Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/4.4.3.1
4.4.3.1 De accountant dient na te gaan of de jaarrekening aan de bij en krachtens de wet gestelde voorschriften voldoet
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS304092:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 februari 2006, JOR 2006, 94 (SOBI/KPN), r.o. 5.5.
HR 10 februari 2006, CLI:NL:HR:2006:AU7473 en Zetteler & Pheijffer (2016), p. 9 e.v.
CBb 25 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:37 (Vestia).
CBb 7 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ3419 (Landis), r.o. 3.7.2.
Art. 2:384 lid 3 BW, IAS 1.25 en RJ 170.
Boonzaaijer (2016), nr. 21.
Boonzaaijer (2016), nr. 21.
Dieleman & Garvelink (2016), p. 21 e.v.
Dieleman & Garvelink (2016), p. 21 e.v.
RJ 170.302.
Dieleman & Garvelink (2016), p. 21 e.v.
Dieleman & Garvelink (2016), p. 21 e.v., met verwijzing naar RJ 170.305 en RJk a2.214.
RJ 170.202.
Accountantskamer 27 november 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:126 en Zetteler & Pheijffer (2016), p. 9 e.v.
Dieleman & Garvelink (2016), p. 21 e.v.
Zetteler & Pheijffer (2016), p. 9 e.v.
RJ 170.104: ‘Onder het in artikel 2:384 lid 3 BW opgenomen begrip ‘gerede twijfel’ en het in de praktijk gebruikelijke begrip ‘ernstige onzekerheid’ wordt in het kader van dit hoofdstuk hetzelfde verstaan”.
Zetteler & Pheijffer (2016), p. 9 e.v.
Dieleman (2016 b), p. 46-48.
Close call is aan de orde ‘als gebeurtenissen of omstandigheden zijn geïdentificeerd die gerede twijfel kunnen doen ontstaan over de mogelijkheid van de entiteit om haar continuïteit te handhaven, maar de accountant op basis van de verkregen controle-informatie concludeert dat er geen sprake is van een onzekerheid van materieel belang’ – NV COS Standaard 570 Continuïteit, paragraaf 20.
Opgenomen in de uitgave ‘De verklaring van de accountant in tijden van een verslechterend economisch klimaat’ (zie www.nba.nl).
Van Amsterdam (2004), p. 158.
Mutcher, Hopwood & McKeown (1997), p. 295 e.v.
Citron & Tafler (1992), p. 337 e.v.
Van Amsterdam (2004), p. 158, aan de hand van scriptieonderzoeken door J.J.P. Eijkenaar in 2001, P.J. Vos in 2002 en D. van der Geer in 2002.
Accountantskamer 30 november 2015, ECLI_NL_TACAKN_2015_146, r.o. 4.40.4.
‘Er was sprake van moeilijke marktomstandigheden met onzekere vooruitzichten, een toenemende voorraad van onverkochte en/of niet verhuurde panden en een toenemende druk om te voldoen aan vooraf door de financiers gestelde ratio’s en voorwaarden terwijl sprake was van grote afhankelijkheid van externe financiering’ (R.o. 4.40.4).
Gerechtshof Amsterdam, 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2681 (Heli Holding), r.o. 3.11.
‘Gebeurtenissen na de balansdatum moeten in acht worden genomen tot de datum van het opmaken van de jaarrekening en bij de waardering van de activa en passiva dient het voorzichtigheidsbeginsel te worden toegepast en moet worden uitgegaan van de continuïteit van de onderneming (artikel 2:362 en 2:384 lid 2 en 3 BW)’ Gerechtshof Amsterdam, 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2681, r.o. 3.11.
Accountantskamer 18 december 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:154 (klacht curatoren en collectief van crediteuren), r.o. 4.27.3. Dit onderdeel is tijdens het hoger beroep niet aan de orde gekomen (CBb16 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:359 en ECLI:NL:CBB:2017:360)
Accountantskamer 9 maart 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:11.
Werkgroep toekomst accountantsberoep (2014), p. 59.
In januari 2017 hebben de grote en middelgrote kantoren samen de SRA en NBA een gezamenlijke stuurgroep ingesteld, de Stuurgroep Publiek Belang.
Stuurgroep Publiek Belang (2018).
Zoals reeds opgemerkt in paragraaf 1.4.2.4.1 en paragraaf 4.3.2.3 spelen de inrichtingsvoorschriften een belangrijke rol bij de controle. De accountant moet op basis van artikel 2:393 BW controleren of de keuze en toepassing van de inrichtingsvoorschriften door de rechtspersoon aanvaardbaar is te achten. Hierbij is het onderscheid tussen Dutch GAAP en IFRS van belang. Bij zowel Dutch GAAP als IFRS draait het bij het onderzoek door de accountant om de inrichting van de jaarrekening (algemene bepalingen, presentatie, consolidatie en waardering). Indien Dutch GAAP van toepassing is, zijn de RJ van groot belang en dient de accountant hier rekening mee te houden bij zijn onderzoek.
De accountant dient zijn werkzaamheden uit te voeren met inachtneming van de NV COS. De NV COS betreffen echter geen voorschriften zoals bedoeld in artikel 2:393 lid 3 BW. De voorschriften zien immers op de controle door de accountant en niet op de inhoud van de jaarrekening.
RJ in de jurisprudentie
Volgens de Hoge Raad1 zijn de RJ een belangrijk oriëntatiepunt en vormen zij een gezaghebbende kenbron bij de beantwoording van onder andere de vraag wat de normen zijn die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd (artikel 2:362 lid 1 BW). De RJ hebben geen wettelijke status (zoals besproken in paragraaf 1.4.2.4.1). Op basis van de RJ komt de rechtspersoon bij het maken van verslaggevingstechnische keuzes enige beleidsruimte toe, maar wel in redelijkheid.2 Indien de rechtspersoon bij het vaststellen van de jaarrekening is gekomen tot waarderingen die met deze voorschriften stroken, kan dit een belangrijke aanwijzing vormen dat het vereiste inzicht is verschaft en dat de ruimte die in redelijkheid aan de rechtspersoon moet worden gelaten bij haar keuze voor de waardering van bepaalde posten niet is overschreden.3
Met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de accountant ter zake de toepassing van de RJ door de rechtspersoon is de uitspraak inzake het tuchtrechtelijke geschil met betrekking tot Landis4 verhelderend. Het CBB overweegt dat ten aanzien van de inrichting van (onderdelen van) de jaarrekening meerdere keuzes mogelijk kunnen zijn die allen voldoen aan het inzichtvereiste en de overige bij en krachtens de wet gestelde voorschriften. In dat geval kan een professioneel verschil van inzicht bestaan over de te maken keuze en zal de accountant over het aanvaarden van de door het ondernemingsbestuur gemaakte keuze in de regel geen tuchtrechtelijk verwijt kunnen worden gemaakt.
Continuïteit
Er is de laatste jaren veel aandacht voor het continuïteitsvraagstuk, zowel van de wetgever, in de rechtspraak als in de media. In het hiernavolgende zal ik daarom uitvoerig stilstaan bij het vraagstuk en de recente ontwikkelingen. Ik maak hierbij wel de kanttekening dat het continuïteitsvraagstuk slechts één van de vele substantiële vragen is waar de accountant voor kan komen te staan.
Zoals in paragraaf 1.4.2.4.1 is besproken, is continuïteit van het geheel van de werkzaamheden van de rechtspersoon (de zogenoemde continuïteitsveronderstelling5) het uitgangspunt bij de waardering. Hierbij wordt de rechtspersoon geacht haar activiteiten in de voorzienbare toekomst voort te kunnen zetten zonder noodzaak of intentie tot liquidatie dan wel staking van alle bedrijfsactiviteiten. Het komt echter geregeld voor dat een goedkeurende verklaring zonder enig voorbehoud terzake de continuïteit (lees: zonder toelichtende paragraaf) is afgegeven en dat de onderneming in kwestie binnen afzienbare tijd na het verstrekken van de goedkeurende verklaring failliet gaat. Zo ging DSB Bank vier maanden na de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening over 2008 failliet.6
De AFM heeft een klacht ingediend tegen de externe accountant van DSB terzake de accountantscontrole van de jaarrekening van 2008. In hoger beroep oordeelt het CBb met betrekking tot de continuïteit dat de accountant onvoldoende aandacht had voor de controlerisico’s en voor (externe) factoren die van invloed konden zijn op de liquiditeitspositie van DSB en op de duurzame voortzetting van bedrijfsactiviteiten. Er was voldoende aanleiding voor gerede twijfel aan de continuïteit.7 Voorts overweegt het CBb dat de accountant geen goedkeurende verklaring af had mogen geven.
Een ander voorbeeld is het effectenhandelshuis Van der Moolen. Bij Van der Moolen heeft de accountantskamer geoordeeld dat de accountant de evaluatie van de continuïteitsveronderstelling niet heeft uitgevoerd op de wijze zoals vereist in NVCOS 570. ‘De Accountantskamer acht in deze zaak de maatregel van berisping passend en geboden. Daarbij heeft zij vooral laten wegen dat de continuïteitsveronderstelling (impliciet) aan de basis ligt van elke jaarrekening en dat het juist daarom noodzakelijk is en van de door de accountant in acht te nemen zorgvuldigheid getuigt dat daaraan tijdens de controle op de voorgeschreven wijze aandacht wordt besteed8’.
Vaak worden deze gevallen breed uitgemeten in de media. Met als gevolg dat de accountant onder vuur ligt. De vraag is namelijk of de accountant zijn werk wel goed heeft gedaan indien een onderneming binnen afzienbare tijd na het verstrekken van een goedkeurende verklaring failliet gaat. Ik zal in dit verband eerst stilstaan bij de verantwoordelijkheden van de rechtspersoon en de accountant met betrekking tot de continuïteitsveronderstelling.
Het bestuur van de rechtspersoon moet bij het opstellen van de jaarrekening een beoordeling maken van de mogelijkheid van de rechtspersoon om haar continuïteitte handhaven.9 Er kunnen de volgende situaties ten aanzien van de continuïteit worden onderscheiden:
er is sprake van redelijke (nooit absolute) zekerheid omtrent de continuïteit.
er is gerede twijfel (ernstige onzekerheid) omtrent de continuïteit.
er is zekerheid over discontinuïteit (discontinuïteit is onontkoombaar).
Dieleman en Garvelink maken het volgende hiermee samenhangende onderscheid:10
Redelijke zekerheid over continuïteit
Gerede twijfel over continuïteit
Zekerheid over discontinuïteit (zonder verwacht tekort)
Zekerheid over discontinuïteit (met verwacht tekort)
Waardering op basis van going concern
Waardering op basis van going concern met toelichting
Waardering op basis van going concern met toelichting
Waardering op basis van liquidatiewaarden
Ad i) Indien sprake is van redelijke zekerheid over de continuïteit, geschiedt de waardering van activa en passiva op basis van continuïteitsgrondslagen (going concern).11 Ad ii) Er is sprake van gerede twijfel omtrent de continuïteit indien de rechtspersoon niet meer op eigen kracht aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen.12 Er is echter nog geen zekerheid over discontinuïteit, omdat onduidelijkheid bestaat of aanvullende medewerking van derden zal worden verkregen. In dat geval geschiedt de waardering op continuïteitsgrondslagen, er dient echter wel een adequate toelichting op de situatie te worden opgenomen.13 De toelichting dient een adequate uiteenzetting te bevatten van de omstandigheden waarin de onderneming (zelf) verkeert.14
Ad iii) Er is sprake van onontkoombare discontinuïteit (zekerheid over discontinuïteit) indien duurzame voortzetting van het geheel van de werkzaamheden van de rechtspersoon onmogelijk is geworden doordat er niet voldoende aanvullende medewerking van derden kan worden verkregen, of doordat het bestuur een besluit heeft genomen het geheel van de werkzaamheden (onmiddellijk c.q. op termijn) te beëindigen.15 Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen onontkombare discontinuïteit zonder en met verwacht tekort. Indien de rechtspersoon nog wel aan alle verplichtingen kan voldoen, ondanks de zekerheid over discontinuïteit, kan een waardering op basis van going concern met toelichting plaatsvinden.
Indien de discontinuïteit onontkombaar is én er is sprake van een verwacht tekort, vervalt de continuïteitsveronderstelling.16 Alsdan dient de waardering plaats te vinden op liquidatiegrondslagen.17
De accountant dient de door het bestuur gehanteerde continuïteitsveronderstelling vervolgens bij de wettelijke controle te evalueren/controleren. De accountant dient hiervoor voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen (NV COS 570,18paragraaf 6). Dit betekent in de praktijk dat de accountant de beoordeling van het bestuur omtrent de continuïteit van de rechtspersoon met een professioneel-kritische instelling dient te controleren.19 NV COS 570 werkt nader uit aan welke vereisten de werkzaamheden van de accountant bij het evalueren van de continuïteit dienen te voldoen. Zo dient de accountant vast te stellen of er geen onzekerheid van materieel belang bestaat met betrekking tot gebeurtenissen of omstandigheden die gerede twijfel (‘ernstige onzekerheid20’) kunnen doen ontstaan over het vermogen van de entiteit om haar continuïteit te handhaven (NV COS 570, paragraaf 9 b). Mogelijk zijn hiervoor aanvullende controlewerkzaamheden noodzakelijk. Is (ook na aanvullende controlewerkzaamheden21) sprake van gerede twijfel met betrekking tot de continuïteitsveronderstelling of is discontinuïteit onontkoombaar, dan dient de accountant dit in zijn controleverklaring tot uitdrukking te brengen.
De uitkomsten van de (aanvullende) controlewerkzaamheden en de verkregen controle-informatie ter zake de evaluatie van de continuïteitsveronderstelling dienen te worden vastgelegd in het controledossier.22
Zoals hiervoor al opgemerkt, dient de jaarrekening bij een situatie van gerede twijfel over de continuïteit een adequate toelichting van het bestuur te bevatten van de situatie waarin de onderneming verkeert. De consequenties voor de controleverklaring zijn dan:
indien de toelichting van het bestuur adequaat is, neemt de accountant in zijn controleverklaring een sectie op met de titel ‘Onzekerheid van materieel belang omtrent de continuïteit’. Sinds 2017 is de accountant verplicht om in de controleverklaring een verklaring op te nemen betreffende materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandighedendie gerede twijfel kunnen doen rijzen of de rechtspersoon zijn werkzaamheden voort kan zetten (artikel 2:393 lid 5 sub h BW, voor OOB’s zie tevens artikel 11 lid 2 sub h EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s).23
indien de toelichting van het bestuur niet adequaat is (of ontbreekt), dan geeft de jaarrekening geen getrouw beeld van het vermogen van de vennootschap. Er dient in dat geval een afkeurende verklaring te worden afgegeven.24 Indien er nog (net) geen sprake is van gerede twijfel, kan sprake zijn van een ‘close call’ situatie.25 De toelichting dient in dat geval een adequate uiteenzetting te bevatten van de close call situatie. De accountant beoordeelt of de toelichting adequaat is, maar hoeft geen afzonderlijke verklaring in de controleverklaring op te nemen.
De consequenties voor de controleverklaring indien sprake is van redelijke zekerheid of onontkombare discontinuïteit zijn opgenomen in bijgaand schema van de NBA:26
Beoordeling vooruitzichten
Toelichting jaarrekening
Waarderings-grondslag
Soort accountants- verklaring
Bestuur
Accountant
Positief
Positief
Toereikend
Continuïteit
Goedkeurend
Positief
Onzeker
Niet toereikend
Continuïteit
Met beperking/Afkeurend
Positief
Negatief
Niet toereikend
Continuïteit
Afkeurend
Onzeker
Onzeker
Toereikend
Continuïteit
Goedkeurend met toelichting
Onzeker
Onzeker
Niet toereikend
Continuïteit
Met beperking/Afkeurend
Onzeker
Negatief
Niet toereikend
Continuïteit
Afkeurend
Positief of onzeker
Onmogelijkheid om toereikende controle informatie te verkrijgen
Toereikendheid niet te bepalen
Continuïteit
Oordeelonthouding
Negatief
Negatief
Niet toereikend
Continuïteit
Afkeurend
Negatief
Negatief
Toereikend
Liquidatie
Goedkeurend eventueel toelichtende paragraaf
Uit voorgaande blijkt genoegzaam dat de accountant bij het afgeven van zijn controleverklaring voor een lastig dilemma kan komen te staan. Bijvoorbeeld indien naar zijn mening sprake is van gerede twijfel, terwijl hier volgens het bestuur geen sprake van is. Over het algemeen zal het bestuur niet willen dat twijfel over de continuïteit, of nog erger onontkoombare discontinuïteit, in de controleverklaring tot uitdrukking wordt gebracht.
Van Amsterdam stelt dat bij een failliet verklaarde onderneming over het algemeen genomen in de laatst verschenen jaarrekening voor faillissement een (dis)continuïteitsparagraaf opgenomen zou moeten zijn.27 Ik deel de mening van Van Amsterdam. Ik onderbouw dit aan de hand van de termijnen die in acht genomen moeten worden met betrekking tot de continuïteitsveronderstelling. De beoordeling van het bestuur van de mogelijkheid van de rechtspersoon om haar continuïteit te handhaven, moet ten minste twaalf maanden omvatten vanaf de einddatum van jaarrekening.28 De termijn die de accountant in aanmerking moet nemen bij het beoordelen van de continuïteitsveronderstelling van het bestuur is gelijk aan de termijn van het bestuur. Aanvullend dient de accountant inlichtingen in te winnen over relevante omstandigheden of gebeurtenissen na die termijn van twaalf maanden.29 Gezien deze lange termijn kan ik me voorstellen dat er over het algemeen genomen in de laatst verschenen jaarrekening voor faillissement een (dis)continuïteitsparagraaf is opgenomen. Dit zal echter niet altijd het geval zijn, aangezien een faillissement niet altijd te voorspellen is.
In de praktijk is een dergelijke (dis)continuïteitsparagraaf echter eerder uitzondering dan regel. Zo is uit onderzoek gebleken dat in ongeveer de helft van alle faillissementen in het voorgaande jaar aan de onderneming een goedkeurende verklaring zonder enig voorbehoud is verstrekt.30 Bij een ander onderzoek is vastgesteld dat van de failliete ondernemingen, de accountant in slechts 20 % van de gevallen gewaarschuwd had.31 Van Amsterdam 32 constateert in dit verband het volgende met betrekking tot accountantsverklaringen bij de laatste jaarrekening voor faillissement:
Soort verklaring
Aantal
Procentueel
Goedkeurend
24
65%
Continuïteitsparagraaf
6
16%
Oordeelonthouding
5
14%
Ontbreekt
2
5%
Totaal
37
100%
Continuïteit in de jurisprudentie
In de Eurocommerce tuchtrechtuitspraak is nadrukkelijk aandacht besteed aan de verantwoordelijkheden van de accountant en het bestuur ter zake de continuïteitsveronderstelling. De accountantskamer33 overweegt: ‘Gegeven deze ontwikkelingen en omstandigheden34[..], had betrokkene hiernaar (aanvullende) controlewerkzaamheden dienen uit te voeren, de verkregen controle-informatie zichtbaar moeten afwegen en beoordelen en de uitkomsten daarvan moeten documenteren, teneinde de in deze ontwikkelingen en omstandigheden vervatte onzekerheid over het vermogen van de Eurocommerce Groep om haar continuïteit te handhaven, weg te nemen of terug te brengen naar een aanvaardbaar niveau. Van betrokkene had in dat verband mogen worden verwacht dat hij van de Eurocommerce Groep had verlangd dat zij een nadere analyse van de continuïteitsvooruitzichten had gemaakt, welke analyse betrokkene intensief had moeten beoordelen. Het is immers primair aan de onderneming de gekozen continuïteitsveronderstelling te onderbouwen indien er omstandigheden aan de orde zijn die twijfel doen rijzen van die keuze’.
In het geschil dat ten grondslag ligt aan de Heli Holding35 uitspraak stelt de accountant zich op het standpunt dat hij in juni 1995 schriftelijk heeft gewaarschuwd omtrent de financiële situatie. In de betreffende brief is onder andere opgenomen ‘dat de financi ë le positie serieus wordt bedreigd en dat feitelijk sprake is van betalingsonmacht’. In oktober 1995 heeft de accountant echter een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1994 afgegeven waarin geen toelichtende paragraaf is opgenomen omtrent de bedreiging van de continuïteit van de betreffende rechtspersoon. Het hof overweegt dat de accountant niet mocht volstaan met het waarschuwen per brief. De in de brief opgenomen waarschuwingen ‘komen feitelijk neer op onzekerheden van materieel belang omtrent de mogelijkheid tot duurzame voortzetting van de bedrijfsactiviteiten’. Deze onze kerheden hadden tot uitdrukking gebracht moeten worden in de jaarrekening 1994.36 Doordat in de jaarrekening 1994 geen melding werd gemaakt van voornoemde zorgen en zonder voorbehoud een goedkeurende verklaring is afgegeven, is niet het vereiste inzicht gegeven in de financiële situatie van de betreffende rechtspersoon.
Een van de tuchtklachten van de AFM enerzijds en de curatoren en een collectief van crediteuren anderzijds tegen de accountant van Weyl Vleesverwerkers is dat de accountant NV COS Standaard 570 (Continuïteit) onvoldoende heeft nageleefd en onvoldoende controlewerkzaamheden heeft verricht teneinde de continuïteitsveronderstelling waarvan Weyl uitging, te kunnen aanvaarden (in paragraaf 1.4.2.5 zijn de feiten van de boekhoudfraude bij Weyl besproken). De Accountantskamer wijst op de volgende ontwikkelingen en omstandigheden: een overstand van enkele miljoenen op het aan Weyl verleende krediet, kort nadat de kredietruimte al was verhoogd (bij twee financiers), terwijl sprake is van grote afhankelijkheid van externe financiering. Door deze ontwikkelingen en omstandigheden had er serieuze twijfel moeten ontstaan over het vermogen van Weyl om in het komende jaar zelfstandig aan haar verplichtingen te voldoen. De accountant had daarom (aanvullende) controlewerkzaamheden uit moeten voeren, de verkregen controle- informatie zichtbaar moeten afwegen en beoordelen, en de uitkomsten daarvan moeten documenteren. Op deze manier had hij de onzekerheid over het vermogen van Weyl om haar continuïteit te handhaven, weg moeten nemen of terug moeten brengen naar een aanvaardbaar niveau. Van de accountant had voorts mogen worden verwacht dat hij van Weyl had verlangd dat Weyl een nadere analyse van de continuïteitsvooruitzichten had gemaakt, welke analyse de accountant diepgaand had moeten beoordelen. ‘Het is immers primair aan de onderneming de gekozen continuïteitsveronderstelling te onderbouwen indien er omstandigheden zijn die twijfel doen rijzen over de juistheid van die keuze37’.
In een tuchtrechtuitspraak38 tegen een accountant van een zorginstelling (een stichting) komen er meerdere indicatoren aan de orde die gerede twijfel hadden kunnen doen ontstaan over de veronderstelde continuïteit. Deze indicatoren betreffen: een negatief werkkapitaal, negatieve operationele kasstromen en de onmogelijkheid om alle schuldeisers op de vervaldata te betalen.
De accountant heeft dit ook onderkend en gedocumenteerd in zijn controledossier, hij heeft echter nagelasten aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten. Voorts heeft de accountant de reguliere controlewerkzaamheden met betrekking tot de continuïteitsveronderstelling met onvoldoende diepgang uitgevoerd. De maatregel berisping wordt opgelegd. De accountantskamer ‘rekent het de accountant zwaar aan dat de verzuimen zich voordeden bij de controle van een onderdeel (continuïteit) waarvan hij wist dat dit van essentieel belang was voor financiers en andere derden die voornemens waren (verdere) transacties aan te gaan met de stichting, terwijl hij dit onderdeel bovendien zelf als ‘key-risk’ had aangemerkt’.
Werkgroep Toekomst Accountantsberoep
De werkgroep Toekomst Accountantsberoep heeft zich ook verdiept in de problematiek omtrent de continuïteit. De werkgroep merkt op dat iedere onderneming in meer of mindere mate te maken heeft met continuïteitsrisico’s. De werkgroep meent dat het gepast zou zijn indien de onderneming zelf in haar jaarrekening of bestuursverslag verplicht wordt om een uitgebreide en genuanceerde analyse op te nemen van haar continuïteitsrisico’s. De accountant kan vervolgens in zijn controleverklaring (of elders) een expliciet oordeel geven over deze analyse van het bestuur van de onderneming. De verhouding tussen de onderneming en de accountant is alsdan zoals deze hoort te zijn: de onderneming legt verantwoording af en de accountant geeft daar een oordeel bij.39
In navolging van de Werkgroep Toekomst Accountantsberoep is de Stuurgroep Publiek Belang ingesteld.40 De Stuurgroep Publiek Belang heeft in maart 2018 de ‘Greenpaper organisatie continuïteit’ gepubliceerd.41 In de Greenpaper wordt voorgesteld de onderneming te verplichten altijd een paragraaf ‘toekomstbestendigheid’ op te nemen in het bestuursverslag met onder meer weergave van de risico’s, onzekerheden en veronderstellingen op de korte en lange termijn. De korte termijn omvat twee jaar na einde boekjaar. De accountant dient deze para-graaf vervolgens te beoordelen.
Ik verwacht dat de door de Stuurgroep Publiek Belang voorgestelde oplossing er voor zorg zal dragen dat bij een failliet verklaarde onderneming over het algemeen genomen in de laatst verschenen jaarrekening voor faillissement aandacht zal zijn besteed aan de (dis)continuïteit of twijfels omtrent continuïteit. Daardoor zal de maatschappelijke onrust met betrekking tot dit onderwerp minder worden, omdat alsdan duidelijk zou moeten zijn dat de accountant zijn werk goed heeft gedaan. Voorts zal meer helderheid omtrent (dis)continuïteit het risico van een aansprakelijkheidstelling van de accountant verkleinen.