In de toelichting staat kennelijk abusievelijk “verweerder”.
HR, 15-10-2024, nr. 23/02854 B
ECLI:NL:HR:2024:1461
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
23/02854 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Goederenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1461, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:662
ECLI:NL:PHR:2024:662, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1461
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0231
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder persoon die auto heeft gekocht en getracht te registreren bij RDW, terwijl die auto in Frankrijk als gestolen staat geregistreerd. Beroep op art. 3:86.3.a BW. 1. Heeft Rb vastgesteld dat eigenaar van auto, die bezit daarvan door diefstal heeft verloren, die auto als eigendom heeft opgeëist? 2. Heeft Rb vastgesteld of klager bij aankoop van auto als natuurlijk persoon handelde, en dus niet in uitoefening van beroep of bedrijf? Ad 1. Vereiste dat eigenaar van roerende zaak, die bezit daarvan door diefstal heeft verloren, die zaak binnen 3 jaren na diefstal als eigendom opeist, brengt niet mee dat eigenaar binnen die termijn daad van rechtsvervolging moet hebben verricht waarmee hij gestolen zaak als zijn eigendom opeist. Het is voldoende dat eigenaar zich binnen vervaltermijn van 3 jaren tot politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven inbeslaggenomen zaak als eigendom te willen opeisen (vgl. HR:2013:2558). Rb heeft vastgesteld dat auto sinds 28-12-2022 als gestolen staat gesignaleerd en daarmee dat auto kennelijk op of rond die datum van oorspronkelijke eigenaar is gestolen. Daarin ligt besloten als oordeel van Rb dat oorspronkelijke eigenaar van auto zich binnen vervaltermijn van 3 jaren tot politie heeft gewend en te kennen heeft gegeven gestolen auto als eigendom te willen opeisen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Klager heeft onvoldoende belang bij deze klacht. Rb heeft immers geoordeeld dat verkoper niet handelde als regulier bedrijf met gevestigde bedrijfsruimte, nu verkoper particulier betrof die koop via WhatsApp-berichten heeft gesloten. Daarin ligt besloten dat klager zaak niet heeft verkregen van ‘vervreemder die van verhandelen aan publiek van soortgelijke zaken (…) zijn bedrijf maakt in daartoe bestemde bedrijfsruimte (…) en in normale uitoefening van dat bedrijf handelde’ en daarmee dat klager, ook als hij zaak als ‘natuurlijk persoon die niet in uitoefening van beroep of bedrijf handelde’ heeft verkregen, geen beroep toekomt op bescherming van art. 3:86.3.a. BW. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02854 B
Datum 15 oktober 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2023, nummer RK 23/008934, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.E. Kötter, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de klager geen beroep toekomt op artikel 3:86 lid 3, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van de onder de klager inbeslaggenomen auto, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen:
“Feiten en omstandighedenKlager heeft op 9 februari 2023 bij het RDW keuringstation in Amsterdam getracht een blauwe Renault Megane met VIN-nummer [VIN] (hierna: de auto) te registreren. Tijdens de controle door de RDW bleek de auto vanaf 28 december 2022 als gestolen geregistreerd te staan in Frankrijk.
Klager heeft aan de politie het volgende verklaard:
“Ik ben autohandelaar. Mijn bedrijf heet [bedrijf] en is gelegen op de [a-straat 1] te Noordwijkerhout. Ik heb de betrokken blauwe Megane ten goede trouw gekocht in Duitsland. Ik zag deze auto op een advertentie op https://www.mobile.de/. Ik zag dat de auto verkocht werd door een particulier. Ik kan de advertentie aan u tonen. Ik heb de auto gekocht voor 13.000 euro, dit heb ik contant betaald. Ik kan aantonen dat ik dit geld gepind heb. Ik heb contact gehad met de verkoper middels WhatsApp. Dit gesprek kan ik aantonen. Ik heb ook een screenshot van een koopovereenkomst tussen mij en de verkoper. Ik zag dat het kenteken en VIN-nummer overeenkwam met het kenteken en de bijhorende papieren. Ik heb twee sleutels van de auto. Ik wist niet dat de auto van diefstal afkomstig was. Ik heb de auto laten ophalen door mijn koerier. Nadat de auto werd opgehaald zag ik dat mijn berichten niet meer aankwamen op Whatsapp bij de verkoper.”
Desbetreffende auto is op 27 februari 2023 onder klager in beslag genomen, hetgeen blijkt uit de kennisgeving van inbeslagname. Klager heeft hierop een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van de auto.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn zodat het strafvorderlijk beslag dat rust op de auto kan worden opgeheven.
Vervolgens rijst de vraag aan wie de auto dient te worden teruggegeven, aan klager of aan de eigenaar van wie de auto is gestolen. Hoofdregel is dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.
In beklagzaken dient de rechtbank terughoudend te zijn met het bepalen van eigendomsverhoudingen, zeker als zowel de diefstal als een koop zich feitelijk in een ander land hebben voltrokken. Volgens de Nederlandse wetgeving staat echter voorop dat een eigenaar zijn eigendomsrecht niet verliest als zijn eigendom wordt gestolen; hij blijft eigenaar en als hij zijn goed terug vindt is hij gerechtigd om het op te eisen van de persoon die het onder zich heeft.Op grond van artikel 3:86 BW wordt de eigenaar van een goed, dat door diefstal is verloren, sterker beschermd dan de nieuwe verkrijger van die goederen, zelfs als die te goeder trouw is. De enige uitzondering op die regel is dat de verkrijger te goeder trouw een particuliere consument is die de goederen heeft gekocht van een regulier bedrijf met een duurzame op een vaste plaats gevestigde bedrijfsruimte, omdat men daar in beginsel geen gestolen zaken behoeft te verwachten en de verkoper steeds gemakkelijk is terug te vinden.
In dit geval is de vraag of klager als particuliere consument kan worden gezien. Hij is autohandelaar. Hij stelt dat hij de auto voor eigen gebruik heeft gekocht, maar heeft het geld voor de contante betaling daarvan van zijn zakelijke rekening gepind.Vervolgens is de vraag of klager te goeder trouw is geweest. Daarvoor is van belang dat voldoende onderzoek is gedaan naar de herkomst van de auto.
Klager heeft de auto niet zelf gezien, en ook de verkoper niet ontmoet. Hij heeft de auto door een koerier laten ophalen.
Daarnaast blijkt dat de verkoper niet handelde als regulier bedrijf met een gevestigde bedrijfsruimte. Het was een particulier die via Whatsapp-berichten de koop heeft gesloten. Ondanks het feit dat klager met de auto de autopapieren en twee sleutels (via de koerier) heeft overgedragen gekregen, is de rechtbank van oordeel dat klager gelet op bovenstaande omstandigheden geen beroep kan doen op de uitzondering van artikel 3:86 BW.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd. De rechtbank zal derhalve het beklag ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
2.3
“1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.(...)3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; (...).”
2.4.1
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat de eigenaar van de auto, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, die auto als zijn eigendom heeft opgeëist.
2.4.2
Het vereiste dat de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, die zaak binnen drie jaren na de diefstal als zijn eigendom opeist, brengt niet mee dat deze eigenaar binnen die termijn een daad van rechtsvervolging moet hebben verricht waarmee hij de gestolen zaak als zijn eigendom opeist. Het is voldoende dat deze eigenaar zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen zaak als zijn eigendom te willen opeisen. (Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2558.)
2.4.3
De rechtbank heeft vastgesteld dat de auto sinds 28 december 2022 als gestolen staat gesignaleerd en daarmee dat deze auto kennelijk op of rond die datum van de oorspronkelijke eigenaar is gestolen. Daarin ligt besloten als oordeel van de rechtbank dat de oorspronkelijke eigenaar van de auto zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de politie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de gestolen auto als zijn eigendom te willen opeisen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
2.4.4
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.5.1
Het cassatiemiddel klaagt verder dat de rechtbank niet heeft vastgesteld of de klager bij aankoop van de auto als natuurlijk persoon handelde, en dus niet in de uitoefening van beroep of bedrijf.
2.5.2
De klager heeft onvoldoende belang bij deze klacht. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat de verkoper niet handelde als regulier bedrijf met een gevestigde bedrijfsruimte, nu de verkoper een particulier betrof die de koop via WhatsApp-berichten heeft gesloten. In dat oordeel ligt besloten dat de klager de zaak niet heeft verkregen van ‘een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken (...) zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte (...) en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde’ en daarmee dat de klager, ook als hij de zaak als ‘natuurlijk persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde’ heeft verkregen, geen beroep toekomt op de bescherming van artikel 3:86 lid 3, aanhef en onder a, BW.
2.5.3
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het eveneens.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag beslag ex art. 552a Sv. Teruggave gestolen auto. Heeft de rechtbank het beroep van de klager op art. 3:86 lid 1 BW (bescherming van een koper te goeder trouw) ten onrechte afgewezen? Het middel faalt, omdat uit de bestreden beschikking en onderliggende stukken kan worden opgemaakt dat de eigenaar van de auto deze binnen drie jaar gerekend vanaf de dag van de diefstal heeft opgeëist, terwijl geen sprake is van een consumentenkoop (vgl. art. 3:86 lid 3 onder a BW). De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02854 B
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 13 juli 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van een personenauto, waarvan de klager stelt rechthebbende te zijn, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.E. Kötter, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de klager op art. 3:86 BW (bescherming van een koper te goeder trouw) niet slaagt.
2. De feiten
2.1
De onderliggende feiten worden in de bestreden beschikking als volgt weergegeven:
“Klager heef op 9 februari 2023 bij het RDW keuringstation in Amsterdam getracht een blauwe Renault Megane met VIN-nummer [VIN] (hierna: de auto) te registeren. Tijdens de controle door de RDW bleek de auto vanaf 28 december 2022 als gestolen geregistreerd te staan in Frankrijk.
Klager heeft aan de politie het volgende verklaard:
"Ik ben autohandelaar. Mijn bedrijf heet [bedrijf] en is gelegen op de [a-straat 1] te Noordwijkerhout. Ik heb de betrokken blauwe Megane ten goede trouw gekocht in Duitsland. Ik zag deze auto op een advertentie op https://www.mobile.de/. Ik zag dat de auto verkocht werd door een particulier. Ik kan de advertentie aan u tonen. Ik heb de auto gekocht voor 13.000 euro, dit heb ik contant betaald. Ik kan aantonen dat ik dit geld gepind heb. Ik heb contact gehad met de verkoper middels WhatsApp. Dit gesprek kan ik aantonen. Ik heb ook een screenshot van een koopovereenkomst tussen mij en de verkoper. Ik zag dat het kenteken en VIN-nummer overeenkwam met het kenteken en de bijhorende papieren. Ik heb twee sleutels van de auto. Ik wist niet dat de auto van diefstal afkomstig was. Ik heb de auto laten ophalen door mijn koerier. Nadat de auto werd opgehaald zag ik dat mijn berichten niet meer aankwamen op Whatsapp bij de verkoper.”
Desbetreffende auto is op 27 februari 2023 onder klager in beslag genomen, hetgeen blijkt uit de kennisgeving van inbeslagname. Klager heeft hierop een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van de auto.”
3. Oordeel rechtbank
3.1
Het oordeel van de rechtbank luidt als volgt:
“Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn zodat het strafvorderlijk beslag dat rust op de auto kan worden opgeheven.
Vervolgens rijst de vraag aan wie de auto dient te worden teruggeven aan klager of aan de eigenaar van wie de auto is gestolen. Hoofdregel is dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.
In beklagzaken dient de rechtbank terughoudend te zijn met het bepalen van eigendomsverhoudingen, zeker zowel de diefstal als een koop zich feitelijk in een ander land hebben voltrokken. Volgens de Nederlandse wetgeving staat echter voorop dat een eigenaar zijn eigendomsrecht niet verliest als zijn eigendom wordt gestolen; hij blijft eigenaar en als hij zijn goed terug vindt is hij gerechtigd om het op te eisen van de persoon die het onder zich heeft.
Op grond van artikel 3:86 BW wordt de eigenaar van een goed, dat door diefstal is verloren, sterker beschermd dan de nieuwe verkrijger van die goederen, zelfs als die te goeder trouw is. De enige uitzondering op die regel is dat de verkrijger te goeder trouw een particuliere consument is die de goederen heeft gekocht van een regulier bedrijf met een duurzame op een vaste plaats gevestigde bedrijfsruimte, omdat men daar in beginsel geen gestolen zaken behoeft te verwachten en de verkoper steeds gemakkelijk is terug te vinden.
In dit geval is de vraag of klager als particuliere consument kan worden gezien. Hij is autohandelaar. Hij stelt dat hij de auto voor eigen gebruik heeft gekocht, maar heeft het geld voor de contante betaling daarvan van zijn zakelijke rekening gepind.
Vervolgens is de vraag of klager te goeder trouw is geweest. Daarvoor is van belang dat voldoende onderzoek is gedaan naar de herkomst van de auto.
Klager heeft de auto niet zelf gezien, en ook de verkoper niet ontmoet. Hij heeft de auto door een koerier laten ophalen.
Daarnaast blijkt dat de verkoper niet handelde als regulier bedrijf met een gevestigde bedrijfsruimte. Het was een particulier die via Whatsapp-berichten de koop heeft gesloten. Ondanks het feit dat klager met de auto de autopapieren en twee sleutels (via de koerier) heeft overgedragen gekregen, is de rechtbank van oordeel dat klager gelet op bovenstaande omstandigheden geen beroep kan doen op de uitzondering van artikel 3:86 BW.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd. De rechtbank zal derhalve het beklag ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
4. Het middel
4.1
Het middel klaagt, in samenhang gelezen met de toelichting daarop onder 2.4 en 2.5, dat de rechtbank niet, althans niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de klager geen beroep kan doen op art. 3:86 lid 1 BW, nu uit de overwegingen van de rechtbank niet blijkt dat sprake is van een situatie waarin de eigenaar de zaak binnen drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal heeft opgeëist (art. 3:86 lid 3 BW). Gesteld wordt dat dit maakt dat de overdracht van de auto ondanks de (mogelijke) onbevoegdheid van de verkoper1.geldig is.
Verder wordt gesteld dat, mocht art. 3.86 lid 3 BW wel van toepassing zijn, uit de beschikking niet volgt of de klager als natuurlijk persoon of in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde. Beide omstandigheden maken, volgens de steller van het middel, dat de beschikking onvoldoende met redenen is omkleed.
Bespreking van het middel
4.2
Voor de bespreking van het middel is het volgende van belang. Ingeval van beklag van een beslagene tegen beslag dat is gelegd ex art. 94 Sv dient de rechter te beoordelen of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo nee, de teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp kan worden beschouwd.2.Bij de beantwoording van die vraag zal de beklagrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties. Dit neem echter niet weg dat hij daarbij wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.3.
4.3
Het civielrechtelijke kader dat in deze zaak van belang is, kan in een notendop als volgt worden omschreven. Art. 3:84 BW bepaalt dat een koper rechthebbende van een roerende zaak wordt als sprake is van (i) levering (ii) krachtens een geldige titel (iii) verricht door een beschikkingsbevoegde. Art. 3:86 lid 1 BW formuleert op het vereiste van beschikkingsbevoegdheid een uitzondering. Deze uitzondering houdt in dat, ondanks onbevoegdheid van de vervreemder, de overdracht van een roerende zaak, niet-registergoed, toch geldig is als de overdracht (i) anders dan om niet geschiedt en (ii) de verkrijger te goeder trouw is. Deze uitzondering kent echter zijn eigen uitzondering, geformuleerd in art. 3:86 lid 3 BW, namelijk dat een eigenaar van de roerende zaak die zijn bezit heeft verloren door diefstal deze kan opeisen binnen een termijn van drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal, tenzij er sprake is van zogenaamde consumentenkoop. Dat laatste is het geval als de roerende zaak door een natuurlijk persoon verkregen is die (i) niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, (ii) de zaak verkregen heeft van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt, (iii) in een daartoe bestemde bedrijfsruimte (zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond) terwijl (iv) de vervreemder in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde. Als aan deze cumulatieve vereisten is voldaan, geniet de koper te goeder trouw dus bescherming tegen revindicatie door de bestolen eigenaar.
4.4
Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de auto sinds 28 december 2022 als gestolen stond geregistreerd in Frankrijk. Hoewel de rechtbank niet met zoveel woorden in haar beschikking tot uitdrukking brengt dat de eigenaar de auto binnen drie jaar na de diefstal ervan heeft opgeëist, kan uit de overige overwegingen van de rechtbank worden afgeleid dat de rechtbank hiervan impliciet wel is uitgegaan. Ook de klager heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, zich bij monde van zijn raadsman expliciet beroepen op de uitzondering van art. 3:86 lid 3 onder a BW en die komt alleen in beeld als de bestolene binnen drie jaar na de diefstal van de auto teruggave ervan heeft geëist.
4.5
Daarvoor kan ook steun worden gevonden in de processtukken. Een blik achter de papieren muur leert dat zich bij de stukken van de politie een proces-verbaal van bevindingen bevindt, gedateerd 9 februari 2023 onder nummer PL1300-2023031789-1, waarin ten aanzien van de Renault Megane het volgende wordt gerelateerd:
“Tussen donderdag 9 februari 2023 om 12:29 uur en donderdag 9 februari 2023 om 14:22 uur, zagen wij in perceel, de Tijnmuiden 1, 1046 AK Amsterdam het volgende motorvoertuig staan:
Goednummer: PL1300-2023031789-6299999
Voertuig: Personenauto
Merk/type: Renault Megane
Land: Frankrijk
Kenteken: [kenteken]
Chassisnummer: [VIN]
Kilometerstand: onbekend
Stand benzinemeter: onbekend
Geschatte waarde: onbekend Euro
Aan de hand van het in het motorvoertuig aangetroffen VIN/chassisnummer bleek dit buitenlandse motorvoertuig bij controle in NSIS de status "ontvreemd voertuig" te hebben. Het motorvoertuig is door Frankrijk onder Schengennummer onbekend gesignaleerd.
Gegevens diefstal
Datum diefstal: woensdag 28 december 2022
Plaats diefstal: onbekend”
4.6
In het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2023 onder het nummer PL1300-2023031789-3 wordt het volgende vermeld:
“Ik, verbalisant Melk, nam het voertuig met VIN-nummer [VIN] op 27 februari 2023 in beslag. Hiervan werd door mij een bewijs van ontvangst opgemaakt en zo spoedig mogelijk uitgereikt. Zie bijlagen.
Ik kreeg tevens bericht van SIRENE omrent het voertuig. Ik zag dat zij mij een document hadden verzonden omrent het gestolen voertuig. Ik zag dat dit document de aangifte in het land van herkomst (Frankrijk) betrof. Ik zag in het document dat de eigenaar van het voertuig zijn voertuig terug wilde hebben.”
4.7
Ook de officier van justitie gaat uit van de toepasselijkheid van art. 3:86 lid 3 BW. In zijn schriftelijk standpunt wordt naar aanleiding van het klaagschrift het volgende vermeld:
“Inbeslagname heeft plaatsgevonden op 27 februari 2023. Het klaagschrift is ingediend op 5 april 2023. Verzoeker is ontvankelijk in zijn verzoek.
Casus:
Op 9 februari 2023 heeft klager getracht zijn recent gekochte auto te registreren bij het RDW. Tijdens de controle van de auto met VIN-nummer [VIN] door het RDW werd geconstateerd dat de auto als gestolen geregistreerd staat in Frankrijk. Het LIV (Landelijk Intelligence- en expertisecentrum Voertuigcriminaliteit) heeft bevestigd dat de auto inderdaad als gestolen staat geregistreerd in Frankrijk. De auto staat als gestolen geregistreerd sinds 28 december 2022.
Klager heeft in de hoedanigheid als autohandelaar de betreffende auto, de blauwe Renault Megane, in Duitsland gekocht van een particulier.
Het OM verzet zich wel
Toelichting verzet:
Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen teruggave van het voertuig aan de beslagene; aangezien een derde als rechthebbende dient te worden aangemerkt gelet op artikel 3:86 Burgerlijk Wetboek. In lid 3 van dit artikel staat dat de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, tot 3 jaren na de dag van de diefstal het eigendom van die roerende zaak kan opeisen. De auto is op of omstreeks 28 december 2022 gestolen, dus de 3 jaren zijn nog niet voorbij waardoor artikel 3:86 BW lid 3 geldt. De uitzondering in lid 3 onder A is hier niet van toepassing, nu de koper (en tevens klager) de auto heeft gekocht In zijn hoedanigheid als autohandelaar van [bedrijf] (en dus niet als natuurlijke persoon) van een particuliere verkoper (en dus geen bedrijf).
Het standpunt vanuit het Openbaar Ministerie is derhalve dat de originele eigenaar in Frankrijk - naar Nederlands recht - als rechthebbende dient te worden aangemerkt en verzet zich tegen teruggave aan verzoeker”.
4.8
Gelet op het voorgaande kan de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 3:86 lid 1 BW niet slagen.
4.9
Ook de subsidiaire klacht dat, in het geval art. 3:86 lid 3 BW wel van toepassing is, uit de beschikking niet kan volgen of de verdachte als natuurlijk persoon of in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is vergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft immers eveneens in aanmerking genomen dat de verkoper niet handelde als regulier bedrijf met een gevestigde bedrijfsruimte, maar dat het een particulier was die via Whatsapp-berichten de koop heeft gesloten. Dit wordt in cassatie niet betwist. Aangezien het hierbij gaat om één van de cumulatieve voorwaarden die verbonden is aan de uitzondering die gemaakt wordt voor de consumentenkoop, is het oordeel van de rechtbank dat de klager geen beroep kan doen op deze uitzondering reeds voldoende met redenen omkleed, wat er ook zij van de juistheid van de overige overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd.
5. Slotsom
5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024
HR 29 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.8.
HR 29 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.13.