De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.5.2.4:5.5.2.4 Het Zolotas-arrest
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.5.2.4
5.5.2.4 Het Zolotas-arrest
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363619:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 29 januari 2013, NJ 2014/479 m.nt. Alkema (Zolotas).
EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008, 269 m.nt. Alkema (Pye).
EHRM 18 juni 2002, application nr. 48939/99 gevolgd door EHRM (Grote Kamer) 30 november 2004, application nr. 48939/99 (Öneryildiz).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het Zolotas-arrest1 blijkt een positieve verplichting voor de EVRM- lidstaten als het gaat om verjaring. Daarbij gold op grond van eerdere rechtspraak2 als uitgangspunt dat het verlies van eigendom als gevolg van verjaring kwalificeert als een inmenging in art. 1 EP en dat deze inmenging in beginsel voldoet aan de drie daarvoor geldende vereisten. Als het gaat om de verjaring van een aanspraak op een bankrekening (als gevolg van het meer dan 20 jaar geen transacties verrichten op deze bankrekening) rust op de lidstaten een plicht om in hun wet een waarschuwingsplicht op te nemen voor de banken om de rekeninghouders te informeren als de verjaring dreigt in te treden.
Het EHRM grondt deze positieve verplichting op het karakter van de bankrekening. De rekeninghouder mag er in de ogen van het EHRM op vertrouwen dat zijn tegoed veilig is en terugbetaald zal worden. Hij mag daarom verwachten dat hij wordt geïnformeerd over situaties die deze terugbetaling in gevaar brengen, zodat de rekeninghouder stappen kan zetten om zijn tegoed veilig te stellen. Tevens wijst het EHRM er op dat het rechtszekerheidsbeginsel besloten ligt in alle bepalingen van het EVRM en voorts één van de fundamenten van de rechtstaat is. Verder is nog relevant dat het EHRM de verjaring als een drastische maatregel kwalificeert, mede in het licht van het feit dat het bijschrijven van rente niet als een de verjaring stuitende transactie wordt beschouwd.
De werking van deze positieve verplichting pakt anders uit dan het geval was in bijvoorbeeld de Öneryildiz-arresten.3 In die arresten leidde het niet naleven van de positieve verplichting reeds op zichzelf genomen tot een schending van art. 1 EP. Aan de in par. 5.4 besproken toets van art. 1 EP kwam het EHRM verder niet toe. In het Zolotas-arrest pakte het anders uit. Omdat de desbetreffende informatieplicht geen onderdeel was van de nationale verjaringsregels, was volgen het EHRM geen sprake van een fair balance tussen enerzijds het algemeen belang dat met verjaring gediend is en anderzijds de belangen van de rekeninghouder. Het verlies van het tegoed door verjaring werd daarom disproportioneel geacht door het EHRM.