Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.7.1.2:IV.7.1.2 Voorwaarden voor milieuaansprakelijkheid
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.7.1.2
IV.7.1.2 Voorwaarden voor milieuaansprakelijkheid
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460269:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat voor de onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid van bestuurders – net als voor andere leidinggevenden – de vereisten van artikel 6:162 BW ongeclausuleerd moeten worden toegepast. Na het doorhakken van deze knoop met betrekking tot het toepasselijke aansprakelijkheidsregime, richt ik me in paragraaf IV.5 op de toepassing van de vereisten van artikel 6:162 BW in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Per vereiste sta ik stil bij de vragen die opkomen wanneer een leidinggevende aansprakelijk wordt gesteld op grond van de onrechtmatige daad voor een milieuovertreding. Daarnaast geef ik handvatten voor de beantwoording van deze vragen. Voor deze handvatten bouw ik voort op algemene leerstukken van het algemene aansprakelijkheidsrecht, pas ik de inzichten toe die ik heb opgedaan in de andere hoofdstukken van dit proefschrift met betrekking tot de aard en vereisten van milieunormen en de vereisten voor daderschap. De specifieke handvatten voor de verschillende vereisten zijn uitgewerkt in paragraaf IV.5.3-IV.5.7. In paragraaf IV.5.8 plaats ik een aantal algemene opmerkingen ten aanzien van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden op grond van de onrechtmatige daad, die ook inzicht geven in de mogelijkheden en obstakels voor het aansprakelijk stellen van leidinggevenden voor een milieuovertreding. Ik bespreek ze hier kort.
Bij de vereisten van onrechtmatige daad zijn verschillende waarborgen ingebouwd waardoor een leidinggevende niet lichtzinnig persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor een bedrijfsmatige milieuovertreding. Voor een veroordeling op grond van art. 6:162 BW is nodig dat de leidinggevende zelf een tot hem gerichte milieuverplichting jegens de eiser schendt, die hem persoonlijk kan worden toegerekend en waarbij hij slechts gehouden is de schade te vergoeden die het gevolg is van zijn normschending. Veel (geschreven en ongeschreven) milieuverplichtingen zijn niet alleen geadresseerd aan de rechtspersonen waarbinnen milieurelevante activiteiten worden verricht, maar (juist) ook aan de natuurlijke personen met zeggenschap over die activiteiten. Anders gezegd: leidinggevenden zijn ook zelf dragers van milieuverplichtingen. In dit kader is het goed om te benadrukken dat een verplichting hebben iets anders is dan een verplichting schenden. Het hebben van een verplichting is weliswaar een noodzakelijke voorwaarde voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, maar niet voldoende: telkens moet worden bezien of de leidinggevende materieel gezien verantwoordelijk is voor de normschending. Heeft de leidinggevende zelf (al dan niet met hulp van anderen) in strijd gehandeld met de verbodsbepaling? Had de leidinggevende moeten ingrijpen bij een dreigende normschending? Dit zijn vragen die ook spelen in het strafrecht, en ik heb betoogd dat de strafrechtelijke daderschapsvormen relevant en behulpzaam zijn bij de beantwoording van deze vragen. In het bijzonder zijn de zogenoemde IJzerdraad-criteria van beschikken en aanvaarden van belang voor de beoordeling of een leidinggevende (als functioneel pleger, door tussenkomst van een ander) een milieuverplichting heeft geschonden. Ten slotte, breng ik in herinnering dat niet iedere schending van een milieuverplichting door een leidinggevende leidt tot de verplichting om andermans schade te vergoeden. De leidinggevende zal soms (door nalaten) ‘kleine onrechtmatige daadjes’ (in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW) plegen. Een onrechtmatige daad is echter niet genoeg voor aansprakelijkheid tot schadevergoeding; voor het vestigen van aansprakelijkheid moet telkens worden nagegaan of wordt voldaan aan alle vijf de nevengeschikte constitutieve vereisten van artikel 6:162 BW. Juist daarom is het van belang om voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden het hele ‘stappenplan’ van 6:162 BW te doorlopen. Zelfs als aansprakelijkheid voor een kleine fout kan worden gevestigd, zal de omvang van de aansprakelijkheid in de regel beperkt zijn: want een lichter verwijt of een fout die verder verwijderd is van de schadelijke gevolgen, leidt ertoe dat maar een kleiner deel van de schade in redelijkheid kan worden toegerekend aan de leidinggevende. Het voorgaande illustreert dat de systematiek van de gewone onrechtmatige daad kan zorgen voor een genuanceerde en gestructureerde beoordeling van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.
Na deze verkenning van de aansprakelijkheid tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW, ga ik in paragraaf IV.6 nog kort in op de aansprakelijkheid tot de naleving van een rechtsplicht op grond van artikel 3:296 BW. Via een rechterlijk bevel kan door een belanghebbende worden afgedwongen dat een leidinggevende zijn milieuverplichtingen naleeft. De vereisten die daarvoor gelden heb ik in vogelvlucht besproken in par. IV.6.2. Ik heb er ook op gewezen dat voor de toewijzing van een rechterlijk bevel gericht aan een bestuurder geen afwijkende criteria gelden. Ik sluit de paragraaf af met de constatering dat het rechterlijk bevel een veelbelovende, maar nog weinig gebruikte remedie is om te bewerkstelligen dat natuurlijke personen (met zeggenschap over de milieurelevante activiteiten binnen een bedrijf ) ervoor zorgen dat de toepasselijke milieuvoorschriften worden nageleefd. Daarom verdient het rechterlijk bevel aandacht van de rechtswetenschap en rechtspraktijk.