Procestaal: Deens.
HvJ EU, 12-04-2016, nr. C-561/14
ECLI:EU:C:2016:247
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-04-2016
- Magistraten
K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, L. Bay Larsen, F. Biltgen, C. Lycourgos, A. Rosas, A. Borg Barthet, J. Malenovský, E. Levits, K. Jürimäe, M. Vilaras
- Zaaknummer
C-561/14
- Conclusie
P. Mengozzi
- Roepnaam
Genc
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:247, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑04‑2016
ECLI:EU:C:2016:28, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑01‑2016
Uitspraak 12‑04‑2016
K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, L. Bay Larsen, F. Biltgen, C. Lycourgos, A. Rosas, A. Borg Barthet, J. Malenovský, E. Levits, K. Jürimäe, M. Vilaras
Partij(en)
In zaak C-561/14,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Østre Landsret (appelrechter voor het oosten van Denemarken) bij beslissing van 3 december 2014, ingekomen bij het Hof op 5 december 2014, in de procedure
Caner Genc
tegen
Integrationsministeriet,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), M. Ilešič, L. Bay Larsen, F. Biltgen, C. Lycourgos, kamerpresidenten, A. Rosas, A. Borg Barthet, J. Malenovský, E. Levits, K. Jürimäe, M. Vilaras, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: T. Millett, adjunct-griffier,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2015,
gelet op de opmerkingen van:
- —
C. Genc, vertegenwoordigd door T. Ryhl, advokat,
- —
de Deense regering, vertegenwoordigd door C. Thorning als gemachtigde, bijgestaan door R. Holdgaard, advokat,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Clausen, C. Tufvesson, D. Martin en F. Erlbacher als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 januari 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: ‘besluit nr. 1/80’), dat gevoegd is bij de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685; hierna: ‘Associatieovereenkomst’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C. Genc en het Integrationsministerium (ministerie van Integratie), over de afwijzing door dit ministerie van Gencs verzoek tot afgifte van een verblijfsvergunning voor Denemarken op grond van gezinshereniging.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Associatieovereenkomst
3
De Associatieovereenkomst heeft volgens artikel 2, lid 1, ervan tot doel de voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de Turkse economie, de verhoging van de werkgelegenheid en de verbetering van de levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren.
4
Artikel 12 van de Associatieovereenkomst bepaalt dat ‘[d]e overeenkomstsluitende partijen [overeenkomen] zich te laten leiden door de artikelen [39 EG], [40 EG] en [41 EG], teneinde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen’. In artikel 13 van deze overeenkomst is bepaald dat deze partijen ‘[overeenkomen] zich te laten leiden door de artikelen [43 EG] tot en met [46 EG] en door artikel [48 EG], teneinde onderling de beperkingen van de vrijheid van vestiging op te heffen’.
Besluit nr. 1/80
5
Artikel 13 van besluit nr. 1/80 luidt:
‘De lidstaten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.’
6
Artikel 14 van dit besluit bepaalt:
- ‘1.
De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.
- 2.
Zij doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit nationale wetgevingen of uit bilaterale overeenkomsten tussen Turkije en de lidstaten van de Gemeenschap, voor zover daarbij voor hun onderdanen een gunstigere regeling is vastgesteld.’
Aanvullend Protocol
7
Het Aanvullend Protocol, ondertekend op 23 november 1970 te Brussel en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1; hierna: ‘Aanvullend Protocol’), maakt blijkens artikel 62 ervan een integrerend deel uit van de Associatieovereenkomst.
8
Artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol luidt:
‘De overeenkomstsluitende partijen voeren onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.’
Deens recht
9
§ 9, lid 1, punt 2, onder d), van de op het hoofdgeding toepasselijke versie van de Udlændingelov (hierna: ‘Deense vreemdelingenwet’) bepaalt dat op aanvraag een verblijfsvergunning kan worden afgegeven aan een ongehuwd minderjarig kind van een persoon met vaste verblijfplaats in Denemarken of van diens echtgenoot mits dit kind de leeftijd van 15 jaar niet heeft bereikt, bij de ouder woont die het gezag over hem uitoefent en geen eigen gezin heeft gesticht doordat het een duurzame relatie is aangegaan met een samenwonende partner, en mits de persoon met vaste verblijfplaats in Denemarken beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of over een verblijfsvergunning die uitzicht biedt op een duurzaam verblijf.
10
In lid 13 van § 9 van de Deense vreemdelingenwet, dat is ingevoerd bij wet nr. 427 van 9 juni 2004 tot wijziging van de Deense vreemdelingenwet en van de integratiewet, is bepaald:
‘Ingeval de aanvrager en een van de ouders van de aanvrager in het land van herkomst of een ander land wonen, kan de verblijfsvergunning als bedoeld in lid 1, punt 2, [van § 9 van deze wet] enkel worden afgegeven als de aanvrager een zodanige binding met Denemarken heeft of kan krijgen dat er een basis is voor een geslaagde integratie in het land. Dit geldt evenwel niet indien de aanvraag wordt ingediend binnen de twee jaar vanaf het tijdstip waarop de ingezetene voldoet aan de voorwaarden van § 9, lid 1, punt 2, [van deze wet] of indien zeer uitzonderlijke redenen, waaronder de eerbiediging van de eenheid van het gezin, daartegen pleiten.’
11
In de wetgevingsstukken houdende de ontstaansgeschiedenis van § 9, lid 13, van de Deense vreemdelingenwet wordt vermeld dat deze bepaling tot doel heeft te voorkomen dat de ouders er welbewust voor kiezen om hun kind in de staat van herkomst te laten totdat het bijna meerderjarig is — ofschoon dit kind een verblijfsvergunning voor Denemarken kon verkrijgen op een eerder tijdstip — zodat het een opvoeding krijgt die in overeenstemming is met de cultuur van de staat van herkomst en het in zijn kinderjaren niet wordt doordrongen van de Deense normen en waarden.
12
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat — volgens de in de nota van het Integrationsministerium van 2 juli 2007 beschreven praktijk — voor de vaststelling of het minderjarige kind in staat is met goed gevolg te integreren, een discretionaire beoordeling is vereist in het kader waarvan met name rekening wordt gehouden met factoren als de duur en de aard van het verblijf van het betrokken kind in de onderscheiden staten, en voorts onder meer met het eventuele eerdere verblijf van dit kind in Denemarken, het land waar dat kind het grootste deel van zijn kindertijd en jeugd heeft doorgebracht, de plaats waar het naar school is gegaan, de vraag of het Deens en/of de taal van de staat van herkomst spreekt en de vraag of het in zijn kinderjaren dermate is doordrongen van de Deense normen en waarden dat er sprake is of kan zijn van een zodanige binding met Denemarken dat er een basis is voor zijn geslaagde integratie in deze lidstaat. Bovendien wordt in verband met de overige elementen enig belang gehecht aan de vraag of de in Denemarken wonende ouder goed geïntegreerd is en een nauwe band heeft met de Deense samenleving.
13
Verder blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in bepaalde uitzonderlijke gevallen om zeer specifieke redenen wordt afgezien van het vereiste dat er sprake is van een zodanige binding met de betrokken lidstaat dat er een basis is voor een geslaagde integratie. Dit is onder meer het geval wanneer de weigering om gezinshereniging toe te staan, in strijd zou zijn met de internationale verplichtingen van het Koninkrijk Denemarken of met de belangen van het betrokken kind in de zin van het op 20 november 1989 ondertekende en door alle lidstaten geratificeerde Verdrag van New York inzake de rechten van het kind, wanneer het wegens een ernstige ziekte of een ernstige handicap in humanitair opzicht onverantwoord zou zijn de in Denemarken wonende ouder terug te sturen naar een land dat geen mogelijkheid tot opvang en behandeling biedt, of wanneer de in het land van herkomst wonende ouder niet in staat is om voor het betrokken kind te zorgen.
14
De verwijzende rechter preciseert dat § 9, lid 13, van de Deense vreemdelingenwet enkel geldt voor aanvragen tot gezinshereniging tussen in Denemarken wonende derdelanders en hun gezinsleden, en dat er geen enkele regel als § 9, lid 13, van de Deense vreemdelingenwet van toepassing was toen besluit nr. 1/80 in werking trad.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15
C. Genc, verzoeker in het hoofdgeding, is een op 17 augustus 1991 geboren Turkse staatsburger. Zijn vader, die eveneens de Turkse nationaliteit bezit, is op 14 december 1997 naar Denemarken gekomen en beschikt er sinds 21 april 2001 over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
16
Gencs ouders zijn gescheiden krachtens een door de rechtbank te Haymana (Turkije) gewezen vonnis van 30 december 1997. Na de echtscheiding is verzoeker in het hoofdgeding, ofschoon zijn vader met het gezag over hem en zijn oudste twee broers werd belast, in Turkije blijven wonen, waar hij bij zijn grootouders verbleef.
17
Zijn oudste twee broers beschikken in Denemarken over een verblijfsvergunning sinds mei 2003.
18
Op 5 januari 2005 heeft verzoeker in het hoofdgeding voor het eerst een verblijfsvergunning voor Denemarken aangevraagd. Zijn vader was op dat tijdstip werknemer in deze lidstaat.
19
Op 15 augustus 2006 heeft de Udlændingeservice (Deense immigratiedienst) Gencs aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen op grond van § 9, lid 13, van de Deense vreemdelingenwet, aangezien de betrokkene niet een zodanige binding met Denemarken had of kon krijgen dat er een basis was voor zijn geslaagde integratie in deze lidstaat. Dit besluit is op 18 december 2006 bevestigd door het Integrationsministerium.
20
Met name is het Integrationsministerium in zijn besluit van 18 december 2006 tot de slotsom gekomen dat verzoeker in het hoofdgeding in zijn jeugd niet dermate is doordrongen van de Deense normen en waarden dat hij een zodanige binding met Denemarken heeft of kan krijgen dat er een basis is voor zijn geslaagde integratie, waarbij het Integrationsministerium onder meer in aanmerking heeft genomen dat Genc is geboren in Turkije, waar hij zijn volledige kindertijd heeft doorgebracht en tot bovengenoemde datum naar school is gegaan, dat hij nooit naar Denemarken is geweest, dat hij enkel Turks spreekt, dat hij hoegenaamd geen band heeft met de Deense samenleving, en dat zijn vader hem de laatste twee jaar slechts twee keer heeft ontmoet.
21
Voorts was het Integrationsministerium van mening dat Gencs vader evenmin kon worden geacht bijzonder goed geïntegreerd te zijn of zelf een binding te hebben met de Deense samenleving die voldoende belangrijk was om ten aanzien van verzoeker in het hoofdgeding te leiden tot een andere conclusie dan welke in het voorgaande punt is weergegeven.
22
Ten slotte heeft het Integrationsministerium opgemerkt dat er geen enkele specifieke reden zoals de eenheid van het gezin was om aan Genc een verblijfsvergunning af te geven en aldus voorbij te gaan aan het feit dat hij niet een zodanige binding met Denemarken had of kon krijgen dat er een basis was voor zijn geslaagde integratie, en dat de vader van verzoeker in het hoofdgeding voorts evenmin tegen noemenswaardige hindernissen aanliep om zich naar Turkije te begeven teneinde met laatstgenoemde een gezinsleven te leiden dan wel een gezinsleven te leiden onder dezelfde omstandigheden als na zijn vrijwillige binnenkomst in Denemarken in 1997.
23
Op 17 september 2007 heeft het Integrationsministerium geweigerd Gencs aanvraag voor een verblijfsvergunning opnieuw te onderzoeken.
24
Verzoeker in het hoofdgeding heeft beroep ingesteld bij het Glostrup Ret (rechtbank te Glostrup), dat bij vonnis van 9 december 2011 het besluit van het Integrationsministerium tot weigering van de aangevraagde verblijfsvergunning heeft bevestigd.
25
Genc heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Østre Landsret (appelrechter voor het oosten van Denemarken).
26
De Østre Landsret merkt op dat het Hof in het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) heeft geoordeeld dat de in artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol vervatte standstillbepaling inzake de vrijheid van vestiging aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een lidstaat nieuwe beperkingen stelt aan de mogelijkheid tot gezinshereniging met een echtgenoot die afkomstig is uit Turkije.
27
De Østre Landsret betwijfelt evenwel om te beginnen of dat arrest verenigbaar is met eerdere rechtspraak van het Hof over de standstillbepalingen en met de historische context alsook de doelstelling van de Associatieovereenkomst.
28
Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of het rechtsbeginsel dat uit het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) voortvloeit ten aanzien van de standstillbepaling in artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol, ook geldt voor de bepaling in artikel 13 van besluit nr. 1/80, gelet op het feit dat deze bepalingen verschillend zijn geformuleerd.
29
Uitgaande van de vaststelling dat het Hof in de arresten Demir (C-225/12, EU:C:2013:725) en Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) heeft geoordeeld dat nieuwe beperkingen die onder een standstillbepaling vallen, aanvaardbaar zijn als zij rechtvaardiging vinden in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken daarvan, vraagt de verwijzende rechter zich ten slotte af of die uitlegging verenigbaar is met het arrest Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734) en op grond van welke richtsnoeren de toelaatbaarheid van de beperkingen en de evenredigheid moeten worden beoordeeld.
30
Tegen deze achtergrond heeft de Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet de standstillbepaling in artikel 13 van besluit nr. 1/80 of de standstillbepaling in artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd dat de standstillverplichting van toepassing is op nieuwe restrictieve voorwaarden voor de toegang tot gezinshereniging voor economisch niet-actieve gezinsleden, waaronder minderjarige kinderen, van economisch actieve Turkse onderdanen die in een lidstaat wonen en er over een verblijfsvergunning beschikken, gelet op:
- a)
de uitlegging van de standstillbepalingen door het Hof in de arresten Derin (C-325/05, EU:C:2007:442), Ziebell (C-371/08, EU:C:2011:809), Dülger (C-451/11, EU:C:2012:504) en Demirkan (C-221/11, EU:C:2013:583),
- b)
het doel en de inhoud van de Associatieovereenkomst, zoals uitgelegd in de arresten Ziebell (C-371/08, EU:C:2011:809) en Demirkan (C-221/11, EU:C:2013:583), mede in het licht van
- —
de omstandigheid dat deze overeenkomst alsook de protocollen en besluiten die ermee verband houden, geen bepalingen bevatten inzake gezinshereniging, en
- —
de omstandigheid dat gezinshereniging in de toenmalige Europese Gemeenschap en huidige Europese Unie altijd door handelingen van afgeleid recht geregeld is geweest, thans richtlijn 2004/38/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77)]?
- 2)
Het Hof wordt verzocht bij de beantwoording van de eerste vraag te verduidelijken of een eventueel afgeleid recht op gezinshereniging voor gezinsleden van economisch actieve Turkse onderdanen die in een lidstaat wonen en er over een verblijfsvergunning beschikken, van toepassing is op gezinsleden van Turkse werknemers in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, dan wel of een dergelijk recht uitsluitend geldt voor gezinsleden van Turkse zelfstandigen in de zin van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol.
- 3)
Indien de eerste vraag, gelezen in samenhang met de tweede vraag, bevestigend wordt beantwoord, moet de standstillbepaling in artikel 13, lid 1, van besluit nr. 1/80 dan aldus worden uitgelegd dat nieuwe beperkingen die ‘rechtvaardiging [vinden] in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt [zijn] om de verwezenlijking van het legitieme doel te waarborgen en niet verder [gaan] dan nodig is voor het bereiken daarvan’ (naast hetgeen is bepaald in artikel 14 van besluit nr. 1/80) rechtmatig zijn?
- 4)
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt het Hof met name verzocht te verduidelijken
- a)
op grond van welke richtsnoeren de toelaatbaarheid van de beperkingen en de evenredigheid moeten worden beoordeeld: moeten dezelfde beginselen worden gehanteerd als die welke het Hof heeft ontwikkeld in zijn rechtspraak over gezinshereniging in het kader van het op richtlijn 2004/38 en de bepalingen van het Verdrag gebaseerde vrije verkeer van Unieburgers, of moet een andere beoordeling worden verricht?
- b)
of, zo een andere beoordeling moet worden verricht dan de beoordeling die voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof over gezinshereniging in het kader van het vrije verkeer van Unieburgers, daarbij als uitgangspunt moet worden genomen de beoordeling van de evenredigheid in verband met artikel 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zo niet, welke beginselen moeten dan wel worden gehanteerd?
- c)
of, ongeacht de toe te passen beoordelingsmethode, een regel als § 9, lid 16, van de Deense vreemdelingenwet, zoals gewijzigd (voorheen § 9, lid 13) — op grond waarvan de gezinshereniging tussen enerzijds een derdelander die in Denemarken woont en er over een verblijfsvergunning beschikt, en anderzijds een minderjarig kind van die persoon, ingeval het kind en de andere ouder in het land van herkomst of een ander land wonen, onderworpen is aan de voorwaarde dat het kind een zodanige binding met Denemarken heeft of kan krijgen dat er een basis is voor een geslaagde integratie in het land — kan worden aangemerkt als een beperking die ‘rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan’.’
31
Bij op 30 maart 2015 ter griffie van het Hof neergelegde brief heeft de Deense regering krachtens artikel 16, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, verzocht dat het Hof zitting houdt in Grote kamer.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
32
Met zijn vragen, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een nationale maatregel als in het hoofdgeding aan de orde — op grond waarvan de gezinshereniging tussen enerzijds een Turkse werknemer die wettig verblijft in de betrokken lidstaat, en anderzijds een minderjarig kind van die persoon, onderworpen is aan de voorwaarde dat het kind een zodanige binding met deze lidstaat heeft of kan krijgen dat er een basis is voor zijn geslaagde integratie, wanneer zowel dit kind als de andere ouder in de staat van herkomst of een andere staat wonen en de aanvraag tot gezinshereniging bovendien wordt ingediend meer dan twee jaar nadat de in die lidstaat wonende ouder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft verkregen dan wel een verblijfsvergunning die uitzicht biedt op een duurzaam verblijf — een ‘nieuwe beperking’ vormt in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 en/of artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol, alsook of een dergelijke beperking, wanneer daarvan inderdaad sprake is, niettemin gerechtvaardigd kan zijn.
33
Het is vaste rechtspraak dat de in artikel 13 van besluit nr. 1/80 en artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol vervatte standstillbepalingen in algemene zin de invoering verbieden van alle nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg zouden hebben dat aan de gebruikmaking van een economische vrijheid door een Turkse staatsburger op het grondgebied van de betrokken lidstaat, strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van dat besluit of van dat protocol voor deze lidstaat (zie in die zin arresten Savas, C-37/98, EU:C:2000:224, punt 69, en Sahin, C-242/06, EU:C:2009:554, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling, te weten § 9, lid 13, van de Deense vreemdelingenwet, is ingevoerd nadat besluit nr. 1/80 en het Aanvullend Protocol in Denemarken in werking waren getreden, alsook dat die bepaling heeft geleid tot een aanscherping van de voordien geldende toelatingsvoorwaarden voor de gezinshereniging van minderjarige kinderen van werknemers die derdelanders zijn, zodat zij deze gezinshereniging bemoeilijkt.
35
Voorts staat vast dat Genc Denemarken wenst binnen te komen om zich aldaar bij zijn vader te voegen. Tevens staat vast dat de vader van Genc in Denemarken een werkzaamheid in loondienst uitoefende toen laatstgenoemde zijn verblijfsaanvraag indiende.
36
Gelet op het voorgaande is de vader van verzoeker in het hoofdgeding degene van wie de situatie verband houdt met een economische vrijheid, in casu het vrije verkeer van werknemers, en die dus als legaal in de arbeidsmarkt van Denemarken opgenomen werknemer onder artikel 13 van besluit nr. 1/80 valt (zie in die zin arresten Savas, C-37/98, EU:C:2000:224, punt 58, en Abatay e.a., C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punten 75-84).
37
Bijgevolg dient enkel de situatie van de in de betrokken lidstaat wonende Turkse werknemer, in casu Gencs vader, in aanmerking te worden genomen om uit te maken of een nationale maatregel als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit nr. 1/80 buiten toepassing moet worden gelaten indien blijkt dat deze maatregel afbreuk kan doen aan de vrijheid van die werknemer om in die lidstaat een werkzaamheid in loondienst uit te oefenen.
38
Onderzocht dient derhalve te worden of de invoering van een nieuwe regeling waarbij de voorwaarden voor de eerste toelating van minderjarige kinderen van Turkse staatsburgers die, zoals Gencs vader, in de betrokken lidstaat verblijven als werknemer, strenger worden gemaakt ten opzichte van de voorwaarden die golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in deze lidstaat, een in artikel 13 van dit besluit bedoelde ‘nieuwe beperking’ kan vormen van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers in die lidstaat door die Turkse staatsburgers.
39
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een regeling die gezinshereniging bemoeilijkt door de voorwaarden voor de eerste toelating van de echtgenoten van Turkse staatsburgers tot het grondgebied van de betrokken lidstaat strenger te maken ten opzichte van de voorwaarden die golden bij de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol, een ‘nieuwe beperking’ van de uitoefening van de vrijheid van vestiging door die Turkse staatsburgers in de zin van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol vormt (arrest Dogan, C-138/13, EU:C:2014:2066, punt 36).
40
Het besluit van een Turkse staatsburger om zich in een lidstaat te vestigen teneinde aldaar duurzaam een economische activiteit uit te oefenen, kan namelijk ongunstig worden beïnvloed wanneer de wettelijke regeling van deze lidstaat gezinshereniging moeilijk of onmogelijk maakt, zodat die Turkse staatsburger zich mogelijkerwijs genoopt ziet te kiezen tussen zijn activiteit in die lidstaat en zijn gezinsleven in Turkije (zie in die zin arrest Dogan, C-138/13, EU:C:2014:2066, punt 35).
41
Tevens heeft het Hof geoordeeld dat, aangezien de standstillbepaling in artikel 13 van besluit nr. 1/80 eenzelfde soort bepaling is als die in artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol en deze twee bepalingen hetzelfde doel hebben, de uitlegging van artikel 41, lid 1, ook dient te gelden voor de standstillverplichting die ten grondslag ligt aan genoemd artikel 13 met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers (arrest Commissie/Nederland, C-92/07, EU:C:2010:228, punt 48).
42
De door het Hof in punt 36 van het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) gegeven uitlegging kan dan ook worden toegepast op het hoofdgeding.
43
Voor zover de verwijzende rechter en de Deense regering twijfels hebben over de verenigbaarheid van de uit het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) voortvloeiende uitlegging met de louter economische doelstelling van de Associatieovereenkomst, zij eraan herinnerd dat, zoals uit punt 40 van het onderhavige arrest blijkt, de reden waarom het Hof in het arrest Dogan tot de slotsom is gekomen dat de regeling die aan de orde was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, binnen de werkingssfeer van de standstillbepaling van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol viel, was dat er een verband bestond tussen de gezinshereniging en de uitoefening van de economische vrijheden in een lidstaat door een Turkse staatsburger, in dier voege dat de voorwaarden voor de binnenkomst en het verblijf van diens gezinsleden in het kader van gezinshereniging de uitoefening van deze vrijheden door die Turkse staatsburger ongunstig konden beïnvloeden.
44
Een nationale regeling waarbij de voorwaarden voor gezinshereniging worden aangescherpt, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, dient dus — zoals de advocaat-generaal in punt 27 van zijn conclusie heeft opgemerkt — enkel te worden geacht binnen de werkingssfeer van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit nr. 1/80 te vallen voor zover zij de uitoefening van een economische activiteit op het grondgebied van de betrokken lidstaat door Turkse werknemers — zoals Gencs vader — ongunstig beïnvloedt.
45
De in artikel 13 van besluit nr. 1/80 en in artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol geformuleerde standstillbepalingen, zoals deze door het Hof worden uitgelegd, houden derhalve geenszins de erkenning in van een recht op gezinshereniging of van een recht op vestiging en verblijf voor gezinsleden van Turkse werknemers.
46
Zoals uit het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) blijkt, kent de rechtspraak van het Hof aan de standstillbepaling ten aanzien van gezinshereniging geen ander rechtsgevolg toe dan het verbod om gezinshereniging te onderwerpen aan nieuwe voorwaarden die de uitoefening van de economische vrijheden in een lidstaat door Turkse staatsburgers ongunstig kunnen beïnvloeden.
47
Ten slotte was er in de zaak die heeft geleid tot het arrest Demirkan (C-221/11, EU:C:2013:583), waarnaar de Deense regering met name verwijst, geen sprake van enig verband zoals in punt 43 van het onderhavige arrest is beschreven.
48
Het arrest Demirkan had namelijk betrekking op een Turkse vrouw die zich bij haar binnenkomst in de betrokken lidstaat op de standstillbepaling van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol wenste te beroepen omdat zij, eenmaal aangekomen op het grondgebied van die lidstaat, een ontvanger van diensten zou zijn geweest. Het Hof oordeelde evenwel dat het begrip ‘vrij verrichten van diensten’ in deze bepaling niet de passieve vrijheid van dienstverrichting omvatte (zie in die zin arrest Demirkan, C-221/11, EU:C:2013:583, punten 60 en 63), zodat die Turkse vrouw zich bij gebreke van een verband tussen haar binnenkomst en verblijf in de betrokken lidstaat en de uitoefening van een economische vrijheid niet op die standstillbepaling kon beroepen.
49
De uit het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) voortvloeiende uitlegging is bovendien in overeenstemming met de uitlegging die het Hof aan artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 heeft gegeven, volgens welke laatstgenoemde bepaling tot doel heeft de gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst te bevorderen teneinde de tewerkstelling en het verblijf van de in de betrokken lidstaat tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer te vergemakkelijken (zie arresten Kadiman, C-351/95, EU:C:1997:205, punten 34–36; Eyüp, C-65/98, EU:C:2000:336, punt 26, en Ayaz, C-275/02, EU:C:2004:570, punt 41).
50
Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde — die gezinshereniging bemoeilijkt door de voorwaarden voor de eerste toelating tot het grondgebied van de betrokken lidstaat voor minderjarige kinderen van Turkse staatsburgers die in deze lidstaat verblijven als werknemer, strenger te maken ten opzichte van de voorwaarden die golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80, en die dus de uitoefening van een economische activiteit op dit grondgebied door deze Turkse staatsburgers ongunstig kan beïnvloeden — een in artikel 13 van dit besluit bedoelde ‘nieuwe beperking’ vormt van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers in die lidstaat door die Turkse staatsburgers.
51
Ten slotte zij eraan herinnerd dat een beperking die tot doel of tot gevolg heeft dat de gebruikmaking door een Turkse staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied aan strengere voorwaarden wordt onderworpen dan die welke bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 golden, is verboden, tenzij deze beperking tot een van de in artikel 14 van dit besluit bedoelde beperkingen behoort dan wel rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan (arrest Demir, C-225/12, EU:C:2013:725, punt 40).
52
Volgens artikel 12 van de Associatieovereenkomst zijn de overeenkomstsluitende partijen immers — overeenkomstig de louter economische doelstelling die aan de Associatie EEG-Turkije ten grondslag ligt — overeengekomen zich te laten leiden door de bepalingen van het primaire Unierecht inzake het vrije verkeer van werknemers, zodat de beginselen die in het kader van deze bepalingen gelden, voor zover mogelijk moeten worden toegepast op Turkse staatsburgers die rechten ontlenen aan deze overeenkomst (zie in die zin arrest Ziebell, C-371/08, EU:C:2011:809, punten 58 en 65–68).
53
Nagegaan dient dus te worden of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling geoorloofd is doordat zij aan de in punt 51 van het onderhavige arrest vermelde criteria voldoet.
54
Dienaangaande zij opgemerkt dat de in § 9, lid 13, van de Deense vreemdelingenwet gestelde voorwaarde niet onder artikel 14 van besluit nr. 1/80 valt. De Deense regering stelt evenwel dat deze voorwaarde rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, te weten de bevordering van een geslaagde integratie, en dat zij evenredig is aangezien zij geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan.
55
Wat de vraag betreft of de doelstelling van het bereiken van een geslaagde integratie een dergelijke dwingende reden kan vormen, moet worden herinnerd aan het belang dat in het Unierecht wordt gehecht aan integratiemaatregelen, zoals blijkt uit artikel 79, lid 4, VWEU, welke bepaling de bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten van ontvangst een aan te moedigen en te ondersteunen optreden van de lidstaten noemt, alsook uit verschillende richtlijnen zoals richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251, blz. 12) en richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44), die bepalen dat de integratie van derdelanders van wezenlijk belang is voor de bevordering van de economische en sociale samenhang, een fundamentele doelstelling van de Unie die in het Verdrag is opgenomen.
56
De doelstelling van het bevorderen van een geslaagde integratie van derdelanders in de betrokken lidstaat, waarop de Deense regering zich beroept, kan dan ook een dwingende reden van algemeen belang vormen, zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
57
Aangezien een nationale bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking vormt van het vrije verkeer van Turkse werknemers, zoals in punt 50 van dit arrest is vastgesteld, dient erop te worden gewezen dat de evenredigheid van een dergelijke bepaling moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van deze vrijheid, waarop de Turkse staatsburgers zich overeenkomstig de voor de Associatie EEG-Turkije geldende bepalingen kunnen beroepen, zoals de advocaat-generaal in de punten 37 en 38 van zijn conclusie heeft aangegeven.
58
Blijkens de verwijzingsbeslissing houdt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling in dat een kind, ingeval dit kind en een van zijn ouders in de staat van herkomst of in een andere staat wonen, in beginsel slechts in aanmerking komt voor gezinshereniging als het een zodanige binding met Denemarken heeft of kan krijgen dat er een basis is voor zijn geslaagde integratie in deze lidstaat.
59
Deze voorwaarde geldt evenwel enkel indien de aanvraag wordt ingediend meer dan twee jaar nadat de op het Deense grondgebied wonende ouder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft verkregen dan wel een verblijfsvergunning die uitzicht biedt op een duurzaam verblijf.
60
Aangezien het vereiste dat het bewijs wordt geleverd van een toereikende binding met Denemarken ervoor moet zorgen dat de integratie van de betrokken kinderen in deze lidstaat slaagt, zoals de Deense regering betoogt, dient ervan te worden uitgegaan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling berust op het vermoeden dat kinderen voor wie de aanvraag tot gezinshereniging niet tijdig is ingediend, in zodanige omstandigheden verkeren dat hun integratie in Denemarken enkel is gewaarborgd indien zij aan dit vereiste voldoen.
61
De toepasselijkheid van dat vereiste, dat gerechtvaardigd heet te zijn door de doelstelling de integratie van de betrokken minderjarige kinderen in Denemarken mogelijk te maken, lijkt evenwel niet af te hangen van de persoonlijke omstandigheden waarin deze kinderen verkeren en die hun integratie in deze lidstaat ongunstig kunnen beïnvloeden, zoals hun leeftijd of hun banden met die lidstaat, maar van een criterium dat op het eerste gezicht niets van doen lijkt te hebben met de kans op een geslaagde integratie, te weten het tijdsverloop tussen de toekenning van een definitieve verblijfsvergunning voor Denemarken aan de betrokken ouder en de indiening van de aanvraag tot gezinshereniging.
62
In dit verband valt moeilijk in te zien waarom het feit dat een aanvraag tot gezinshereniging wordt ingediend meer dan twee jaar nadat de in Denemarken wonende ouder een definitieve verblijfsvergunning voor deze lidstaat heeft verkregen, ertoe zou leiden dat het kind zich in een zodanige situatie bevindt dat het minder kans maakt om te integreren in Denemarken, zodat de aanvrager gehouden is het bewijs te leveren dat dit kind een toereikende binding met deze lidstaat heeft.
63
De omstandigheid dat de aanvraag tot gezinshereniging al dan niet wordt ingediend binnen de twee jaar nadat de in de betrokken lidstaat wonende ouder een definitieve verblijfsvergunning heeft verkregen, vormt namelijk als zodanig geen aanwijzing voor de voornemens die de ouders van de minderjarige op wie deze aanvraag betrekking heeft, ten aanzien van diens integratie in deze lidstaat hebben.
64
Bovendien heeft de toepassing van het in het geding zijnde criterium om uit te maken voor welke kinderen een toereikende binding met Denemarken moet worden bewezen, tot gevolg dat de beoordeling van de mate waarin de betrokken kinderen in staat zijn om zich met succes in deze lidstaat te integreren, inconsistente resultaten oplevert.
65
Zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft gepreciseerd, geldt dit criterium immers ongeacht de persoonlijke situatie van het betrokken kind en de banden van dit kind met de lidstaat in kwestie, en dreigt het ertoe te leiden dat kinderen die zich in een volkomen vergelijkbare situatie bevinden wat zowel hun leeftijd als hun banden met Denemarken en hun relatie met de aldaar wonende ouder betreft, verschillend worden behandeld naargelang van het tijdstip waarop de aanvraag tot gezinshereniging wordt ingediend.
66
Daarbij zij aangetekend dat met name de beoordeling van de persoonlijke situatie van het betrokken kind, zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie heeft opgemerkt, door de nationale autoriteiten moet worden verricht aan de hand van voldoende nauwkeurige, objectieve en niet-discriminerende criteria, waaraan elk geval afzonderlijk dient te worden getoetst, en dat deze beoordeling moet uitmonden in een met redenen omkleed besluit waartegen een doeltreffende voorziening in rechte openstaat, teneinde een administratieve praktijk van stelselmatige weigering te voorkomen.
67
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat een nationale maatregel zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die voor de gezinshereniging tussen een Turkse werknemer die wettig in de betrokken lidstaat verblijft en zijn minderjarige kind als voorwaarde stelt dat het kind een zodanige binding met deze lidstaat heeft of kan krijgen dat er een basis is voor een geslaagde integratie, wanneer dit kind en de andere ouder in de staat van herkomst of in een andere staat wonen en de aanvraag tot gezinshereniging wordt ingediend meer dan twee jaar nadat de in die lidstaat wonende ouder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft verkregen dan wel een verblijfsvergunning die uitzicht op een duurzaam verblijf biedt, een ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 vormt. Een dergelijke beperking is niet gerechtvaardigd.
Kosten
68
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Een nationale maatregel zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die voor de gezinshereniging tussen een Turkse werknemer die wettig in de betrokken lidstaat verblijft en zijn minderjarige kind als voorwaarde stelt dat het kind een zodanige binding met deze lidstaat heeft of kan krijgen dat er een basis is voor een geslaagde integratie, wanneer dit kind en de andere ouder in de staat van herkomst of in een andere staat wonen en de aanvraag tot gezinshereniging wordt ingediend meer dan twee jaar nadat de in die lidstaat wonende ouder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft verkregen dan wel een verblijfsvergunning die uitzicht op een duurzaam verblijf biedt, vormt een ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat gevoegd is bij de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963.
Een dergelijke beperking is niet gerechtvaardigd.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑04‑2016
Conclusie 20‑01‑2016
P. Mengozzi
Partij(en)
Zaak C-561/141.
Caner Genc
tegen
Integrationsministeriet
[verzoek van het Østre Landsret (appelrechter voor het oosten van Denemarken) om een prejudiciële beslissing]
1.
Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing verzoekt de verwijzende rechter het Hof om de uitlegging van artikel 13 van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: ‘besluit nr. 1/80’), dat is vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (hierna: ‘Associatieovereenkomst EEG-Turkije’)2.. Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C. Genc, een Turkse onderdaan, en de Deense autoriteiten over de afwijzing door die autoriteiten van Gencs verzoek om een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging.
I — Inleiding
2.
Verzoeker in het hoofdgeding, Genc, is een Turkse onderdaan en is geboren in 1991. Zijn vader, die eveneens de Turkse nationaliteit bezit, is sinds 1997 in Denemarken gevestigd en beschikt er sinds 2001 over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Na de echtscheiding van zijn ouders in 1997 is Genc, ofschoon zijn vader met het gezag over hem werd belast, in Turkije blijven wonen, bij zijn grootouders, en ontmoette hij regelmatig zijn moeder. Zijn oudste twee broers beschikken in Denemarken over een verblijfsvergunning sinds mei 2003.
3.
Genc heeft op 5 januari 2005 in Denemarken een verblijfsvergunning aangevraagd om zich bij zijn vader te voegen, die toen in dat land werknemer was.
4.
In augustus 2006 heeft de Udlændingeservice, inmiddels Udlændingestyrelsen (Deense immigratiedienst), zijn aanvraag afgewezen. Daarop heeft Genc bezwaar ingesteld bij het ministerie van Integratie, dat het weigeringsbesluit op 18 december 2006 heeft bevestigd. Dit ministerie heeft met name aangevoerd dat Genc nooit naar Denemarken is gekomen, dat hij zijn hele leven in Turkije heeft doorgebracht en daar naar school is gegaan, dat hij enkel Turks spreekt en dat hij zijn vader de laatste twee jaar slechts zeer sporadisch heeft ontmoet. Op grond van deze omstandigheden is dat ministerie tot de slotsom gekomen dat Genc geen enkele relatie met de Deense samenleving heeft en dat hij geen binding met Denemarken heeft of kan krijgen die toereikend is om een geslaagde integratie mogelijk te maken. Hetzelfde ministerie heeft voorts opgemerkt dat de vader van Genc evenmin kon worden geacht bijzonder goed geïntegreerd te zijn of zelf een toereikende binding met de Deense samenleving te hebben, en dat hij zich hoe dan ook naar Turkije kon begeven om zijn zoon te bezoeken.
5.
Op 17 september 2007 heeft het ministerie van Integratie geweigerd zijn weigeringsbesluit te herzien. Op 9 december 2011 heeft de rechter in eerste aanleg het bij hem door Genc ingestelde beroep tot nietigverklaring verworpen. Genc heeft vervolgens bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld.
6.
Zowel aan de analyse van Udlædingeservice als aan die van het ministerie van Integratie ligt § 9, lid 13, van udlændingeloven (hierna: ‘vreemdelingenwet’) ten grondslag. Ingevolge deze in 20043. ingevoerde bepaling ‘[kan] de verblijfsvergunning […], ingeval de aanvrager en een van de ouders van de aanvrager in het land van herkomst of een ander land wonen, enkel worden afgegeven als de aanvrager een zodanige binding met Denemarken heeft of kan krijgen dat er een basis is voor een geslaagde integratie in het land. Dit geldt evenwel niet indien de aanvraag wordt ingediend binnen de twee jaar vanaf het tijdstip waarop de ingezetene voldoet aan de voorwaarden [om een verblijfsvergunning te verkrijgen], of indien zeer uitzonderlijke redenen, waaronder de eerbiediging van de eenheid van het gezin, daartegen pleiten’.4.
7.
Bij de discretionaire beoordeling die de bevoegde autoriteiten verrichten om uit te maken of een aanvrager een toereikende binding met Denemarken heeft of kan krijgen — met andere woorden om de slaagkansen van zijn integratie in de Deense samenleving in te schatten — moet volgens de verwijzende rechter rekening worden gehouden met een aantal factoren, waaronder de duur en de aard van vorige verblijven van het kind in Denemarken, het land waar het kind het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht, het land waar het naar school is gegaan, de taal die het spreekt en de mate waarin het in zijn kinderjaren is doordrongen van de Deense normen en waarden. Bij deze beoordeling wordt voorts rekening gehouden met de mate waarin de ouder bij wie het kind zich wenst te voegen, is geïntegreerd in de Deense samenleving, en met de banden die deze ouder met die samenleving heeft tot stand gebracht. De verwijzende rechter vermeldt tevens een aantal gevallen waarin het bewijs van een toereikende binding met Denemarken niet wordt verlangd, bijvoorbeeld wanneer het kind of een van de ouders ziek of gehandicapt is, of wanneer de weigering om gezinshereniging toe te staan in strijd zou zijn met de internationale verplichtingen van Denemarken of met de belangen van het kind in de zin van het op 20 november 1989 ondertekende en door alle lidstaten geratificeerde Verdrag van New York inzake de rechten van het kind.
8.
De verwijzende rechter merkt op dat het vereiste van een toereikende binding met Denemarken in de Deense rechtsorde is ingevoerd in 2004. Uit artikel 13 van besluit nr. 1/80 blijkt evenwel dat ‘[d]e lidstaten van de Gemeenschap en Turkije […] geen nieuwe beperkingen [mogen] invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn’.
9.
De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of deze standstillclausule eveneens van toepassing is op de voorwaarden waaronder Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt behoren, er aanspraak op kunnen maken dat hun economisch niet-actieve gezinsleden toestemming krijgen om zich op het grondgebied van de betrokken lidstaat bij hen te voegen. Hij is van oordeel dat de rechtspraak van het Hof daarover niet bepaald duidelijk is. Indien § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 vormt, wenst de verwijzende rechter dat het Hof preciseert welke soort toetsing hij dient te verrichten om vast te stellen of die beperking gerechtvaardigd kan zijn.
10.
Daarom heeft het Østre Landsret, dat op een moeilijkheid bij de uitlegging van het Unierecht is gestuit, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij een op 5 december 2014 ter griffie van het Hof ingekomen beslissing verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet de standstillbepaling in artikel 13 van […] besluit nr. 1/80 […] of de standstillbepaling in artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol[, ondertekend op 23 november 1970 te Brussel en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (hierna: ‘Aanvullend Protocol’)]5. aldus worden uitgelegd dat de standstillverplichting van toepassing is op nieuwe restrictieve voorwaarden voor de toegang tot gezinshereniging voor economisch niet-actieve gezinsleden, waaronder minderjarige kinderen, met economisch actieve Turkse onderdanen die in een lidstaat wonen en er over een verblijfsvergunning beschikken, gelet op:
- a)
de uitlegging van de standstillbepalingen door het Hof in de arresten Derin [(C-325/05, EU:C:2007:442)], Ziebell [(C-371/08, EU:C:2011:809)], Dülger [(C-451/11, EU:C:2012:504)] en Demirkan [(C-221/11, EU:C:2013:583)], alsook
- b)
het doel en de inhoud van de [Associatieovereenkomst EEG-Turkije] van Ankara, zoals uitgelegd in de arresten Ziebell [(C-371/08, EU:C:2011:809)] en Demirkan [(C-221/11, EU:C:2013:583)], mede in het licht van
- —
de omstandigheid dat deze overeenkomst alsook de protocollen en besluiten die ermee verband houden, geen bepalingen over gezinshereniging bevatten, en
- —
de omstandigheid dat gezinshereniging […] altijd door handelingen van afgeleid recht geregeld is geweest, thans de verblijfsrichtlijn (richtlijn 2004/38/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77)])?
- 2)
Het Hof wordt verzocht bij de beantwoording van de eerste vraag te verduidelijken of een eventueel afgeleid recht op gezinshereniging voor gezinsleden van economisch actieve Turkse onderdanen die in een lidstaat wonen en er over een verblijfsvergunning beschikken, van toepassing is op gezinsleden van Turkse werknemers in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, dan wel of een dergelijk recht uitsluitend geldt voor gezinsleden van Turkse zelfstandigen in de zin van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol.
- 3)
Indien de eerste vraag, gelezen in samenhang met de tweede vraag, bevestigend wordt beantwoord, moet de standstillbepaling in artikel 13 […] van besluit nr. 1/80 dan aldus worden uitgelegd dat nieuwe beperkingen die ‘rechtvaardiging [vinden] in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt [zijn] om de verwezenlijking van het legitieme doel te waarborgen en niet verder [gaan] dan nodig is voor het bereiken daarvan’ (naast hetgeen is bepaald in artikel 14 van besluit nr. 1/80) rechtmatig zijn?
- 4)
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt het Hof met name verzocht te verduidelijken
- a)
op grond van welke richtsnoeren de toelaatbaarheid van de beperkingen en de evenredigheid ervan moeten worden beoordeeld: moeten dezelfde beginselen worden gehanteerd als die welke het Hof heeft ontwikkeld in zijn rechtspraak over gezinshereniging in het kader van het op de verblijfsrichtlijn (richtlijn 2004/38) en de bepalingen van het Verdrag gebaseerde vrije verkeer van Unieburgers, of moet een andere beoordeling worden verricht?
- b)
of, zo een andere beoordeling moet worden verricht dan de beoordeling die voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof over gezinshereniging in het kader van het vrije verkeer van Unieburgers, daarbij als uitgangspunt moet worden genomen de beoordeling van de evenredigheid in verband met artikel 8 van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zo niet, welke beginselen moeten dan wel worden gehanteerd?
- c)
of, ongeacht de toe te passen beoordelingsmethode, een regel als § 9, lid 13, van de [vreemdelingenwet] — op grond waarvan de gezinshereniging tussen enerzijds een derdelander die in Denemarken woont en er over een verblijfsvergunning beschikt, en anderzijds een minderjarig kind van die persoon, ingeval het kind en de andere ouder in het land van herkomst of een ander land wonen, onderworpen is aan de voorwaarde dat het kind een zodanige binding met Denemarken heeft of kan krijgen dat er een basis is voor een geslaagde integratie in het land — kan worden aangemerkt als een beperking die ‘rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan’.’
11.
In de onderhavige prejudiciële procedure zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Deense regering en de Europese Commissie. Ter terechtzitting van het Hof op 20 oktober 2015 hebben verzoeker in het hoofdgeding, de Deense en de Oostenrijkse regering alsook de Commissie pleidooi gehouden.
II — Juridische beoordeling
A — Eerste en tweede vraag
12.
Met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen wat de werkingssfeer is van artikel 13 van besluit nr. 1/80 en wat de omvang is van de daarin neergelegde standstillverplichting. Met name wenst hij te vernemen of die verplichting geldt voor een nieuwe beperking van de toegang tot gezinshereniging voor economisch niet-actieve gezinsleden van een Turkse werknemer, en of het afgeleide recht op gezinshereniging dat het arrest Dogan6. zou hebben toegekend aan de gezinsleden van een Turkse werknemer die de vrijheid van vestiging uitoefent, ook moet worden erkend in de context van het vrije verkeer van Turkse werknemers.
13.
In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Deense regering, die de zorgen van de verwijzende rechter lijkt te delen, het Hof uitdrukkelijk verzocht terug te komen van haar rechtspraak in het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066). Op basis van de analyse van een aantal arresten van het Hof waarbij standstillclausules worden uitgelegd — of het nu gaat om artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol of om artikel 13 van besluit nr. 1/80 — heeft deze regering proberen aan te tonen dat het door het Hof in het arrest Dogan ingenomen standpunt op zichzelf staat en niet consistent is met eerdere uitspraken van het Hof. Het recht op gezinshereniging werd volgens haar tot het arrest Dogan7. altijd geacht buiten de werkingssfeer van de standstillverplichting te vallen. De Deense regering betoogt dat het Hof die rechtspraak moet verlaten om terug te keren naar de louter economische essentie van de Associatieovereenkomst en van de verschillende handelingen die op de grondslag daarvan zijn vastgesteld, zoals die volgens haar in het arrest Demirkan8. is vastgesteld.
14.
Alvorens uit te leggen waarom mijns inziens de twijfel van de verwijzende rechter en de bezorgdheid van de Deense regering berusten op een onjuiste lezing van de rechtspraak van het Hof, dat naar mijn mening geen afgeleid recht op gezinshereniging heeft erkend, wens ik terug te komen op de standstillverplichting zoals die door het Hof wordt uitgelegd en omschreven.
1. Algemene overwegingen in de rechtspraak van het Hof over de standstillverplichting in artikel 13 van besluit nr. 1/80
15.
Het staat vast dat Gencs vader een werkzaamheid in loondienst uitoefende toen verzoeker in het hoofdgeding zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning indiende. De situatie van Gencs vader houdt derhalve verband met het vrije verkeer van werknemers en valt uitsluitend onder artikel 13 van besluit nr. 1/80.9.
16.
Het Hof heeft ten aanzien van dit artikel geoordeeld dat het rechtstreekse werking heeft10. en moet worden gelezen in de context van alle bepalingen van dit besluit.11.
17.
Wat deze context betreft, heeft de Associatieovereenkomst volgens vaste rechtspraak tot doel de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met name door het vrije verkeer van werknemers12., dat geleidelijk tot stand moet worden gebracht13.. Wat met name besluit nr. 1/80 betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het strekt tot ‘bevordering van de geleidelijke integratie, in de ontvangende lidstaat, van de Turkse staatsburgers die aan de in een bepaling van dit besluit gestelde voorwaarden voldoen en dus rechten aan dit besluit ontlenen’14., alsook dat ‘onverminderd de bijzondere situatie van de gezinsleden die zich bij een reeds op het grondgebied van een lidstaat aanwezige Turkse werknemer mogen voegen, dit besluit vooral is gericht op de geleidelijke integratie van Turkse werknemers aldaar door middel van het verrichten van in beginsel ononderbroken legale arbeid’15..
18.
Het Hof heeft zich eveneens gebogen over het verband tussen de standstillclausules in respectievelijk artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van besluit nr. 1/80. Hoewel de bewoordingen van beide clausules aanzienlijk verschillen16., heeft het Hof geoordeeld dat zij hetzelfde doel hebben, namelijk de geleidelijke invoering van het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting door het verbod nieuwe belemmeringen op te werpen, teneinde de geleidelijke verwezenlijking van deze vrijheden niet te bemoeilijken.17. Bijgevolg hebben beide bepalingen dezelfde betekenis18., zijn zij gelijksoortig19. en moeten zij in onderlinge overeenstemming worden uitgelegd20.. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de standstillclausule voor het vrije verkeer van werknemers een geringere draagwijdte heeft dan die voor de vrijheid van vestiging of de vrijheid van dienstverrichting.21. Aangezien de overwegingen van het Hof over de standstillclausule van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol eveneens van toepassing zijn bij de uitlegging van artikel 13 van besluit nr. 1/80, ‘[geldt] de strekking van de standstillverplichting in artikel 13 naar analogie ook […] voor alle nieuwe belemmeringen voor de uitoefening van het vrij verkeer van werknemers die een aanscherping inhouden van de op een bepaalde datum bestaande voorwaarden’.22.
19.
Nu het Hof de rechtstreekse werking van artikel 13 van besluit nr. 1/80 heeft erkend en heeft gepreciseerd dat de draagwijdte ervan moest worden geacht dezelfde te zijn als die van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol, dient nog slechts de betekenis ervan te worden vastgesteld. Het Hof is van oordeel dat de standstillclausule ‘[niet] werkt […] als een materieel voorschrift, door het relevante materiële recht, in de plaats waarvan zij zou treden, buiten toepassing te stellen, maar als een quasi procedurele regeling die ratione temporis voorschrijft op basis van welke bepalingen van de regeling van een lidstaat de situatie [moet worden beoordeeld] van een Turks staatsburger die gebruik wil maken’ van het vrije verkeer van werknemers in een lidstaat.23. Zij behelst een door de overeenkomstsluitende partijen aangegane verplichting die juridisch neerkomt op een verplichting om iets na te laten.24.
20.
Het Hof heeft voorts meermaals in herinnering gebracht dat de standstillclausule op zich geen rechten in het leven roept25. en als zodanig een Turkse onderdaan geen recht oplevert om een werkzaamheid in loondienst uit te oefenen noch een daaruit logischerwijs voortvloeiend verblijfsrecht26., daar het recht van binnenkomst op het grondgebied van een lidstaat niet uit het Unierecht kan worden afgeleid, maar integendeel onder het nationale recht blijft vallen27.. Het Hof heeft dan ook erkend dat ‘besluit nr. 1/80 stellig niet in de bevoegdheid van de lidstaten [treedt] om zowel de toegang van een Turkse onderdaan tot hun grondgebied als zijn eerste tewerkstelling te weigeren’.28.. Het besluit regelt daarentegen de situatie van Turkse werknemers die reeds legaal in de arbeidsmarkt van de lidstaten zijn opgenomen29.. Niettemin heeft het Hof aanvaard dat de standstillclausule betrekking kan hebben op de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf van Turkse staatsburgers op het grondgebied van de lidstaten voor zover die clausule het logische uitvloeisel vormt van de uitoefening van een economische activiteit.30.
21.
Concreet verbiedt artikel 13 van besluit nr. 1/80 in het algemeen de invoering van nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turkse staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 voor de betrokken lidstaat.31. Deze bepaling staat er eveneens aan in de weg dat een lidstaat in zijn regelgeving, na de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in de betrokken lidstaat, nieuwe beperkingen van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers opneemt, met inbegrip van beperkingen betreffende de materiële en/of procedurele voorwaarden voor de eerste toelating tot het grondgebied van die lidstaat van Turkse onderdanen die voornemens zijn aldaar van deze vrijheid gebruik te maken.32.
22.
Op dit punt van mijn analyse stel ik vast dat het Hof niet heeft uitgesloten dat de standstillverplichting indirect van toepassing is op de voorwaarden voor de binnenkomst en het verblijf van personen die weliswaar zelf geen rechten ontlenen aan besluit nr. 1/80, maar gezinsleden zijn van economisch actieve Turkse onderdanen, mits vaststaat dat er een verband bestaat tussen de uitoefening van de economische activiteit van laatstgenoemden en de binnenkomst of het verblijf van hun gezinsleden. Juist dit verband is in het arrest Dogan33. bevestigd.
2. Sociale dimensie van besluit nr. 1/80, ‘economische dimensie’ van gezinshereniging en van de standstillverplichting
23.
Het Hof is in zijn rechtspraak over de standstillclausules in het kader van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: ‘Associatie EEG-Turkije’) niet voorbijgegaan aan de thematiek van de gezinshereniging. Gelet op het onlosmakelijke verband tussen de uitoefening van een economische activiteit en de rechten van Turkse onderdanen die een dergelijke activiteit uitoefenen op het grondgebied van een lidstaat, heeft het Hof geoordeeld dat ‘gezinshereniging […] niet een recht [is] voor de gezinsleden van de Turkse werknemer, maar […] integendeel afhankelijk [is] van een besluit van de nationale instanties dat deze nemen met toepassing van enkel het recht van de betrokken lidstaat, onder voorbehoud van eerbiediging van de fundamentele rechten’.34.Besluit nr. 1/80 heeft aan de Associatie EEG-Turkije evenwel onmiskenbaar een sociale dimensie toegevoegd.35.Artikel 13 van besluit nr. 1/80 maakt overigens deel uit van de ‘sociale bepalingen’ van dat besluit, dat getuigt van het feit dat een ‘verdere etappe’ is afgelegd op de weg naar de totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers, dat geleidelijk dient te worden verwezenlijkt.36. Bij de uitlegging van de ‘sociale’ bepalingen van besluit nr. 1/80 heeft het Hof erkend dat de gezinshereniging waarvoor de tot de arbeidsmarkt van de lidstaten behorende Turkse werknemers in aanmerking komen, zowel bijdraagt tot de verbetering van de kwaliteit van het verblijf van deze werknemers als tot hun integratie in deze staten, en daardoor de economische en sociale samenhang van de betrokken samenleving bevordert.37. Deze gezinshereniging is evenwel niet onvoorwaardelijk en de overweging van het Hof dient te worden bezien in de context van het arrest Dülger38.. In deze zaak sprak het Hof zich uit over artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, waarin de rechten worden genoemd van gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen. Weliswaar heeft het Hof in een andere context geoordeeld dat besluit nr. 1/80 de toegang van deze gezinsleden tot het grondgebied van een lidstaat met het oog op gezinshereniging met een aldaar reeds legaal aanwezige Turkse werknemer er niet laat van afhangen of zij arbeid in loondienst verrichten39., maar het heeft er ten aanzien van met name artikel 13 van dat besluit op gewezen dat in deze bepaling sprake is van ‘werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn’40..
24.
Op dit punt van mijn analyse herinner ik eraan dat verzoeker in het hoofdgeding zich nog niet in Denemarken bevindt, maar om toestemming verzoekt om zich aldaar bij zijn vader te voegen. Zijn situatie valt niet onder artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 en hijzelf kan zich dus niet beroepen op artikel 13 van dat besluit.
25.
Het arrest Dogan41., waarvan het Hof volgens de Deense regering dient terug te komen omdat het een breuk zou vormen met de eerdere rechtspraak van het Hof, ligt in het verlengde van die rechtspraak. Dit arrest heeft geen zelfstandig recht op gezinshereniging voor gezinsleden van Turkse werknemers erkend, net zomin als het aan de echtgenote van een Turkse werknemer het recht toekent zich op artikel 13 van besluit nr. 1/80 te beroepen wanneer zij het grondgebied van de lidstaat waar deze werknemer zijn economische activiteit uitoefent, nog niet is binnengekomen. In dat arrest heeft het Hof, hetgeen ik hem overigens in overweging gaf, vastgesteld dat enkel de economisch actieve Turkse onderdaan die op het grondgebied van een lidstaat is gevestigd — en die dus als enige de rechten geniet die zijn neergelegd in de rechtsinstrumenten die de Associatieovereenkomst EEG-Turkije beheersen — zich op dat artikel kan beroepen.42. Bovendien is het niet bijzonder vernieuwend dat het Hof, eveneens in zijn arrest Dogan43., heeft geoordeeld dat het mogelijk is met een beroep op de standstillclausule op te komen tegen nationale wetgeving waarin de voorwaarden worden geregeld waaronder de echtgenoot van een in een lidstaat gevestigde Turkse onderdaan het grondgebied van die lidstaat met het oog op gezinshereniging mag binnenkomen. Het Hof had die mogelijkheid immers reeds erkend in het arrest Toprak en Oguz44..
26.
Wat de door de Deense regering gewenste terugkeer naar de Demirkan-rechtspraak betreft, dient te worden vastgesteld dat het arrest Demirkan45. niet relevant is voor de onderhavige zaak. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, ging het om een schoondochter met de Turkse nationaliteit die zich in Duitsland bij haar aldaar woonachtige schoonvader met de Duitse nationaliteit wenste te voegen, en om de vraag of zij zich op artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol kon beroepen, in aanmerking genomen dat zij na haar aankomst op het Duitse grondgebied geen diensten zou verrichten maar ontvangen. In die zaak was er, anders dan in de onderhavige prejudiciële verwijzing, geen sprake van een Turkse werknemer die reeds op het grondgebied van een lidstaat was gevestigd en er reeds gebruikmaakte van een economische vrijheid.
27.
Ondanks het ‘sociale’ karakter van de bepalingen van besluit nr. 1/80 is het Hof in zijn rechtspraak dus niet zo ver gegaan het recht op gezinshereniging volledig los te koppelen van de gebruikmaking van een economische vrijheid. Zoals ik reeds in de gelegenheid was op te merken, dient de regelgeving inzake gezinshereniging dan ook slechts binnen de werkingssfeer van artikel 13 van besluit nr. 1/80 te vallen voor zover zij de situatie van Turkse werknemers ongunstig beïnvloedt.46.
28.
Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld in het arrest Dogan47., kan de keuze van een Turkse onderdaan om zich al dan niet in een lidstaat van de Europese Unie te vestigen teneinde aldaar duurzaam een werkzaamheid in loondienst uit te oefenen, negatief worden beïnvloed wanneer de wettelijke regeling van die lidstaat gezinshereniging moeilijk of onmogelijk maakt, zodat die staatsburger zich genoopt kan zien te kiezen tussen zijn activiteit in de betrokken lidstaat en zijn gezinsleven in Turkije.
29.
Gelet op een en ander dient te worden geconcludeerd dat een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarvan vaststaat dat zij de hereniging van een legaal op het grondgebied van een lidstaat gevestigde Turkse werknemer met zijn minderjarige kinderen bemoeilijkt door de voorwaarden voor hun eerste toelating tot het grondgebied van de betrokken lidstaat strenger te maken ten opzichte van de voorwaarden die golden toen besluit nr. 1/80 in werking trad48., een nieuwe beperking vormt van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers in de zin van artikel 13 van dat besluit.
B — Derde en vierde vraag
30.
Met zijn derde en vierde vraag, die ik eveneens gezamenlijk zal behandelen, wenst de verwijzende rechter te vernemen of een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 gerechtvaardigd kan zijn en, zo ja, op welke wijze de evenredigheid ervan moet worden beoordeeld. Hoewel deze taak in beginsel is voorbehouden aan de nationale rechterlijke instanties, verzoekt de verwijzende rechter het Hof uitdrukkelijk een standpunt in te nemen over de met betrekking tot § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet te verrichten evenredigheidstoetsing. Alvorens hierover een standpunt wordt ingenomen, dient evenwel eerst te worden vastgesteld of er in casu wel sprake is van een dwingende reden van algemeen belang die de nieuwe beperking kan rechtvaardigen.
1. De bevordering van een geslaagde integratie als dwingende reden van algemeen belang
31.
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat een beperking ‘die tot doel of tot gevolg heeft dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrij verkeer van werknemers op het nationale grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80, is verboden, tenzij zij valt onder een van de in artikel 14 van dat besluit bedoelde beperkingen dan wel rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan’.49. Gelet op de noodzaak om de standstillclausules in onderlinge overeenstemming uit te leggen, heeft het Hof deze benadering in het arrest Dogan50. bevestigd met betrekking tot nieuwe beperkingen in de zin van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol. Het Hof heeft dus uitdrukkelijk aanvaard dat een nieuwe beperking niet alleen gerechtvaardigd kan zijn door een van de in artikel 14 van besluit nr. 1/80 bedoelde gronden, namelijk de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, maar ook door dwingende redenen van algemeen belang, die in de rechtspraak van het Hof over fundamentele vrijheden veelvuldig voorkomen als rechtvaardigingsgronden voor een inbreuk op die vrijheden. Het Hof heeft in het arrest Demir51. weliswaar erkend dat het doel van het voorkomen van illegale binnenkomst en illegaal verblijf een dwingende reden van algemeen belang vormt, maar het heeft in het arrest Dogan in het midden gelaten of dat ook geldt voor de bestrijding van gedwongen huwelijken en de bevordering van integratie.52.
32.
In de onderhavige zaak betoogt de Deense regering dat § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet moet worden geacht gerechtvaardigd te zijn door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de bevordering van een geslaagde integratie.
33.
Het Hof blijkt niet bijzonder veeleisend te zijn als het erom gaat een dwingende reden van algemeen belang te erkennen.53. Ik wijs erop dat het Hof in het arrest Demir54. heeft volstaan met een vaststelling, waaraan geen argumentatie voorafging. Bovendien heeft het Hof, zoals ik eerder heb opgemerkt, in het arrest Dogan dienaangaande zelfs geen standpunt ingenomen.55.
34.
Ik ben geneigd aan te nemen dat het Hof mede zo handelt om de speelruimte te eerbiedigen waarover de lidstaten op dit gebied beschikken. Daarom ben ik eveneens geneigd te aanvaarden dat de bevordering van een geslaagde integratie op zichzelf een dwingende reden van algemeen belang kan vormen, temeer daar de crux van de onderhavige zaak veeleer bestaat in de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de nieuwe beperking dan in de rechtvaardigingsgrond voor deze beperking.
35.
Ten overvloede volsta ik dus met de opmerking dat de zorg voor integratie niet vreemd is aan het Unierecht56. en als zodanig niet in strijd lijkt te zijn met de doelstelling van de Associatie EEG-Turkije. Het komt mij op het eerste gezicht dan ook voor dat de door de Deense regering aangevoerde dwingende reden van algemeen belang aanvaardbaar is.
2. Is § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet geschikt om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en gaat deze bepaling niet verder dan nodig is voor het bereiken van dat doel?
a) Vaststelling van de omvang van de evenredigheidstoetsing
36.
Vooraf dient te worden geantwoord op de vraag van de verwijzende rechter of de evenredigheidstoetsing die moet worden verricht om vast te stellen in hoeverre een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 aanvaardbaar is, identiek dient te zijn aan de evenredigheidstoetsing die kan worden verricht in het kader van het toezicht op de naleving van artikel 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
37.
Dienaangaande lijkt het mij logisch te bevestigen dat wel degelijk dezelfde toetsing moet worden verricht als in het geval van een inbreuk op een van de door het Verdrag gewaarborgde economische vrijheden, hetgeen duidelijk blijkt uit de bewoordingen zelf die het Hof in zijn arresten Demir57. en Dogan58. heeft gehanteerd om deze toetsing te omschrijven. Dit kan mede worden verklaard door het feit dat het Hof er onmiskenbaar en bewust voor gekozen heeft om — met name in het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) — zijn redenering niet af te stemmen op de fundamentele rechten, maar integendeel op de economische vrijheden die Turkse onderdanen, onder de voorwaarden die worden gesteld in de bepalingen inzake de Associatie EEG-Turkije, genieten en waarvan gezinshereniging slechts een ‘logisch uitvloeisel’ of ‘verlengstuk’ is. 59.
38.
Ik herhaal60. dat de kwalificatie van § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet als een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 niet impliceert dat rechtstreeks inbreuk wordt gemaakt op het recht op gezinshereniging van de vader van verzoeker in het hoofdgeding. Daarentegen impliceert zij dat de hem geboden mogelijkheid om op het grondgebied van een lidstaat van de Unie een werkzaamheid in loondienst uit te oefenen en te blijven uitoefenen, ongunstig kan worden beïnvloed doordat zijn minderjarige zoon, over wie hij het gezag uitoefent, zich niet of moeilijker bij hem zal kunnen voegen. Net zoals het onderzoek naar het bestaan van een nieuwe beperking steeds is verricht uit het oogpunt van het vrije verkeer van Turkse werknemers zoals de vader van verzoeker in het hoofdgeding, moet het bestaan van een eventuele rechtvaardiging van die beperking worden onderzocht op dezelfde wijze als die waarop wordt onderzocht of belemmeringen van dit vrije verkeer gerechtvaardigd zijn.
39.
Dat bij de uitlegging van artikel 13 van besluit nr. 1/80 dezelfde toetsing wordt verricht als die welke het Hof verricht in geval van een belemmering van het vrije verkeer, lijkt mij geen te verregaande gelijkstelling in te houden van de aan Turkse werknemers respectievelijk Unieburgers toegekende rechten, aangezien de partijen bij de Associatieovereenkomst hoe dan ook overeengekomen zijn zich te laten leiden door de bepalingen van het Verdrag over het vrije verkeer van werknemers61. en het Hof heeft geoordeeld dat de in het kader van die bepalingen erkende beginselen zoveel mogelijk moeten worden toegepast op Turkse onderdanen die de bij besluit nr. 1/80 toegekende rechten genieten62..
40.
Na deze precisering dient thans te worden overgegaan tot het onderzoek van § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet.
b) Toepassing op het onderhavige geval
41.
Volgens de verwijzende rechter en de Deense regering in haar opmerkingen verlangt § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet van een minderjarig kind dat een verblijfsvergunning aanvraagt om zich bij een reeds in Denemarken gevestigde ouder te voegen, dat het een zodanige binding met Denemarken heeft of kan krijgen dat er een basis is voor een geslaagde integratie in het land. Dit — aan kinderen ouder dan zes jaar63. — opgelegde vereiste geldt slechts voor aanvragen die worden ingediend ten minste twee jaar nadat de in Denemarken woonachtige ouder zijn definitieve verblijfsvergunning heeft verkregen en wanneer het kind bovendien met zijn andere ouder in het land van herkomst woont. Volgens de Deense wetgever strekt een dergelijk vereiste ertoe te voorkomen dat de ouders ervoor kiezen het kind in het land van herkomst te laten, zodat het een opvoeding krijgt die in overeenstemming is met de cultuur van dat land en het niet wordt doordrongen van de Deense normen en waarden.
42.
Zowel uit de toelichtingen bij het ontwerp van de vreemdelingenwet als uit de nota's over de praktijk, die deels in het dossier zijn opgenomen, blijkt dat de beoordeling die de bevoegde Deense autoriteiten dienen te verrichten om uit te maken of de aanvrager een toereikende binding met Denemarken heeft, een discretionaire beoordeling is waarbij rekening wordt gehouden met tal van criteria teneinde een soort diagnose en/of prognose te stellen met betrekking tot de integratiekansen van de aanvrager.
43.
Daartoe moet rekening worden gehouden met alle beschikbare informatie over de duur en de aard van het verblijf van het kind in Denemarken en in zijn land van herkomst, de plaats waar het kind het grootste deel van zijn kinderjaren heeft doorgebracht, de plaats waar het naar school is gegaan64. en de talen die het beheerst. Voorts moeten de Deense autoriteiten vaststellen of het kind zodanig doordrongen is van de Deense normen en waarden dat het een toereikende binding met de Deense samenleving heeft of kan krijgen. Tevens wordt rekening gehouden met de mate van integratie van de reeds in Denemarken aanwezige ouder en de hechtheid van diens band met de Deense samenleving alsook met de werkelijke aard van zijn betrekkingen met de aanvrager65..
44.
De Deense autoriteiten hebben geen beoordelingsbevoegdheid in een reeks uitzonderlijke gevallen waarin het niet nodig is aan te tonen dat er een zodanige binding met Denemarken bestaat dat er een basis is voor een geslaagde integratie in dat land. In beginsel wordt in de volgende gevallen een verblijfsvergunning aan het kind afgegeven, ook al wordt de aanvraag ingediend meer dan twee jaar nadat de reeds in deze lidstaat aanwezige ouder zijn verblijfsvergunning heeft verkregen: het kind, de in het land van herkomst woonachtige ouder of de in Denemarken woonachtige ouder is ziek of ernstig gehandicapt; de in Denemarken woonachtige ouder was tot nog toe niet op de hoogte van de exacte verblijfplaats van het kind; de in Denemarken verblijvende ouder voldoet alsnog aan de voorwaarden inzake levensonderhoud en domicilie; de in Denemarken woonachtige ouder kan hoe dan ook niet verblijven in het land van herkomst of een ander land waar zijn kind woont; de weigering om gezinshereniging toe te staan lijkt in strijd te zijn met de internationale verplichtingen van Denemarken of met de belangen van het kind in de zin van het op 20 november 1989 ondertekende en door alle lidstaten geratificeerde Verdrag van New York inzake de rechten van het kind.
45.
Daarentegen moet de aanvraag worden afgewezen indien de autoriteiten constateren dat de in Denemarken woonachtige ouder het kind willens en wetens niet heeft laten overkomen, opdat het een opvoeding krijgt die in overeenstemming is met de cultuur van het land van herkomst. Er wordt dan ook rekening gehouden met de leeftijd van de aanvrager, in die zin dat slechts om toestemming voor gezinshereniging kan worden verzocht zolang de aanvrager de leeftijd van 15 jaar niet heeft bereikt.
46.
Gelet op de aldus uiteengezette ratio legis van § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet lijkt deze bepaling evenwichtig, aangezien de Deense autoriteiten weliswaar elk geval discretionair beoordelen, maar daarbij rekening moeten houden met tal van criteria. Bovendien hoeft in bepaalde gevallen niet te worden aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van een toereikende binding met de Deense samenleving of dat een dergelijke binding tot stand kan worden gebracht.
47.
Dat het vereiste van een toereikende binding niet automatisch geldt, volstaat volgens de Deense regering om de in het geding zijnde wetgeving als evenredig aan te merken, in overeenstemming met wat het Hof in het arrest Dogan66. zou hebben geoordeeld. Weliswaar heeft het Hof in dit arrest geoordeeld dat een bepaling op grond waarvan de aanvraag bij gebrek aan bewijs van voldoende taalkennis automatisch wordt afgewezen, zonder dat rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, verder gaat dan nodig is voor het bereiken van het nagestreefde doel67., maar daaruit kan niet worden afgeleid dat een maatregel waarbij die omstandigheden wel moeten worden onderzocht, alleen al om die reden de evenredigheidstoets doorstaat68..
48.
Aangezien de redenering over de evenredigheid van § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet moet worden voortgezet, is het van belang de systematiek te onderzoeken die aan deze bepaling ten grondslag ligt. Het is duidelijk dat zowel uit de bewoordingen ervan als uit de nationale praktijk blijkt dat zij berust op de fundamentele en mijns inziens moeilijk te weerleggen veronderstelling dat culturen onverenigbaar zijn. Het in een derde staat geboren en opgevoede kind zou bijna van nature niet meer geïntegreerd kunnen worden. Ik merk eveneens op dat van de aanvragers wordt verlangd dat zij aantonen dat zij in een bepaalde mate zijn doordrongen van de Deense normen en waarden, die nergens worden omschreven. Gesteld dat de vreemdelingenwet geldt voor bijvoorbeeld Amerikaanse onderdanen, zouden de Deense autoriteiten dan dezelfde gestrengheid aan de dag leggen bij de beoordeling van een ‘niet tijdig’ verzoek om toestemming voor gezinshereniging? Zouden zij dan met dezelfde vastberadenheid het verwijt uiten dat het kind willens en wetens zo lang mogelijk in zijn cultuur van herkomst wordt gehouden, waardoor zijn integratiekansen tot nul worden herleid?
49.
Eerlijk gezegd ben ik dan ook niet overtuigd van het verband dat wordt gelegd tussen een langdurig verblijf in een derde staat en de onmogelijkheid van integratie. Er mag niet uit het oog worden verloren dat de economische situatie van deze gezinnen vaak de reden is waarom frequentere verblijven in Europa uitblijven, en dat het daarbij niet alleen gaat om een hypothetische culturele voorkeur, maar ook en misschien vooral om reële economische dwang.
50.
Het in de stelsels voor de aanvraag van een verblijfsvergunning gemaakte onderscheid tussen enerzijds — automatisch aanvaarde — aanvragen die worden ingediend binnen de twee jaar nadat aan de in Denemarken woonachtige ouder een verblijfsvergunning is afgegeven, en anderzijds aanvragen die na deze termijn van twee jaar worden ingediend, overtuigt mij evenmin. Het komt mij voor dat het verstrijken van die termijn niets van doen heeft met het vooruitzicht op toekomstige integratie, temeer daar hier sprake is van minderjarige kinderen. De nationale maatregel lijkt mij in dit opzicht een zeker gebrek aan samenhang te vertonen met het beweerdelijk nagestreefde doel.
51.
Laten we namelijk aannemen dat Genc zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verkreeg toen zijn zoon zevenenhalf jaar was. Laten we voorts aannemen dat deze zoon nooit in Denemarken heeft verbleven, heel zijn kindertijd in Turkije heeft doorgebracht en enkel Turks spreekt, zoals in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn. Laten we tevens aannemen dat dit kind zijn aanvraag indiende op de leeftijd van tien jaar. Kunnen deze zes extra69. in Turkije doorgebrachte maanden de kansen van het kind op integratie in de Deense samenleving dermate veranderen dat het voortaan een toereikende binding moet aantonen, terwijl het tot zijn negenenhalf jaar waarschijnlijk een verblijfsvergunning had verkregen hoewel het toen geen nauwere band had met Denemarken?
52.
Indien § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet er veeleer toe strekt niet tijdige gezinshereniging te bestrijden, komt het mij voor dat de vaststelling van een leeftijdscriterium geschikter, zij het niet toereikend, is.
53.
Ten slotte stel ik vast dat de Deense autoriteiten weliswaar, zoals ik eerder heb gezegd, een ‘diagnose’ dienen te stellen met betrekking tot de mate van assimilatie van het kind, maar dat deze diagnose niet vergezeld gaat van enige ‘therapeutische’ maatregel, om de medische metafoor door te trekken. In plaats dat een verblijfsvergunning wordt geweigerd wegens pessimistische vooruitzichten op integratie, is het denkbaar dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgegeven waarvan de verlenging afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat het kind een Deense taalcursus of een Deense cursus maatschappijleer volgt.
54.
Wanneer de Deense autoriteiten dienen te beslissen over de afgifte van een verblijfsvergunning op grond van § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet, laten zij zich in hun beoordeling weliswaar leiden door tal van criteria, maar deze criteria zijn te talrijk en zijn bovendien onvoldoende nauwkeurig om voorzienbaar te zijn en een administratieve praktijk van stelselmatige weigering te voorkomen. Ik herhaal dat ik het bijvoorbeeld bijzonder problematisch vind dat niet wordt uiteengezet waarin de Deense normen en waarden bestaan. De criteria waarin de beoordeling van de Deense autoriteiten haar grondslag dient te vinden, worden opgesomd in de toelichtingen, maar over de meeste van deze criteria wordt gezegd dat zij, op zichzelf beschouwd, niet doorslaggevend zijn70., zodat de vraag rijst of zij niet cumulatief zijn, in welk geval te strenge eisen worden gesteld. Voorts strookt de toepassing van deze criteria, zoals ik eerder heb opgemerkt, niet noodzakelijkerwijs volledig met het nagestreefde doel, aangezien niet echt wordt aangetoond waarom de niet-voldoening aan die criteria een ernstig en onoverkomelijk beletsel vormt voor de geslaagde integratie van het minderjarige kind.
55.
Om al deze redenen verzoek ik het Hof te oordelen dat de nieuwe beperking die wordt gevormd door § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet verder gaat dan nodig is om het doel van een geslaagde integratie te bereiken. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 zich verzet tegen een na de inwerkingtreding van dat besluit ingevoerde bepaling op grond waarvan minderjarige kinderen die toestemming vragen om zich bij hun Turkse ouder te voegen die in Denemarken een werkzaamheid in loondienst uitoefent, wanneer er een termijn van twee jaar is verstreken nadat die ouder zijn verblijfsvergunning heeft verkregen, moeten aantonen dat zij een toereikende binding met deze lidstaat hebben of kunnen krijgen.
III — Conclusie
56.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vragen van het Østre Landsret te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarvan vaststaat dat zij de hereniging van een legaal op het grondgebied van een lidstaat gevestigde Turkse werknemer met zijn minderjarige kinderen bemoeilijkt door de voorwaarden voor hun eerste toelating tot het grondgebied van de betrokken lidstaat strenger te maken ten opzichte van de voorwaarden die golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat is vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, vormt een nieuwe beperking van de uitoefening van het vrije verkeer van Turkse werknemers in de zin van artikel 13 van dat besluit.
- 2)
Artikel 13 van besluit nr. 1/80 verzet zich tegen een na de inwerkingtreding van dat besluit ingevoerde bepaling op grond waarvan minderjarige kinderen die toestemming vragen om zich bij hun Turkse ouder te voegen die in Denemarken een werkzaamheid in loondienst uitoefent, wanneer er een termijn van twee jaar is verstreken nadat die ouder zijn verblijfsvergunning heeft verkregen, moeten aantonen dat zij een toereikende binding met deze lidstaat hebben of kunnen krijgen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑01‑2016
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB L 1964, 217, blz. 3685.
Bij lov nr. 427 om ændring af udlændingeloven og integrationsloven (wet nr. 427 tot wijziging van de vreemdelingenwet en van de integratiewet) van 9 juni 2004.
Aldus luidde § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet ten tijde van de feiten, na de wijziging ervan bij lov nr. 324 om ændring af udlændingeloven, lov om ægteskabs indgåelse og opløsning og repatrieringsloven (wet nr. 324 tot wijziging van de vreemdelingenwet, de wet betreffende de sluiting en ontbinding van huwelijken, alsook de repatriëringswet) van 18 mei 2005. Deze bepaling is voorts gewijzigd in 2012 en vervolgens overgebracht naar § 9, lid 16, van die wet. In de onderhavige conclusie zal ik echter blijven verwijzen naar § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet, omdat dit het Deense recht vormt zoals dat van toepassing was toen het bestuur voor het eerst op Gencs aanvraag besliste. Voorts moet worden aangetekend dat deze bepaling sinds de wetswijziging in 2012 niet langer van toepassing is op verzoeken om een verblijfsvergunning die worden ingediend door of namens kinderen beneden de leeftijd van zes jaar.
PB L 293, blz. 1.
C-138/13, EU:C:2014:2066.
C-138/13, EU:C:2014:2066.
C-221/11, EU:C:2013:583.
Ten aanzien van de respectievelijke werkingssfeer van artikel 13 van besluit nr. 1/80 en artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat, ofschoon ‘deze twee bepalingen een identieke betekenis hebben, […] aan elk daarvan niettemin een eigen gebied [is] toegewezen, zodat zij niet tegelijkertijd kunnen worden toegepast’ [arrest Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
Arrest Savas (C-37/98, EU:C:2000:224, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 91).
Arrest Ziebell (C-371/08, EU:C:2011:809, punt 63).
Zie artikel 12 van de Associatieovereenkomst. Zie ook arresten Savas (C-37/98, EU:C:2000:224, punt 63), Ziebell (C-371/08, EU:C:2011:809, punt 65) en Demirkan (C-221/11, EU:C:2013:583, punt 50).
Arrest Derin (C-325/05, EU:C:2007:442, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 90).
Arrest Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:570, punt 69).
Zie arresten Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 72), Commissie/Nederland (C-92/07, EU:C:2010:228, punt 48), Toprak en Oguz (C-300/09 en C-301/09, EU:C:2010:756, punt 52) en Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734, punt 94).
Arresten Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 70) en Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734, punt 81).
Arresten Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 71) en Commissie/Nederland (C-92/07, EU:C:2010:228, punt 48).
Arresten Toprak en Oguz (C-300/09 en C-301/09, EU:C:2010:756, punt 54) en Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734, punt 94).
Arrest Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 73).
Arrest Toprak en Oguz (C-300/09 en C-301/09, EU:C:2010:756, punt 54).
Zie naar analogie arresten Tum en Dari (C-16/05, EU:C:2007:530, punt 55) en Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734, punt 89).
Arresten Savas (C-37/98, EU:C:2000:224, punt 47), Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 58), Tum en Dari (C-16/05, EU:C:2007:530, punt 46) en Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734, punt 87).
Arrest Demirkan (C-221/11, EU:C:2013:583, punt 58).
Zie naar analogie arresten Savas (C-37/98, EU:C:2000:224, punt 64) en Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 62).
Zie naar analogie arrest Tum en Dari (C-16/05, EU:C:2007:530, punt 54).
Arrest Unal (C-187/10, EU:C:2011:623, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Savas (C-37/98, EU:C:2000:224, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest Demirkan (C-221/11, EU:C:2013:583, punt 55).
Arrest Demir (C-225/12, EU:C:2013:725, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie voor een soortgelijk oordeel van het Hof, in verband met de standstillclausule van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol, arresten Savas (C-37/98, EU:C:2000:224, punt 69), Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 66), Soysal en Savatli (C-228/06, EU:C:2009:101, punt 47) en Demirkan (C-221/11, EU:C:2013:583, punt 39). Volledigheidshalve voeg ik er ten slotte aan toe dat de vraag of er sprake is van een nieuwe beperking moet worden beantwoord aan de hand van ofwel de datum van inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in de betrokken lidstaat ofwel de datum waarop nadien aangenomen gunstigere wetgeving in werking is ingetreden; zie arresten Toprak en Oguz (C-300/09 en C-301/09, EU:C:2010:756, punten 49 en 56) en Dereci e.a. (C-256/11, EU:C:2011:734, punt 94).
Arrest Demir (C-225/12, EU:C:2013:725, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
C-138/13, EU:C:2014:2066.
Arrest Derin (C-325/05, EU:C:2007:442, punt 64).
Zie met name arrest Pehlivan (C-484/07, EU:C:2011:395, punt 45).
Arresten Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 77) en Dülger (C-451/11, EU:C:2012:504, punt 48).
Zie arresten Dülger (C-451/11, EU:C:2012:504, punt 42) en Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066, punt 34).
C-451/11, EU:C:2012:504.
Zie arrest Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 82).
Arrest Abatay e.a. (C-317/01 en C-369/01, EU:C:2003:572, punt 84).
C-138/13, EU:C:2014:2066.
Zie punt 32 van het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066) en punten 20 e.v. van mijn conclusie in deze zaak (C-138/13, EU:C:2014:287).
C-138/13, EU:C:2014:2066.
C-300/09 en C-301/09, EU:C:2010:756.
C-221/11, EU:C:2013:583.
Zie punt 23, en aldaar aangehaalde rechtspraak, van mijn conclusie in de zaak Dogan (C-138/13, EU:C:2014:287).
Zie naar analogie arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066, punt 35).
Zie punt 2.6 van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Hoewel de Deense regering betwist dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 op dit soort wetgeving kan worden toegepast, erkent zij dat § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet, welke bepaling in 2004 is ingevoerd, een aanscherping van de vroegere Deense wetgeving en dus een nieuwe beperking vormt.
Arrest Demir (C-225/12, EU:C:2013:725, punt 40).
Zie punt 41 van mijn conclusie in de zaak Dogan (C-138/13, EU:C:2014:287) en punt 37 van het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066).
Arrest Demir (C-225/12, EU:C:2013:725, punt 41).
Zie punt 38 van het arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066).
Bijwijlen werd het Hof wat dit betreft een zeker gebrek aan strengheid verweten; zie Hatzopoulos, V., ‘Exigences essentielles, impératives ou impérieuses: une théorie, des théories ou pas de théorie du tout?’, Revue trimestrielle de droit européen, 1998, blz. 191; Martin, D., ‘Discriminations, entraves et raisons impérieuses dans le traité CE: trois concepts en quête d'identité», Cahiers de droit européen, 1998, blz. 261 en blz. 561; Barnard, C., ‘Derogations, justifications and the four freedoms: is state interest really protected?’, in The outer limits of European Union law, Hart Publishing, 2009, blz. 273.
C-225/12, EU:C:2013:725.
C-138/13, EU:C:2014:2066. Zie voor een niet-exhaustieve lijst van dwingende redenen van algemeen belang met name overweging 40 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376, blz. 36).
Zie met name artikel 79, lid 4, VWEU. De bevordering van een geslaagde integratie zou tevens in verband kunnen worden gebracht met de doelstelling van economische en sociale samenhang, die niet alleen wordt vermeld in de artikelen 4, lid 2, onder c), VWEU en 174, eerste alinea, VWEU, maar ook in de overwegingen 4 en 15 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251, blz. 12). Ik merk tevens op dat advocaat-generaal Kokott in een andere context heeft erkend dat een wettelijke regeling die gericht is op de integratie van personen die zijn overgekomen in het kader van gezinshereniging, legitieme doelen nastreeft [zie punten 33 en 34 van de conclusie van advocaat-generaal Kokott in zaak K en A (C-153/14, EU:C:2015:186)].
C-225/12, EU:C:2013:725.
C-138/13, EU:C:2014:2066.
Gazin, F., ‘Regroupement familial dans le cadre de l'accord d'association UE-Turquie’, Europe, oktober 2014, commentaar 394.
Zie punt 27 van de onderhavige conclusie.
Zie artikel 12 van de Associatieovereenkomst.
Zie bijvoorbeeld arresten Nazli (C-340/97, EU:C:2000:77, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en Ziebell (C-371/08, EU:C:2011:809, punten 58, 66 en 68).
Sinds de wetswijziging in 2012.
Uit een gedeeltelijk in het verzoek om een prejudiciële beslissing weergegeven nota die de praktijk inzake § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet beschrijft, blijkt evenwel dat een verblijf of schoolbezoek in Denemarken van minder dan één jaar niet in aanmerking wordt genomen.
Dat de reeds in Denemarken aanwezige ouder het gezag over het kind uitoefent, is evenwel niet doorslaggevend. In de praktijk lijkt evenmin belang te worden gehecht aan de vraag of de integratie van de kinderen die zich reeds bij hun in Denemarken aanwezige ouder hebben gevoegd, al dan niet geslaagd is.
C-138/13, EU:C:2014:2066.
Zie arrest Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066, punt 38).
Het is eveneens interessant op te merken dat Gencs vertegenwoordiger ter terechtzitting heeft verklaard dat geen enkele vrijstelling is verleend van de verplichting om een toereikende binding met de Deense samenleving aan te tonen en dat in de praktijk alle op § 9, lid 13, van de vreemdelingenwet gebaseerde aanvragen zijn afgewezen.
Ten opzichte van de datum tot welke hij een aanvraag kon indienen zonder dat het bewijs van een toereikende binding werd verlangd.
Dit blijkt in elk geval uit de nota waarin de praktijk van 2007 wordt beschreven.