Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.1
4.1 Inleiding
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476856:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/288.
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 915. Vgl. art. 1370 BW (oud).
Art. 6:227 BW. Zie daarover Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/285-287.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/288; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/20 en 307. Art. 1507 BW (oud) (de koop en verkoop van andersmans goed is nietig) leek een beletsel te vormen voor de verkoop van toekomstige goederen, maar dit artikel werd niet strikt toegepast. Zie HR 29 mei 1981, NJ 1982/25, m.nt. C.J.H. Brunner (Ilgun/Turk), alsmede HR 2 juni 1922, NJ 1922/851 en HR 27 juni 1941, NJ 1941/943.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/309.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 384 en TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 382 en 401.
136. Toekomstige goederen geven in het verbintenissenrecht nauwelijks aanleiding tot problemen. Zo kunnen overeenkomsten simpelweg betrekking hebben op toekomstige goederen, ongeacht hoe zeker het is dat zij door een van de contractspartijen zullen worden verkregen.1 Een uitdrukkelijke bevestiging is in het huidige wetboek als overbodig weggelaten.2 In dit verband is voldoende dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar zijn.3 In beginsel staat dan ook niets eraan in de weg dat de ene partij goederen verkoopt aan een andere partij die hij – door fabricage, inkoop of anderszins – nog dient te verkrijgen.4
Toekomstige goederen kunnen ook het voorwerp zijn van goederenrechtelijke handelingen. In tegenstelling tot de verbintenisrechtelijke pendant, was dit uitgangspunt ten tijde van de totstandkoming van het BW niet zo evident dat een expliciete wettelijke erkenning achterwege kon blijven. Met art. 3:97 lid 1 BW heeft de wetgever de mogelijkheid om toekomstige goederen bij voorbaat te leveren tot een uitgangspunt van het goederenrecht genomen. Op grond van de schakelingbepaling van art. 3:98 BW geldt hetzelfde voor de vestiging van een beperkt recht op een toekomstig goed.
De levering bij voorbaat is echter niet onbeperkt mogelijk. Zij is in algemene zin onderworpen aan de vereisten die aan iedere levering worden gesteld, zoals het vereiste van voldoende bepaaldheid ten aanzien van toekomstige goederen. Ook zijn enkele typen goederen, waaronder registergoederen, uitgesloten van de levering bij voorbaat op grond van art. 3:97 lid 2 BW. Aan deze aspecten wordt in § 4.2 aandacht geschonken.
Met de woorden “bij voorbaat” wordt tot uitdrukking gebracht dat de – krachtens art. 3:84 lid 1 BW voor overdracht vereiste – levering alvast kan worden verricht, in afwachting van de verkrijging van het desbetreffende goed door de vervreemder en daarmee diens beschikkingsbevoegdheid.5 Vooruitlopend op de toekomstige hoedanigheid van rechthebbende, kan de levering reeds nu (voorwaardelijk) worden voltooid door de vervulling van de daarvoor gestelde vereisten.6 De levering bij voorbaat heeft daardoor een anticiperend karakter. Is de levering bij voorbaat eenmaal verricht, dan heeft zij – naar haar aard – geen onmiddellijke overdracht van het geleverde goed tot gevolg. Haar voornaamste rechtsgevolgen zijn dat de beoogde verkrijger krachtens de levering bij voorbaat kan verkrijgen zodra het goed wordt verkregen door de vervreemder, zonder dat daartoe een nadere handeling is vereist en zonder dat de vervreemder tussentijds deze werking aan de levering (eenzijdig) kan ontnemen.
De dogmatische inbedding van de figuur binnen het goederenrecht en enkele van haar rechtsgevolgen zijn niet geheel duidelijk. De rechtsgevolgen van een levering bij voorbaat worden uitgediept in § 4.3. Daarop aansluitend wordt in § 4.4 antwoord gegeven op de vraag in hoeverre rechtsposities van partijen bij een bij voorbaat verrichte levering vatbaar zijn voor overgang. De nadere verkenning van de algemene aspecten en rechtsgevolgen vormen de opmaat tot de juridische karakterisering van de levering bij voorbaat in § 4.5.