Procestaal: Nederlands.
HvJ EG, 09-02-2006, nr. C-473/04
ECLI:EU:C:2006:96
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
09-02-2006
- Magistraten
A. Rosas, J. Malenovský, A. La Pergola, S. von Bahr, A. Borg Barthet
- Zaaknummer
C-473/04
- Conclusie
A. Tizzano
- LJN
AV9479
- Vakgebied(en)
Agrarisch recht [vervallen] (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2006:96, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 09‑02‑2006
ECLI:EU:C:2005:698, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 17‑11‑2005
Uitspraak 09‑02‑2006
A. Rosas, J. Malenovský, A. La Pergola, S. von Bahr, A. Borg Barthet
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
9 februari 2006*
In zaak C-473/04,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 22 oktober 2004, ingekomen bij het Hof op 9 november 2004, in de procedure
Plumex
tegen
Young Sports NV,
‘Justitiële samenwerking — Verordening (EG) nr. 1348/2000 — Artikelen 4 tot en met 11 en 14 — Betekening en kennisgeving van gerechtelijke stukken — Betekening door tussenkomst van instanties — Betekening per post — Relatie tussen wijzen van verzending en van betekening — Voorrang — Beroepstermijn’
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), A. La Pergola, S. von Bahr en A. Borg Barthet, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä als gemachtigde,
- —
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk als gemachtigde,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door E. O'Neill als gemachtigde,
- —
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud-Joët en R. Troosters als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 november 2005,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4 tot en met 11 en 14 van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB L 160, blz. 37; hierna: ‘verordening’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep in cassatie dat de vennootschap Plumex heeft ingesteld omdat het Hof van Beroep te Gent een hoger beroep van een vonnis in eerste aanleg in een geding tussen eerstgenoemde vennootschap en de vennootschap Young Sports NV wegens laattijdigheid heeft verworpen.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3
Volgens punt 2 van de considerans van de verordening is het voor de goede werking van de interne markt nodig de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen.
4
De verordening heeft derhalve tot doel, de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures te verbeteren door het beginsel van rechtstreekse verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken vast te leggen.
5
Volgens artikel 1, lid 1, is de verordening van toepassing in burgerlijke en in handelszaken, waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar.
6
Hoofdstuk II van de verordening bevat bepalingen die voorzien in andere wijzen van verzending en betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken. Dit hoofdstuk omvat twee afdelingen.
7
Afdeling 1 van dat hoofdstuk, dat de artikelen 4 tot en met 11 omvat, heeft betrekking op de eerste wijze van verzending en betekening (hierna: ‘betekening door tussenkomst van instanties’), in het kader waarvan de door de lidstaten aangewezen instanties, de zogenoemde ‘verzendende en ontvangende instanties’, elkaar een te betekenen gerechtelijk stuk om te beginnen zo spoedig mogelijk rechtstreeks toezenden. Vervolgens zorgt de ontvangende instantie voor de betekening of kennisgeving van dat stuk, hetzij overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, hetzij in de specifieke, door de verzendende instantie gewenste vorm, mits deze met het recht van die aangezochte lidstaat verenigbaar is.
8
Volgens artikel 7 van de verordening worden alle handelingen ter betekening of kennisgeving van het stuk zo spoedig mogelijk verricht.
9
Afdeling 2 van hoofdstuk II van de verordening voorziet in ‘andere wijzen van verzending en betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken’, te weten de toezending langs consulaire of diplomatieke weg (artikel 12), de betekening of kennisgeving door de zorg van diplomatieke of consulaire ambtenaren (artikel 13), de betekening of kennisgeving per post (artikel 14), en de rechtstreekse betekening of kennisgeving (artikel 15).
10
Wat meer bepaald de betekening of kennisgeving per post betreft, bepaalt artikel 14 van de verordening:
- ‘1.
Elke lidstaat is bevoegd de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan zich in een andere lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post te doen verrichten.
- 2.
Elke lidstaat kan, overeenkomstig artikel 23, lid 1, bepalen onder welke voorwaarden hij de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken per post aanvaardt.’
11
Blijkens de mededelingen van de lidstaten overeenkomstig artikel 23 van de verordening (PB 2001, C 151, blz. 4), zoals met name gewijzigd bij de eerste bijwerking daarvan (PB 2001, C 202, blz. 10), heeft de Portugese Republiek verklaard betekeningen en kennisgevingen per post te aanvaarden voorzover zij worden verricht via een aangetekende brief met ontvangstbewijs en een vertaling is bijgevoegd.
Bepalingen van nationaal recht
12
Blijkens artikel 1051 van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek (hierna: ‘Ger. Wb.’) is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis.
13
Volgens dezelfde bepaling, gelezen in samenhang met artikel 55 Ger. Wb., wordt de beroepstermijn wanneer een van de partijen waaraan het vonnis is betekend, in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, verlengd met dertig dagen, wanneer zij in een ander land van Europa verblijft dat niet een aangrenzend land of het Verenigd Koninkrijk is.
14
Artikel 40, eerste alinea, Ger. Wb. bepaalt dat ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, de gerechtsdeurwaarder bij een ter post aangetekende brief het afschrift van de akte stuurt aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland, en dat de betekening wordt geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs in de vormen die in dit artikel worden bepaald.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15
Aan Plumex, vennootschap naar Portugees recht met zetel in Portugal, is op haar adres in die lidstaat een vonnis van een Belgische rechterlijke instantie in eerste aanleg betekend dat is gewezen in een geding tussen die vennootschap en Young Sports NV. Die betekening is zowel door tussenkomst van instanties als per post geschied.
16
Tegen dit vonnis heeft Plumex op 17 december 2001 hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep, dat dit wegens laattijdigheid heeft verworpen op grond dat de vastgestelde beroepstermijn van artikel 1051 Ger. Wb. op 11 december 2001 was verstreken, nu de termijn zou zijn ingegaan op de dag van de eerste geldig verrichte betekening, in casu die van de betekening per post.
17
Plumex heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld bij het Hof van Cassatie, met het betoog dat de verordening aldus moest worden uitgelegd dat de betekening door tussenkomst van instanties de hoofdwijze van betekening was, die voorrang heeft boven de betekening per post. De beroepstermijn diende derhalve te worden berekend vanaf de dag van die hoofdbetekening, op een latere datum dan de betekening per post, die slechts secundair van aard was.
18
In deze omstandigheden heeft het Hof van Cassatie besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Is de betekening vermeld in de artikelen 4 tot en met 11 de hoofdwijze van betekening en de betekening rechtstreeks per post, vermeld in artikel 14, van bovenvernoemde verordening, een ondergeschikte wijze van betekening met dien verstande dat de eerstgenoemde wijze voorrang heeft op de tweede genoemde wijze, wanneer beide volgens de wettelijke bepalingen worden uitgevoerd?
- 2)
Gaat, in geval van cumulatie van betekening overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11, enerzijds, en rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14, anderzijds, voor de geadresseerde van de betekening, de termijn van hoger beroep in op de datum van de betekening gedaan overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en niet op de datum van de betekening overeenkomstig artikel 14?’
Prejudiciële vragen
Eerste vraag
19
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of er tussen de wijze van betekening door tussenkomst van instanties en de wijze van betekening per post een rangorde bestaat, zodat de eerstgenoemde wijze voorgaat boven de tweede indien beide betekeningen geldig zijn verricht.
20
Terstond moet worden opgemerkt dat niets in de tekst van de verordening erop duidt dat hierbij een rangorde tussen die twee wijzen van betekening is vastgesteld. Noch in de overwegingen van de considerans noch in de bepalingen wordt gesteld dat aan een in overeenstemming met de vereisten van de verordening gebruikte wijze van verzending en betekening een lagere rang wordt toegekend dan aan de wijze van betekening door tussenkomst van instanties.
21
Voorts blijkt uit de geest en het doel van de verordening, dat deze erop gericht is de daadwerkelijke verrichting van betekeningen en kennisgevingen van gerechtelijke stukken te waarborgen en tevens de rechtmatige belangen van de geadresseerden in acht te nemen. Hoewel alle in de verordening bedoelde wijzen van betekening in beginsel de inachtneming van die belangen kunnen verzekeren, moet het evenwel, gelet op dat doel, mogelijk zijn de ene of de andere wijze van betekening, dan wel gelijktijdig twee of meer van die wijzen te gebruiken, die gezien de omstandigheden van het betrokken geval het beste blijken te passen of het geschiktst te zijn.
22
Gelet op het voorgaande, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de verordening geen enkele rangorde vaststelt tussen de betekening door tussenkomst van instanties en de betekening per post, zodat het mogelijk is een gerechtelijk stuk op een van deze twee wijzen dan wel gelijktijdig op de twee wijzen te betekenen.
Tweede vraag
23
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter, voor het geval van cumulatie van de betekening door tussenkomst van instanties en de betekening per post, in wezen te vernemen van de datum van welke betekening moet worden uitgegaan om ten aanzien van de geadresseerde te bepalen wanneer een procestermijn in verband met een betekening begint te lopen.
24
De Oostenrijkse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de opmerkingen die zij bij het Hof hebben ingediend, betwijfelen of het Hof bevoegd is om die vraag te beantwoorden, aangezien het daarbij enkel gaat om de uitlegging van nationaal recht. Immers, wanneer een lidstaat de mogelijkheid biedt een gerechtelijke uitspraak op verschillende wijzen te betekenen, begint de beroepstermijn naar Belgisch recht in beginsel vanaf de eerste geldige betekening te lopen. Dit tijdstip wordt naar het recht van de aangezochte lidstaat en in elk geval naar nationaal recht bepaald.
25
In dit verband zij eraan herinnerd, dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen bijgevolg over de uitlegging van gemeenschapsrecht gaan, is het Hof in beginsel verplicht uitspraak te doen (zie met name arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C-379/98, Jurispr. blz. I-2099, punt 38, en 22 mei 2003, Korhonen e.a., C-18/01, Jurispr. blz. I-5321, punt 19).
26
De tweede vraag heeft betrekking op de relatie tussen de verschillende, bij de verordening voorgeschreven wijzen van betekening, en gaat dus over de uitlegging van gemeenschapsrecht.
27
Het Hof is derhalve verplicht uitspraak te doen.
28
Ten gronde blijkt om te beginnen uit het antwoord op de eerste vraag dat er geen rangorde tussen de betekening door tussenkomst van instanties en die per post bestaat.
29
Vervolgens moet worden opgemerkt dat om de bepalingen van de verordening die deze wijzen van betekening regelen, niet tot een dode letter te maken, alle rechtsgevolgen die met de geldige verrichting van een van die betekeningen verbonden zijn, in aanmerking moeten worden genomen, ook wanneer later een andere wijze van betekening is voltooid.
30
Ten slotte moet worden vastgesteld dat de verordening volgens punt 2 van de considerans tot doel heeft de verzending van gerechtelijke stukken met het oog op betekening of kennisgeving ervan, en dus ook het verloop van de gerechtelijke procedures te versnellen. Indien voor de berekening van een procestermijn wordt uitgegaan van de eerste betekening van het betrokken stuk, is de geadresseerde — voor wie die termijn geldt — dus verplicht eerder in rechte op te treden, zodat de bevoegde rechter op kortere termijn uitspraak kan doen.
31
Uit een en ander volgt, dat in geval van cumulatie van meerdere overeenkomstig de verordening verrichte betekeningen moet worden uitgegaan van de betekening die het eerst is verricht. Niets in de verordening verzet zich ertegen dat een dergelijke redenering op de relatie tussen de betekening door tussenkomst van instanties en de betekening per post wordt toegepast. In geval van cumulatie van die twee wijzen van betekening moet derhalve, om te bepalen wanneer voor de geadresseerde een procestermijn ingevolge een betekening begint te lopen, worden uitgegaan van de datum van de betekening per post, wanneer deze het eerste is verricht.
32
Die conclusie doet geenszins afbreuk aan de belangen van degene voor wie een gerechtelijk stuk is bestemd, aangezien de eerste geldige betekening hem de mogelijkheid biedt daadwerkelijk kennis van dat stuk te nemen en hem voldoende tijd laat om in rechte op te treden. Dat hetzelfde gerechtelijke stuk hem later op een andere wijze wordt betekend, neemt niet weg dat door de aanvankelijke betekening reeds aan die vereisten is voldaan.
33
Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat, in geval van cumulatie van een betekening door tussenkomst van instanties en een betekening per post, van de datum van de eerste geldig verrichte betekening moet worden uitgegaan om te bepalen wanneer voor de geadresseerde een procestermijn ingevolge een betekening begint te lopen.
Kosten
34
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat zij geen enkele rangorde vaststelt tussen de wijze van verzending en betekening als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 11 en die als bedoeld in artikel 14 daarvan, zodat het mogelijk is een gerechtelijk stuk op een van deze twee wijzen dan wel gelijktijdig op de twee wijzen te betekenen.
- 2)
Verordening nr. 1348/2000 moet aldus worden uitgelegd, dat in geval van cumulatie van de wijze van verzending en betekening als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 11 en die als bedoeld in artikel 14 daarvan, van de datum van de eerste geldig verrichte betekening moet worden uitgegaan om te bepalen wanneer voor de geadresseerde een procestermijn ingevolge een betekening begint te lopen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑02‑2006
Conclusie 17‑11‑2005
A. Tizzano
Partij(en)
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 17 november 200511.
Zaak C-473/04
Plumex
tegen
Young Sports NV
[verzoek van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]
‘Verordening nr. 1348/2000 — Betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken in lidstaten — Vormen — Veelvoud — Betekening door tussenkomst van door lidstaten aangewezen instanties — Betekening per post — Voorrang van een bepaalde wijze van betekening in geval van cumulatie’
1
Bij arrest van 22 oktober 2004 heeft het Hof van Cassatie van België (hierna: ‘Hof van Cassatie’) het Hof van Justitie krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG twee prejudiciële vragen voorgelegd over de uitlegging van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (hierna: ‘verordening nr. 1348/2000’ of ‘verordening’).2.
2
De Belgische rechter wenst in wezen te vernemen of verordening nr. 1348/2000 voorziet in een rangorde tussen de verschillende vormen van betekening, die daarbij worden geregeld. In het bijzonder vraagt die rechter of de betekening door tussenkomst van de door de lidstaten aangewezen instanties voorrang heeft boven de betekening rechtstreeks per post, en derhalve in geval van cumulatief gebruik van die twee vormen bepalend is voor de vaststelling van de datum van voltooiing van de betekening.
I — Toepasselijke bepalingen
A — Gemeenschapsrecht
3
Van mening dat het om ‘de goede werking van de interne markt’ te waarborgen, nodig is ‘de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen’ (overweging 2), heeft de Raad verordening nr. 1348/2000 vastgesteld.
4
Hoofdstuk II van de verordening voorziet in verschillende vormen voor de betekening (of kennisgeving) in een lidstaat van de uit een andere lidstaat afkomstige gerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken.
5
De eerste vorm is de betekening door tussenkomst van speciaal door de lidstaten aangewezen instanties die bevoegd zijn om de betrokken stukken te verzenden en te ontvangen (hierna: ‘betekening door aangewezen instanties’). De wijzen en termijnen van die vorm worden door de verordening uitvoerig geregeld (afdeling 1, artikelen 4 tot en met 11). Samengevat, wordt het te betekenen stuk, dat vergezeld gaat van de volgens een formulier opgestelde en naar behoren vertaalde aanvraag, door de verzendende instantie van een lidstaat verzonden naar de ontvangende instantie van een andere lidstaat. Na toezending van het betrokken ontvangstbewijs aan de verzendende instantie zorgt de ontvangende instantie voor de betekening overeenkomstig het recht van haar staat. Die instantie stelt vervolgens een certificaat betreffende de verrichte formaliteiten op, dat aan de verzendende instantie dient te worden toegezonden.
6
Behalve die eerste vorm bevat de verordening nog ‘andere wijzen’ van betekening (of kennisgeving) (afdeling 2), te weten:
- i)
betekening of kennisgeving langs consulaire of diplomatieke weg (artikelen 12 en 13);
- ii)
rechtstreekse betekening of kennisgeving per post (artikel 14; hierna: ‘betekening per post’);
- iii)
rechtstreekse betekening of kennisgeving (artikel 15).
7
Voorzover hier van belang, zij met name herinnerd aan artikel 14 inzake de betekening per post, dat luidt:
‘Elke lidstaat is bevoegd de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan zich in een andere lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post te doen verrichten.
Elke lidstaat kan, overeenkomstig artikel 23, lid 1, bepalen onder welke voorwaarden hij de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken per post aanvaardt.’
8
Portugal heeft verklaard betekeningen en kennisgevingen per post te aanvaarden voorzover zij worden verricht via een aangetekende brief met ontvangstbewijs en een vertaling overeenkomstig de bepalingen van de verordening is bijgevoegd.3.
B — Nationaal recht
9
Voorzover in casu van belang, zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 1051, eerste alinea, van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek (hierna: ‘Ger. Wb.’) de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is te rekenen vanaf de betekening van het vonnis. Die termijn wordt overeenkomstig artikel 55 Ger. Wb. verlengd met dertig dagen, wanneer de partij waaraan het vonnis is betekend, in België noch woonplaats noch verblijfplaats heeft.
10
Bovendien wordt artikel 40, eerste alinea, Ger. Wb. aangehaald, dat preciseert dat de betekening wordt geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst.
II — Feiten en procesverloop
11
De betrokken feiten worden in de verwijzingsbeschikking nogal onsamenhangend beschreven.
12
Uit die verwijzingsbeschikking kan niettemin worden opgemaakt dat het hoofdgeding een geschil tussen twee vennootschappen betreft: de Portugese vennootschap Plumex en de Belgische vennootschap Young Sports (hierna: ‘Young’).
13
In de bij de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk ingeleide procedure in eerste aanleg verkreeg Young een voor haar gunstig vonnis, dat zij op twee verschillende wijzen aan de tegenpartij liet betekenen.
14
Een eerste betekening geschiedde rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14 van de verordening. Meer bepaald, gaf Young de betekeningsakte op 12 oktober 2001 bij de post af, terwijl Plumex het ontvangstbewijs op 17 oktober 2001 terugzond.
15
Een tweede betekening, door tussenkomst van de door België en Portugal aangewezen instanties, werd op 6 november 2001 voltooid.
16
Tegen het op die wijze betekende vonnis heeft Plumex op 17 december 2001 hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep. Dit hoger beroep werd echter niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechter in hoger beroep nam de termijn voor hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg namelijk een aanvang op de dag na de totstandkoming van de eerste betekening (de betekening per post op 12 oktober 2001) en liep deze een maand en dertig dagen later, dus op 11 december 2001, af. Het hoger beroep van 17 december 2001 was derhalve te laat ingesteld.
17
Plumex, die het niet eens was met die redenering, heeft daarop beroep in cassatie ingesteld.
18
In het bijzonder betwist Plumex de beslissing van het Hof van Beroep om aan de betekening per post de voorrang te geven. Volgens Plumex is namelijk de betekening per post in het bij de verordening ingevoerde systeem een ‘secundaire’ wijze, waarvan slechts in buitengewone omstandigheden gebruik kan worden gemaakt; deze wijze zou in elk geval ondergeschikt zijn aan de hoofdwijze, namelijk de betekening overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11, en derhalve zou voor de bepaling van de datum waarop de beroepstermijn ingaat, laatstgenoemde wijze in aanmerking moeten worden genomen, ook wanneer de betekening reeds door de andere toegestane instrumenten is geschied. Derhalve zou in casu, aldus Plumex, de beroepstermijn pas op 6 november 2001 (datum van de ‘hoofdbetekening’) en niet op 12 oktober 2001 (datum van de ‘ondergeschikte’ betekening) zijn ingegaan.
19
Daar het Hof van Cassatie twijfelt aan de uitlegging van verordening nr. 1348/2000, heeft het besloten de behandeling van de bij hem aanhangige procedure te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
- ‘1)
Is de betekening vermeld in de artikelen 4 tot en met 11 de hoofdwijze van betekening en de betekening rechtstreeks per post, vermeld in artikel 14, van bovenvernoemde verordening, een ondergeschikte wijze van betekening met dien verstande dat de eerstgenoemde wijze voorrang heeft op de tweede genoemde wijze, wanneer beide volgens de wettelijke bepalingen worden uitgevoerd?
- 2)
Gaat, in geval van cumulatie van betekening overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11, enerzijds, en rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14, anderzijds, voor de geadresseerde van de betekening, de termijn van hoger beroep in op de datum van de betekening gedaan overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en niet op de datum van de betekening overeenkomstig artikel 14?’
20
In deze procedure hebben de Oostenrijkse, de Finse en de Zweedse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsmede de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
III — Juridische analyse
Eerste vraag
21
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of er tussen de betekening door tussenkomst van de door de lidstaten aangewezen instanties overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en de betekening per post als bedoeld in artikel 14 van de verordening een rangorde bestaat zodat de eerstgenoemde betekening als de hoofdwijze en de tweede als een minder belangrijke of ondergeschikte wijze moet worden beschouwd.
22
Ik merk terstond op dat ik met de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, en de Commissie de mening ben toegedaan dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Mijns inziens bestaat er dus geen rangorde tussen de twee genoemde wijzen van betekening en kan de betekening per post in plaats van of in aanvulling op de andere toegelaten wijzen worden gebruikt, zonder dat het noodzakelijk is daarvoor het vruchteloze gebruik van laatstgenoemde wijzen, in het bijzonder de betekening door tussenkomst van de door de lidstaten aangewezen instanties, af te wachten.
23
Dit ook door meeste auteurs gehuldigde standpunt wordt door argumenten van taalkundige en teleologische aard bevestigd.
24
Met betrekking tot eerstgenoemde argumenten kan worden volstaan met op te merken dat de verordening geen bepaling bevat die een rangorde tussen de verschillende wijzen van betekening aanbrengt. Integendeel, artikel 14, lid 1, verleent de lidstaten uitdrukkelijk de ‘bevoegdheid’ de betekening van gerechtelijke stukken ‘aan zich in een andere lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post te doen verrichten’. Bovendien wordt die ‘bevoegdheid’ geenszins afhankelijk gesteld van het voorafgaand gebruik van de andere wijzen, met name die welke in de artikelen 4 tot en met 11 is geregeld.
25
Die conclusie lijkt mij ook te stroken met het doel van verordening nr. 1348/2000, dat ‘de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, [wil] verbeteren en versnellen’ (overweging 2).
26
Dit doel zou zich volgens mij namelijk slecht verdragen met een oplossing die voorrang zou toekennen aan de betekening door tussenkomst van de door de lidstaten aangewezen instanties, aangezien die betekening naar haar aard (zie punt 5 supra) zeker niet de snelste procedure is. Omgekeerd, zou het nog minder verenigbaar met dat doel zijn om aan de betekening per post, die daarentegen de snelste en goedkoopste wijze is, een zuiver ondergeschikte rol toe te kennen, zodra is besloten dat dit als een volwaardige wijze van betekening wordt toegelaten (zie punt 6 supra).
27
Derhalve lijkt de tegenovergestelde uitlegging van de verordening logischer en meer in overeenstemming met dat doel; die uitlegging plaatst de verschillende toegestane wijzen van betekening op een voet van gelijkheid en maakt het de burgers dus mogelijk voor het gebruik van één van de wijzen te kiezen, waarbij zij van geval tot geval de voorkeur geven aan de wijze die het best past bij en het meest overeenstemt met hun specifieke doeleinden, dan wel deze gelijktijdig te gebruiken in de hoop dat althans een daarvan tot het gewenste resultaat leidt.4.
28
Gelet op het voorgaande, ben ik derhalve van mening dat verordening nr. 1348/2000 geen rangorde en ook geen voorrang tussen de betekening overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en de rechtstreekse betekening per post als bedoeld in artikel 14 invoert.
Tweede vraag
29
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke van de twee wijzen van betekening, in geval van cumulatief gebruik van de betekening overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en de betekening per post, voor de bepaling van de datum van de betekening in aanmerking moet worden genomen.
30
De Commissie en de Oostenrijkse regering hebben terecht opgemerkt dat de verordening op dit punt zwijgt, en zij leiden uit dat stilzwijgen af dat het antwoord op de vraag niet in de verordening maar in de afzonderlijke nationale rechtsorden moet worden gezocht. In geval van cumulatie moet derhalve om uit te maken welke betekening een bepaalde procestermijn (in casu de beroepstermijn) doet ingaan, een beroep worden gedaan op de aanwijzingen die dienaangaande uit het concreet toepasselijke nationale recht kunnen worden afgeleid.
31
Die oplossing schijnt mij echter niet erg te stroken met de ontwikkeling die de materie in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt en die niet alleen tot de geleidelijke ‘communautarisatie’ daarvan heeft geleid maar zelfs tot de regeling daarvan bij verordening.
32
Zoals bekend, hebben de lidstaten eerst het voornemen kenbaar gemaakt een gemeenschappelijke ‘ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te scheppen’ en hebben zij vervolgens besloten de daartoe noodzakelijke maatregelen in de mechanismen en de eigen beginselen van de communautaire rechtsorde te ‘verankeren’; met andere woorden, zij hebben de wil te kennen gegeven om de materie te ‘communautariseren’ en dus een ‘autonome uitlegging’ en een ‘eenvormige toepassing’ van de relevante regeling te verzekeren.5.
33
Juist met het oog op dit doel heeft het Verdrag van Amsterdam de bevoegdheid tot vaststelling van maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken van de ‘derde pijler’ van de Europese Unie, meer bepaald van titel VI van het EU-Verdrag (artikelen K-K.9), naar de ‘communautaire pijler’ overgebracht. Meer in het bijzonder heeft in dit verband een speciale gemeenschapshandeling de bepalingen overgenomen van het verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dat de Raad juist in het kader van de ‘derde pijler’ (met name in de zin van artikel K.3 EU-Verdrag) heeft voorgesteld, maar dat wegens het ontbreken van het vereiste aantal ratificaties nooit in werking is getreden.6.
34
Daarbij komt dat die handeling ook geen richtlijn is, zoals de Commissie aanvankelijk had voorgesteld.7. De Raad heeft zich namelijk van dat voorstel gedistantieerd en het andersluidende advies van het Europees Parlement opgevolgd, waarin de nadruk werd gelegd op het vereiste van een ‘snelle, duidelijke’ en vooral ‘homogene’ toepassing van de bepalingen ter zake8., en heeft aan die bepalingen liever de vorm van een verordening gegeven, dus een handeling die, zoals bekend, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. Dat is de reden voor de vaststelling van verordening nr. 1348/200, waarvan thans om uitlegging wordt verzocht.
35
Vanuit dat oogpunt lijkt het mij derhalve dat, ook wanneer daarover in de verordening niets wordt gezegd, de uitlegger er niet aan ontkomt, zoals zo vaak gebeurt9., na te gaan of het door middel van de gebruikelijke uitleggingsregels mogelijk is daaraan een ‘communautaire’ uitlegging te geven, dat wil zeggen een ‘autonome’ en ‘eenvormige’ uitlegging, in plaats van elke keer weer te rade te gaan met de afzonderlijke nationale rechtsorden.
36
Met de Finse en de Zweedse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk ben ik van mening dat bij een logische lezing van de betrokken verordening en gelet op haar uitdrukkelijke doelstellingen een dergelijke uitlegging niet kan worden uitgesloten.
37
Zoals gezegd, beoogt de verordening duidelijk de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening ervan, te ‘verbeteren’ en te ‘versnellen’ (overweging 2).
38
Vanuit dat oogpunt is het volstrekt logisch aan te nemen dat de verordening, door het rechtmatig gebruik van de verschillende aangegeven wijzen van betekening toe te staan zonder daartussen een rangorde aan te brengen, het systeem heeft willen verbeteren met het aanbod van een ruimer scala van mogelijkheden. Maar juist om die reden moet ook worden aangenomen dat de verordening het gevaar voor verwarring en onzekerheid niet heeft willen verhogen door die wijzen met betrekking tot de bepaling van de datum van de betekening onderling te laten wedijveren. Dat zou echter gebeuren indien, zonder dat de verordening daarvoor enige aanwijzing bevat, werd getwijfeld aan het natuurlijke en logische criterium volgens hetwelk voor de bepaling van de betrokken datum de eerste geldig verrichte betekening in aanmerking moet worden genomen.
39
Wat vervolgens het doel betreft om de verzending van de stukken te ‘versnellen’, wordt volgens mij de voorkeur gegeven aan het doel van de snelheid en doelmatigheid indien na de vaststelling dat geen rangorde tussen de verschillende wijzen bestaat, de voorrang daartussen wordt gebaseerd op het tijdstip van de betekening en niet op de gekozen vorm. Dat betekent met andere woorden dat voor het doel van de onderhavige zaak rekening moet worden gehouden met de betekening die met inachtneming van de voorgeschreven vormen het snelst is verricht en niet met die welke om de een of andere reden later is voltooid.
40
Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat verordening nr. 1348/2000 aldus moet worden uitgelegd, dat bij cumulatie van betekeningen waarvan de een overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en de andere rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14 is verricht, een gerechtelijk stuk wordt geacht te zijn betekend wanneer de eerste betekening geldig is verricht.
IV — Conclusie
41
Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van het Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, voert geen rangorde en ook geen voorrang in tussen de betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en de rechtstreekse betekening of kennisgeving per post overeenkomstig artikel 14.
- 2)
Verordening nr. 1348/2000 moet aldus worden uitgelegd, dat bij cumulatie van betekeningen waarvan de een overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 en de andere rechtstreeks per post overeenkomstig artikel 14 is verricht, een gerechtelijk stuk wordt geacht te zijn betekend wanneer de eerste betekening geldig is verricht.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑11‑2005
— Oorspronkelijke taal: Italiaans.
— PB L 160, blz. 37.
— Zie mededelingen van de lidstaten overeenkomstig artikel 23 van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB C 151 van 22 mei 2001, blz. 4), zoals gewijzigd bij de eerste bijwerking van de mededelingen van de lidstaten overeenkomstig artikel 23 van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB C 202 van 18 juli 2001, blz. 10).
— Opgemerkt zij dat een in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie over de toepassing van verordening nr. 1348/2000 ‘bevestigt dat de betekening of kennisgeving van de stukken vaak rechtstreeks per post geschiedt’[zie Rapport de la Commission au Conseil, au Parlement européen et au Comitééconomique et social européen sur l'application du règlement (CE) no 1348/2000 du Conseil relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile et commerciale (COM/2004/603, blz. 7)].
— Zie arrest van 8 november 2005, Leffler (C-443/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 45 en 46).
— Zie akte van de Raad van 26 mei 1997 tot vaststelling van het verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB C 261, blz. 1). Volledigheidshalve herinner ik er ook aan dat de materie vóór dat verdrag in internationale verdragen werd geregeld, inzonderheid het verdrag van 's‑Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, dat ook door het merendeel van de lidstaten van de Unie is ondertekend.
— Voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, ingediend door de Commissie (PB 1999, C 247 E, blz. 11).
— In zijn verslag over het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken [(1999)219 - C5-0044/1999 - 1999/0212(CNS), blz. 5] heeft het Parlement erop gewezen dat de ‘verordening, in tegenstelling tot de richtlijn, het voordeel biedt van een snelle, duidelijke en homogene toepassing van de communautaire tekst die overeenkomt met het nagestreefde doel’.
— Zie arrest Leffler, aangehaald in voetnoot 5.