Rb. Rotterdam, 16-07-2021, nr. 7339698 CV EXPL 18-48114
ECLI:NL:RBROT:2021:6772
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
16-07-2021
- Zaaknummer
7339698 CV EXPL 18-48114
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2021:6772, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 16‑07‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2019:9480, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 06‑12‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 16‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Na bewijslevering is niet komen vast te staan dat verzekerd evenement (autodiefstal) zich heeft voorgedaan, registratie in interne registers gerechtvaardigd
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
Zaaknummer: 7339698 CV EXPL 18-48114
Uitspraak: 16 juli 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser bij exploot van dagvaarding van 5 november 2018,
verweerder in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. J. van Andel te Woerden,
tegen
de naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V.,
gevestigd te Brussel (België) en kantoorhoudende te Rotterdam,
gedaagde,
eiseres in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. A.S. Bloo-Kroes te Arnhem.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ respectievelijk ‘Allianz’.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
1.1
Het (verdere) procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
- -
het vonnis van 6 december 2019 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- -
de brief van 28 januari 2020 van de gemachtigde van [eiser] ;
- -
het proces-verbaal van het op 17 november 2020 gehouden getuigenverhoor;
- -
het proces-verbaal van het op 16 februari 2021 gehouden getuigenverhoor;
- -
de brief van 10 maart 2021 van de gemachtigde van Allianz;
- -
de conclusie na enquête van [eiser] ;
- -
de antwoordconclusie na enquête van Allianz.
1.2
De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
in conventie
2.1
Bij gemeld vonnis heeft de kantonrechter [eiser] toegelaten tot het leveren van bewijs, met alle middelen rechtens, van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal in de periode tussen 28 februari 2018 en 1 maart 2018 heeft plaatsgevonden.
2.2
Ter invulling van die bewijsopdracht heeft [eiser] (uiteindelijk) een viertal personen als getuige doen horen, te weten (achtereenvolgens) zichzelf, zijn echtgenote [naam 1] , [naam 2] en zijn broer [naam 3] . Allianz heeft afgezien van het houden van een contra-enquête. Beoordeeld dient thans te worden of [eiser] met het door hem aangedragen bewijs, ook in onderling verband bezien, geslaagd is in de hem verstrekte bewijsopdracht. In verband daarmee wordt het volgende overwogen.
2.3
[eiser] zelf heeft onder verband van de eed onder meer het volgende verklaard:
“(…) Bij de aankoop heb ik één sleutel van de auto gekregen. U vraagt me of ik aan de verkoper nog gevraagd heb om een tweede sleutel. Dat vraag ik eigenlijk altijd standaard als ik een nieuwe auto koop. Die tweede sleutel had de verkoper niet. Hij heeft mij wel genoemd dat er een sleutel bijgemaakt kon worden maar dat zou zo’n €400 tot €500 kosten. Ik heb het uitgesteld om dat te doen en daarna is het er niet meer van gekomen.
Ik ben de laatste geweest die met de auto heeft gereden. Ik heb in mijn gesprek met de onderzoeker van Allianz verteld dat ik op 28 februari 2018 om ongeveer 22.00 uur de auto heb geparkeerd. Ik wist niet meer het exacte tijdstip, het kan ook 23.00 uur geweest zijn. Ik heb dat tijdstip dus geschat. Ik ga ervan uit dat ik de auto nadat ik die had geparkeerd op de parkeerplaats in de straat waar mijn woning is gelegen, had afgesloten. (…)
De volgende ochtend wilde ik met de auto naar mijn werk gaan en zag ik dat de auto er niet meer stond. Ik voelde me een beetje paniekerig en er schoot de gedachte door mijn hoofd of ik de auto op een ander plekje had neergezet dan waar ik meende dat ik hem had neergezet. De volgende gedachte was; nee, de auto staat niet meer op de plaats waar ik hem de avond daarvoor had neergezet.
Zoals gezegd wilde ik met de auto naar mijn werk gaan. De zaak gaat open om 10.00 uur. Een collega is er dan al en ik ben altijd wat later. U zegt me dat ik in de aangifte bij de politie heb genoemd dat ik om 10.00 uur / 10.30 uur op 1 maart 2018 ontdekte dat de auto niet meer stond waar ik hem had geparkeerd. Die tijdstippen zouden kunnen kloppen. (…)
In de dagen daarna heb ik de buren gevraagd of zij de auto in de avond van 28 februari 2018 hebben zien staan en of hen iets bijzonders was opgevallen. Die buren, [naam 2] en [naam 4] hebben verteld aan mij dat zij de auto die avond nog hebben zien staan en dat ze hem de volgende ochtend niet meer hebben zien staan.
Mijn broer, [naam 3] die bij mij thuis woont, heeft mij verteld dat hij de auto de ochtend van 1 maart 2018 niet meer heeft zien staan en dat hij dacht dat ik al eerder met de auto die ochtend was weggegaan.
Ik heb erover nagedacht hoe het kan dat de onderzoeker in zijn rapport constateert dat er op enig moment nadat ik de auto zou hebben geparkeerd op 28 februari 2018 nog een signaal vanuit de auto is gekomen dat hij via het uitlezen van de sleutel heeft kunnen registreren. Ik heb er ook met mijn echtgenote over gesproken. Bij ons allebei zijn er een heleboel vraagtekens bij wat deze onderzoeker in zijn rapport heeft genoteerd.
(…)
De auto is gestolen, zeker.
Mr. Van Andel vraagt me of iemand nog de sleutel van de auto heeft gebruikt nadat ik de auto had geparkeerd. Dat is niet het geval. Ik heb de sleutel in mijn jas gelaten die bij de voordeur op de begane grond aan de kapstok hangt.
(…)
Ik heb de auto geparkeerd, vanuit mijn woning gezien, rechts daarvan. Ik weet niet in het hoeveelste parkeervak vanuit mijn woning gerekend. Dat kan het tweede, het derde of het vierde vak zijn. Ik parkeer mijn auto niet op een vaste plek maar moet altijd zoeken in de straat of er een plekje is. Er staan altijd ook andere auto’s geparkeerd in die parkeervakken. Het moet dus zo zijn dat dat ook die avond zo was.
Toen ik ’s avonds op 28 februari 2018 de auto in mijn straat parkeerde was ik alleen. Nogmaals zeg ik dat het opgegeven tijdstip van 22.00 uur een schatting was en dat het ook 23.00 uur kan zijn geweest dat ik de auto parkeerde.
(…)”.
2.4
Zijn echtgenote, [naam 1] , heeft onder verband van de belofte onder meer het volgende verklaard:
“(…)
Woensdag 28 februari 2018 kwam mijn man thuis. We hebben geen klok in de woonkamer, waarop ik zelf kon zien hoe laat dat precies was. Ik weet van hem dat hij omstreeks 22:00 uur thuis kwam. Meestal parkeert hij de auto voor de deur. Ik rij zelf ook in de auto. Niet dat ik weet heeft hij die avond iets over de auto verteld.
De volgende ochtend ging mijn man naar buiten en kwam daarna weer naar binnen en vertelde me dat de auto er niet meer was. Dat had ik nog niet zelf geconstateerd voordat mijn man naar buiten ging. Ik ben zelf naar buiten gegaan en zag dat de auto er niet meer was. (…)
U vraagt me naar de reactie naar mijn man toen hij terug binnen kwam en me vertelde dat de auto er niet meer was. Mijn man reageerde heel geschrokken, boos en toonde emoties. Ik weet dat hij de politie gebeld heeft maar ik weet niet meer of dat direct is gebeurd. Het is immers 2,5 jaar geleden dat dit speelde. Ik weet wel dat hij diezelfde dag, dus 1 maart 2018, de politie heeft gebeld. Ik weet nu niet meer of hij ook bij de politie is langs geweest of dat hij ze alleen telefonisch heeft gesproken. Volgens mij heeft mijn man diezelfde dag de verzekering gebeld. Die verzekering is Allianz.
Nadat mijn man op 28 februari 2018 thuis kwam heb ik niet meer gereden met de auto. Ik weet zeker dat mijn man de auto niet meer heeft uitgeleend die dag.
Wij hebben van de auto één sleutel. Ik weet niet waarom er maar één sleutel was.
(…)
Mijn schoonbroer en de buurman hebben de auto die avond van de 28ste zien staan. Ik heb alleen mijn schoonbroer daarover gesproken. Die schoonbroer is [naam 3] .
Ik heb het hem zelf gevraagd. Ik zou niet meer weten nu of ik mijn schoonbroer heb gevraagd hoe laat hij de auto nog had gezien. De buurman heb ik niet specifiek gesproken. Ik weet via mijn man die hem wel heeft gesproken dat de buurman de auto die avond nog heeft zien staan.
Mijn man heeft met mij gesproken over het onderzoek dat namens Allianz is uitgevoerd aan de sleutel van de auto. Ik kan zeggen dat er met de auto niet meer is gereden nadat mijn man op de 28ste bij de woning had geparkeerd. U vraagt me of ik er een verklaring voor heb dat de onderzoeker in zijn rapport heeft opgenomen dat bij het uitlezen van de sleutel er een signaal vanuit de auto kon worden geregistreerd. Het kan zijn dat ons zoontje vanuit de woning aan de knoppen van de afstandsbediening van de auto heeft gezeten. Ons zoontje was volgens mij toen 2 jaar oud. Hij loopt dan rond dat tijdstip 22:00 uur nog rond wanneer hij de volgende dag niet naar de peuterspeelzaal gaat. Kinderen van die leeftijd pakken alles.
De sleutel van de auto wordt bewaard in de jaszak van mijn man bij de kapstok bij binnenkomst van de woning.
(…)
Mr. Van Andel vraagt me of de auto volgens mij gestolen is. Ik antwoord daarop: ja.
U vraagt me waarop mijn stellige antwoord is gebaseerd.
Mijn man zat met mij thuis en wij hadden de sleutel van de auto dus is de auto gestolen.
(…)
Op 1 maart 2018 waren mijn man en ik samen thuis.”
2.5
[naam 2] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“Ik ken de heer [eiser] omdat hij mijn buurman is van 2 huizen verder.
Ik woon al meer dan 25 jaar in de straat waar [eiser] inmiddels ook al een tijdje woont. Hij woonde daar zeker al op 1 januari 2018. Ik weet dat hij in het bezit was van een BMW.
(…)
Ik weet dat [eiser] aangifte van diefstal van de BMW heeft gedaan. Hij heeft mij dat verteld. Ik kwam hem de volgende dag tegen bij het winkelcentrum toen hij mij vroeg of ik de BMW de avond tevoren nog had zien staan. Hij vertelde mij toen dat de auto weg was. Ik heb hem verteld dat ik de BMW nog heb zien staan rond 12 uur ’s nachts toen ik mijn hondje uitliet. Mijn hondje, een teckel op leeftijd die doof en blind was, moest ik vaak uitlaten en vanwege de ouderdom van het hondje deed ik dan een klein rondje in de straat. Standaard ging ik tussen 23:00 – 00:00 uur met het hondje naar buiten om hem uit te laten.
Ik ben oplettend en ik ben altijd thuis door mijn ziekte. Ik weet wie van de buren en van de mensen uit de straat thuis zijn en van wie welke auto is. Met elkaar letten wij best wel op in de straat wat daar gebeurt. Ik hou de boel ook altijd in de gaten. Dat we met zijn allen goed opletten heeft er ook mee te maken dat buurman [naam 4] die een klusbedrijf heeft, bussen van zijn klusbedrijf in de straat heeft staan die wel eens zijn opengebroken.
De BMW van [eiser] was best wel een opvallende auto in die zin dat de auto modern was. De meeste buren hebben oudere automodellen.
U vraagt mij waar ik de auto geparkeerd heb zien staan toen ik mijn hondje ’s nachts uitliet. Ik leg u dat uit. Als ik met mijn rug tegen mijn huis aan sta woont [eiser] links van mijn huis. De BMW stond aan de rechterkant vanuit mijn huis gezien geparkeerd richting het winkelcentrum, langs de straat aan de huizenkant. We hebben in onze straat geen vaste parkeerplekken. (…)
Om 06:00 uur ben ik weer gaan lopen buiten met mijn hondje en toen was de straat vrijwel leeg. De buurman met de bussen was ook al weg; hij vertrekt meestal rond 05:30 uur. [eiser] heeft mij toen hij mij sprak in het winkelcentrum nog wel gevraagd of ik de BMW die ochtend nog had zien staan. Ik heb hem gezegd dat ik dat niet echt met 100% zekerheid kon zeggen. (…)
(…)”.
2.6
[naam 3] heeft, ten slotte, na aflegging van de belofte onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben de broer van [eiser] . Ik zal hem verder in mijn verklaring [eiser] noemen. Ik heb een tijd lang bij mijn broer [eiser] gewoond aan de [adres] . Ik woonde ook begin 2018 bij [eiser] en mijn schoonzus [naam 1] . Sinds kort ben ik getrouwd en woon nu op mijzelf.
(…)
Toen ik destijds op 1 maart 2018 ’s avonds thuiskwam heb ik van mijn schoonzus [naam 1] als eerste gehoord dat de auto gestolen was. Later toen ook mijn broer thuiskwam heeft hij mij dat ook gezegd.
Voor mijn werk ga ik altijd vroeg de deur uit. Ik ben van de straat wel de eerste die ’s ochtends vertrekt. De auto’s staan in een lange rij langs de straat geparkeerd. Ik ga ’s morgens tussen 04:30 en 04:45 uur de deur uit om naar mijn werk in Woerden te gaan. Ik wil altijd 15 tot 10 minuten voor aanvang van mijn werkzaamheden op het werk aanwezig zijn. Ik ben werkzaam als vrachtwagenchauffeur en heb elke dag andere rijtijden. Wel is het zo dat ik altijd uiterlijk 05:30 uur met mijn werkzaamheden ben gestart.
Ik ben de ochtend van 1 maart 2018 zoals gezegd vroeg naar mijn werk gegaan en liep de deur uit van de Anton Mauvestraat 6 om naar mijn auto te lopen. Ik zag dat de plaats waar ik de avond tevoren de BMW van [eiser] heb zien staan leeg was. U vraagt mij wat ik dacht. Ik antwoord daarop dat het mij opviel dat de BMW van mijn broertje er niet stond en dat ik dacht dat hij wel vroeg de deur zal zijn uitgegaan. Zoals gezegd ben ik wel de eerste van onze straat die ’s ochtends vroeg naar het werk vertrekt. Het was nog druk in de straat met geparkeerde auto’s. Zoals gezegd was het vak waar ik de BMW van mijn broer de avond tevoren had zien staan leeg.
Ik heb er verder niet bij stil gestaan en ben doorgelopen naar mijn auto die verderop in de straat geparkeerd stond, een stukje verder dan waar ik de avond tevoren de BMW geparkeerd had zien staan, om naar mijn werk te gaan met mijn auto.
In onze straat stonden in die tijd 2 leuke auto’s. Een daarvan was de BMW van mijn broer en verder stond er een leuke sportieve VW Golf, weliswaar met schade maar zo had een van de buren hem gekocht om vervolgens op te knappen. Omdat ik zelf autoliefhebber ben vielen leuke auto’s mij op.
U vraagt mij of ik de BMW van [eiser] de avond tevoren geparkeerd heb zien staan. Ik antwoord daarop bevestigend en vertel u het volgende. Mijn moeder woont op enkele minuten lopen, minder dan 5 minuten, van de [adres] Ik ben ‘s avonds bij haar langsgegaan en heb het laat gemaakt. Mijn vader was op 14 december 2017 overleden en mijn moeder was alleen en ik wilde haar zoveel mogelijk steunen. U vraagt mij hoe laat ik het heb gemaakt. Volgens mij was het zo’n 22:30 – 23:00 uur dat ik naar huis ben gaan lopen. Dat is voor mij laat omdat ik de volgende dag vroeg aan het werk moest. Toen ik vanaf mijn moeder naar huis liep heb ik de BMW van [eiser] geparkeerd zien staan op de plek halverwege de straat waar ik hem de volgende ochtend vroeg niet meer zag. U vraagt mij die plek nog wat preciezer te omschrijven. De auto’s kun je in de straat in een lange rij parkeren. Er zijn veel auto’s en er is niet veel parkeergelegenheid. De buurman is timmerman en heeft busjes in de straat staan van zijn bedrijf. Diens zoon heeft een klusbedrijf en heeft ook een bus in de straat staan. De BMW van [eiser] stond die avond midden in de straat, vanuit het huis lopend rechtsaf een paar auto’s verderop, want dan zit je al midden in de straat.
(…)”.
2.7
Van belang is allereerst om op te merken dat aan de getuigenverklaring van [eiser] beperkte bewijskracht toekomt nu hij partijgetuige is. Artikel 164 lid 2 Rv bepaalt immers dat de verklaring van een partij omtrent door haar te bewijzen geen bewijs in haar voordeel kan opleveren tenzij deze verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [naam 1] , nu zij, de echtgenote van [eiser] , als direct belanghebbende moet worden aangemerkt. Aan de verklaring van de de broer van [eiser] , [naam 3] , en die van [naam 2] komt in beginsel (wel) volledige bewijskracht toe.
2.8
Meer inhoudelijk stelt de kantonrechter vast dat geen van de als getuige gehoorde personen (daadwerkelijk) heeft gezien of heeft gehoord dat de auto in de periode tussen 28 februari 2018 en 1 maart 2018 werd gestolen terwijl ook niet in geschil is dat daar waar [eiser] volgens zijn verklaring de auto op de avond van 28 februari 2018 zou hebben geparkeerd en achtergelaten, geen braaksporen (zoals glasscherven) zijn aangetroffen. Ook [naam 2] , die volgens zijn getuigenverklaring ‘ook altijd de boel goed in de gaten houdt’, heeft niet verklaard iets te hebben meegekregen van een omstandigheid die wijst op diefstal van de onderhavige auto die volgens [eiser] die avond/nacht heeft plaatsgevonden.
2.9
Uit het op 1 maart 2018 opgemaakte proces-verbaal van aangifte (productie 4 bij dagvaarding) blijkt dat [eiser] toen, op het moment dat de door hem gestelde diefstal enkele uren daarvoor door hem was ontdekt, heeft verklaard dat hij de auto de avond ervoor om 22.00 uur geparkeerd heeft zien staan in een parkeervak nabij zijn woning. Dat heeft hij ook schriftelijk verklaard in het door hem op 9 maart 2018 ondertekende vragenformulier (productie 1 van Allianz) en dat tijdstip heeft nog eens bij gelegenheid van het kort daarna, op 3 april 2018, door een medewerker van het Team Speciale Zaken (‘TSZ’) van Allianz aan hem afgelegde bezoek bevestigd (productie 5 bij dagvaarding). Volgens zijn (recente) getuigenverklaring heeft hij bij dat bezoek dit tijdstip toen geschat en ‘kan het ook 23.00 uur zijn geweest’, maar dat komt de kantonrechter weinig geloofwaardig voor, dit nu in beginsel meer waarde mag worden gehecht aan de verklaring die hij een kleine twee jaar eerder, op de dag van de ontdekking van de gestelde diefstal, tegenover de verbalisant heeft afgelegd en ook aan zijn schriftelijke verklaring van 9 maart 2018, terwijl zijn echtgenote [naam 1] bovendien als getuige heeft verklaard dat zij van [eiser] zelve heeft begrepen dat hij de avond van 28 februari 2018 omstreeks 22.00 uur thuiskwam. Bovendien heeft hij geen enkele verklaring, laat staan onderbouwing, gegeven voor zijn nu ingenomen standpunt dat het, anders dan hij eerder verklaard had, ‘ook 23.00 uur kan zijn geweest’, terwijl dat hier toch op zijn weg had gelegen.
2.10
Het voorgaande is van belang omdat uit het in opdracht van Allianz door Koenders Identificatie Techniek uitgevoerde onderzoek naar de (enige) door [eiser] aan Allianz afgegeven autosleutel (productie 2 van Allianz) volgt dat op 1 maart 2018 nog een update vanuit de auto naar de sleutel is geregistreerd, dat deze sleutel na 28 februari 2018 23.00 uur nog in het voertuig is gebruikt (en dus niet veroorzaakt kan zijn doordat het tweejarig kind van [eiser] destijds de sleutel in de woning zou hebben bediend) en dat met de auto nog een afstand van zes kilometer is gereden (zie r.o. 5.5 van het vonnis van 6 december 2019). Die bevindingen zijn bepaald niet te rijmen met de door [eiser] aan Allianz geschetste feitelijke toedracht, inhoudende dat hij de auto op 28 februari 2018 te 22.00 uur geparkeerd heeft (zien staan) en daarna niet meer heeft gebruikt, om er de volgende ochtend achter te komen dat deze was gestolen, terwijl de enige sleutel daarvan al die tijd in zijn bezit (althans in zijn woning) is geweest. Een en ander wijst er veel meer op dat de autosleutel na 22.00 uur op 28 februari 2018, nadat hij de auto had geparkeerd, door [eiser] zelf of met zijn instemming dan wel medeweten is gebruikt om de auto te verplaatsen.
2.11
Weliswaar staan hiertegenover de verklaringen van [naam 3] en [naam 2] , volgens welke de auto op 28 februari 2018 om (circa) 23.00 uur respectievelijk middernacht nog geparkeerd zou hebben gestaan, maar dat is hier naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om voormeld technisch bewijs te ontzenuwen, waarbij ook meegewogen heeft dat die verklaringen eerst (bijna) twee jaar na dato zijn afgelegd.
2.12
Een en ander leidt de kantonrechter tot de slotsom dat [eiser] het van hem verlangde bewijs niet heeft geleverd. Daarom is niet komen vast te staan dat de gestelde diefstal in de periode tussen 28 februari 2018 en 1 maart 2018 heeft plaatsgevonden, of, in andere woorden, dat zich toen een verzekerd evenement (autodiefstal) heeft voorgedaan. Het andersluidende standpunt van [eiser] wordt derhalve als onbewezen verworpen.
2.13
Daarmee is de grondslag aan het door hem jegens Allianz gevorderde bedrag komen te ontvallen, terwijl niet in geschil is dat Allianz ter uitvoering van het (nadien als ingetrokken aangemerkt) verstekvonnis (zie 1.2 van het vonnis van 6 december 2019) de door haar gedane registraties van [eiser] in het IVR (het Intern Verwijzingsregister) en het Incidentenregister al ongedaan heeft gemaakt. Zijn vorderingen worden dan ook afgewezen.
in reconventie
2.14
Gezien de uitkomst van de procedure in conventie is aan de voorwaarde waaronder Allianz haar tegenvorderingen heeft ingesteld (te weten dat in conventie geoordeeld zou worden dat Allianz niet gehouden is dekking te verlenen omdat niet gebleken is dat zich een verzekerd evenement heeft voorgedaan) voldaan. Met die uitkomst is ook gegeven dat [eiser] gehouden is het door hem op basis van het eerder gewezen maar vervolgens met instemming van beide partijen als ingetrokken beschouwd verstekvonnis (zie hiervoor) van Allianz ontvangen bedrag van € 13.759,06 uit hoofde van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) te restitueren. De daartoe strekkende vordering is dan ook toewijsbaar.
2.15
Met betrekking tot de door Allianz gevorderde bepaling dat zij [eiser] opnieuw in haar interne registers, te weten het Intern Verwijzingsregister en het Incidentenregister, mag registreren, wordt vooropgesteld dat het oordeel in conventie de conclusie wettigt dat [eiser] Allianz in het kader van de door hem bij haar neergelegde verzekeringsclaim in meer dan onbetekenende mate niet juist en volledig heeft geïnformeerd door -kort gezegd- bij Allianz te melden dat zijn auto is gestolen en haar te verzoeken zijn schade te vergoeden terwijl van de gegrondheid van die claim na technisch onderzoek en bewijslevering niet is gebleken. Dat rechtvaardigt het oordeel dat [eiser] jegens Allianz in de op grond van artikel 7:941 lid 2 BW op hem rustende inlichtingenplicht tekortgeschoten is.
2.16
Allianz heeft voor wat betreft de door haar voorgestane registratie van [eiser] in het Intern Verwijzingsregister onweersproken gesteld en toegelicht dat de rechtmatigheid van registraties in dit register (nog, gezien de datum van de gestelde diefstal) moet worden beoordeeld aan de hand van de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen, dat deze gedragscode door de (thans) Autoriteit Persoonsgegevens is getoetst en beoordeeld is als een juiste uitwerking van (thans) de Algemene Verordening Gegevensbescherming, dat het doel van deze interne registratie, namelijk het voorkomen dat Allianz nogmaals een verzekering met [eiser] aangaat, ziet op zowel het waarborgen van de veiligheid en kwaliteit van de financiële sector als op het beoordelen en accepteren van de cliënt, dat er voor Allianz geen andere (efficiënte en effectieve) manier dan deze interne registratie is om deze doelen te bereiken en dat uit de toelichting bij de gedragscode blijkt dat ook geregistreerd mag worden als sprake is van een ‘vermoeden’ dat een bepaald persoon betrokken is bij een vorm van fraude, waarvan hier volgens haar sprake is. Deze interne registratie voldoet bovendien, aldus Allianz, aan de eis van proportionaliteit: het register staat slechts open voor die medewerkers van Allianz die volgens haar afdeling Veiligheidszaken aan dat register mogen toetsen terwijl een interne registratie [eiser] ook niet belemmert bij het afsluiten van een verzekering, nu hij zich eenvoudig kan wenden tot iedere andere verzekeraar. Allianz betwist dan ook dat [eiser] door zijn registratie in het Intern Verwijzingsregister onevenredig in zijn belangen wordt geraakt.
2.17
Tegen de achtergrond van dit toetsingskader bezien overweegt de kantonrechter dat in dit geval, gezien de hiervoor besproken uitkomst van de procedure in conventie, niet gezegd kan worden dat Allianz een gerechtvaardigd belang ontbeert om [eiser] in haar Intern Verwijzingsregister op te nemen terwijl [eiser] ook geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot de conclusie nopen dat zijn belang niet in dat register te worden opgenomen hier zwaarder weegt dan het belang van Allianz hem daarin wel te registreren. De door hem ter zake aangevoerde omstandigheid dat hij daardoor geen verzekering meer bij Allianz of haar dochtermaatschappijen zal kunnen afsluiten, is daarvoor ontoereikend.
2.18
Met betrekking tot de door Allianz voorts voorgestane registratie van [eiser] in het Incidentenregister heeft zij onbestreden naar voren gebracht en toegelicht dat dit register slechts zeer beperkte externe werking heeft, nu de daarin opgenomen gegevens strikt vertrouwelijk dienen te worden behandeld en in beginsel slechts toegankelijk zijn voor de afdeling Verzekeringszaken van de betrokken verzekeraar. De rechtmatigheid van opnames in dit register wordt aan de hand van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen beoordeeld terwijl dit register wordt beheerd door het Team Speciale Zaken (TSZ) van Allianz. De verwerking van gegevens in dat protocol heeft (volgens artikel 4.1.1 daarvan) tot doel de veiligheid en integriteit van de financiële sector te waarborgen, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche alsook van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen tot) strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften en op het gebruik van en deelname aan waarschuwingssystemen. Volgens dit protocol kan ook een mogelijk incident opname in dit register rechtvaardigen, zodat ook het bij een verzekeraar bestaan van een redelijk vermoeden van een incident voldoende is voor een registratie in dit register. Nu [eiser] , aldus nog steeds Allianz, een onware opgave heeft gedaan van de diefstal(schade), nu de door hem afgelegde verklaringen niet (allemaal) juist zijn, heeft hij op hem rustende inlichtingenplicht geschonden en is zijn registratie in dit register gerechtvaardigd. Die voldoet volgens haar ook aan de eisen van proportionaliteit, nu de registratie is gemaximeerd tot acht jaar.
2.19
Gegeven dit toetsingskader kan, gelet op de hiervoor onder 2.15 getrokken conclusie, niet gezegd worden dat Allianz geen recht of belang heeft bij registratie van [eiser] in het Incidentenregister, terwijl hij ook geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn belang daarin niet te worden opgenomen hier zwaarder zou moeten wegen dan dat van Allianz hem daarin wel te registreren. Ook hier geldt dat de door hem ter zake aangevoerde omstandigheid dat hij daardoor geen verzekering meer bij Allianz of haar dochtermaatschappijen zal kunnen afsluiten, daarvoor ontoereikend is.
2.20
Hierna zal dan ook worden bepaald dat het Allianz is toegestaan [eiser] (opnieuw) in het Intern Verwijzingsregister alsook in het Incidentenregister te registreren.
2.21
Derhalve resteert te beoordelen de door Allianz jegens [eiser] ingestelde vordering strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 466,94 (inclusief btw) met betrekking tot de door haar gemaakte kosten van het door haar ingeschakelde Koenders Identificatie Techniek (zie onder 2.10 hiervoor) voor het onderzoeken van de autosleutel, waartoe Allianz heeft gewezen op de door haar als productie 9 overgelegde factuur van 13 juli 2018, gericht aan Allianz Nederland Schadeverzekering N.V.
2.21
Dienaangaande wordt herhaald (zie immers 2.15) dat het oordeel in conventie de conclusie wettigt dat [eiser] Allianz in het kader van de door hem bij haar neergelegde verzekeringsclaim in meer dan onbetekenende mate niet juist en volledig heeft geïnformeerd door -kort gezegd- bij Allianz te melden dat zijn auto is gestolen en haar te verzoeken zijn schade te vergoeden terwijl van de gegrondheid van die claim na technisch onderzoek en bewijslevering niet is gebleken, en dat dit de conclusie rechtvaardigt dat [eiser] jegens Allianz in de op grond van artikel 7:941 lid 2 BW op hem rustende inlichtingenplicht tekortgeschoten is. Hij is daarom op de voet van artikel 6:74 BW gehouden haar de als gevolg daarvan ontstane schade te vergoeden. Daaronder vallen kosten als hier door Allianz gevorderd, nu deze naar het oordeel van de kantonrechter kwalificeren als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW.
2.22
[eiser] heeft ter zake bij conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat hij de ter zake in rekening gebrachte btw (sowieso) niet verschuldigd is omdat Allianz die kan verrekenen en de btw voor haar daarom geen schade vormt en bij conclusie van dupliek in reconventie dat de nota niet aan Allianz maar aan ‘Allianz Nederland Schadeverzekeringen N.V.’, niet zijnde (deze) Allianz, is gericht alsook dat uit het overgelegde betaalbewijs ook bepaald niet blijkt dat zij deze nota heeft voldaan.
2.23
Met betrekking tot die btw heeft Allianz vervolgens als productie 12 een ‘printscreen’ van de website van de belastingdienst in het geding gebracht, waaruit, bij het onderdeel ‘Vrijstelling voor verzekeringen en diensten voor tussenpersonen’, blijkt dat, zoals hier aan de orde, schade-expertisediensten met btw worden belast. In reactie hierop heeft [eiser] weliswaar aangevoerd dat Allianz hier geen tussenpersoon is, maar dat is ontoereikend om te kunnen concluderen dat btw over schade-expertisediensten voor haar wel verrekenbaar zou zijn en daarom voor haar geen schadepost zou vormen. Dit verweer van [eiser] wordt daarom verworpen.
2.24
Hetzelfde geldt voor zijn verweer dat -kort gezegd- de nota niet aan (deze) Allianz is gericht en dat uit het betaalbewijs ook niet blijkt dat (juist) zij deze heeft betaald. Daartoe overweegt de kantonrechter enerzijds dat zij dit verweer als tardief aanmerkt nu het pas bij conclusie van dupliek in reconventie te berde is gebracht terwijl de nota en het betaalbewijs reeds (als productie 9) bij conclusie van eis in reconventie werden overgelegd. Niet in te zien valt dan ook waarom [eiser] dit verweer niet direct al bij conclusie van antwoord in reconventie had kunnen voeren. Anderzijds is tussen partijen niet in geschil dat het (deze) Allianz is geweest die de diensten van Koenders Identificatie Techniek heeft ingeschakeld, zij derhalve als contractueel opdrachtgever heeft te gelden en op haar dus ook contractueel de verplichting tot betaling van de door deze deskundige geleverde diensten rustte. Ook als juist is dat de nota uiteindelijk (al dan niet om administratieve redenen) aan een ander dan Allianz, maar wel aan de kennelijk aan haar gelieerde onderneming ‘Allianz Nederland Schadeverzekeringen N.V.’, is gezonden en mogelijkerwijs ook door een ander dan (deze) Allianz is betaald, dan betekent dat nog niet dat Allianz deze schade, bestaande uit de kosten van de door haar aangezochte diensten van Koenders Identificatie Techniek, niet in haar eigen vermogen heeft geleden. De kantonrechter heeft in de gegeven omstandigheden geen (enkele) aanleiding om aan te nemen dat deze kosten, ook gezien artikel 6:30 lid 1 BW, (uiteindelijk) niet ten laste van (deze) Allianz zijn gekomen, terwijl zij hier ook geen termen aanwezig acht om deze procedure aan te houden om Allianz de gelegenheid te bieden een nadere toelichting ter zake te verstrekken, met name niet nu [eiser] (zie hiervoor) dit verweer eerst bij zijn laatste conclusie heeft gevoerd terwijl hij dat ook eerder had gekund en uit het oogpunt van een goede procesorde ook had behoren te doen.
2.25
Een en ander leidt tot de slotsom dat het ter zake door Allianz gevorderde bedrag, dat overigens niet is bestreden en de kantonrechter ook niet onredelijk of bovenmatig voorkomt, hierna wordt toegewezen.
ten aanzien van de proceskosten
2.26
[eiser] wordt, zowel in conventie als in reconventie, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Daarbij wordt voor de goede orde opgemerkt dat bij de vaststelling van het aan Allianz in reconventie toe te kennen bedrag aan salaris voor haar gemachtigde is rekening gehouden met de omstandigheid dat de tegenvorderingen zijn voortgevloeid uit het verweer in conventie.
2.27
De door Allianz apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.
2.28
Ook de door Allianz over de proceskosten en de nakosten gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) is toewijsbaar.
3. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
- wijst het door [eiser] gevorderde af;
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Allianz vastgesteld op € 1.119,- aan salaris voor haar gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
in reconventie
- veroordeelt [eiser] tot betaling aan Allianz van een bedrag van € 14.266,- (zijnde de som van € 13.759,06 en € 466,94);
- bepaalt dat het Allianz is toegestaan [eiser] (opnieuw) te registreren in het Intern Verwijzingsregister en in het Incidentenregister;
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Allianz vastgesteld op € 373,- aan salaris voor haar gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
in conventie en in reconventie
- bepaalt dat indien [eiser] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, hij Allianz een bedrag van € 124,- aan nasalaris is verschuldigd. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [eiser] Allianz de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
- verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
654
Uitspraak 06‑12‑2019
Inhoudsindicatie
Verzekerde maakt aanspraak op uitkering schade wegens autodiefstal. Verzekeraar betwist de diefstal gemotiveerd (de autosleutel heeft na het gestelde tijdstip van de diefstal nog verbinding gehad met het systeem). Bewijsopdracht verzekerde.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 7339698 CV EXPL 18-48114
uitspraak: 6 december 2019
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser in conventie,
verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. J. van Andel te Utrecht,
tegen
de naamloze vennootschap
Allianz Benelux N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. A.S. Bloo-Kroes te Arnhem.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ respectievelijk ‘Allianz’.
1. Het verloop van de procedure
1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
- -
het exploot van dagvaarding van 5 november 2018;
- -
de akte houdende overlegging producties van de zijde van [eiser] , ontvangen op 12 november 2018;
- -
de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties;
- -
de conclusie van repliek in conventie tevens van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties;
- -
de conclusie van dupliek in conventie tevens van repliek in (voorwaardelijke) reconventie, met producties;
- -
de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie, waarbij als productie 17 een usb-stick is overgelegd;
- -
de akte uitlaten inhoud usb-stick van de zijde van Allianz.
1.2
De kantonrechter mr. W.J.J. Wetzels heeft in de onderhavige procedure op 4 december 2018 een verstekvonnis gewezen. Nadien is gebleken dat de gemachtigde van Allianz reeds op 9 november 2018 schriftelijk om uitstel had verzocht voor het indienen van een conclusie van antwoord en dat de griffie van de rechtbank bedoeld uitstelverzoek niet tijdig heeft verwerkt. Met instemming van partijen is vervolgens het gewezen verstekvonnis als ingetrokken beschouwd en heeft [eiser] de originele grosse van het verstekvonnis aan de rechtbank geretourneerd. Allianz is vervolgens is de gelegenheid gesteld alsnog een conclusie van antwoord in te dienen.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1
[eiser] heeft met ingang van 7 december 2017 bij Allianz een autoverzekering met dekking “beperkt casco” afgesloten. De verzekerde personenauto betreft een BMW van het model 1-Serie 118D Business+, bouwjaar 2012, met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto).
2.2
[eiser] heeft de auto op 1 juli 2015 gekocht voor een bedrag van € 18.5000,00 van het bedrijf [naam bedrijf] te Lieren. De echtgenote van [eiser] , [naam echtgenote eiser] , was mede-eigenaar van de auto.
2.3
Op de overeenkomst zijn de ‘Verzekeringsvoorwaarden AUTO15A’ en de ‘Bijzondere voorwaarden voor volledig casco en beperkt casco’ van toepassing verklaard.
2.4
In de Verzekeringsvoorwaarden AUTO15A is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
“(…) 6. Wat moet u doen als u schade heeft of als uw auto weg is?
Is er iets gebeurd waardoor u schade heeft of kunt krijgen?
En moeten wij misschien betalen voor die schade? Dan moet u het volgende doen:
- -
Meld schade meteen aan ons. Doet u dit niet, dan betalen we misschien minder dan dat u claimt of we betalen niet. Bijvoorbeeld omdat we niet of niet precies kunnen vaststellen wat er is gebeurd. (…)
- -
Doe ook meteen aangifte bij de politie in de volgende situaties.
(…)
- Iemand heeft de auto gestolen.
(…)
- -
Is uw auto weg? Meld dat dan op www.isgestolen.nl. En laat ons weten dat u dit heeft gedaan. Wij mogen uw auto ook aanmelden.
- -
U geeft ons zo snel mogelijk alle informatie over wat er gebeurd is. En alle andere informatie die wij nodig kunnen hebben om te beoordelen of wij moeten betalen.
- -
U moet meewerken aan alles wat wij doen om uw schade te regelen. En u mag niets doen wat voor ons nadelig kan zijn.
(…)
9. Wat doen we bij fraude?
We accepteren geen enkele vorm van fraude. We spannen ons in om fraude te voorkomen en te bestrijden. Bij fraude doen we het volgende:
- -
We betalen niet voor uw schade.
- -
Als we al iets aan u betaald hebben, moet u dat aan ons terugbetalen.
- -
We stoppen deze verzekering en alle andere verzekeringen die u bij ons heeft.
- -
Als we kosten hebben gemaakt door de fraude, moet u die aan ons betalen.
- -
We doen aangifte bij de politie.
- -
We registreren de fraude in diverse databanken, zoals in onze gebeurtenissenadministratie, het incidentenregister en het Centraal Informatie Systeem (CIS) van het Verbond van Verzekeraars. (…)”
2.5
In de bijzondere voorwaarden is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
“(…) 3. Welke schade betalen we als u een beperkt cascoverzekering heeft?
Heeft u de auto beperkt casco verzekerd? Dan betalen we voor:
(…)
Schade die is ontstaan door een van de oorzaken hieronder:
(…)
Iemand heeft uw auto gestolen of heeft dit geprobeerd. (…)”
(…)
9. Hoe stellen we de schade vast? Wat doet de expert?
Als u schade meldt, doen we het volgende:
a. We stellen vast hoe groot de schade is.
b. We stellen vast wat uw auto waard was vóórdat u schade kreeg.
c. We stellen vast of uw auto het nog waard is om gerepareerd te worden. En of uw auto nog gerepareerd kán worden.
(…)
10. Hoeveel betalen we bij schade?
(…)Als de auto weg is
Als de auto gestolen of verduisterd is of als de auto weg is doordat u bent opgelicht, betalen we de auto. Maar we betalen pas als de auto meer dan 30 dagen weg is. Deze periode begint vanaf het moment dat u ons meldt dat de auto weg is. (…)”
a. Hoe stellen wij vast hoe groot de schade is?
We kunnen op twee manieren vaststellen hoe groot de schade is:
- -
Wij bepalen zelf hoe groot de schade is. Als dat nodig is, overleggen we vooraf met u.
- -
Wij kiezen een expert die de schade bepaalt. (…)”
2.6
Op 1 maart 2018 heeft [eiser] telefonisch aangifte gedaan bij de politie van diefstal van zijn auto in de nacht van 28 februari op 1 maart 2018. In het proces-verbaal van de aangifte is voor zover thans van belang het volgende vermeld:
“ (…) en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict, tussen woensdag 28 februari 2018 te 22:00 uur en donderdag 1 maart 2018 te 10:30 uur:
(…)
Op woensdag 28 februari 2018 omstreeks 22:00 uur heb ik de personenauto nog zien staan.
De personenauto stond geparkeerd in een parkeervak nabij de woning, [straatnaam] te Woerden.
Ik heb de personenauto afgesloten middels de daarvoor bestemde handzender en ik heb wel gecontroleerd dat de personenauto was afgesloten dit zie ik aan de lichten die gaan branden bij het afsluiten, hij sluit zich ook automatisch af. De sloten van de personenauto functioneren goed.
Toen ik vandaag, donderdag 1 maart 2018 omstreeks 10:30 – 10:45 uur, de personenauto weer in gebruik wilde nemen zag ik dat deze door onbekende(n) was weggenomen.
Ik heb geen sporen ontdekt welke te maken kunnen hebben met de diefstal van de personenauto. (…)”
2.7
[eiser] heeft bij Allianz gemeld dat de auto zou zijn gestolen en aanspraak gemaakt op de hieruit voortvloeiende schade. Allianz heeft hierop [eiser] een “Vragenformulier Diefstal motorrijtuig’ toegezonden met het verzoek die in te vullen. Dit formulier is gedateerd 3 maart 2018 en door [eiser] ondertekend.
2.8
[eiser] heeft na de gemelde diefstal één autosleutel bij Allianz ingeleverd. Allianz is een onderzoek gestart, waarbij de autosleutel met behulp van een key-reader is uitgelezen. Bij het uitlezen van de autosleutel is uitgekomen dat de autosleutel nog zou zijn gebruikt na de opgegeven diefstaldatum. Allianz heeft de behandeling van de claim om die reden voor nader onderzoek overgedragen aan het ‘Team Speciale Zaken’ (verder TSZ) van Allianz.
2.9
Op 3 april 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de onderzoeker van het TSZ en [eiser] . Van dat gesprek is verslag opgemaakt. In dat verslag is voor zover thans van belang het volgende vermeld:
“(…) Verklaring:
“Met betrekking tot de diefstal van mijn personenauto heb ik reeds een vragenformulier ingevuld voor de verzekeringsmaatschappij. Tevens heb ik alle in mijn bezit zijnde bescheiden van de auto ingeleverd. U heeft mij uitgelegd dat u aan de hand van het vragenformulier nog enkele vragen heeft. Ik ben bereid mijn medewerking te verlenen aan het door u, namens Allianz Verzekeringen ingestelde onderzoek.
(…)
Bij de aankoop van de BMW heb ik 1 sleutel ontvangen. Ik heb nooit een andere sleutel laten bijmaken omdat ik dit te duur vond. Na verloop van tijd heb ik er ook niet meer aan gedacht.
(…)
Op 28 februari 2018 heb ik de auto geparkeerd. Ik weet niet meer hoe laat ik de auto heb geparkeerd. Wat ik wel zeker weet is dat ik de auto op 28 februari 2018 om 22:00 uur nog geparkeerd heb zien staan. U vraagt mij hoe ik weet dat het 22:00 uur was. Ik verklaar dat ik dit niet weet. Ook heeft u herhaaldelijk gevraagd of ik weet hoe laat ik de auto heb geparkeerd. Ik weet dit niet. U vraagt mij of ik na het parkeren van de auto nog een keer heb gebruikt. Ik verklaar u dat dit niet zo is. U kunt in feite de inhoud van het proces-verbaal als waarheid gebruiken.
In ieder geval heb ik de avond van de diefstal de sleutel niet aan iemand uitgeleend en de auto gebruikt. Ook mijn vrouw niet.
Op 1 maart 2018 omstreeks 10.30 uur ontdekte ik de diefstal van de auto. Op de plaats waar de auto geparkeerd had gestaan werden door mij geen sporen aangetroffen die ik in verband met deze diefstal kon brengen. Direct na de ontdekking van de diefstal heb ik telefonisch aangifte gedaan bij de politie waarbij de aangifte werd opgenomen. Ook heb ik de verzekeringsmaatschappij gebeld.
(…)U heeft mij zojuist geconfronteerd met het feit dat de sleutel van de auto na 22.00 uur nogmaals is gebruikt, met andere woorden dat iemand om 23.00 uur met de door mij ingeleverde sleutel in de auto is geweest en deze sleutel heeft gebruikt om de auto te starten en met de auto te rijden. Ik wil u verklaren dat ik hiervoor geen uitleg kan geven. Ik weet zeker dat ik de auto na het parkeren niet meer heb gebruikt.
U heeft mij ook nog geconfronteerd met het feit dat ik mij in het opgeven van de kilometerstand 30000 kilometer heb vergist. Ik wil u verklaren dat ik dit dan kennelijk geheel verkeerd heb ingeschat. (…)”.
2.10
Allianz heeft bij brief van 30 april 2018 [eiser] bericht dat zij niet over gaat tot uitkering van de door [eiser] ingediende schadeclaim.
2.11
Een onderzoeker van het TSZ heeft de autosleutel laten uitlezen bij een erkende BMW-dealer (dhr. [naam 1] ) en van dat technisch onderzoek is een rapport opgesteld gedateerd 29 mei 2018.
2.12
Allianz heeft het dossier en de gegevens van [eiser] als incident opgenomen in het incidentenregister van Allianz en in het intern verwijzingsregister.
2.13
Allianz heeft naar aanleiding van het onder 1.2 weergegeven gewezen verstekvonnis op 22 december 2018 een bedrag van € 13.759,06 overgemaakt aan [eiser] . Voorts heeft Allianz de onder 2.12 vermelde interne registraties verwijderd.
3. Het geschil in conventie
De vordering in conventie
3.1
[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Allianz te veroordelen:
I. aan hem te betalen € 13.000,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juni 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
II. om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis alle meldingen/aantekeningen welke zij op grond van dit incident heeft gedaan in het incidentenregister van Allianz en verdere registers, ongedaan te maken en aldaar te melden dat zij, Allianz, deze meldingen ten onrechte heeft gedaan, onder haar verplichting aan [eiser] binnen diezelfde periode daarvan verifieerbare bewijsstukken toe te zenden;
III. om aan [eiser] te betalen een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij aan de voorafgaande hoofdveroordelingen niet of niet correct voldoet;
IV. in de proceskosten.
3.2
Aan die vordering heeft [eiser] naast de onder 2.1 tot en met 2.3, 2.6, 2.7 en 2.10 vermelde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.
Op 28 februari 2018 heeft [eiser] zijn auto geparkeerd in een parkeervak nabij zijn woning. Hij sloot daarbij zijn auto op de juiste wijze af. Op 1 maart 2018 heeft [eiser] , toen hij in de ochtend naar zijn auto liep, gezien dat deze niet meer stond waar hij hem de avond daarvoor had geparkeerd. De auto was gestolen.
De auto is bij Allianz verzekerd geweest met als dekking beperkt casco. Allianz heeft op grond van artikel 3 van haar bijzondere voorwaarden de verplichting om schade die is ontstaan door diefstal van de auto te vergoeden aan [eiser] .
Nu [eiser] op 1 maart 2018 de diefstal heeft gemeld bij Allianz, is Allianz vanaf31 maart 2018, te weten 30 dagen na de datum van de gedane melding, verplicht tot vergoeding van de schade. De schade wordt gesteld op € 13.000,00, welk bedrag gelijk is aan de waarde van de auto op 1 maart 2018.
Het verweer in conventie
3.2
Allianz heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.
3.2.1
Allianz betwist primair dat de auto gestolen is en dat sprake is van een bij Allianz verzekerd evenement, op grond waarvan zij gehouden zou zijn dekking te verlenen.
Bovendien heeft [eiser] met het herhaaldelijk geven van een onjuiste voorstelling van zaken Allianz opzettelijk willen misleiden. Op grond van artikel 7:941 lid 5 BW komt het recht op uitkering dan geheel te vervallen. Ook op grond van artikel 9 van de polisvoorwaarden komt het recht op uitkering in geheel te vervallen als sprake is van fraude.
3.2.2
Allianz betwist voorts dat zij gehouden is de registraties in het Incidentenregister en het IVR ongedaan te maken, nu [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot de vermeende diefstal.
3.2.3
Subsidiair betwist Allianz de juistheid c.q. toewijsbaarheid van het door [eiser] gevorderde schadebedrag. Het gevorderde bedrag van € 13.000,00 is niet onderbouwd. Bovendien bepaalt artikel 9 van de bijzondere polisvoorwaarden dat de schade moet worden vastgesteld door Allianz of door een door Allianz ingeschakelde deskundige. Dat is dan ook gebeurd. De dagwaarde van de auto is door Allianz vastgesteld op € 11.000,00.
4. Het geschil in (voorwaardelijke) reconventie
De vordering in (voorwaardelijke) reconventie
4.1
Allianz heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. indien en voor zover in conventie wordt geoordeeld dat Allianz niet gehouden is dekking te verlenen, [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling aan Allianz van een bedrag van € 13.759,06;
II. indien en voor zover in conventie per saldo zou worden vastgesteld dat Allianz meer heeft vergoed, dan waartoe Allianz in zijn verhouding tot [verweerder] gehouden was, [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag;
III. te bepalen dat Allianz [verweerder] opnieuw in de interne registers van Allianz mag registreren;
IV. [verweerder] te veroordelen tot het vergoeding van de door Allianz gemaakte onderzoekskosten van € 466,94;
V. te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2
Aan haar vordering heeft Allianz -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende ten grondslag gelegd.
4.2.1
Ten aanzien van de vordering onder 4.1 I stelt Allianz dat zij conform het verstekvonnis een bedrag van € 13.759,06 heeft betaald aan [verweerder] en de interne registraties van [verweerder] heeft verwijderd en dat een rechtsgrond voor deze uitkering en de verwijdering uit de registers ontbreekt, nu het verstekvonnis is ingetrokken en de vorderingen van [verweerder] op grond van hetgeen als verweer in conventie is aangevoerd dienen te worden afgewezen. Allianz doet primair een beroep op onverschuldigde betaling door Allianz. Subsidiair doet Allianz een beroep op ongerechtvaardigde verrijking van [verweerder] .
4.2.2
Ten aanzien van de vordering onder 4.1 II stelt Allianz onder verwijzing naar hetgeen in conventie is aangevoerd ter zake de hoogte van de schade dat de reeds gedane uitkering voor de diefstal van de auto te hoog is geweest.
4.2.3
Ten aanzien van de vordering onder 4.1 IV stelt Allianz dat een verzekeringnemer op grond van artikel 7:941 lid 2 BW verplicht is binnen een redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die betrekking hebben op de verwezenlijking van het risico en de schade die daaruit voortvloeit. Deze verplichting is voor [verweerder] opgenomen in artikel 6 van de bijzondere polisvoorwaarden. [verweerder] heeft deze inlichtingenplicht geschonden door een onjuiste voorstelling van zaken te geven met betrekking tot de vermeende diefstal van zijn auto. Dit levert een toerekenbare tekortkoming op waardoor [verweerder] op grond van artikel 6:74 BW de hieruit voortvloeiende schade van Allianz dient te vergoeden. De onderzoekskosten die Allianz heeft gemaakt naar aanleiding van het verzoek tot vergoeding van de door [verweerder] gestelde schade dient [verweerder] op grond van dit artikel te vergoeden aan Allianz.
Het verweer in (voorwaardelijke) reconventie
4.3
[verweerder] heeft tegen de vordering -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende aangevoerd.
De primaire vordering is alleen toewijsbaar indien de vordering in conventie integraal wordt afgewezen.
De subsidiaire vordering is niet toewijsbaar, omdat de dagwaarde van de auto in de staat waarin deze zich bevond op 1 maart 2018 € 13.000,00 bedroeg. Allianz heeft dan ook niet teveel betaald.
[verweerder] heeft aan zijn mededelingsplicht voldaan door de diefstal te melden, de sleutel in te leveren en datgene te melden wat hij wist, al dan niet middels schattingen. Die informatie is voor Allianz voldoende geweest en behoorde dat ook te zijn om de schade te kunnen vaststellen. Allianz heeft niet gesteld dat zij door de gestelde tekortkoming in haar belangen is geschaad. Bovendien heeft Allianz al op 1 mei 2018 opdracht gegeven tot een sleutelonderzoek en heeft pas op 3 juli 2018 het gesprek met [verweerder] plaatsgevonden. In de tussenliggende periode heeft Allianz [verweerder] nergens meer om gevraagd of bevraagd, zodat aangenomen mag worden dat Allianz [verweerder] niet wenste tegen te werpen dat hij een inlichtingenplicht geschonden zou hebben.
5. De beoordeling
in conventie
5.1
Tussen partijen is allereerst in geschil de vraag of de auto al dan niet is gestolen.
Volgens vaste jurisprudentie dient de verzekerde die onder een motorrijtuigenverzekering wegens diefstal aanspraak maakt op uitkering, te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de verzekeraar ook te bewijzen, dat de verzekerde auto is gestolen. Aan het bewijs van de gestelde diefstal mogen evenwel in een geval waarin het gaat om diefstal van een geparkeerde auto, geen al te zware eisen worden gesteld en zal de verzekerde kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden (HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 141). Afhankelijk van hetgeen door de verzekerde aangaande de toedracht is gesteld en van hetgeen de verzekeraar ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, kan onder omstandigheden de enkele aangifte van diefstal in een door de politie opgemaakt proces-verbaal als voldoende bewijs worden aanvaard (HR 11 april 2003, ECLI:NL:2003:AF7070).
5.2
Vast staat dat [eiser] aangifte heeft gedaan van de gestelde diefstal. In geschil is evenwel of de enkele aangifte van diefstal in het onderhavige geval als voldoende bewijs heeft te gelden. Bij de beoordeling is van belang hetgeen Allianz ter onderbouwing van haar betwisting van de diefstal heeft aangevoerd.
5.3
Allianz heeft in de eerste plaats aangevoerd van [eiser] slechts één van de twee autosleutels te hebben ontvangen, hetgeen Allianz doet twijfelen aan de verklaring van [eiser] dat zijn auto is gestolen. [eiser] heeft in reactie daarop gesteld dat hij ten tijde van de aankoop van de auto slechts één autosleutel van de verkoper heeft ontvangen, waarbij [eiser] verwijst naar productie 14, zijnde een e-mail van dhr. [naam 2] van [naam bedrijf] waarin wordt bevestigd dat destijds één autosleutel bij de auto aanwezig was. Allianz heeft weer in reactie op productie 14 gesteld dat de e-mail niet is voorzien van een datum en dat in de e-mail die [eiser] aan [naam bedrijf] heeft gestuurd wordt gesproken over de aankoop in juni 2015 in plaats van de door [eiser] opgegeven aankoopdatum van 1 juli 2015.
5.4
Naast het ontbreken van één autosleutel pleit volgens Allianz verder tegen de gestelde diefstal dat de door [eiser] in het Vragenformulier opgegeven kilometerstand, de tankinhoud en het tijdstip van de diefstal in strijd zijn met de resultaten van het technisch onderzoek. De kantonrechter constateert dat [eiser] in het Vragenformulier heeft opgegeven dat de kilometerstand van de auto ± 245.000 km zou zijn en dat de tank voor ¾ zou zijn gevuld. De kantonrechter constateert verder dat in het technisch rapport is vermeld dat de geregistreerde kilometerstand is vastgesteld op 275.285 km en de tankinhoud is vastgesteld op 2 liter. Vastgesteld kan dan ook worden dat de opgegeven gegevens verschillen van de technische resultaten. Ter zake de betwisting van de diefstal van de auto is dit echter naar het oordeel van de kantonrechter niet direct relevant.
5.5
Wel direct relevant is dat in het technisch rapport door de onderzoeker is geconcludeerd dat op grond van het vastgestelde laatste gebruik van 1 maart 2018 met een onbekend tijdstip, dat uit de analyse door middel van de Tango Keyreader werd verkregen, kan worden gesteld dat de autosleutel na 28 februari 2018 te 23.00 uur (BMW-keyreader) verbinding heeft gehad met het elektronisch systeem van het voertuig en dat daarbij de accuspanning van het voertuig losgekoppeld is geweest, waardoor geen tijdsindicatie is geregistreerd.
Aan [eiser] moet worden toegegeven dat de door de onderzoeker geopperde mogelijkheid bestaat dat braakschade wellicht ontbreekt omdat de auto gestolen zou kunnen zijn door middel van het aanvallen van het keyless entry-systeem, maar [eiser] miskent dat de onderzoeker in dat kader ook heeft gerapporteerd dat in dat geval met speciale elektronica de afstand overbrugd wordt tussen de originele sleutel en het voertuig en dat dit communicatie in één richting betreft, namelijk van de sleutel naar het voertuig en dat in een dergelijk geval er geen nieuwe informatie vanuit het voertuig in de sleutel zal worden opgenomen en dat voor deze werkwijze de accuspanning van het voertuig niet wordt losgekoppeld, terwijl in het onderhavige geval de laatst geregistreerde update vanuit het voertuig naar de autosleutel heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018 te **:** en het ontbreken van het juiste tijdstip in de update van een autosleutel veelal is te wijten aan het geheel ontladen zijn van de accu van het voertuig dan wel het loskoppelen daarvan en dat gezien de foutcode bij een kilometerstand van 275.272 deze storing op dat moment is opgetreden en dat na deze storing het voertuig, volgens de gegevens uit de sleutel, nog 6 kilometer heeft gereden.
5.6
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Allianz gezien het vorenstaande, de verklaringen van [eiser] (waaronder de verklaring dat hij de auto na het parkeren op 28 februari 2018 niet meer heeft gebruikt en dat de diefstal zou hebben plaatsgevonden tussen 28 februari 2018 om 22.00 uur en 1 maart 2018 om 10.45 uur), mede bezien in het licht van de stelling van [eiser] dat hij slechts over één autosleutel heeft beschikt, zodanig gemotiveerd betwist dat voldoende aanleiding bestaat van de gestelde diefstal meer bewijs te verlangen dan de enkele aangifte. Hetgeen [eiser] in reactie op de betwisting door Allianz heeft aangevoerd, namelijk dat hij niet weet hoe het kan dat uit het sleutelonderzoek blijkt dat de auto om 23.00 uur nog gebruikt zou zijn en dat hij zijn auto toen niet meer heeft gebruikt, doet niet de overtuigingskracht van die betwisting weer teniet. Daarbij moet worden bedacht dat het er niet om gaat dat Allianz bewijst dat de diefstal niet heeft plaatsgevonden. Het gaat erom dat Allianz haar betwisting zodanig inhoud geeft dat reden bestaat aan de mededelingen van [eiser] te twijfelen, zodat niet volstaan kan worden met de enkele aangifte als bewijs van de diefstal.
5.7
Nu [eiser] nader bewijs heeft aangeboden, zal hij worden toegelaten dit bewijs te leveren. De kantonrechter zal [eiser] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wijze waarop hij dat bewijs wil bijbrengen.
5.8
Iedere verdere beslissing, ook die in (voorwaardelijke) reconventie, wordt aangehouden.
6. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
laat [eiser] toe tot het leveren van het bewijs, met alle middelen rechtens, van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal in de periode tussen 28 februari 2018 en 1 maart 2018 heeft plaatsgevonden;
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 29 januari 2020 om 14.30 uur, teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten of hij dit bewijs wenst te leveren en,
- -
indien hij dit bewijs schriftelijk wenst te leveren, dit dadelijk bij deze akte te doen, en
- -
indien hij dit bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, op te geven de namen van de voor te brengen getuigen met de verhinderdata van alle betrokkenen in de maanden februari tot en met april 2020, zodat onmiddellijk ter rolzitting een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald;
bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het gerechtsgebouw (gebouw B) aan het Wilhelminaplein 100 te Rotterdam voor de hierna te noemen kantonrechter;
wijst [eiser] erop dat hij voor te brengen getuigen zelf zal dienen op te roepen.
in (voorwaardelijke) reconventie
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
735