Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/4.2.1.a
4.2.1.a Inleiding
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461623:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 12-15; Ladas 1975, p. 52-53. Ook Nederland sloot een aantal bilaterale verdragen, met name op het terrein van het merkenrecht, zie onder meer Stuyt 1953, p. 381-382.
Ladas 1975, p. 59 (en p. 43-55). Zie ook M. Plaisant 1932, p. 370; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 16 e.v. Soortgelijke problemen als in het internationale auteursrecht, deden zich hier gevoelen, zie par. 2.1.1.
Lyon-Caen 1873, p. 713; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 16-18; Ladas 1975, p. 60.
Comptes rendus Congrès 1878; Pelletier & Vidal-Naquet 1902, p. 9-10; Osterrieth & Axster 1903, p. ix-xi; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 18-22; Ladas 1975, p. 61-63.
Voor wat betreft het octrooirecht was nationale behandeling geen punt van discussie. Voor wat betreft het merkenrecht ontstond een interessant duel tussen de bekende jurist Clunet, die pleitte vóór onvoorwaardelijke nationale behandeling, en de eveneens bekende jurist Lyon-Caen, die nationale behandeling wilde stellen onder de voorwaarde van reciprociteit (merkrechten voor buitenlandse ondernemers 'n'intéressent pas le développement de l'industrie nationale'). Clunet won het duel: bij de stemming werd het voorstel voor onvoorwaardelijke nationale behandeling aangenomen. Zie Comptes rendus Congrès 1878, p. 130-137.
Zie het voorontwerp voor een internationale unie voor de bescherming van industriële eigendom, opgesteld door het uitvoerend comité van de Permanente Internationale Commissie van het internationale congres van 1878, Comptes rendus Congrès 1878, p. 712 e.v. Dit voorontwerp werd naderhand enkele keren uitgedund en omgewerkt; zie Actes VP 1880, p. 18 (Procès-verbaux, openingsrede voorzitter Bozérian); Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 22; Ladas 1975, p. 63.
Actes VP 1880, p. 23-25 (Avant-projet Jagerschmidt).
Zie hierover onder meer Pelletier & Vidal-Naquet 1902, p. 11-12; Osterrieth & Axster 1903, p. x-xi; Bureau de l'Union, Mémoire 1933, p. 25-37; Ladas 1975, p. 63-68.
Tijdens die conferentie werd één mineure wijziging doorgevoerd in art. 14 lid 3 (plaats en tijd van de volgende conferentie), alsook enkele wijzigingen in het slotprotocol.
Om precies te zijn: het verdrag trad toen in werking voor België, Brazilië, Ecuador, Frankrijk, Groot-Brittanië, Guatemala, Italië, Nederland, Portugal, Salvador, Servië, Spanje, Tunesië en Zwitserland. Zie Ladas 1975, p. 67-68; Osterrieth & Axster 1903, p. xi. De Verenigde Staten traden niet lang daarna ook toe, op 30 mei 1887. Duitsland, een andere belangrijke mogendheid, trad pas later toe, op 1 mei 1903, zie daarover Osterrieth & Axster 1903, p. xvi-xx, en p. 298 e.v. (`Denkschrift' over toetreding).
Stb. 1884, 53 en 189. Nederland trad toe voor het rijk in Europa. Later volgde toetreding voor Nederlands-Indië (1 oktober 1888) en voor Suriname en de Nederlandse Antillen en Aruba, toen tezamen de kolonie Curagao geheten (1 juli 1890).
De octrooiwet van 25 januari 1817 (Stb. 1817, 6) was buiten spel gezet door de wet van 15 juli 1869 (Stb. 1869, 126) waarin werd bepaald dat er geen octrooien meer werden verleend. In Nederland — maar ook in andere landen — was in die tijd een sterke anti-octrooibeweging, zie daarover Huydecoper & Van Nispen 2002, p. 67; Alexander 1993, p. 8; Gerzon 1986; Den Hertog 1976; Drucker 1924, p. 42 e.v. Een andere mede-oprichter van het Verdrag van Parijs, Zwitserland, kende eveneens geen octrooibescherming, maar daar had men een wetsontwerp in voorbereiding, zie Actes VP 1880, p. 98 (Procès-verbaux, opmerking Zwitserse gedelegeerde Kern). Ook Nederland ging uiteindelijk — bijna twintig jaar later — overstag: in 1912 trad een nieuwe octrooiwet in werking, de Rijksoctrooiwet 1910. Zie ook Drucker 1924, p. 43 e.v.
Vgl. ook noot 16 en 28 van hoofdstuk 2 over soortgelijke situaties in het internationale auteursrecht in de bilaterale verhoudingen.
Actes VP 1880, p. 28 (Procès-verbaux, opmerking Franse gedelegeerde Jagerschmidt, opsteller van het voorontwerp); vgl. ook Actes VP 1880, p. 19 en p. 29 (Procès-verbaux); Actes VP 1883, p. 22 en p. 33-34 (Procèsverbaux).
Handelingen II 1883/84, 75, p. 1229 ('Gij zijt een volk van struikrovers.'). Zie ook Den Hertog 1976, p. 35; Gerzon 1986, p. 56. De internationale druk om serieus werk te maken van octrooibescherming werd nadien opgevoerd.
349. Web van verdragen. Ondertussen nam het aantal bilaterale regelingen toe. Zo werd, net als in het auteursrecht, een web van bilaterale regelingen over met name Europa gesponnen. Dat web had, als gezegd, met name betrekking op het merkenrecht, maar er waren ook verdragen die betrekking hadden op het tekeningen-en modellenrecht, en — in nog mindere mate — op het octrooirecht, op het handelsnaamrecht of op herkomstaanduidingen.1 En, net als in het auteursrecht, bleek ook dit web geen effectieve oplossing. Op het internationale vlak bleef de bescherming van industriële eigendom onzeker, incompleet en inadequaat.2 Steeds luider klonk de roep om verbetering door middel van een multilateraal verdrag. Wereldtentoonstellingen, de in de negentiende eeuw populaire podia waar technische en wetenschappelijke vooruitgang werd gepresenteerd, bleken een uitstekend platform voor deze oproep.
350. Congressen 1873 en 1878. Zo werd tijdens de Wereldtentoonstelling van 1873 in Wenen een congres over octrooirecht gehouden.3 Belangrijker nog was het congres dat tijdens de Wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs werd gehouden en dat op het gehele industriële-eigendomsrecht betrekking had.4 Het congres koos voor het onvoorwaardelijke beginsel van nationale behandeling, óók voor het merkenrecht.5 Verder werd gesproken over unificatie, en daartoe werd ook een concreet voorstel gedaan: er werd een gedetailleerd voorontwerp voor een multilateraal verdrag opgesteld, en het was de bedoeling dat een internationale conferentie zou worden bijeengeroepen die op basis hiervan zo'n verdrag tot stand zou brengen.6
351. Conferenties 1880 en 1883: Verdrag van Parijs. Het congres van 1878 had zijn werk gedaan, maar de tijd bleek nog niet rijp voor dergelijke verregaande unificatie. De internationale conferentie die in 1880 te Parijs volgde onder voorzitterschap van de Franse senator Bozérian, boog zich over een veel bescheidener voorontwerp, dat was opgesteld door de Fransman Jagerschmidt.7 Dit was de conferentie die het Verdrag van Parijs heeft voortgebracht.8 Het ontwerp-verdrag dat zij opstelde, werd ongewijzigd overgenomen en definitief vastgesteld tijdens de volgende conferentie te Parijs in 1883.9 Het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883 was een feit. Bijna anderhalf jaar later, op 7 juli 1884, trad het verdrag in werking voor veertien landen, waaronder belangrijke mogendheden als Frankrijk en Groot-Brittannië.10
352. Nederland en het Verdrag van Parijs. Ook Nederland trad toe.11 Het mag enigszins opmerkelijk worden genoemd dat Nederland in de Parijse Unie werd toegelaten, omdat Nederland in die tijd feitelijk geen octrooiwet had.12 Opmerkelijk, want op grond van het onvoorwaardelijke beginsel van nationale behandeling van het Verdrag van Parijs kon de Nederlandse uitvinder in de andere Unielanden octrooibescherming krijgen, maar de buitenlandse uitvinder stond in Nederland met lege handen. Het beginsel van nationale behandeling was voor hem een lege huls.13 De conferentie was zich hier ten volle van bewust, en heeft deze consequentie aanvaard.14 Maar het bleef wringen. Tijdens de parlementaire beraadslagingen over toetreding tot het Verdrag van Parijs vermeldde de Nederlandse gedelegeerde Verniers van der Loeff dat hem was gezegd: "Ah, mais vous, vous êtes une nation de brigands." 15