Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/505
Beklag o.g.v. art. 5 lid 1 onder 11 jo art. 552a Sv, beslag ex art. 94 Sv op telefoon onder klager n.a.v. rechtshulpverzoek van Turkse autoriteiten. Beroep op dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM en folterverbod. Kon Rb oordelen dat niet is vast komen te staan dat klager door uitvoering van rechtshulpverzoek wordt blootgesteld aan dreigende flagrante mensenrechtenschendingen? HR: art. 81 RO. Vervolg op HR 22 oktober 2024, RvdW 2024/1062 (vervolgingsuitlevering).
HR 25-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:438
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 maart 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T. Kooijmans, F. Posthumus
- Zaaknummer
24/03940 Br
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
Internationaal strafrecht / Justitiële en politionele samenwerking
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:438, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:170, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Essentie
Beklag o.g.v. art. 5 lid 1 onder 11 jo art. 552a Sv, beslag ex art. 94 Sv op telefoon onder klager n.a.v. rechtshulpverzoek van Turkse autoriteiten. Beroep op dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM en folterverbod. Kon Rb oordelen dat niet is vast komen te staan dat klager door uitvoering van rechtshulpverzoek wordt blootgesteld aan dreigende flagrante mensenrechtenschendingen? HR: art. 81 RO. Vervolg op HR 22 oktober 2024, RvdW 2024/1062 (vervolgingsuitlevering).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03940 Br
Datum ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.