Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/9.5
9.5 Verhouding tot de leer van Demogue-Besier en het leerstuk van hypothetische causaliteit
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586245:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader § 2.5.5 en 6.2.3.
Zie nader § 6.2.5.
Zie voor de problematiek van hypothetische causaliteit onder meer: HR 23 juni 1989,NJ 1990/441 (Kennis/Budel); HR 2 februari 1990,NJ 1991/292 m.nt. C.J.H. Brunner (Vermaat/Staat); HR 7 december 2001,NJ 2002/576 m.nt. J.B.M. Vranken (Leeuwarden/Los) en HR 23 december 2011,NJ 2012/377 m.nt. P. van Schilfgaarde (V. & P./DNB & AFM).
Koziol 212, p. 282, 283 en 169. Zie ook Lange & Schiemann 2003, p. 199 en Van Quickenborne 1972, p. 125 e.v.
468. De hiervoor uitgewerkte theorie van het rechtmatig alternatief is een variant op, wat in Nederland is gaan heten, de voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad verdedigde leer van Demogue-Besier. Volgens deze leer is causaal verband vereist, niet alleen tussen de onrechtmatige daad als geheel en de schade, maar ook tussen het onrechtmatige element of de onrechtmatigheid en de schade.1
In deze leer van Demogue-Besier ligt het belangrijke inzicht besloten dat in allerlei situaties waarin de laedens door een onrechtmatige daad schade voor de gelaedeerde heeft veroorzaakt terwijl de laedens dezelfde schade ook rechtmatig toegebracht had kunnen worden, het niet redelijk zou zijn wanneer de laedens voor deze schade aansprakelijk is. De inbedding van dit inzicht in het causaliteitsvereiste is echter om twee redenen ongelukkig. In de eerste plaats hangt het, zoals bleek in § 9.3, van allerlei omstandigheden af, onder meer van de met de geschonden norm beoogde bescherming, welke betekenis toekomt aan het gegeven dat dezelfde schade evengoed rechtmatig toegebracht had kunnen worden. Deze materie is daarom te ingewikkeld om in het causaliteitsvereiste onder te brengen.2 In de tweede plaats biedt het causaliteitsvereiste te weinig ruimte om aan de hand van dit inzicht aansprakelijkheid af te grenzen. Soms is het voor de laedens namelijk feitelijk onmogelijk om in de gegeven omstandigheden dezelfde schade rechtmatig toe te brengen, maar geldt wel dat dezelfde schade meer in het algemeen rechtmatig toebracht kan worden en daarom met de geschonden norm kennelijk niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.
Te denken valt aan de in nr. 430 behandelde zaak over aansprakelijkheid van een taxateur van een vastgoedportefeuille jegens de bank/opdrachtgever. De taxateur had in deze zaak de schade niet rechtmatig kunnen toebrengen omdat bij juiste taxatie de bank van het verlenen van de financiering had afgezien. Wel gold dat de bank, meer in het algemeen, na een juiste taxatie schade zou kunnen lijden, omdat gefinancierd onroerend goed dat geëxecuteerd moet worden door marktveranderingen in waarde is verminderd.
Ook in dit geval volgt uit het gegeven dat de schade rechtmatig had kunnen worden toegebracht dat het niet redelijk zou zijn om de schade toe te rekenen, maar laat zich dat niet in het causaliteitsvereiste inpassen.
469. Mijns inziens is het beter om dit inzicht dat in de leer van Demogue-Besier besloten ligt, in het kader van het relativiteitsvereiste of de schadetoerekening tot uitdrukking te brengen. Getoetst dient te worden of uit het gegeven dat de schade zoals geleden ook rechtmatig kan worden toegebracht, volgt dat de geschonden norm kennelijk niet tegen deze schade beoogt te beschermen en of een redelijke grens aan aansprakelijkheid bereikt wordt door de voorliggende situatie te vergelijken met schadesituaties waartegen de geschonden norm wel beoogt te beschermen en schadesituaties waarin de schade rechtmatig wordt toegebracht.
470. De problematiek van het rechtmatig alternatief vertoont verder een zekere gelijkenis met het leerstuk van de hypothetische causaliteit.3 Koziol schreef hierover:
“[T]he two problem areas are (…) not identical but do have value judgment parallels: in both cases the issue is that wrongful and culpable behavior has really brought about harm, which would otherwise have been caused by an event not giving rise to liability. The difference is merely that in the case of supervening cause [hypothetische causaliteit] the second event actually does happen whereas in cases of lawful alternative behavior it remains hypothetical. (…) In the latter case, therefore, the prevailing view is that there is no causation issue but instead another kind of liability problem: this concerns the link between the unlawfulness and the resulting consequences.”4
De vraag hoe deze probleemgebieden samenhangen en van welke “value judgment parallels” sprake is, laat ik hier verder rusten.