Jong & M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Een overzicht van juridische en economische dimensies van de kwetsbaarheid van Nederlandse beursvennootschappen’, onderzoeksrapport ten behoeve van de SER-commissie Evenwichtig Ondernemingsbestuur van 24 oktober 2007, gepubliceerd als bijlage bij het SER-advies Evenwichtig Ondernemingsbestuur van 15 februari 2008 (08/01A), p. 99.
Gerechtshof Amsterdam (OK) 27 september 2005, JOR 2005/272 (Versatel I), Gerechtshof Amsterdam (OK) 14 december 2005, JOR 2006/7 m.nt. F.J.P. van den Ingh (Versatel II), Gerechtshof Amsterdam (OK) 24 maart 2006, JOR 2006/98 (Versatel III) en Gerechtshof Amsterdam (OK) 8 december 2006, JOR 2007/41, Ondernemingsrecht 2007, 54 m.nt. P.M. Storm (Versatel IV). Over Versatel II schreef ook M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Versatel: werkt Code Tabaksblat nog na gestanddoening openbaar bod?’, AAe 2006, p. 198-207.
Gerechtshof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. J.M. Blanco Fernàndez,Ondernemingsrecht 2007, 53 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Stork). Zie voorts C.D.J. Bulten, ‘Lessen uit Stork’, TOP 2007, p. 142-145, M.J.G.C. Raaijmakers ‘Stork’, AAe 2007, p. 346-353. Zie voor beschouwingen in een breder perspectief voorts G.N.H. Kemperink, ‘De rol van de raad van commissarissen bij opsplitsingsscenario’s in het licht van de Stork-beschikking’, in M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten & D.J. Oranje (reds.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2006-2007, Van der Heijden-reeks nr. 93, Deventer: Kluwer 2007, p. 109-125 en J.M. de Jongh, ‘Gij zult splitsen: instructies van aandeelhouders in beursvennootschappen’, Ondernemingsrecht 2007, 11.
Gerechtshof Amsterdam (OK) 28 maart 2007, JOR 2007/118 m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2007, 138 m.nt. P.M. Storm (DSM).
Gerechtshof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, JOR 2007/143 m.nt. M.P. Nieuwe Weme,Ondernemingsrecht 2007, 103 m.nt. M.J. van Ginneken (ABN AMRO). Zie ook M.J. van Vliet, ‘Ondernemingskamer: verkoop van LaSalle ‘in de sfeer van artikel 2:107a BW’, is dat voldoende?’, NJB 2007, p. 1512-1520.
G.T.M.J. Raaijmakers, ‘De financiële markt en het ondernemingsrecht’, oratie VU 2009,Ondernemingsrecht 2009, 104.
A.W.A. Boot, De ontwortelde onderneming: ondernemingen overgeleverd aan financiers?, Assen: Kon. van Gorcum 2009.
Weergegeven in H. Schenk et al (reds.), ‘Deelonderzoek 1: overzicht en analyse van de relevante nationale en internationale regelgeving voor het financiële stelsel’, onderzoek in opdracht van de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel (Commissie De Wit) van 10 juni 2010, Kamerstukken II, 2009/10, 31 980, nr. 6, p. 130-131 (verwijzend naar een voordracht van Maas tijdens de Nationale Commissarissendag van 15 januari 2009).
Boot 2009, p. 16-48.
Raaijmakers G. 2009a, p. 441.
De metafoor van de breuklijn is ontleend aan Rajan 2010 (“fault lines”).
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. M.P. Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2007, 127 m.nt. M.J. van Ginneken (ABN AMRO).
In het vorige hoofdstuk is beschreven hoe in de periode tot 2005 het bestel van corporate governance voor Nederlandse beursvennootschappen op alle niveaus (juridisch, feitelijk en normatief) ingrijpend was gewijzigd. Een belangrijk onderdeel van deze wijzigingen bestond uit een herpositionering van het orgaan van de AVA en van individuele aandeelhouders in het stelsel van checks & balances binnen beursondernemingen. Van aandeelhouders, in het bijzonder van Nederlandse institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeraars, werd op grond van de Code verwacht dat zij zich actiever zouden gaan opstellen ten opzichte van de vennootschapsleiding. Van de vennootschapsleiding van beursondernemingen werd op grond van de rechtspraak van de Ondernemingskamer en op grond van de Code verwacht dat zij hun aandeelhouders meer en beter bij de beraadslaging en besluitvorming over strategische aangelegenheden zoals majeure acquisities of desinvesteringen zouden betrekken. Er was ook wetgeving gekomen om enerzijds aandeelhouders in deze rol te faciliteren, bijvoorbeeld via het agenderingsrecht van artikel 2:114a BW, en om anderzijds de vennootschapsleiding ten opzichte van de AVA aan banden te leggen, bijvoorbeeld via het goedkeuringsrecht van artikel 2:107a BW en de nieuwe regeling rond de vaststelling van bezoldiging van artikel 2:135 BW. Daarnaast lag in het verlengde van de aanbevelingen van de Commissie Tabaksblat en de op handen zijnde Dertiende Richtlijn inzake openbare biedingen ook nog verdergaande wetgeving in het verschiet met betrekking tot beperkingen aan beschermingsconstructies. Weliswaar had de regering op dit punt uiteindelijk bakzeil gehaald in het kader van de behandeling van het Wetsvoorstel structuurregeling, maar – zoals later ook zou blijken – de politieke intentie om op een later moment alsnog met beperkende wetgeving te komen bestond nog steeds. Ondertussen was het enquêterecht voor aandeelhouders in beursvennootschappen een effectief middel gebleken om verschillen van inzicht met de vennootschapsleiding op het gebied van corporate governance en beschermingsconstructies uit te vechten. Met betrekking tot de herpositionering van aandeelhouders wezen alle pijlen dus dezelfde richting op.
Nog geen twee jaar later klonken er andere geluiden. In augustus 2006 liet Minister van Economische Zaken Wijn (CDA) tijdens een interview weten dat hij zich zorgen maakte over het optreden van private equity-partijen zoals het Amerikaanse KKR en het Britse Apax rond hun overnames van grote Nederlandse ondernemingen als Vendex KBB, VNU en PCM. Wijn, zelf een oud-medewerker van de private equity-tak van ABN AMRO, vergeleek deze partijen met ‘een zwerm sprinkhanen die een bedrijf leegvreten.’ Hij zei daarbij dat hoewel hij niet per definitie tegen overnames door investeringsmaatschappijen was, hij wel moeite had met het ‘Amerikaans junglekapitalisme’ waarbij investeerders een snelle winst wilden behalen ten koste van de belangen van de onderneming.1 Wijn werd al snel publiekelijk gecorrigeerd door Minister van Financiën Zalm.2 Tijdens een Kamerdebat over zijn uitspraken enkele dagen later zou Wijn ook benadrukken dat hij alleen had geprobeerd om discussie uit te lokken.3 Uit het verloop van het Kamerdebat bleek echter dat Wijn met zijn uitspraken had geraakt aan een breder gevoel van onbehagen dat op dat moment al binnen een aantal Kamerfracties bestond. Dit onbehagen had niet alleen te maken met de toegenomen activiteit van buitenlandse private equity-maatschappijen op de Nederlandse overnamemarkt, maar ook met het optreden van activistische aandeelhouders in de vorm van ‘hedge funds’ bij beursondernemingen zoals Ahold en Stork.4 Beide ondernemingen waren ten tijde van het Kamerdebat over de uitspraken van Wijn verwikkeld in een publieke confrontatie met een groep hedge funds die ijverden voor een opsplitsing van de betreffende concerns en de verkoop van bepaalde bedrijfsonderdelen. Een van die fondsen was Centaurus, een vanuit London opererend hedge fund dat met geld van institutionele beleggers investeerde met een activistische strategie in aandelen van beursondernemingen. Tot de beleggers in Centaurus behoorden ook Nederlandse pensioenfondsen.5
De strategie van deze categorie activistische hedge funds bestond er grosso modo in om eerst een minderheidsbelang te verwerven in een beursgenoteerde onderneming waarvan de marktwaarde onder de gepercipieerde intrinsieke waarde van de onderneming lag of achterbleef ten opzichte van de waardering van sectorgenoten. Vervolgens nam het fonds, alleen of gezamenlijk met andere activistische investeerders, actief stappen om de ‘inefficiëntie’ in de marktwaardering weg te doen nemen, bijvoorbeeld door aan te sturen op de verkoop van bedrijfsonderdelen in combinatie met uitkering van de opbrengst aan aandeelhouders of door aan te dringen op het verleggen van de strategie.6 Dit gebeurde vooral achter de schermen in contacten met de vennootschapsleiding en met andere aandeelhouders, maar zeker wanneer het gewenste resultaat uitbleef kon een activistische aandeelhouder er ook toe overgaan om een publieke campagne tegen de vennootschapsleiding van de betreffende onderneming te voeren. Tactieken die daarbij werden gebruikt waren ‘moral suasion’ ten opzichte van het management en andere aandeelhouders via publieke communicatie, maar ook het gebruik maken van aandeelhoudersrechten zoals het agenderingsrecht en – in uiterste gevallen – het entameren van gerechtelijke procedures.7
Deze stijl van publiek aandeelhoudersactivisme was nieuw in Nederland. In een onderzoeksrapport over het optreden van private equity en hedge funds in Nederland van oktober 2007 dat in opdracht van het Ministerie van Financiën was opgesteld werden veertien gevallen van aandeelhoudersactivisme door hedge funds bij Nederlandse beursondernemingen beschreven.8 Deze veertien gevallen waren getraceerd via een trefwoordenonderzoek in het archief van het Financieele Dagblad over de periode vanaf 1985.9 Alle veertien gevallen hadden plaatsgevonden in de periode vanaf 2004.10 De groep hedge funds die (openlijk) bij deze campagnes waren betrokken was klein. Bij de veertien voorvallen waren in totaal twaalf fondsen betrokken die in elf van de gevallen in wisselende samenstelling met elkaar optrokken.11 Het eerder genoemde Centaurus was bij zes gevallen betrokken, vaak vanuit een dominante positie in een groep met andere activistische aandeelhouders.12 Volgens de onderzoekers waren de hedge funds uiteindelijk in acht van de veertien publieke campagnes geheel of gedeeltelijk succesvol in het ingewilligd krijgen van hun eisen.13 Ook achter de schermen was de druk vanuit hedge funds op de besturen van beursondernemingen sterk toegenomen. In antwoord op een enquête die in het kader van hetzelfde onderzoek was verspreid onder Nederlandse beursondernemingen maakten 20 respondenten melding van in totaal 64 investeringen van hedge funds in de betreffende beursondernemingen. In 26 van die gevallen ging de investering gepaard met een ‘actieve benadering’ van het bestuur door het betreffende hedge fund. Slechts in twee van die 26 gevallen was de benadering door het hedge fund uiteindelijk publiekelijk bekend gemaakt.14 In zoverre vormden de publiekelijk gerapporteerde gevallen van aandeelhoudersactivisme maar een klein deel van een groter geheel.
Het meest spraakmakende geval van aandeelhoudersactivisme betrof het optreden van het hedge fund The Children’s Investment Fund (TCI) bij ABN AMRO in het voorjaar van 2007. Op 20 februari 2007 stuurde TCI een brief aan het bestuur van ABN AMRO die tevens een agenderingsverzoek in de zin van artikel 2:114a BW met betrekking tot de aankomende AVA van 26 april 2007 inhield. In een typische ‘Dear Board Letter’ stelde TCI dat ABN AMRO om een aantal redenen ondermaats presteerde en dat de verschillende onderdelen van ABN AMRO afzonderlijk meer waard waren dan de som der delen.15 Concreet vroeg TCI het bestuur van ABN AMRO om een vijftal punten op de agenda voor de op 26 april 2007 geplande aandeelhoudersvergadering te plaatsen, waaronder een instructie om zichzelf op te splitsen en de daaruit voortvloeiende verkoopopbrengsten als superdividend aan de aandeelhouders uit te keren en de instructie om af te zien van de op dat moment voorbereide acquisitie van de Italiaanse bank CapItalia.16 Over alle door TCI voorgedragen agendavoorstellen moest van TCI door de aandeelhoudersvergadering van ABN AMRO worden gestemd. Uiteindelijk zijn drie van de vijf agendapunten aangenomen, waaronder de instructie aan het bestuur van ABN AMRO om tot desinvestering van de verschillende bedrijfsonderdelen over te gaan.17 Op het moment dat de voorstellen van TCI in de aandeelhoudersvergadering werden besproken, waren de ontwikkelingen rondom ABN AMRO reeds in een stroomversnelling geraakt. Of de (niet-bindende) stemming over de agendapunten als zodanig daadwerkelijk invloed heeft gehad op het verdere verloop van zaken, uiteindelijk resulterend in de overname van ABN AMRO door het consortium van Royal Bank of Scotland, Santander en Fortis, is achteraf bezien niet geheel duidelijk. Wel staat vast dat de handelingsvrijheid van het bestuur van ABN AMRO aanzienlijk werd beperkt door de op basis van de door TCI voorgestelde agendapunten genomen aandeelhoudersbesluiten. Buiten enige twijfel staat dat het agenderingsverzoek zelf zeer verstrekkende gevolgen heeft gehad: ABN AMRO werd hierdoor de facto ‘in play’ gebracht als doelwit voor een overname. Later zou blijken dat dit ook precies de bedoeling van TCI is geweest.18
Aan activistische aandeelhouders zoals Centaurus of TCI lijkt bij de discussies rond de totstandkoming van het Wetsvoorstel structuurregeling en de Code niet te zijn gedacht.19 Toch zijn het in de periode vanaf 2004 juist activistische aandeelhouders geweest die gebruik hebben gemaakt van de nieuwe rechten en aanspraken die aandeelhouders in Nederlandse beursvennootschappen aan deze wetswijzigingen konden ontlenen. Zij maakten daarbij gebruik van normatieve argumenten over governance en beschermingsconstructies die zij aan de Code ontleenden. Zij maakten ook gebruik van de via het enquêterecht geboden rechtsingang om desnoods een interventie van de Ondernemingskamer in de vorm van onmiddellijke voorzieningen te verzoeken met betrekking tot hun meningsverschillen met de betreffende beursondernemingen. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de campagnes van activistische aandeelhouders die uiteindelijk leidden tot beschikkingen van de Ondernemingskamer in de zaken Versatel (2005-2006)20 en Stork (2006-2007).21 Ook andere aandeelhouders begonnen zich in navolging van deze activistische aandeelhouders op vergelijkbare wijze te roeren. Zo hield Franklin Templeton, een doorgaans passief regulier beleggingsfonds (‘mutual fund’), via een enquêteprocedure tegen dat DSM op haar AVA in maart 2007 een voorstel tot statutenwijziging in stemming zou brengen dat de invoering van een loyaliteitsdividend voor ‘trouwe’ aandeelhouders mogelijk zou maken.22 Het meest in het oog springend geval betrof wederom ABN AMRO, waar de VEB in mei 2007 via een enquêteprocedure bewerkstelligde dat het ABN AMRO bij wijze van onmiddellijke voorziening tot nader order werd verboden om de verkoop van haar Amerikaanse divisie LaSalle aan Bank of America met een transactiewaarde van EUR 15,5 miljard uit te voeren.23
De opkomst van het verschijnsel van aandeelhoudersactivisme door activistische hedge funds is niet de enige ontwikkeling die zich in het verlengde van het proces van herpositionering van de aandeelhouder in de periode tot 2004 heeft voorgedaan. In de literatuur is door schrijvers als Raaijmakers Jr24 en Boot25 in meer algemene zin betoogd dat deze herpositionering ertoe heeft geleid dat beursondernemingen in toenemende mate op de financiële markten, in het bijzonder de aandelenmarkt, georiënteerd raakten en dat zij als gevolg hiervan ook meer dan voorheen aan de grillen van deze markten werden blootgesteld. In hun analyse waren de hierboven beschreven gevallen van openlijk aandeelhoudersactivisme slechts een onderdeel van een meeromvattend verschijnsel waarbij niet alleen aandeelhouders, maar ook bestuurders en commissarissen ander gedrag waren gaan vertonen. Volgens Boot vertaalde de toegenomen oriëntatie op de financiële markten zich in wat hij omschreef als een “corporate finance-perspectief”. In dit perspectief stond maximalisatie van aandeelhouderswaarde, concreet vertaald via maatstaven en indicatoren als Economic Value Added (EVA) en Value Based Management (VBM) dan wel simpelweg benaderd via de aandelenkoers, in meerdere opzichten centraal: als instrument voor interne aansturing, als prestatiemaatstaf voor bezoldiging en als centrale beoordelingsfactor voor strategische beslissingen.
Ter illustratie kan worden gewezen op de volgende opmerking van Trude Maas, indertijd commissaris bij ABN AMRO: “Sommige dingen hebben we als vanzelfsprekend aangenomen. Zo is er gekozen om aandeelhouders waarde als criterium voor succes te nemen. Over die verreikende beslissing is heel weinig doorgesproken. We leefden allemaal in de sfeer die ook de achtergrond vormde voor de code-Tabaksblat: de aandeelhouder was in Nederland te lang te klein gehouden. Wat betreft beloningen wilden we indertijd allemaal wel geloven in die alignment theorie: zorg dat de bestuurders dezelfde belangen hebben als de aandeelhouders. Een vorm van groupthink natuurlijk, vinden we nu.”26
Deze benadering kon volgens Boot leiden tot “anorexia-achtige organisaties” en tot een meer op de korte termijn georiënteerd beleid om het kapitaalbeslag van de onderneming terug te brengen, bijvoorbeeld via aandeleninkoop of een hoger dividend.27 Ook Raaijmakers betrok de stelling dat een te grote invloed van de financiële markten op de corporate governance van beursondernemingen een belemmering kon opleveren voor het streven naar lange-termijn duurzaamheid en stabiliteit van beursondernemingen in de Nederlandse economie.28
Deze observaties staan haaks op de in het vorige hoofdstuk beschreven discussies in de periode tot 2004 waarin door een meerderheid van de participanten juist voor een vergroting van de oriëntatie van beursondernemingen op de financiële markten, in het bijzonder de aandelenmarkt, was gepleit.
Hoe kan worden verklaard dat de herpositionering van aandeelhouders in de periode tot 2004 in de jaren erna zo anders is uitgepakt dan indertijd werd verwacht? Naar mijn mening is dit toe te schrijven aan een aantal breuklijnen die zich onder de oppervlakte van het ‘nieuwe’ bestel van corporate governance bevonden.29 Sommige van deze breuklijnen hadden betrekking op de normatieve uitgangspunten, andere zagen op de onderliggende feitelijke veronderstellingen en weer andere waren ingebed in het juridisch kader. Deze breuklijnen worden beschreven in §6.2. Deze breuklijnen veroorzaakten schokken, althans droegen daaraan bij in de context van de financiële crisis. Tegelijkertijd was echter ook sprake van een aantal constanten die het effect van de breuklijnen mitigeerden. In het bijzonder betreft dit de rechtspraak van de Hoge Raad. De beschikking van de Hoge Raad inzake ABN AMRO30 neemt hierin een belangrijke plaats in: de door de Hoge Raad reeds in RNA en HBG uitgezette lijnen werden hierin doorgetrokken en de beschikking in ABN AMRO legde ook de basis voor zijn latere ASMI-beschikking. Door juist in de ‘turbulente tijden’ vast te houden aan de eerder uitgezette koers, was de Hoge Raad met zijn rechtspraak ook in de jaren na 2004 een belangrijke stabiliserende factor in het krachtenveld rondom beursvennootschappen. Dit wordt uitgewerkt in §6.3. De rest van dit hoofdstuk gaat over de correcties die in de periode vanaf 2007 vanuit wetgeving, rechtspraak, zelfregulering en beleid op nationaal- en Europees niveau zijn aangebracht op het bestel van corporate governance. §6.4 geeft een overzicht van de belangrijkste vervolgontwikkelingen. Een volledige beschrijving van alle ontwikkelingen is hierbij niet beoogd, de nadruk ligt op het duiden van de hoofdlijnen. In §6.5 wordt de vraag behandeld in hoeverre de gesignaleerde breuklijnen met de doorgevoerde c.q. in het vooruitzicht gestelde correcties daadwerkelijk zijn gedicht. §6.6 bevat een korte afronding.