Procestaal: Frans.
HvJ EG, 20-11-2008, nr. C-18/08
ECLI:EU:C:2008:647
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
20-11-2008
- Magistraten
C.W.A. Timmermans, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris, C. Toader
- Zaaknummer
C-18/08
- LJN
BG5536
- Vakgebied(en)
Belastingheffing van motorrijtuigen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
EU-recht (V)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2008:647, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 20‑11‑2008
Uitspraak 20‑11‑2008
C.W.A. Timmermans, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris, C. Toader
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
20 november 2008*
In zaak C-18/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunal d'instance de Bordeaux (Frankrijk) bij beslissing van 4 december 2007, ingekomen bij het Hof op 21 januari 2008, in de procedure
Foselev Sud-Ouest SARL
tegen
Administration des douanes et droits indirects,
‘Belasting op motorvoertuigen — Richtlijn 1999/62/EG — Aanrekening gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen door zware vrachtvoertuigen — Artikel 6, lid 2, sub b — Beschikking van Commissie houdende goedkeuring van vrijstelling — Geen rechtstreekse werking’
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris (rapporteur) en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Foselev Sud-Ouest SARL, vertegenwoordigd door L. Menestrier, avocat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en L. Butel als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door R. Adam als gemachtigde, bijgestaan door F. Arena, avvocato dello Stato,
- —
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Maidani als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2008,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 187, blz. 42), en van beschikking 2005/449/EG van de Commissie van 20 juni 2005 betreffende een verzoek om vrijstelling van de belasting op motorvoertuigen door Frankrijk ingediend krachtens artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62 (PB L 158, blz. 23).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een door Foselev Sud-Ouest SARL (hierna: ‘Foselev’) ingeleide procedure strekkende tot veroordeling van de Administration des douanes et droits indirects tot betaling aan haar van een bedrag van 1 973,74 EUR dat zij tussen 20 juni 2005 en 9 juli 2006 ten onrechte zou hebben voldaan in het kader van de taxe à l'essieu (belasting naar het aantal assen), een belasting op niet speciaal voor personenvervoer ontworpen motorvoertuigen van 12 t of meer, te vermeerderen met rente en kosten.
Toepasselijke bepalingen
3
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 1999/62 bepaalt:
‘De lidstaten kunnen verlaagde tarieven of vrijstellingen toepassen voor:
[…]
- b)
voertuigen die slechts af en toe deelnemen aan het verkeer op de openbare weg in de lidstaat van registratie en die door natuurlijke of rechtspersonen worden gebruikt die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, mits het vervoer door deze voertuigen niet leidt tot vervalsing van de mededinging, en behoudens toestemming van de Commissie.’
4
Het dispositief van beschikking 2005/449 luidt als volgt:
‘Artikel 1
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62/EG wordt bij deze de vrijstelling tot en met 31 december 2009 van de belasting op motorvoertuigen van 12 t of meer die uitsluitend voor transport van vast gemonteerde uitrusting bij openbare en industriële werken in Frankrijk gebruikt worden door de Commissie goedgekeurd:
[…]
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek.’
5
Bij decreet nr. 2006-818 van 7 juli 2006 tot wijziging van decreet nr. 70-1285 van 23 december 1970 betreffende de overdracht van de vaststelling en de invordering van de bijzondere belasting op bepaalde wegvoertuigen aan de Administration des douanes (JORF van 9 juli 2006, blz. 10311), hebben de Franse autoriteiten uitvoering gegeven aan beschikking 2005/449.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat Foselev actief is op de volgende gebieden: hijswerken, goederenbehandeling, transport, industrieel onderhoud, het leggen van industriële leidingen, industriële reiniging en modulaire bouwwerken. Deze onderneming is van mening dat de belasting naar het aantal assen voor de in beschikking 2005/449 bedoelde voertuigen niet meer is verschuldigd sinds 20 juni 2005, de datum van vaststelling van deze beschikking.
7
De Administration des douanes et droits indirects stelt zich daarentegen op het standpunt dat de vrijstelling waarop Foselev zich beroept pas is ingegaan op de datum van bekendmaking van decreet nr. 2006-818 in het Journal officiel de la République française, te weten op 9 juli 2006.
8
Volgens het Tribunal d'instance de Bordeaux rijst in het aldaar aanhangige geding de vraag of beschikking 2005/449, waarbij de Franse Republiek toestemming is verleend om bepaalde nader omschreven voertuigen vrij te stellen van de belasting naar het aantal assen, voor die lidstaat een verplichting inhoudt om de goedgekeurde vrijstelling te verlenen, en dus rechtstreekse werking kan hebben in de betrekkingen tussen de Franse belastingautoriteiten en Foselev. De nationale rechter heeft bijgevolg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62[…] biedt een lidstaat de mogelijkheid om voor bepaalde categorieën van voertuigen een vrijstelling [van de daarin bedoelde belastingen] te verlenen. Is de door de Commissie bij beschikking [2005/449] aan [de Franse Republiek] gegeven toestemming om voor bepaalde categorieën van voertuigen een vrijstelling [van de belasting naar het aantal assen] te verlenen rechtstreeks van toepassing op de particulieren of is een nationale uitvoeringsmaatregel noodzakelijk, nu het gaat om een tot [de Franse Republiek] gerichte goedkeuringsbeschikking?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
9
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of particulieren zich tegen de Franse Republiek kunnen beroepen op beschikking 2005/449, waarbij de door deze lidstaat voorgenomen vrijstelling van de belasting naar het aantal assen op grond van artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62 is goedgekeurd, teneinde deze vrijstelling te verkrijgen vanaf de kennisgeving of de bekendmaking van die beschikking.
10
Artikel 249, vierde alinea, EG bepaalt dat een beschikking verbindend is in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht. In casu zij vastgesteld dat beschikking 2005/449 tot de Franse Republiek is gericht.
11
Voorts zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat het met de door artikel 189 EEG-Verdrag (later artikel 189 EG-Verdrag, thans artikel 249 EG) aan een beschikking toegekende dwingende werking onverenigbaar zou zijn, indien men in beginsel zou uitsluiten dat de door de beschikking geraakte personen zich op de daarin bedoelde verplichting kunnen beroepen. Voorts heeft het Hof overwogen dat een bepaling van een beschikking die tot een lidstaat is gericht, aan die lidstaat kan worden tegengeworpen, wanneer die bepaling de adressaat een onvoorwaardelijke en voldoende duidelijke en nauwkeurige verplichting oplegt (arrest van 10 november 1992, Hansa Fleisch Ernst Mundt, C-156/91, Jurispr. blz. I-5567, punten 12 en 13 en aangehaalde rechtspraak).
12
Nagegaan moet dus worden of beschikking 2005/449 de Franse Republiek een onvoorwaardelijke en voldoende duidelijke en nauwkeurige verplichting oplegt.
13
In dit verband zij erop gewezen dat deze beschikking artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62 als rechtsgrondslag heeft, dat een lidstaat de mogelijkheid biedt om bepaalde voertuigen van de belasting op motorvoertuigen vrij te stellen of aan een verlaagd belastingtarief te onderwerpen.
14
Voorts kan overeenkomstig dezelfde bepaling een lidstaat slechts gebruikmaken van deze mogelijkheid, wanneer de Commissie zijn ontwerp-uitvoeringsmaatregelen heeft goedgekeurd.
15
Volstaan kan dus worden met de vaststelling dat de lidstaten, ondanks het optreden van de Commissie, over een ruime beoordelingsmarge beschikken, zowel met betrekking tot hun beslissing om die mogelijkheid te benutten als wat de inhoud van de voorgenomen maatregel betreft, zonder dat uit de goedkeuring van deze maatregel door de Commissie enige verplichting kan voortvloeien om van die mogelijkheid gebruik te maken.
16
Beschikking 2005/449 strekt er dus niet toe en heeft niet tot gevolg dat de Franse Republiek wordt verplicht de voorgenomen vrijstelling als bedoeld in haar verzoek om goedkeuring te verlenen, maar wel dat haar toestemming wordt gegeven om die vrijstelling te verlenen indien zij dat wenst.
17
Voorts kan het feit dat in beschikking 2005/449 niet is bepaald wanneer zij in werking treedt, maar alleen dat de goedgekeurde vrijstelling slechts geldt tot 31 december 2009, geen weerslag hebben op de strekking en de gevolgen van deze beschikking.
18
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 254, lid 3, EG is beschikking 2005/449 namelijk in werking getreden door de kennisgeving aan de adressaat ervan, in casu de Franse Republiek. Dat neemt niet weg dat die werking erin bestaat dat een vrijstelling mogelijk wordt, hoewel in het onderhavige geval daarin nog niet is voorzien en voor de uitvoering daarvan een nationale maatregel nodig is, en niet dat het verlenen van een dergelijke vrijstelling een verplichting is.
19
Gelet op een en ander, moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat particulieren op beschikking 2005/449 geen beroep kunnen doen tegen de Franse Republiek, tot wie deze beschikking is gericht, teneinde de daarbij goedgekeurde vrijstelling te verkrijgen vanaf de kennisgeving of de bekendmaking ervan.
Kosten
20
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Particulieren kunnen op beschikking 2005/449/EG van de Commissie van 20 juni 2005 betreffende een verzoek om vrijstelling van de belasting op motorvoertuigen door Frankrijk ingediend krachtens artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, geen beroep doen tegen de Franse Republiek, tot wie deze beschikking is gericht, teneinde de daarbij goedgekeurde vrijstelling te verkrijgen vanaf de kennisgeving of de bekendmaking ervan.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑11‑2008