NJB 2025/151
Poging tot het ‘door enige feitelijkheid wederrechtelijk dwingen’, art. 284 Sr: de Hoge Raad verwijst naar conclusie A-G: voor een bewezenverklaring van een poging tot dwang is niet (per definitie) vereist dat er een koppeling met een gevolg is indien de eisen niet worden ingewilligd. Bedreiging ‘met brandstichting’, art. 285 Sr: in een geval als dit is vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat brand zou worden gesticht. Daarvan kan niet slechts dan sprake zijn als uit de bewezenverklaring volgt dat de bedreiging was gericht tegen óf een natuurlijk persoon óf een rechtspersoon, maar ook als de bedreiging is gericht tegen een met voldoende mate van concretisering omschreven organisatie of instelling. Daarbij is van belang of bij die organisatie of instelling – waaronder ook de daarbij betrokken natuurlijke personen – in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de verdachte tot brandstichting zou overgaan. In casu kon het hof oordelen dat de verdachte het Dordrechts Museum heeft bedreigd met brandstichting en dat de vraag of het Dordrechts museum een rechtspersoon betreft in het midden kan worden gelaten. A-G: anders.
HR 07-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:24
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
7 januari 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/04207
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:24, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1109, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑01‑2024
- Wetingang
Essentie
Poging tot het ‘door enige feitelijkheid wederrechtelijk dwingen’, art. 284 Sr: de Hoge Raad verwijst naar conclusie A-G: voor een bewezenverklaring van een poging tot dwang is niet (per definitie) vereist dat er een koppeling met een gevolg is indien de eisen niet worden ingewilligd. Bedreiging ‘met brandstichting’, art. 285 Sr: in een geval als dit is vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat brand zou worden gesticht. Daarvan kan niet slechts dan sprake zijn ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.